CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

13. Technische vragen en antwoorden RV 6e wijziging IVSD - aanvullend

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein1.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN – vanuit de raadscommissie Raadscyclus:

Februari 2026

Naam fractie:

GroenLinksPvdA

Onderwerp:

Raadsvoorstel 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein

Vragen GroenLinksPvdA In de commissie is door de portefeuillehouder aangegeven dat de volgende vraag schriftelijk wordt beantwoord: -

Betekent lid 6 van artikel 2.1.13 Regels voor een PGB dat een budgethouder uitgesloten wordt van de uitvoering van de PGB?

Antwoord: Het is niet zo dat een budgethouder wordt uitgesloten van de uitvoering van het PGB. De Budgethouder is een persoon die zorg nodig heeft en daarvoor een pgb ontvangt. Soms is de cliënt niet of onvoldoende in staat om aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. In dat geval kan een vertegenwoordiger worden ingeschakeld. De vertegenwoordiger dient echter in staat te zijn om de belangen van de cliënt te behartigen, de zorgverlener aan te sturen en de beheerstaken te vervullen. De vertegenwoordiger die tevens de zorgverlener is, kan vanwege de belangenverstrengeling niet in staat worden geacht met voldoende afstand en kritisch zichzelf aan te sturen, de eigen uren en inzet te controleren en de belangen van de cliënt onafhankelijk te behartigen. In artikel 2.1.13 is daarom – kort samengevat - bepaald dat geen pgb wordt verstrekt indien de vertegenwoordiger van de cliënt tevens de zorgverlener is.

TECHNISCHE VRAGEN Raadscyclus:

Februari 2026

Naam fractie:

SP

Onderwerp:

Raadsvoorstel 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein

Vragen SP 1. In het raadsvoorstel zien we staan dat "Uit jurisprudentie blijkt dat dergelijke bepalingen altijd in de verordening zelf moeten worden vastgelegd, omdat ze rechtstreeks raken aan de rechten en plichten van inwoners". Tegelijk zien we staan “Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening”. Is dit specifiek genoeg en laat dit daarmee voldoende zien wat de rechten en plichten van inwoners zijn? 2. Met betrekking tot de PGB staat er "Ook voldoet gemeente Veenendaal daarmee niet aan recente jurisprudentie over onder andere het opnemen van bepalingen omtrent de criteria voor de toekenning van een pgb". Om welke bepalingen gaat het en heeft dit rechtstreekse gevolgen voor de (inwoners van de) gemeente Veenendaal? 3. In het raadsvoorstel staat "De afbakening in de verordening is op bepaalde punten vooruitlopend op hetgeen landelijk of in andere gemeentelijke verordeningen is geregeld. Met de bepalingen in de verordening zijn de randen van de wettelijke kaders opgezocht. Hierbij is extern juridisch advies ingewonnen. De verwachting is dat wij binnen de juridische kaders blijven, maar aangezien Veenendaal op bepaalde aspecten vooroploopt is hier geen volledige duidelijkheid over.". Om welke aspecten gaat het en heeft dit effect op de begroting? En wanneer verwacht men hier volledige duidelijkheid over?

Antwoorden

1. U verwijst in deze vraag naar de onderdelen uit het huidige besluit die zijn verplaatst naar de Verordening. Het gaat dan met name over de aanvullende voorwaarden bij een vervoersvoorziening (artikel 2.1.10e.) In dit artikel wordt een maximum aantal kilometers genoemd dat kan worden toegekend. Het maximumaantal kilometers dat kan worden toegekend voor collectief vervoer is een beperking van het recht van de client. Om die reden moet dit in de verordening worden opgenomen. Op grond van de Wmo kan een voorziening worden toegekend om beperkingen in de zelfstandigheid en participatie te compenseren. Het college kan hierbij volstaan met de goedkoopst adequate voorzieningen die de belemmeringen compenseert. De begrippen ‘zelfstandigheid’ en ‘participatie’ behoeven nadere concretisering en zijn daarom in de beleidsregels uitgewerkt. Ook wordt de term ‘goedkoopst adequaat’ nader uitgewerkt in de beleidsregels door het opnemen van voorbeelden, zoals het toekennen van een tweedehands voorziening i.p.v. het verstrekken van nieuwe voorziening. 2. Criteria voor de toekenning van een pgb moeten in de verordening staan. Tot op heden waren deze opgenomen in het besluit. Deze criteria zijn nu opgenomen in artikel 2.1.13 van de verordening: ‘Regels voor een pgb’.

De gevolgen van het opnemen van deze criteria zijn dat de inwoner beter inzicht heeft in de eisen die het college stelt aan een pgb-beheerder en aan de zorg waaraan het pgb mag worden besteed. Een aantal eisen was niet in het besluit opgenomen maar werden al wel gehanteerd op grond van jurisprudentie. Dit zijn met name criteria om fraude tegen te gaan. Bijvoorbeeld de eis dat er geen directe relatie mag bestaan (zakelijk of familiair) tussen de pgb-vertegenwoordiger en de zorgverlener. Omdat we al handelden volgens de jurisprudentie verandert er feitelijk niks voor de inwoner. 3. Het gaat hier specifiek om de afbakening van het begrip eigen kracht (artikel 3.1.9a van de verordening) en de concretisering van ‘redelijke waardering van de belangen ter zake’ uit artikel 8.1.1, tweede lid, onder a van de Jeugdwet. Eigen Kracht Zoals toegelicht op de raadsavond van 6 januari jl. is gemeente Veenendaal met artikel 3.1.9a, voor zover bekend, de enige gemeente in Nederland die het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp heeft losgelaten. In de praktijk leidde dit onderscheid bij het CJG regelmatig tot discussies over het al dan niet gebruikelijk zijn van hulp. Dit terwijl het feit dat hulp gebruikelijk is niet per definitie betekent dat er geen sprake kan zijn van een aanspraak op jeugdhulp.

En andersom, indien hulp bovengebruikelijk is brengt dit nog niet mee dat deze hulp per definitie door de gemeente als jeugdhulp dient te worden aangeboden. Daarom is in de nieuwe verordening het begrip ‘eigen kracht’ ingekaderd aan de hand van het uitwerken van de twee componenten van eigen kracht; 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Daarbij wordt de wettelijke verantwoordelijkheid van de ouders voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen conform artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek centraal gesteld. Bij de beoordeling of de eigen kracht toereikend is om de hulpvraag op te lossen, wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, maar ligt de focus op het in kaart brengen van objectieve belemmeringen die de ouders ervan weerhouden om te voldoen aan hun wettelijke plicht de kinderen te verzorgen en op te voeden. Daarbij worden tevens de mogelijkheden geïnventariseerd die de ouders hebben om de eventuele belemmeringen zelf weg te nemen. Slechts wanneer

de belemmeringen niet volledig kunnen worden weggenomen, kan een voorziening op grond van de Jeugdwet worden toegekend. Deze invulling van het begrip eigen kracht biedt strakkere kaders dan de huidige verordening en kan daarmee leiden tot het vaker afwijzen van een individuele voorziening. Deze invulling van het begrip eigen kracht brengt daarmee een mogelijk besparingspotentieel met zich mee. Indien deze invulling juridisch niet houdbaar blijkt, kan niet afgewezen worden op grond van eigen kracht. Volledige duidelijkheid over de juridische houdbaarheid van deze invulling van eigen kracht kan enkel gegeven worden door rechterlijke toetsing in geval een casus die is afgewezen op grond van artikel 3.1.9a, voor de rechter wordt gebracht middels een beroepsprocedure aangespannen door de jeugdige of zijn ouders. Redelijke waardering van de belangen ter zake In artikel 3.1.12 van de verordening zijn de regels voor een pgb opgenomen. In het derde lid is bepaald dat een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb budget niet tevens de zorgverlener kan zijn. In het zesde lid is daarbij geconcretiseerd dat, indien de ouder van de jeugdige zelf optreedt als zorgverlener, deze een vertegenwoordiger moet aanwezen om het pgb te beheren. Deze bepalingen vormen een concretisering van artikel 8.1.1, tweede lid, onder a van de Jeugdwet.

In dit artikel is bepaald dat de jeugdige of zijn ouders in het kader van een pgb, voldoende in staat moeten zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zaken. Indien de zorgverlener en de vertegenwoordiger eenzelfde persoon zijn, kan er sprake zijn van belangenverstrengeling tussen de aansturende rol (vertegenwoordiger die de belangen van het kind behartigt) en de aangestuurde rol (zorgverlener). Daarom is deze combinatie van rollen in 1 persoon uitgesloten in artikel 3.1.12. Het is mogelijk dat deze concretisering van het begrip ‘redelijke waardering van de belangen ter zake’ uit de Jeugdwet een te strikte uitleg vormt en dat een beoordeling per individuele casus vereist is. Indien dit geval is, biedt het zevende lid de grondslag voor een dergelijke afwijking van het hierboven benoemde uitgangspunt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16622331/1