1. 6e wijziging verordening Sociaal Domein - raadsvoorstel
Tekst van het document
Raadsvoorstel voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer
4004
Programma
3. Sociale leefomgeving
Ambtenaar
Anne van den Brink
Datum college
06-01-2026
Team
MO beleid (Maatschappelijk Ondersteuning-Beleid)
Datum Raad
26-02-2026
Aan de leden van de raad,
Beslispunten 1. De zesde wijziging van de Integrale verordening sociaal domein gemeente Veenendaal vast te stellen, conform bijgevoegd ontwerpbesluit.
Waarom naar de raad? Vanwege de kaderstellende en de verordenende bevoegdheid van de raad wordt de zesde wijziging van de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal (verder Wijzigingsverordening) ter vaststelling voorgelegd aan de raad.
Inleiding Sinds 2021 kent de gemeente Veenendaal een Integrale verordening sociaal domein (verder verordening). In deze verordening stelt de raad kaders aan de wijze waarop inwoners voor wie dat nodig is, ondersteund worden op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Periodiek worden wijzigingen in de verordening middels een wijzigingsverordening voorgelegd aan de raad. De wijzigingen zien toe op de onderdelen Algemene bepalingen, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet.
Samenvatting Er zijn enkele technische en inhoudelijke wijzigingen voorgesteld. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder verder uitgewerkt. Technische wijzigingen H.2 Maatschappelijke ondersteuning Tot nu toe kent de gemeente naast de verordening ook een Besluit maatschappelijke ondersteuning Veenendaal met nadere regels. Op grond van de wet stelt de gemeenteraad de verordening vast en
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
kan het college binnen die kaders nadere regels uitwerken. In het bestaande Besluit waren echter ook criteria en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen opgenomen. Uit jurisprudentie blijkt dat dergelijke bepalingen altijd in de verordening zelf moeten worden vastgelegd, omdat ze rechtstreeks raken aan de rechten en plichten van inwoners. Dit geldt ook voor de voorwaarden voor het persoonsgebonden budget (pgb). Omdat het pgb een manier is om een maatwerkvoorziening te verstrekken, horen de criteria en voorwaarden in de verordening zelf thuis. Daarom worden deze criteria en voorwaarden nu naar de verordening verplaatst en wordt het Besluit ingetrokken. Alleen voor het mantelzorgcompliment blijven nadere regels bestaan, omdat dit een beleidsmatige uitwerking van het college betreft en geen directe voorwaarden voor de toegang tot een voorziening. Met de aanpassingen in de verordening beogen we minimale beleidswijzigingen. Op basis van juridisch advies worden er met name een aantal correcties en tekstuele wijzigingen doorgevoerd. De definities zijn waar mogelijk geharmoniseerd. Deze zijn zoveel mogelijk beperkt gehouden en alleen opgenomen als dit de leesbaarheid en duidelijkheid vergroot.
Technische wijzigingen H.3 Jeugdhulp ➢ De definities zijn waar mogelijk geharmoniseerd. Deze zijn zoveel mogelijk beperkt gehouden en alleen opgenomen als dit de leesbaarheid en duidelijkheid vergroot en deze nog niet (voldoende) voortvloeien uit de Jeugdwet. Ook zijn zij op alfabetische volgorde geplaatst, zoals volgt uit de wetgevingssystematiek. ➢ De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Schulink, de online kennisbank voor gemeenten van uitgever Wolters Kluwer, publiceren periodiek hun eigen modelverordeningen. Deze verordening zijn juridisch getoetst en kunnen als voorbeeld dienen voor lokale verordeningen van gemeenten. Bij verscheidene artikelen (3.1.5, 3.1.6, 3.1.8, 3.1.11, 3.1.12b. 3.1.13, 3.1.14 en 2.1.15) is op basis van deze modelverordeningen het taalgebruik, de volgorde van artikelen, verwijderen van dubbellingen en andere lay-out gerelateerde onderdelen gewijzigd. Deze wijzigingen behelzen geen beleidswijzigingen. ➢ Tot nu toe kent de gemeente naast de verordening ook een Besluit Nadere regels toegang en toeleiding jeugdhulp Veenendaal. Op grond van de wet stelt de gemeenteraad de verordening vast en kan het college binnen die kaders nadere regels uitwerken. In deze nadere regels is opgenomen welke type algemeen toegankelijke en individuele voorzieningen beschikbaar zijn in Veenendaal.
Op basis van recente jurisprudentie dient een dergelijke bepaling in de verordening zelf te worden vastgelegd. Ook de bepaling uit de nadere regels omtrent cliëntvertegenwoordiging is verplaatst naar de verordening zelf, aangezien artikel 3.1.17 uit de verordening inhoudelijk hetzelfde regelt. Beide wijzigingen bevatten met de aanpassingen aan taal en lay-out in de verordening geen beleidswijzigingen. Daar de bepalingen in de nadere regels hiermee overbodig zijn geworden, zijn de betreffende grondslagen voor het treffen van nadere regels verwijdert uit de verordening zelf. Hiermee is er geen intrekkingsbesluit nodig en komen de nadere regels van rechtswege te vervallen.
Inhoudelijke wijzigingen H.2 Maatschappelijke ondersteuning ➢
Voorwaarden en criteria maatwerkvoorzieningen in de verordening Alle voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen (artikel 2.1.10 t/m 2.1.10k). Hiermee is duidelijker onder welke omstandigheden een voorziening wel of niet wordt verstrekt. Dit geeft inwoners en consulenten meer duidelijkheid over de kaders en maakt de verordening juridisch correct. De bestaande regeling voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of rolstoeltaxi vervalt. Deze regeling wordt in de praktijk al langere tijd niet meer
2 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
➢
➢
➢
➢
toegepast en sluit niet meer aan bij de huidige uitvoeringspraktijk. Met het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) en de mogelijkheid om onder voorwaarden vervoersvoorzieningen via een pgb in te zetten, zijn er voldoende passende alternatieven beschikbaar. Omdat de Wmo reeds voorziet in vervoersvoorzieningen via maatwerk (zoals CVV en pgb), is er geen wettelijke noodzaak om daarnaast een financiële tegemoetkoming voor eigen vervoer te handhaven. Gebruikelijke hulp verduidelijkt (artikel 2.1.10b) Er is een nieuw artikel toegevoegd dat omschrijft wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Dit sluit aan bij jurisprudentie in de Jeugdwet en maakt de regels ook voor de Wmo duidelijker. Pgb voorwaarden verduidelijkt De voorwaarden voor een pgb zijn verduidelijkt en integraal in de verordening opgenomen. Hieronder valt het verplichte budgetplan, kwaliteitseisen en waar een pgb niet voor mag worden ingezet. Hiermee wordt voorkomen dat er onduidelijkheden ontstaan in de uitvoering en wordt de rechtmatige besteding van pgb’s beter geborgd. Nieuw is de duidelijkere regeling over het onderscheid tussen professionele en niet-professionele zorg (artikel 2.1.12a) en voor vertegenwoordiging (artikel 2.1.13 lid 5 en lid 6). Dit voorkomt belangenverstrengeling en garandeert dat de vertegenwoordiger de pgb-taken onafhankelijk en zorgvuldig kan uitvoeren.
Toelichting De toelichting op de verordening is herschreven, zodat beter duidelijk is wat met de artikelen wordt bedoeld. Mantelzorgcompliment - nadere regels Voor het mantelzorgcompliment zijn de nadere regels uitgebreid en verduidelijkt. Tot nu toe was dit bepekt uitgewerkt. Nu is duidelijker vastgelegd wie in aanmerking komt, hoe het compliment wordt aangevraagd en uitgekeerd, en welke criteria gelden.
Inhoudelijke wijzigingen H.3 Jeugdhulp Volgend uit de besluitvorming op het raadsvoorstel ‘Hervormingsagenda: Grenzen aan onze Jeugdzorg’ (hierna: raadsvoorstel) wordt hoofdstuk drie van de integrale verordening sociaal domein op een aantal facetten aangescherpt. Dit is in het betreffende raadsvoorstel vanaf pagina 38 uiteengezet. Voor de volledigheid is in de was/wordt-tabel (bijlage 2) bij elk artikel aangegeven of dit volgt uit het raadsvoorstel, jurisprudentie of om andere redenen is gewijzigd en wat dit inhoudelijk betekent. Zie voor een uitgebreidere inhoudelijke toelichting ook hieronder: De wijzigingen in hoofdstuk drie van de integrale verordening sociaal domein komen voort uit het raadsvoorstel ‘Grenzen aan onze Jeugdzorg’. Bij de tekstvoorstellen is zoveel mogelijk aangesloten bij artikelen uit de nieuwste modelverordeningen van respectievelijk Schulink en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze verordeningen zijn reeds uitvoerig juridisch getoetst. Daarnaast zijn de nu voorliggende wijzigingen zowel intern (JZ) als extern (Tim Robbe en Bram Nooitgedacht, auteurs van ‘Verkenning Afbakening Jeugdhulpplicht’) juridisch getoetst. De belangrijkste wijzigingen behelzen: ➢ Algemene en individuele voorzieningen geconcretiseerd (artikel 3.1.2); De afbakening van algemene voorzieningen (maatregel 5.1 uit het raadsvoorstel) is verwerkt in artikel 3.1.2 eerste lid.
In het eerste lid zijn de algemene voorzieningen nader uitgesplitst. Op sommige onderdelen is afgeweken van de exacte bewoording zoals in het raadsvoorstel gepresenteerd. Indien is afgeweken van deze bewoording, is dat om de juridische houdbaarheid van deze bepaling te borgen. Ook zijn een aantal algemene voorzieningen,
3 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
zoals de ambulante hulpverlening door het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) zelf toegevoegd. Dit beslaat een uitbreiding van de lijst zoals deze in het raadsvoorstel is benoemd. Deze algemene voorzieningen zijn toegevoegd om te bekrachtigen dat het CJG ook zelf een algemeen toegankelijke voorziening is en niet enkel doorverwijst naar individuele jeugdhulpvoorzieningen, zoals ook beoogd in de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel. De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.2 tweede lid. In het tweede lid zijn de beschikbare vormen van individuele voorzieningen uitgesplitst. Er is bewust gekozen om deze uitsplitsing hoog-over te houden. Deze uitsplitsing sluit namelijk aan bij de uitsplitsing zoals deze wordt gehanteerd bij de regionale inkoop van individuele jeugdhulpvoorzieningen. In de beleidsregels volgt een nadere uitwerking. In dit artikel is geen lijst opgenomen met voorzieningen die worden uitgesloten als beschikbare jeugdhulpvoorziening. Dit, op basis van zowel juridisch advies als op verzoek van het CJG, om voldoende ruimte te laten voor een eigen afweging van de professionals in de uitvoering. Dit met de aanscherpingen in de verordening als ondersteunend hierbij.
Zo zijn wel op een aantal aspecten scherpe kaders gesteld, zoals de uitsluiting van bewezen niet-effectieve voorzieningen (artikel 3.1.9, vijfde lid) en de extra criteria die aan de inzet van vaktherapie en animal assisted therapie worden gesteld in artikel 3.1.9d. Deze afwegingskaders geven het CJG handvatten om in individuele casuïstiek een goede afweging te maken over de noodzaak tot het treffen van een individuele voorziening, welke dit dan dient te zijn, met welke intensiteit, et cetera. Tot slot wordt de grondslag voor de nadere regels in artikel 3.1.2 derde lid geschrapt, nu deze uitsplitsing in het eerste en tweede lid is opgenomen. Met het verwijderen van de grondslag komen de bepalingen in de nadere regels op grond van artikel 3.1.2 van rechtswege te vervallen. Hoewel de uitsplitsing in het eerste en tweede lid van artikel 3.1.2 een andere bewoording kent dan de uitsplitsing zoals deze in de nadere regels stond, betreft dit geen inhoudelijke aanpassing. ➢
Toevoeging criteria toegang via medische en gemeentelijke route (artikelen 3.1.3 en 3.1.4); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.3. Met de toevoegingen in dit artikel wordt verduidelijkt welke criteria we stellen aan jeugdhulpaanbieders in geval de verwijzing via de medische route komt. Criteria stellen aan de medische verwijzers zelf is niet mogelijk in de verordening omdat de medische verwijzers op grond van artikel 2.6 eerste lid, aanhef en onder e van de Jeugdwet, vrij verwijsrecht hebben. Wel kan het college afspraken maken met de medische verwijzers in een convenant, zoals ook benoemd in het raadsvoorstel. In de verordening wordt hierom enkel bepaald wat van een jeugdhulpaanbieder wordt verwacht na verwijzing door de medische route. Concreet is artikel 3.1.3 aangevuld met een aantal bepalingen die regelen dat, ook indien een verwijzing plaats vindt via de medische route, de jeugdhulpaanbieder zich moet houden aan de regels zoals deze verordening bepaalt. Dat betekent dat, conform de criteria die gesteld zijn in contracten en subsidie-relaties, jeugdhulpaanbieders moeten beoordelen of, en zo ja, welke jeugdhulp noodzakelijk is. Verdere aanscherping van deze toegangsroute kan, zoals in
4 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
het raadsvoorstel en hierboven benoemd, plaatsvinden in de vorm van een convenant met medisch verwijzers. Tot slot is het tweede lid van artikel 3.1.3 zoals te zien in de ‘was’ kolom verwijderd, aangezien deze bepaling geen juridische meerwaarde heeft. Op grond van de jeugdwet hebben de medische verwijzers wettelijke verwijsvrijheid en bovendien is een algemeen toegankelijke voorziening ook zonder verwijzing toegankelijk is. Daarom is deze bepaling verwijderd. De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.4. Met de toevoeging van het tweede tot en met het vijfde lid in artikel 3.1.4 is de toegang via de gemeentelijke route aangescherpt. Zo bevordert dit artikel, in lijn met de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel, de gedifferentieerde aanpak, waarbij incidentele hulpvragen vaker worden beantwoord met een algemene voorziening in plaats van een individuele voorziening. Ook is het met het derde lid mogelijk voor het CJG om in bepaalde gevallen af te zien van een aanvraag en onderzoek en direct naar een algemene voorziening te verwijzen. Verder is artikel 3.1.4 aangevuld met een aantal bepalingen die voorheen in artikel 3.1.8 geregeld waren.
Het verplaatsen en anders formuleren van deze bepalingen bevordert zowel de leesbaarheid van de verordening als het inhoudelijke toegangsproces. Op deze wijze bevordert deze bepaling de rechtszekerheid voor inwoners. Er is geen artikel opgenomen wat betreft de toegang via gecertificeerde instellingen, aangezien de gecertificeerde instellingen enerzijds een wettelijk verwijsrecht hebben en anderzijds de route vaak inzet van jeugdhulp op last van de rechter behelst. Daarmee heeft de gemeente geen invloed op welke jeugdhulp wordt ingezet. Wel kan, separaat van de verordening, worden ingezet op het afsluiten van een convenant met de gecertificeerde instellingen om grip te krijgen op deze route. Deze mogelijkheid wordt verder verkend in een vervolgprojectplan gericht op verblijf, zoals benoemd onder kwadrant vier in het raadsvoorstel. Tevens zijn er op dit moment al lopende afspraken over samenwerking, afstemming en verwijzing met GI's, onder andere vanuit de Proeftuin jeugdbescherming. Hierop kan worden voortgebouwd. ➢
Verduidelijking onderzoeksprocedure conform stappenplan van de Centrale Raad van Beroep1 (artikel 3.1.5); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.5 vierde lid. In dit lid is verduidelijkt op basis van welke stappen het onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp wordt doorlopen. Op basis van recente jurisprudentie is het verplicht deze stappen te verduidelijken. De stappen die in het vierde lid zijn beschreven, zijn een letterlijke vertaling van het stappenplan opgesteld door de Centrale Raad van Beroep. Ook bevordert deze passage de rechtsgelijkheid voor de inwoner en is duidelijk wat men kan verwachten in een onderzoek naar de noodzaak tot jeugdhulp. De wijzigingen in het vierde lid bieden tevens handvatten aan het CJG om een bijdrage te leveren aan de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel, door onder andere bij sub f tot en met j te onderzoeken in hoeverre de eigen kracht, het sociale netwerk of voorzieningen uit andere domeinen zoals bijvoorbeeld
1 ECLI:NL:CRVB:2017:1477, Centrale Raad van Beroep, 16/4442 JW
5 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
huisvesting of schuldhulpverlening aan zet zijn. Hoewel het onderzoek conform de stappen van de Centrale Raad van Beroep start met onderzoek naar de onderliggende problematiek, biedt het daarna juist handvatten om te normaliseren en te onderzoeken of de eigen kracht of voorzieningen uit andere domeinen passend zijn bij de hulpvraag. Pas indien dit niet het geval is, kan er aanspraak worden gemaakt op een individuele jeugdhulpvoorziening. Hoewel het gebruik van het stappenplan geen inhoudelijke wijziging betreft ten opzichte van de huidige werkwijze, zijn de stappen en wat deze behelzen met deze wijziging wel verduidelijkt en geconcretiseerd. De leden vijf en verder behelzen grotendeels geen nieuwe bepalingen. Deze zijn enkel van plaats en exacte bewoording veranderd ten behoeve van de leesbaarheid en opbouw van hoofdstuk drie. In de leden negen en tien is verduidelijkt aan welke kwaliteitseisen de professionals van het CJG en die voor extern advies worden ingeschakeld, moeten voldoen. Deze nadere verduidelijking is verplicht op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De leden elf en twaalf bevatten wel een inhoudelijke toevoeging om te bekrachtigen dat ouders en jeugdige ook zelf een verantwoordelijkheid hebben ten tijde van het onderzoek en af te bakenen dat er geen voorziening wordt verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders onvoldoende meewerken aan het onderzoek. Tot slot zijn de passages over het onderzoek uit 3.1.5 en 3.1.6 samengevoegd tot één onderzoeksprocedure. Het is namelijk feitelijk onjuist een onderscheid te maken tussen een vooronderzoek en een onderzoek. Het CJG hanteert deze werkwijze niet.
➢
Aanscherping criteria toekenning individuele voorziening (artikel 3.1.9); De afbakening van het aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9 vierde, vijfde en zesde lid. In het vierde lid is het reeds geldende uitgangspunt van een passende voorziening tegen de laagste kosten anders verwoord om innerlijke tegenstrijdigheden tussen de subleden a, b en c te voorkomen. De bewoording in de ‘wordt’ kolom sluit ook aan bij het uitgangspunt gehanteerd in hoofdstuk twee van de integrale verordening. In dit lid is niet het uitgangspunt altijd groepsgerichte en/of systeemgerichte voorzieningen in te zetten opgenomen, zoals in het raadsvoorstel wel benoemd. Dit bleek juridisch niet haalbaar in combinatie met het uitgangspunt goedkoopst, adequaat. Binnen de regionale inkoop van individuele voorzieningen wordt deze maatregel verder opgepakt, zoals in het raadsvoorstel in maatregel 1.8 benoemd. Ook wordt hier in het afwegingskader in de beleidsregels nader aandacht aan besteed. Wat onder de term adequaat wordt verstaan is nader uitgewerkt in het vijfde lid, namelijk een voorziening die daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Verder is in het vijfde en zesde lid bepaalt aan welke criteria een individuele voorziening in ieder geval moet voldoen.
Met deze bepalingen is het gebruik van bewezen niet-effectieve voorzieningen uitgesloten. De afstemming met andere wettelijke domeinen (maatregel 5.3 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9 zevende lid. In het zevende lid is bepaald dat, voor onderliggende ouderproblematiek, de voorzieningen vanuit onder andere de Wmo, Wlz of Zvw in beginsel voorliggend zijn op de jeugdwet.
6 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
➢
Toevoeging nieuw artikel ‘beoordelingscriteria eigen kracht’ (artikel 3.1.9a); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9a. Met de toevoeging van dit artikel is voldaan aan de verplichting uit recente jurisprudentie om in de verordening zelf op te nemen welke afwegingsfactoren in het onderzoek als bedoeld in artikel 3.1.5 vierde lid, wordt meegewogen en op welke wijze dit gebeurt. Artikel 3.1.9a omvat een afwegingskader om de eigen kracht van ouders te wegen. Het is een verplichting op basis van jurisprudentie om duidelijk in de verordening te regelen welke factoren worden meegewogen in het onderzoek. Dit is geregeld in artikel 3.1.5 vierde lid. Daarnaast moet ook worden toegelicht hoe deze factoren vervolgens worden gewogen. Voor het onderwerp eigen kracht is dit gedaan in artikel 3.1.9a. In dit artikel wordt beschreven wat we onder eigen kracht verstaan in de verwachting richting ouders. In artikel 3.1.1. is gedefinieerd wat eigen kracht is, namelijk de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In artikel 3.1.9a is vervolgens bepaald in het eerste lid wat we van ouders verwachten vanuit de ouderlijke verantwoordelijkheid zoals is neergelegd in het burgerlijk wetboek. In het tweede lid is bepaald wat we van ouders verwachten onder probleemoplossend vermogen.
In beginsel wordt van ouders verwacht dat zij op basis van deze twee leden zelf kunnen voorzien in het leveren van de benodigde hulp aan de jeugdige, al dan niet met gebruikmaking van het sociale netwerk of algemeen toegankelijke voorzieningen. In het derde lid is bepaald dat, bij de beoordeling van de eigen kracht rekening wordt gehouden met objectieve belemmeringen die maken dat ouders niet in staat zijn de benodigde hulp te leveren. Het vierde en vijfde lid geven aan in welke gevallen er sprake kan zijn van dergelijke objectieve belemmering. In dit artikel is bewust niet gesproken over de termen (boven)gebruikelijke hulp. Deze wijziging behelst een aanvulling op het raadsvoorstel en is het gevolg van recente signalen vanuit het CJG dat de term (boven)gebruikelijke hulp veelvuldig leidt tot discussie met ouders over of iets bovengebruikelijke of gebruikelijke hulp omvat. Voor de afweging over de toekenning van een individuele voorziening doet dit echter niet ter zake. Het gaat daarbij immers om de vraag óf de eigen kracht van ouders toereikend is om te voorzien in de benodigde ondersteuning, ongeacht of deze ondersteuning boven gebruikelijke of gebruikelijke hulp omvat. Daarmee behelst de beoordeling of er sprake is van voldoende eigen kracht, inherent maatwerk.
Artikel 3.1.9a biedt hiervoor meer (objectieve) handvatten aan het CJG om deze toetsing uit te voeren, met daarbij oog voor normaliseren, zoals volgt uit de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel ‘Grenzen aan onze Jeugdzorg’. De toevoeging van artikel 3.1.9a biedt handvatten om te beoordelen of de eigen kracht van ouders toereikend is om te voorzien in de benodigde ondersteuning, wat van ouders verwacht kan worden om de eigen kracht te versterken en in welke gevallen een individuele voorziening verstrekt kan worden omdat de eigen kracht niet toereikend is. In de beleidsregels wordt een afwegingskader opgenomen waarin artikel 3.1.9a nader wordt uitgewerkt.
➢
Toevoeging nieuw artikel ‘vervoer’ (artikel 3.1.9b); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9b.
7 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
Op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel is dit artikel toegevoegd om af te bakenen in welke gevallen een vervoersindicatie kan worden toegekend. Deze bepaling sluit aan bij de verordening leerlingenvervoer en modelverordeningen of verordeningen van andere gemeentes binnen de regio. Het uitgangspunt is hierbij dat de jeugdige of zijn ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van en naar de jeugdhulpvoorziening. Slechts als de eigen kracht aantoonbaar niet toereikend is en er wordt voldaan aan de criteria uit de leden twee tot en met zes, wordt een vervoersindicatie verstrekt. ➢
Toevoeging nieuw artikel ‘dyslexie’ (artikel 3.1.9c); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9c. Dit artikel is op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel toegevoegd om te verduidelijken in welke gevallen dyslexiezorg onder de jeugdwet valt. Deze bepaling bevordert dat dyslexiezorg enkel vanuit de jeugdwet wordt opgepakt indien het een jeugdhulpvraag betreft. Is er sprake van achterstallig leesonderwijs, dan is het onderwijs aan zet.
➢
Toevoeging nieuw artikel ‘vaktherapie’ (artikel 3.1.9d); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9d. Dit artikel is op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel toegevoegd. Het artikel bevat geen inhoudelijke aanscherpingen van de inzet van vaktherapie ten opzichte van de reeds geldende inkoopvoorwaarden. Wel is dit artikel een verduidelijking voor de inwoner en bevordert het de rechtszekerheid. Ook expliciteert dit artikel enkele kwaliteitseisen die voor de inzet van vaktherapie gelden. Dierondersteunende interventies zijn in dit artikel gelijkgesteld aan vaktherapie. Hiermee gelden de (strengere) criteria voor de inzet van vaktherapie ook voor therapieën als paardentherapie. Artikel 3.1.9d geeft daarmee concrete handvatten om de inzet van dergelijke voorzieningen strak af te bakenen en enkel tijdelijk in te zetten, als ondersteuning aan een breder behandeltraject en als er geen alternatief voorhanden is. Op deze wijze is een balans gezocht tussen ruimte voor maatwerk in individuele gevallen waar vaktherapie of dierondersteunende therapie passend en van meerwaarde is, terwijl er toch scherpe keuzes worden gemaakt en strakke kaders gesteld.
➢
Toevoeging nieuw artikel ‘afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning’ (artikel 3.1.9e); De afstemming met andere wettelijke domeinen (maatregel 5.3 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9e. We voegen dit artikel toe om te verduidelijken dat veel jeugdhulpvraagstukken niet (enkel) met jeugdhulp opgelost kunnen worden. Vaak liggen de oorzaken in andere levensdomeinen en is het belangrijk om (ook) vanuit dat domein ondersteuning in te zetten (zie ook rapport Van Ark2). Jeugdhulp wordt hierop afgestemd. Daarnaast is het afstemmen van jeugdhulpvoorzieningen op andere voorzieningen een verplichting uit de jeugdwet. Hoe deze afstemming gebeurt en op welke wijze wordt gewaarborgd dat onderliggende oorzaken van
2 Groeipijn - advies Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd | Rapport | Rijksoverheid.nl
8 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
jeugdhulpvraagstukken door de juiste domeinen worden aangepakt, volgt hier niet direct uit. De toevoeging van artikel 3.1.9e verduidelijkt daarom, in lijn met het raadsvoorstel, op welke wijze deze afstemming plaats vindt. ➢
Toevoeging nieuwe artikelen ‘onderscheid formele en informele hulp’ (artikel 3.1.12a), ‘hoogte van het pgb’ (artikel 3.1.12b), ‘weigeringsgronden voor een pgb’ (artikel 3.1.12c) en ‘kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb’ (artikel 3.1.12d); De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikelen 3.1.12 tot en met 3.1.12d. De bepalingen met betrekking tot de hoogte van het pgb zijn verplaatst naar artikel 3.1.12b. Verder is in artikel 3.1.12 aangescherpt op welke wijze een pgb niet ingezet mag worden door middel van de toevoegingen van het derde tot en met het achtste lid. Deze bepalingen sluiten aan bij de bepalingen over het pgb in hoofdstuk twee van de integrale verordening. Wel is, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk twee, ervoor gekozen om toe te staan dat een vertegenwoordiger van de jeugdige die het pgb ontvangt, tevens hulpverlener is. In de praktijk komt het namelijk voor dat ouders zowel het pgb beheren alsook de hulpverlener zijn. Het gaat dan vaak om jeugdige met een zeer hoge zorgvraag, waarbij op latere leeftijd de overstap naar de Wlz geïndiceerd is. In dergelijke gevallen is de toekenning van een pgb aan ouders ten behoeve van de zorgvraag vaak een passende voorziening.
De toevoeging van artikel 3.1.12a is naar voorbeeld van de modelverordeningen en is noodzakelijk voor een juiste bepaling van de hoogte van het tarief voor pgb’s. Er is namelijk een onderscheid in tarief voor formele en informele jeugdhulp zoals bepaald in artikel 3.1.12b tweede lid. In deze bepaling is de aan- of afwezigheid van een persoonlijke relatie met de jeugdige of zijn ouders doorslaggevend en niet de mate van professionele achtergrond op het gebied van de betreffende hulpverlening. De inhoud van artikel 3.1.12b stond voorheen in artikel 3.1.12. Het opsplitsen van dit artikel bevordert de leesbaarheid. De inhoudelijke bepalingen zijn grotendeels gelijk gebleven aan de bepalingen die voorheen in 3.1.12 stonden. Wel is de exacte bewoording op onderdelen aangepast naar voorbeeld van de modelverordening van Schulink. Met de toevoeging van artikel 3.1.12c is verduidelijkt op basis van welke gronden de toekenning van een pgb geweigerd kan worden. Dit bevordert de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de inwoner en biedt het CJG handvatten voor de afweging of een pgb passend is of niet. Deze weigeringsgronden betreffen een uitbreiding ten opzichte van hetgeen de wet hierover bepaalt. Naar voorbeeld van de modelverordeningen is artikel 3.1.12d toegevoegd. Het bevordert de kwaliteit van de jeugdhulp geboden in de vorm van een pgb.
Deze artikelen in gezamenlijkheid vergroten de rechtszekerheid voor inwoners omdat is geëxpliciteerd wanneer er wel of geen aanspraak gemaakt kan worden op een pgb. Tevens is waar mogelijk aangesloten bij hetgeen is geregeld met betrekking tot pgb’s in hoofdstuk twee van de integrale verordening.
➢
Toevoeging nieuw artikel ‘hardheidsclausule’ (artikel 3.1.18). De afbakening van het aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.18.
9 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
Tijdens het opstellen van de verordening is rekening gehouden met voorzienbare situaties. Het kan echter voorkomen dat in zeer bijzondere gevallen, de uitkomst van de procedure tot dusdanig onevenredige en vooral onvoorzienbare gevolgen leidt, die naar het oordeel van het college onaanvaardbaar zijn voor de jeugdige of zijn ouders, dat afwijking van de verordening geïndiceerd is. Dit artikel geeft daartoe de mogelijkheid.
Beoogd resultaat Een actuele verordening die recht doet aan de ondersteuningsvraag van inwoners van de gemeente Veenendaal en de beoogde paradigmaverschuivingen zoals voortkomend uit het raadsbesluit ‘Hervormingsagenda: Grenzen aan onze Jeugdzorg’, met als doel dat een ieder naar vermogen mee kan doen in de samenleving.
Proceshistorie en eerdere besluitvorming Het afgelopen jaar is gewerkt aan een Integrale Verordening Sociaal Domein die aansluit bij het genoemde beoogde resultaat in dit raadsvoorstel. Hiervoor hebben verschillende overleggen plaatsgevonden met consulenten, beleidsmedewerkers en juristen van de gemeente Veenendaal. Hoofdstuk 3, jeugdhulp, is ook juridisch getoetst door juristen Tim Robbe en Bram Nooitgedacht, auteurs van het adviesrapport ‘Verkenning Afbakening Jeugdhulpplicht’. Op 14 oktober 2025 heeft het college besloten de conceptversie van Integrale Verordening Sociaal Domein inclusief de was-wordt tabel, voor advies voor te leggen aan de adviesraden (Wmo-forum, Jeugdbelang en Jongerenraad). Vooraf aan de formele adviesaanvraag zijn de adviesraden informeel mondeling meegenomen in de voorgenomen inhoudelijke wijzigingen. Op 27 november 2025 ontvingen wij het formele advies van het Wmo-Forum, op 8 december van Jeugdbelang en op 9 december van de Jongerenraad .
Argumenten 1.1 Er is behoefte aan een actualisering van de huidige verordening op basis van bestaande wettelijke kaders, jurisprudentie en eigen beleidskeuzes. Huidige wet- en regelgeving en de uitvoeringspraktijk is op onderdelen veranderd. Hierdoor dient de verordening geactualiseerd te worden. Dit voorkomt juridische risico's en onduidelijkheid in de uitvoering. Daarnaast zijn er een aantal beleidskeuzes en technische wijzigingen doorgevoerd. Deze beleidskeuzes volgen onder meer uit het raadsvoorstel ‘Grenzen aan onze Jeugdzorg’, de lijnen volgend uit de leidende principes van de nieuwe regiovisie jeugdhulp (RIB Regiovisie JeugdFV). Met de voorgestelde wijzigingen voldoet de integrale verordening sociaal domein aan het wettelijke kader en is het voor inwoners duidelijk welke rechten en plichten er voortvloeien uit de verordening. Ook hebben de adviesraden Wmo-forum, Jeugdbelang en Jongerenraad aangegeven de actualisatie en aanpassingen te waarderen. Op onderdelen zijn aandachtspunten of zorgen geuit. Op welke wijze deze aandachtspunten worden geadresseerd of hebben geleid tot wijzigingen in de verordening of toelichting wordt benoemd in de reactiebrieven. 1.2 De raad is bevoegd om de verordening vast te stellen
10 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
Juridische wijzingen kunnen alleen via een raadsbesluit worden doorgevoerd. De raad heeft deze bevoegdheid op basis van artikel 127 van de Grondwet en artikel 147 van de Gemeentewet.
Alternatieven Als niet gekozen wordt voor een actualisatie van de huidige Integrale Verordening, bestaat het risico dat fouten en onduidelijkheden in de verordening blijven bestaan, en dat op onderdelen onwenselijk beleid wordt uitgevoerd. Ook voldoet gemeente Veenendaal daarmee niet aan recente jurisprudentie over onder andere het opnemen van bepalingen omtrent de criteria voor de toekenning van een pgb, de onderdelen van het onderzoek in het kader van de jeugdwet en over ‘eigen kracht’. Ook geeft de raad op onderdelen dan geen invulling aan het kader dat is meegegeven via de besluitvorming rond het raadsvoorstel: Grenzen aan onze jeugdzorg. Tevens kan gekozen worden voor aanvullingen op deze verordening. Dan wordt echter voorbijgegaan aan het uitgebreide (participatie)proces dat afgelopen jaar met stakeholders, raad en adviesraden gelopen is en waarvan het unaniem aangenomen raadsvoorstel Grenzen aan onze jeugdzorg en vervolgens voorliggende verordening het resultaat zijn. Daarbij is de kans dan groot op het wegvallen van focus en samenhang tussen de verschillende onderdelen uit de verordening en de vervolgprojecten uit het raadsvoorstel.
Kanttekeningen 1.1 De verwachting is dat de inhoudelijke wijzigingen betreffende hoofdstuk drie, jeugdhulp, zullen leiden tot het vaker afwijzen van een aanvraag voor verstrekking van een individuele jeugdhulpvoorziening. De verwachting is dat dit kan leiden tot een toename in het aantal bezwaarprocedures, verzoeken tot toepassing van een hardheidsclausule en/ of insprekers bij de raad. Het is in deze gevallen belangrijk dat de professionele afweging van medewerkers van het CJG en de back-office-Jeugd gesteund worden door het bestuur (college en raad). 1.2 Met het maken van scherpe keuzes in hoofdstuk 3 in de verordening loopt gemeente Veenendaal soms voorop, waarbij we tegen zaken aanlopen die landelijk of in rechterlijke procedures nog verduidelijkt dienen te worden. De afbakening in de verordening is op bepaalde punten vooruitlopend op hetgeen landelijk of in andere gemeentelijke verordeningen is geregeld. Met de bepalingen in de verordening zijn de randen van de wettelijke kaders opgezocht. Hierbij is extern juridisch advies ingewonnen. De verwachting is dat wij binnen de juridische kaders blijven, maar aangezien Veenendaal op bepaalde aspecten vooroploopt is hier geen volledige duidelijkheid over. Zo bevat artikel 3.1.12c weigeringsgronden die een uitbreiding vormen van de weigeringsgronden uit de jeugdwet.
Het is juridisch nog onontgonnen terrein of een dergelijke uitbreiding is toegestaan. Ook is nog onvoldoende duidelijk of de aanvraag tot een jeugdhulp voorziening afgewezen kan worden op basis van eigen kracht. In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder 'eigen kracht' moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB moet de gemeenteraad in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen. Hoe deze factoren vervolgens
11 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
worden gewogen in individuele casuïstiek mag nader worden uitgewerkt in de beleidsregels. Dit zullen wij ook doen. De benodigde basis in de verordening hebben wij met artikel 3.1.9a in voorzien. Hoe de rechter een dergelijke bepaling beoordeelt zal in de praktijk moeten blijken. 1.3 Het tarief voor pgb’s voor informele hulp in het kader van zowel de Jeugdwet als de Wet Maatschappelijke ondersteuning is nog niet opgenomen in de voorgestelde wijzigingen. De Centrale Raad van Beroep is op 30 september jl. in twee uitspraken teruggekomen op jurisprudentie van 16 augustus 2023. In de uitspraken uit 2023 had de CRvB bepaald dat het uurtarief voor pgb bij informele hulp, zowel in het kader van de Jeugdwet als de Wet Maatschappelijke ondersteuning, moet aansluiten bij de hoogste periodiek van de CAO VVT. Het is met deze nieuwe jurisprudentie wederom mogelijk het tarief van pgb’s voor informele (jeugd)hulp vast te stellen op het wettelijk minimumloon, wat lager is dan het tarief dat momenteel wordt gehanteerd. Dit betekent inhoudelijk dat inwoners die een pgb ontvangen voor informele hulp (uit sociale netwerk), hiervoor voortaan een lager tarief kunnen ontvangen dan momenteel aan de orde is.
Een dergelijke wijziging betekent echter een forse vermindering in het uurtarief dat voor pgb’s op basis van informele hulp wordt uitbetaald (ongeveer 10,- euro verschil) en dit kan gevolgen hebben voor de reeds verstrekte pgb’s voor informele hulp. Op dusdanig korte termijn zijn de precieze gevolgen echter niet goed inzichtelijk te maken, waardoor het niet mogelijk is een overgangsregeling op te stellen die recht doet aan de belangen van de pgb-begunstigden. Ook is het op deze termijn niet goed te overzien wat de uitvoeringsgevolgen zijn van een dergelijke overgangsregeling, waardoor de uitvoerbaarheid van het overgangsrecht niet goed getoetst kan worden. Deze wijziging wordt daarom op dit moment nog niet doorgevoerd. In een volgende wijziging van de integrale verordening sociaal domein kan dit onderwerp alsnog worden meegenomen. Deze wijziging wordt daarom op dit moment nog niet doorgevoerd. In een volgende wijziging van de integrale verordening sociaal domein kan dit onderwerp alsnog worden meegenomen.
Participatie De adviesraden zijn vooraf mondeling geïnformeerd over de wijzigingen en het proces. De adviesorganen (Wmo-forum, Jeugdbelang en Jongerenraad) zijn 14 oktober gevraagd te adviseren over de voorgestelde wijzigingen. Hun adviezen en de reacties van het college op deze adviezen vindt u in de bijlagen. Naar aanleiding van deze adviezen zijn enkele wijzigingen op het oorspronkelijke voorstel doorgevoerd.
Wat betekent dit besluit voor inwoners? Uniforme en duidelijkere regelgeving waardoor inwoners goed weten wat zij van de gemeente kunnen verwachten in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning of de Jeugdwet. Hiermee is de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor inwoners vergroot en wordt bevorderd dat eenieder naar vermogen kan meedraaien in de maatschappij. Wel brengen de inhoudelijke wijzigingen met zich mee dat in meer gevallen van inwoners wordt verwacht dat zij op basis van hun eigen kracht, met ondersteuning van hun netwerk, zelf in de benodigde ondersteuning voor hun hulpvraag voorzien.
Aanpak / uitvoering Na vaststelling van de wijzigingsverordening door de raad, wordt de geconsolideerde verordening gepubliceerd in het gemeenteblad en op overheid.nl. De gewijzigde verordening treed in werking eind april, gelijktijdig met de gewijzigde beleidsregels voor Wmo en Jeugdhulp. Na de vaststelling volgt een implementatietraject met de uitvoering.
12 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
Grenzen aan onze Jeugdzorg De verordening is slechts één van de maatregelen volgend uit het raadsvoorstel: “Hervormingsagenda: Grenzen aan onze jeugdzorg”. Naast de implementatie van de verordening en de bijbehorende beleidsregels, zullen in 2026 en verder ook de andere vervolgprojecten zoals volgend uit het raadsvoorstel worden geïmplementeerd. Daarnaast is, zoals ook in het raadsvoorstel benoemd, een cultuurverandering nodig in zowel de maatschappij als bij professionals in het sociaal domein. Een proces van de lange adem. Hoe deze cultuurverandering eruit ziet is in de paradigmaverschuivingen in het raadsvoorstel toegelicht. Met alle deze vervolgstappen gaan wij, gezamenlijk met stakeholders aan de slag.
Communicatie over dit besluit Woordvoeringslijn: De gemeente Veenendaal beschrijft in haar Integrale verordening sociaal domein Veenendaal het kader waarbinnen ondersteuning wordt geboden aan inwoners op het gebied van Werk en Inkomen, Wmo en Jeugd. Deze wordt periodiek geactualiseerd. Voorafgaand aan het oordeel van de raad vraagt het college advies over de voorgenomen wijzigingen aan de Cliëntenraad Werk en Inkomen De Vallei, het Wmo-forum, Jeugdbelang en de Jongerenraad. De adviesraden krijgen een terugkoppeling per brief over wat er met hun advies gedaan is. Dit wordt in de verordening verwerkt. Het aanpassen van hoofdstuk drie uit de verordening volgt, naast de reguliere actualisatie, uit het raadsvoorstel ‘Hervormingsagenda: Grenzen aan onze jeugdzorg’. De gewijzigde verordening wordt gepubliceerd op www.overheid.nl
Evaluatie De integrale verordening en de afzonderlijke hoofdstukken worden periodiek geëvalueerd. Als er op grond van ervaringen, jurisprudentie, nieuwe inzichten/prioriteiten en/of nieuwe wet- en regelgeving wijzigingen moeten worden doorgevoerd dan volgt een zevende wijzigingsverordening.
Kosten, baten, dekking Niet van toepassing. Het opstellen van de verordening kent voor H.1 en H.2 geen financiële effecten. Ondanks de scherpere keuzes die worden gemaakt binnen H.3 (Jeugdwet), geldt dat nog niet te voorzien is welke financiële effecten dit concreet zal hebben. Dit is ook in het raadsvoorstel ‘Grenzen aan onze Jeugdzorg’ benoemt. De raad zal hierover geïnformeerd worden via de reguliere P&C cyclus.
College van burgemeester en wethouders,
Sjoukje Deelstra secretaris
Gert-Jan Kats burgemeester
13 van 14
Raadsvoorstel: BW voorstel 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein Dossiernummer: 4004
Bijlagen 1. Raadsbesluit: Wijzigingsverordening 2. Was-Wordt tabel 3. Geconsolideerde Integrale Verordening Sociaal Domein 4. Toelichting op de zesde wijziging Integrale verordening Sociaal Domein 5. Advies Wmo-forum 6. Conceptbrief reactie op het Wmo-forum 7. Advies Jeugdbelang 8. Conceptbrief reactie op Jeugdbelang 9. Advies Jongerenraad 10. Conceptbrief reactie Jongerenraad
14 van 14