CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

1.5. Integrale verordening sociaal domein Veenendaal - integrale verordening - toelichting

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Integrale Verordening Sociaal Domein34.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en 32

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid). Stap 1: voorselectie Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie.

Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Stap 3: besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk' Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet).

Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Er wordt nader bepaald hoe de dienstbetrekking door het college wordt georganiseerd. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in hoofdstuk 4 van deze Integrale verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in hoofdstuk 4 van deze Integrale verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden. Artikel 4.1.10 Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject.

Dit is geregeld in artikel 4.1.10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. 33

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan personen: - van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of - van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.

In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel 4.1.11 Persoonlijke ondersteuning In artikel 4.1.11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.

Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Artikel 4.1.12 Loonkostensubsidie als re- integratievoorziening Doel van het instrument “loonkostensubsidie als re-integratieinstrument” is het leveren van een bijdrage om de afstand tot de arbeidsmarkt van de gemeentelijke re-integratiedoelgroep te verkleinen. De voorziening wijkt zodoende af van de loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking (art. 10d Participatiewet) waarbij sprake is van compensatie van een lagere productiviteit. Deze brede doelstelling biedt het college de mogelijk om maatwerkafspraken met werkgevers te maken. Zo kan bijvoorbeeld de loonkostensubsidie berekend worden op basis van een gemiddelde verdiencapaciteit of kan rekening worden gehouden met een te verwachten oplopende verdiencapaciteit. In principe wordt de voorziening niet langer dan een jaar toegekend. In die gevallen dat dit wel langer wordt toegekend, wordt na maximaal 12 maanden gekeken of het verstrekken van de loonkostensubsidie nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt. Artikel 4.1.13 Uitstroompremie Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt.

Het college stelt de hoogte en de voorwaarden voor toekenning van de uitstroompremie vast. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt. (artikel 31, 34

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de Participatiewet). Artikel 4.1.14 Meeneembare voorzieningen Onder noodzakelijkheid (lid 1 sub s) wordt verstaan dat de belanghebbende zonder de voorziening in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Onder aard- en nagelvast wordt verstaan een voorziening die niet vastzit aan een gebouw. Denk aan bijvoorbeeld orthopedische schoenen, voorleesapparatuur, spraakversterkers of een aangepaste bureaustoel. Onder meeneembare voorziening vallen ook de kosten die gemaakt worden voor bijvoorbeeld een training die nodig is voor de belanghebbende om de voorziening te kunnen gebruiken. De gemeente is niet verantwoordelijk voor voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren. Bij een voorliggende voorziening (lid 2 sub c) kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de (basis, aanvullende) ziektekostenverzekering (en waar een eigen bijdrage voor wordt gevraagd), Wmo of UWV.

Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn (lid 2 sub e), wordt onder andere betrokken: de kosten van de meeneembare voorziening, de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd), de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren per week dat de belanghebbende gaat werken, de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de meeneembare voorziening. Adequaat (lid 4) houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van het kunnen uitvoeren van werkzaamheden/arbeidstoeleiding. In dit geval dat de belanghebbende door inzet van de meeneembare voorziening ‘normaal’ kan functioneren/naar behoren de werkzaamheden kan verrichten. Dit is de norm voor de bepaling of de goedkoopste voorziening ook adequaat werkt. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan zal de gemeente de goedkoopst adequate voorziening beschikken. Een medewerker van de gemeente bepaalt op basis van maatwerk waar behoefte aan is: is het logisch of wenselijk om de meeneembare voorziening wel of niet in bruikleen te geven (lid 5). Daarnaast maakt de professional een redelijkheidsoverweging. De kosten van de voorziening moeten in redelijke verhouding staan tot de baten.

Hierover kunnen afspraken gemaakt worden in de (arbeids) overeenkomst. Voortzetten toegekende voorzieningen Toegekende voorzieningen op grond van de Re- integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet. Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende reintegratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst. Voortzetting is niet mogelijk Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re- integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.

Ten aanzien van die voorziening blijft de Re- integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015 van toepassing (artikel 4.1.15, vierde lid, van deze verordening).

35

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7.4.2 Toelichting Loonkostensubsidie Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen: de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, en de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is geen aanvraag vereist.

De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie - verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet). De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60). Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet zijn vanzelfsprekend ook van toepassing op deze verordening.

Hiervan zijn in deze verordening daarom geen begripsomschrijvingen opgenomen. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven. doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, Participatiewet): personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben; loonwaarde (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, Participatiewet): vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort; dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f Participatiewet): een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 4.2.2 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 36

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen met een uitkering op grond van de IOAW, en personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.

Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. Artikel 4.2.3 Vaststelling loonwaarde In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor kan de loonwaardebepaling van het UWV of andere deskundigen worden ingezet. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.

37

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7.4.3 Toelichting Individuele inkomenstoeslag Algemeen Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 105 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. De nadere invulling wordt neergelegd in beleidsregels. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt.

Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 4.3.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van 38

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Peildatum De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.

Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’. Artikel 4.3.2. Indienen verzoek Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Artikel 4.3.3.

Langdurig laag inkomen Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd.1 Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de bedoelde 105% van de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met € 5 of meer te boven, dan komt men 1

CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.

39

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.2 Artikel 4.3.4. Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Gehuwden Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand.

Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. Indexering In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk te communiceren.

2 (CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178.

40

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7.4.4 Toelichting Tegenprestatie Artikel 4.4.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Vrijwilligerswerk Werk dat onverplicht is waarvoor geen loon ontvangen wordt en in georganiseerd verband voor anderen of de samenleving uitgevoerd wordt. Hiermee onderscheidt vrijwilligerswerk zich van werk in loondienst. Bij werk in loondienst verplicht de werknemer zich om op basis van een arbeidsovereenkomst bepaalde taken uit te voeren op een door de werkgever aangewezen plaats. De werkgever verplicht zich om voor deze werkzaamheden een bepaald loon uit te betalen. De bepalingen over arbeid in dienstbetrekking uit het burgerlijk wetboek vormen het juridisch kader voor de werk in loondienst. Om iemand met vrijwilligerswerk te ontheffen van de plicht tot tegenprestatie, moet wel bezien worden of dit werk als maatschappelijk nuttig kan worden beschouwd. Artikel 4.4.2. Inhoud van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.

Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In het eerste lid van dit artikel, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). Werkzaamheden die kunnen worden ingezet Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel genomen de voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten werkzaamheid: a. b. c. d.

naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet is bedoeld als re-integratieinstrument; wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin deze worden verricht; en niet leidt tot verdringing. 41

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (het tweede lid van dit artikel). Deze werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel gestelde voorwaarden. Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als reintegratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). Het belang van de belanghebbende en de samenleving.

De tegenprestatie moet motiverend worden ingezet, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het individuele en het collectieve belang. Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de eigen inbreng van de belanghebbenden. De belanghebbende wordt gemotiveerd eigen ideeën aan te dragen. Het individuele belang van de belanghebbende wordt gediend met de bijdragen die de tegenprestatie levert aan het verminderen van de kwetsbare positie waarin hij/ zij zich bevindt. Daarnaast moet de tegenprestatie een bijdrage leveren aan het sociale leefklimaat en de leefbaarheid in de stad. Met het opdragen van de tegenprestatie wordt dus zowel een individueel als collectief belang gediend. Artikel 4.4.3. Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). Geen tegenprestatie Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).

De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). Weigering tegenprestatie Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Factoren opdragen tegenprestatie In dit artikel is neergelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. a. tegenprestatie 'naar vermogen' 42

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

b.

c.

d.

De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende.

De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.

Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie of deze persoon te ontheffen van de verplichting tot tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.

Artikel 4.4.4. Duur en omvang van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. Individuele omstandigheden Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). 43

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Maximale duur tegenprestatie in dagen Het eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale duur. De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van 1 jaar worden opgedragen. Verlenging termijn Het tweede lid, regelt dat de termijn van 1 jaar zoals bedoeld in het eerste lid, 2 keer kan worden verlengd met 1 jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, 3 jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn. Maximale duur tegenprestatie in uren Het derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt opgedragen binnen een bandbreedte van 4 tot 8 uren per week. Artikel 4.4.5. Vrijstellingen Dit artikel bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op.

Daarnaast regelt dit artikel de vrijstelling voor belanghebbenden die vrijwilligerswerk verrichten dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit. Uit de wet vloeien nog 2 vrijstellingen voort, namelijk de zorg van alleenstaande ouders voor (een) kind(eren) in de leeftijd van 0 tot 5 jaar (artikel 9a Participatiewet). Deze ontheffing moet wel op verzoek van de belanghebbende door het college zijn gegeven. Ook belanghebbenden die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn verklaard, worden ontheven van de plicht tot het leveren van een tegenprestatie. Toegevoegd is de groep belanghebbenden die parttime werk voor tenminste 8 uren per week verrichten. Daarmee wordt verondersteld dat zij voldoende bijdragen aan de samenleving hebben gegeven.

44

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7.4.5 Toelichting Minimaregelingen Algemeen Op grond van artikel 35 Participatiewet is het mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken. Degene, die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden geconfronteerd wordt met noodzakelijke bestaanskosten, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die niet uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen boven bijstandsniveau kunnen worden betaald (de zogenaamde financiële draagkracht), heeft recht op bijzondere bijstand. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een kwestie van maatwerk: een individuele beoordeling is vereist. Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.5.1 Definities Begrippen die in de Participatiewet, de Awb of de Gemeentewet voorkomen, hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Awb of Gemeentewet. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in deze wetten zelf staan, is een definitie gegeven in deze verordening. Peildatum De peildatum is de datum waarop bepaald wordt of een inwoner, of een van de leden uit zijn huishouden, voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn in het artikel. Dit betreft de hoogte van het inkomen maar ook de leeftijd van de kinderen.

Artikel 4.5.2 Reikwijdte en doelstelling verordening Doelstelling De doelstellingen van de minimaregelingen komen voort uit het Integraal beleidskader sociaal domein: a. het vergroten van de kansen om de spiraal van armoede te doorbreken; b. het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie c. het voorkomen van sociale uitsluiting; d. het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren; e. het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking. Geen recht Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft of studiefinanciering ontvangt. Een uitzondering hierop betreft (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering. Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende aan wie op grond van artikel 11 van de Participatiewet geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is. Vergoedingen in natura Vergoedingen worden verstrekt in natura. Dit houdt in dat er geen geld wordt overgemaakt aan rechthebbenden maar dat vergoedingen worden verstrekt middels (korting op) producten of voorzieningen.

Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 4.5.3 Inhoud vergoedingen De vergoedingen bestaan uit regelingen die aansluiten bij bovengenoemde doelstellingen. 45

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Uit onderzoek is gebleken dat gelijke kansen op scholing, het versterken van de eigen waarde en ‘mee kunnen doen’ de grootste invloed hebben op de kans om de spiraal van erfelijke armoede te doorbreken. Hiermee bevorderen we dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren. Op basis van deze kennis zijn er regelingen voor: 1. Vergoeding van een computer en/of tablet voor kinderen op de basisschool; 2. Vergoeding voor noodzakelijke schoolkosten voor kinderen op de middelbare school, zoals een laptop, schoolspullen en de ouderbijdrage; 3. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een mobiele telefoon; 4. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een fiets; 5. Kledingpakket. Om sociale uitsluiting van volwassenen die rond moeten komen van een minimum inkomen te verminderen en hierdoor maatschappelijke participatie en sport & bewegen te bevorderen, zijn er regelingen voor: 1. Maatschappelijke participatie (Doe mee-budget); 2. Budget voor sport en bewegen voor volwassenen; 3. Vergoeding voor het verlengen van een ID kaart. Om onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking tegen te gaan biedt de gemeente tevens een uitgebreide keuze aan pakketten aan voor de collectieve ziektekostenverzekering.

Artikel 4.5.4 Aanvragen Aanvragen voor vergoedingen op grond van deze verordening kunnen worden gedaan via de eigen digitale omgeving van de uitvoerder. Hiervoor kunnen ze een persoonlijke inlogcode aanvragen bij de uitvoerder. Indien het niet mogelijk is om een aanvraag in te dienen via de digitale omgeving dan kan een papieren aanvraagformulier bij de uitvoerder worden aangevraagd. Aanvraagjaar In 2021 kunnen regelingen aangevraagd worden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Vanaf 2022 wordt overgegaan naar een aanvraagjaar dat loopt van juli tot juli. De reden hiervoor is dat: - Veel regelingen betreffen het school/ sport/ cultureel jaar. Het is voor deze regelingen voor praktischer om over te gaan aanvraagjaar juli-juli omdat: o Het niet uit zou moeten maken wanneer je kosten voor school aanvraagt binnen het schooljaar. Nu worden er soms bonnetjes in april ingediend van een schoolreisje in mei terwijl de factuur op sept van het vorige jaar staat. Deze zou nu afgewezen worden o Scholen moeten nu actief een aanbieding voor bv. een schoolreisje verlengen op 1 januari, anders kan je deze alleen boeken van september t/m december, terwijl het schoolreisje vaak pas in mei/ juni is.

o Het sportbudget kan ingezet worden in een heel sportjaar - We zouden dan alle regelingen omzetten naar juli-juli omdat: o Er dan nieuw budget is voor de zomervakantie; o Kosten voor het nieuwe schooljaar in het voren gekocht kunnen worden; o Het college de mogelijkheid heeft om extra producten toe te voegen speciaal voor de zomervakantie zoals het zomerzwemabonnement. Om te voorkomen dat we een half aanvraagjaar hebben, wordt het aanvraagjaar 2022 verlengd tot 1 juli 2023. Vanaf 1 juli 2023 wordt overgegaan naar een aanvraagjaar van juli-juli. Een uitzondering hierop geldt voor aanvragen voor de collectieve ziektekostenverzekering zoals vermeld in artikel 4.5.13, hiervoor geldt dat aanvragen ingediend kunnen wordt voor de eerste van een 46

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

komend kalenderjaar, voor het komend kalenderjaar. Vanwege persoonlijke omstandigheden kan hiervan afgeweken worden. Voorbeelden hiervan zijn inwoners die uitstromen uit de Regeling Ziektekostenverzekering Asielzoekers, inwoners die verhuisd zijn naar de gemeente Veenendaal en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering en inwoners die vallen onder de Regeling Uitstroom Bijstandsgerechtigden of Regeling Uitstroom Overig. Artikel 4.5.5 Maatschappelijke participatie (Doe mee-budget) Het college kan een vergoeding aan Veenendalers van alle leeftijden verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie. De vergoeding betreft culturele, recreatieve, sportieve en/of maatschappelijke voorzieningen of activiteiten. Enkele voorbeelden hiervan zijn: • bezoek filmhuis, schouwburg en evenementen (bijv.

concerten); • reparatie van fiets/ brommobiel; • sportkleding en -schoenen volwassenen; • overige sport- en beweegattributen volwassenen; • horecabezoek (bezorgkosten mag worden vergoed); • twinkeling (max 10,-); • muziekinstrumenten; • kindervakantieweek; • (schriftelijke) cursus (van een lokale aanbieder); • lidmaatschap kunstuitleen Veenendaal; • mondkapjes; • buskaartjes van regionaal bus vervoer waaronder Connexxion; • computercursussen; • tijdschrift/ krant/ boek/ ansichtkaart; • knutselartikelen; • zwembadbezoek; • lidmaatschap hobbyvereniging; • lidmaatschap speel-o-theek; • lidmaatschap sportverenigingen; • lidmaatschap toneel- dans- muziek- of zangvereniging; • lidmaatschap wijk- of buurtvereniging; • saunabezoek; • seizoenkaart sportvereniging; • Vitraspas. Voorwaarde is dat de kosten gemaakt worden bij een lokale aanbieder. In deze context verstaan we onder lokaal de gemeenten Veenendaal, Rhenen en Renswoude. Het is toegestaan het Budget voor sport en bewegen volwassenen uit artikel 4.5.6 samen te voegen met de bedragen uit lid 3, ten behoeve van een lidmaatschap bij een erkende sportclub of -vereniging. Andersom is niet toegestaan. Artikel 4.5.6 Sport en bewegen volwassenen Het college kan een vergoeding aan Veenendalers, ouder dan 18 jaar verstrekken voor de kosten van een lidmaatschap voor sport en bewegen bij een erkende sportclub of -vereniging.

Het is toegestaan de bedragen genoemd in artikel 4.5.5 toe te voegen aan de bedragen uit lid 3 om zo een hoger budget te hebben voor de lidmaatschapskosten. Artikel 4.5.7 Identiteitsbewijs Het college kan een vergoeding aan Veenendalers verstrekken voor de kosten van een ID-kaart. Vanaf 14 jaar is het verplicht om je te kunnen legitimeren. De werkelijke kosten voor de aanschaf of verlenging van een identiteitskaart kunnen worden vergoed. Dit betreft enkel de kosten van de identiteitskaart en niet van eventuele extra kosten voor vermissing, spoedaanvraag of pasfoto’s. 47

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Een identiteitskaart van een Nederlander ouder dan 17 jaar, is 10 jaar geldig. Voor Nederlanders van jonger dan 18 jaar geldt een geldigheidsduur van 5 jaar. Om deze reden kan er voor een volwassene eens per 10 jaar een vergoeding worden aangevraagd en voor kinderen jonger dan 18 jaar eens per 5 jaar. Toegevoegd is de mogelijkheid dat als een Veenendaler een paspoort wenst aan te schaffen in plaats van een ID-kaart, hij een vergoeding kan krijgen voor het verlengen of aanvragen van een paspoort ter hoogte van de kosten van het aanschaffen of verlengen van een ID-kaart. De aanvullende kosten kunnen vervolgens worden voldaan vanuit het Doe mee-budget uit artikel 4.5.5. Indien een Veenendaler niet in het bezit is van een Nederlands identiteitsbewijs maar wel van een vreemdelingendocument dan kan hij een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de verlenging van het vreemdelingendocument. De hoogte van de vergoeding is even hoog als de kosten voor het verlengen van een Nederlandse Identiteitskaart. Bij een dubbele nationaliteit wordt enkel de Nederlandse identiteitskaart vergoed. Artikel 4.5.8 Computer/ tablet basisschool Het college kan een vergoeding aan gezinnen verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet, en/ of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset.

Artikel 4.5.9 Schoolkosten middelbare school Het college verstrekt een vergoeding voor schoolbenodigdheden die door middelbare scholen als noodzakelijk worden geacht om de schoolcarrière optimaal te kunnen doorlopen. Deze vergoedingen zijn opgedeeld in 3 categorieën: a. laptop of computer die voldoet aan de eisen van school; b. schoolbenodigdheden (zoals pennen, schriften, agenda, schooltas, rekenmachine, woordenboeken, atlas, enzovoort); c. ouderbijdrage (inclusief verplichte ouderbijdrage, schoolreisjes en stagekosten. Ouders kunnen jaarlijks per kind dat op de peildatum 12 tot en met 18 jaar oud is een budget aanvragen voor schoolbenodigdheden en de ouderbijdrages. De vergoeding voor een laptop is per kind eenmalig. Artikel 4.5.10 Mobiele telefoon Het college kan aan jongeren een tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een mobiele telefoon verstrekken. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het inkomen. Hierbij mag er worden bijbetaald. De vergoeding geldt voor een mobiele telefoon, accessoires en/ of prepaidkaarten. De mobiele telefoon mag nieuw zijn of refurbished. Onder ‘refurbished’ verstaan we producten die niet nieuw zijn maar ook niet tweedehands. De apparaten worden helemaal gecheckt door een expert en indien nodig voorzien van een nieuwe batterij of ander onderdeel.

Daarnaast is het toestel volledig schoongemaakt, zijn de gegevens van de vorige gebruiker gewist en is het toestel voorzien van de nieuwste software. Er kan geen vergoeding worden aangevraagd voor abonnementskosten en verzekeringskosten. Artikel 4.5.11 Fiets Het college kan een vergoeding/ tegemoetkoming aan jongeren verstrekken voor de aanschaf of het opknappen van een fiets. Hierbij mag worden bijbetaald. Artikel 4.5.12 Kledingpakket

48

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Het college kan een vergoeding voor een kledingpakket verstrekken. Ouders met kinderen van o tot 18 jaar kunnen per kind een budget aanvragen dat ze kunnen besteden aan kleding voor hun kinderen. Dit budget kan jaarlijks opnieuw worden aangevraagd. Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering Rechthebbenden kunnen vrijwillig deelnemen aan een collectieve ziektekostenverzekering die de gemeente heeft afgesloten met een zorgverzekeraar. Op basis van deze regeling vergoedt de gemeente een bijdrage per rechthebbende aan de zorgverzekeraar waardoor er - bovenop de kosten voor de aanvullende zorgverzekering - nog additionele kosten vergoed worden. Hiervoor dient de belanghebbende en/of diens partner met de zorgverzekeraar als bedoeld in lid 1, een overeenkomst te sluiten voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet en het te verzekeren pakket dat overeenkomt met de eisen die het college aan een collectieve zorgverzekering voor minima stelt. Een inwoner kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert. In de regel is dit 1 januari van het nieuwe kalenderjaar.

Een uitzondering hierop betreffen statushouders en inwoners die gedurende het jaar naar de gemeente Veenendaal verhuisden en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering van die betreffende gemeente. In het zesde lid wordt aangegeven dat de deelname aan de collectieve verzekering niet midden in een jaar eindigt, maar pas op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin men wat inkomen of vermogen betreft niet langer recht heeft op deelname aan deze collectieve ziektekostenverzekering. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat men midden in een jaar onverzekerd raakt omdat men niet meer aan de voorwaarden voldoet of de korting verliest. Het is bovendien van groot belang dat verzekeraar en verzekerde geen twijfel hebben over de verzekeringsvoorwaarden. Een voorbeeld: stroomt men per 1 augustus van enig jaar uit de bijstand en heeft men een inkomen boven de 120%, dan houdt men de korting en het recht op het extra pakket van de collectieve ziektekostenverzekering tot 1 januari van het jaar dat erop volgt. Daarna kan men bij dezelfde ziektekostenverzekeraar blijven, maar heeft men geen recht meer op de voordelen van de collectieve ziektekostenverzekering. Dit betekent ook dat de armoedeval kleiner is, dan wanneer direct de korting zou stoppen zodra men wat inkomen betreft boven de norm uitkomt.

Artikel 4.5.14 Huiswerkbegeleiding Op indicatie van de school kan het college een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke huiswerkbegeleiding. Voor de uitvoering van de huiswerkbegeleiding zal de school overwegen of het aanbod uit de sociale basis passend is bij de behoeften van het kind. Indien deze niet passend zijn dan kan er een vergoeding worden verstrekt voor commerciële huiswerkbegeleiding. Artikel 4.5.15 Onjuiste en/of onvolledige gegevens Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders Aanbieders van producten en/ of diensten waarvoor op basis van deze verordening vergoedingen aangevraagd kunnen worden kunnen op elk moment van het jaar aangesloten worden bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen. Ook producten van reeds aangesloten aanbieders kunnen ok elk moment worden toegevoegd, gewijzigd of verwijderd. Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders binnen de gemeenten Veenendaal, Rhenen en Rensoude. 49

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7.4.6 Toelichting Cliëntparticipatie De gemeente Veenendaal kent sinds 1999 een Cliëntenraad Werk en Inkomen. De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van o.a. de Wet Werk en Bijstand, de re-integratie en sociale activering van cliënten en het gemeentelijk minimabeleid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verplichting om cliëntenparticipatie te regelen volgens de Wet Werk en Bijstand. Binnen de Participatiewet (1 januari 2015) dient ook een Verordening cliëntenparticipatie te worden opgesteld. Met deze paragraaf wordt uitvoering gegeven aan artikel 47 van de Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop deze personen of hun vertegenwoordigers: a. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; b. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; c. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; d. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; d. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

De Cliëntenraad adviseert de gemeente over het brede beleidsterrein van de Participatiewet. Anders dan bij het WMO-forum kent de Cliëntenraad geen ambtelijk secretaris. Sinds 1 januari 2011 heeft de Cliëntenraad een secretaris die uit haar midden wordt benoemd. De functie ambtelijk secretaris is hierdoor vervallen. Daarnaast draagt de gemeente zorg voor het aanleveren van beleidsstukken en onderliggende informatie. De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter een secretaris. Door te werken met een bandbreedte behoudt de cliëntenraad haar flexibiliteit. Om daarnaast te zorgen voor continuïteit kunnen ook vertegenwoordigers van belangenorganisaties deel uit maken van de raad. De cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933773/1