1.4. Integrale verordening sociaal domein Veenendaal - integrale verordening
Tekst van het document
Artikel 3.1.13 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jw. 2. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.1.14, derde lid, onder f. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel 3.1.14 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jw. 2.
Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jw doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jw kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat: 19
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
a. b. c. d. e. f.
4.
5.
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb; de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; of de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
Indien het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 3.1.15 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 3.1.16 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door jeugdhulpaanbieders te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 3.1.17 Betrekken van inwoners bij het beleid 1.
Het college stelt jeugdigen of ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
20
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4. WERK EN INKOMEN 4.1 Re-integratie Artikel 4.1.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. de doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Pw; 2. een grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; 3. een korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; 4. langdurig werkloze: een persoon die 12 maanden of langer geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; 5. loonkosten: het brutoloon inclusief vakantiegeld en wettelijke werkgeverslasten; 6. meeneembare voorziening: een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten als het gaat om een voorziening die niet aard- en nagelvast is en waarover een werkgever normaliter niet beschikt. Artikel 4.1.2a Re-integratievoorziening 1. Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 4.1.6, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4.1.4, 4.1.5, 4.1.7 en 4.1.8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.
Bij het aanbieden van een re-integratievoorziening aan een niet-uitkeringsgerechtigde geldt het volgende: a. er wordt bij voorkeur een groepsgerichte activiteit ingezet; b. er wordt bij het inzetten van een andere voorziening een afweging gemaakt tussen kosten en baten. 4. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon waarbij: a. de omstandigheden in ieder geval betrekking hebben op zorgtaken van die persoon, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; of ii. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg; en b. de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Artikel 4.1.2b. Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen zoals genoemd in de hiernavolgende artikelen. 2. Het bereiken van een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond, vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening, onverlet artikel 7 van de Pw. Artikel 4.1.3 Algemene bepalingen over voorzieningen 1.
Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
21
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2. Het college biedt uitsluitend een voorziening bij een werkgever aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 3. Het college kan een beslissing tot het aanbieden van een voorziening herzien of intrekken als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Pw, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Pw; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel 4.1.4 Werkstage 1.
Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Een werkstage wordt ingezet voor drie maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van maximaal drie maanden. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 4.1.5 Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover er een reële kans bestaat dat deze op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 4.1.6 Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer kan door deze werkgever door middel van een detacheringsconstructie te werk worden gesteld bij een inlener. 3.
De werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 4.1.7 Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het is gericht op arbeidsinschakeling; b. het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt; c. de scholing is kortdurend en gericht op snelle arbeidsinschakeling; en 22
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
3.
d. de meest doelmatige scholingsmogelijkheid wordt benut. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Pw.
Artikel 4.1.8 Proefplaatsing 1. Het college kan een persoon een proefplaatsing aanbieden. 2. Een proefplaatsing betreft het verrichten van reguliere werkzaamheden bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de persoon in reguliere arbeid te bevorderen. 3. Een proefplaatsing wordt toegekend voor maximaal twee maanden. 4. De proefplaatsing kan steeds met periodes van maximaal twee maanden worden verlengd tot een maximumduur van in totaal zes maanden indien: a. in de persoon gelegen factoren een langere periode noodzaken; b. de persoon in deze periode langer dan een week ziek is geweest; c. de werkgever aan kan tonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is; of d. meer tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen. 5. Voorafgaand aan de proefplaatsing worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever in ieder geval afspraken gemaakt over: a. het doel van de proefplaatsing; b. de duur van de proefplaatsing; c. dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:160 Burgerlijk Wetboek; d. dat de werkgever tijdens de proefplaatsing geen salaris is verschuldigd; e. de wijze van begeleiding; f.
een intentieverklaring dat de werkgever de persoon, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaatsing een dienstverband van minimaal zes maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaatsing is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaatsing blijkt dat de uren in het belang van de persoon verlaagd moet worden; g. dat de werkgever tijdens de proefplaatsing voor de persoon een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; h. het feit dat door de proefplaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; en i. dat de persoon de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen. 6. Een proefplaatsing kan niet worden aangeboden indien de persoon eerder bij de betreffende werkgever, organisatie of inlener heeft gewerkt of stage heeft gelopen in dezelfde of vergelijkbare functie, tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden die naar het oordeel van het college een proefplaatsing rechtvaardigen. Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk 1.
Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Voor zover nodig worden aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, daarnaast de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. dagbesteding als maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 2; b. sociale activering als bedoeld in artikel 4.1.5; c. scholing als bedoeld in artikel 4.1.7; d. persoonlijke ondersteuning als bedoel in artikel 4.1.11; 23
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
e.
schuldhulpverlening als bedoeld in paragraaf 4.8.
Artikel 4.1.10 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep als het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 4.1.11 Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel 4.1.12 Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1. Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een medewerker die naar de mening van het college een afstand tot de arbeidsmarkt heeft en deze subsidie een bijdrage levert aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college stelt de maximale hoogte, als percentage van de loonkosten, en de maximale duur van de loonkostensubsidie vast. 3.
Minimaal eenmaal per twaalf maanden beoordeelt het college of de loonkostensubsidie bedoelt in lid 1, nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de medewerker als bedoeld in hetzelfde lid. Artikel 4.1.13 Uitstroompremie Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 4.1.14 Meeneembare voorzieningen 1. Aan een medewerker met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft, kan een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan worden toegekend als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal zes maanden noodzakelijk om de medewerker zijn of haar werk te kunnen laten uitvoeren; b. er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste zes maanden en voor minimaal 12 uur per week; c. er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; d. de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de medewerker en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; en e. de kosten van de mee te nemen voorziening zijn proportioneel 2. 3. 4.
In afwijking van artikel 2 onder b. kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaatsing met behoud van uitkering. Bij de keuze van een mee te nemen voorziening wordt gekozen voor de meest adequate en goedkoopste oplossing. Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de medewerker tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is. 24
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.1.15 Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen over: 1. Onder welke voorwaarden, welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a Pw, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor de voorzieningen in deze paragraaf. 2. De hoogte en de duur van de loonkostensubsidie waarvoor een werkgever in aanmerking komt zoals genoemd in artikel 4.1.12. 3. Welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding en voor de premie en de hoogte van die premie indien additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a van de Pw. 4. Beschut werk: a. op welke wijze wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw; b. welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om de onder 10b eerste lid van de Pw; bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken; c. de wijze waarop de omvang van het aanbod van de voorziening, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw, wordt vastgesteld.
25
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.2 Loonkostensubsidie Artikel 4.2.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Loonwaarde: De loonwaarde is de waarde van de arbeidsprestatie van een (potentiele) werknemer in een bepaalde functie op een bepaald moment waarbij die arbeidsprestatie wordt vergeleken met de arbeidsprestatie in de normfunctie. b. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel 4.2.2 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Pw, of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de Pw; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het UWV kan het college adviseren met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel 4.2.3 Vaststelling loonwaarde 1. Het college past een loonwaarde methodiek toe om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2. De loonwaarde wordt bepaald door gecertificeerde arbeidsdeskundigen van het UWV volgens de Loonwaardemethodiek van het UWV. 3. Het college kan ook andere deskundigen aanwijzen. 4. De methodiek die gebruikt wordt door deskundigen zoals omschreven in lid 2 en 3 voldoet aan de volgende kwaliteitseisen: a. de loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde bepaalt; b. het is transparant hoe de loonwaarde tot stand komt; c. de methode is inzichtelijk beschreven; d. de methode is betrouwbaar; en e.
de methode bevat richtlijnen om te komen tot de loonwaarde van een werknemer op een werkplek, die de prestatie van de werknemer weergeeft.
26
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.3 Individuele inkomenstoeslag Artikel 4.3.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Pw, en de algemene bijstand met dien verstande dat voor de zinsnede 'een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan' moet worden gelezen 'de referteperiode'. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de Pw, voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien; b. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Artikel 4.3.2 lndienen van een verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw, wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier. Artikel 4.3.3 Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen in elke maand niet hoger is dan de 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel 4.3.4 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 378,00 voor een alleenstaande; b. € 485,00 voor een alleenstaande ouder; c. € 540,00 voor gehuwden. 2.
Als een van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.
27
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.4 Tegenprestatie Participatiewet Artikel 4.4.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving; b. tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt; Artikel 4.4.2 Inhoud van een tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt. 2. Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende voorwaarden gelden voor zover daarover in deze verordening geen bepalingen zijn opgenomen. Artikel 4.4.3 Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan personen die een uitkering ontvangen opdragen een tegenprestatie te verrichten. 2.
Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een persoon; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een persoon moeten in aanmerking worden genomen; en c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een persoon moeten in overweging worden genomen. Artikel 4.4.4 Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van één jaar worden opgedragen. 2. De termijn van één jaar zoals bedoeld in het eerste lid, kan twee keer worden verlengd met één jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, drie jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn. 3. De tegenprestatie wordt opgedragen met een bandbreedte van vier tot acht uur per week. Artikel 4.4.5 Vrijstelling 1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien: a. de persoon ten tijde van de aanvraag voor een uitkering voor ten minste 8acht uur per week vrijwilligerswerk verricht, dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit; b. de persoon deelneemt aan activiteiten in het kader van een re- integratie- traject; c. de persoon zorgtaken verricht als mantelzorger voor ten minste acht uur per week; d. de persoon een parttimebaan heeft voor ten minste acht uur per week; e.
de persoon als een alleenstaande ouder, vrijstelling heeft van de arbeidsplicht in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar.
28
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.5 Minimaregelingen Artikel 4.5.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvrager: de inwoner van de gemeente Veenendaal die ten behoeve van zichzelf, zijn partner of zijn kind(eren) een vergoeding op grond van deze verordening aanvraagt; b. aanvraagperiode: de periode waarin een aanvraag kan worden ingediend zoals nader verwoord onder sub g. c. de doelgroep: inwoners van de gemeente Veenendaal met een laag inkomen en de tot hun last komende kinderen; d. huishouden: een aantal personen dat in gezinsverband leeft en als zodanig als een eenheid wordt beschouwd; e. kind: een persoon jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of gehuwde ouders, die ingeschreven staat in de gemeente Veenendaal in de Basisregistratie personen, kinderbijslag op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet wordt betaald of zal worden betaald vanaf het eerstvolgende kwartaal of het pleegkind jonger dan 18 jaar waarvoor een pleegvergoeding wordt ontvangen op grond van artikel 5.3, lid 1, van de Jw; f. norm: wettelijk minimum/ bijstandsnorm, het bedrag, bedoeld in artikel 5, onder c, van de Pw; g. peildatum: • aanvraagperiode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021: 31 december 2021; • aanvraagperiode 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023: 30 juni 2023.
• Vanaf 1 juli 2023: 30 juni van de lopende aanvraagperiode 1 juli tot en met 30 juni; h. uitvoerder: de uitvoerende instantie die namens het college de minimaregelingen uit de Integrale Verordening uitvoert. Artikel 4.5.2 Reikwijdte en doelstelling paragraaf 1. Deze paragraaf heeft tot doel: a. het vergroten van de kansen van de doelgroep om de spiraal van armoede te doorbreken; b. het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie bij de doelgroep; c. het voorkomen van sociale uitsluiting van de doelgroep; d. het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de doelgroep behoren; e. het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking van de doelgroep. 2. Er bestaat alleen recht op vergoedingen op basis van deze paragraaf voor: a. inwoners met een inkomen dat niet hoger is dan maximaal 120% van de norm; of b. inwoners die in de schuldhulpverlening zitten waarbij zij voor dezelfde vergoedingen in aanmerking komen als inwoners met de norm van 100% van het wettelijk minimum . 3. Bij vaststelling van het inkomen worden toegepast: a. de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Pw, met uitzondering op het vermogen in de vorm van een eigen woning: deze wordt niet meegerekend, en b.
de kostendelersnorm, zoals omschreven in de artikelen 19a en 22a van de Pw. 4. Er bestaat recht op een vergoeding als de leeftijd van de aanvrager voldoet aan de voorwaarden als gesteld bij de specifieke voorzieningen. 5. Geen recht op een in deze paragraaf genoemde vergoeding heeft de aanvrager:
29
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
a.
6. 7. 8.
die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft of studiefinanciering ontvangt met uitzondering van (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering; of b. aan wie op grond van artikel 11 van de Pw geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is. Vergoedingen worden verstrekt in natura behoudens bij de collectieve ziektekostenverzekering waarbij de vergoeding ziet op een korting op de ziektekostenverzekering. Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten. Het recht op een vergoeding kan niet meegenomen worden naar een volgende aanvraagperiode.
Artikel 4.5.3 Inhoud vergoedingen De vergoedingen als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, bestaan uit regelingen voor: a. Maatschappelijke participatie; b. Sport en bewegen volwassenen; c. Vergoeding ID kaart; d. Computer of tablet basisschool; e. Schoolkosten middelbare school; f. Mobiele telefoon; g. Fiets; h. Kledingpakket; i. Collectieve ziektekostenverzekering; j. Huiswerkbegeleiding. Artikel 4.5.4 Aanvragen 1. Aanvragen voor vergoedingen op grond van deze paragraaf kunnen door middel van een papieren aanvraagformulier bij de uitvoerder of via de eigen digitale omgeving van de uitvoerder worden ingediend. 2. Aanvragers kunnen een persoonlijke inlogcode aanvragen bij de uitvoerder. 3. In de persoonlijke digitale omgeving kunnen de aanvragers zien op welke vergoedingen zij recht hebben en onder welke voorwaarden. 4. De aanvragers dienen zelf aan te tonen dat zij een inkomen hebben binnen de geldende inkomensnormen. 5. Aanvragen voor vergoedingen kunnen ingediend worden in de volgende perioden: a. 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021; b. 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023; c. vanaf 1 juli 2023 : 1 juli van het betreffende kalenderjaar tot en met 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar. 6.
Aanvragen voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering zoals vermeld in artikel 4.5.13 voor een komend kalenderjaar, kunnen worden ingediend voor 1 januari van dat komende kalenderjaar. In bijzondere gevallen kan het college besluiten af te wijken van deze datum. Artikel 4.5.5 Maatschappelijke participatie (Doe mee-budget) 1. Het college kan een vergoeding aan inwoners van alle leeftijden verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie. 2. De vergoeding betreft culturele, recreatieve, sportieve of maatschappelijke voorzieningen of activiteiten. 3. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager per periode vergoedingen kan aanvragen is bij een inkomen: tot en met 100% van de norm: € 100,00; van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 75,00; van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 50,00.
30
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.
5.
6.
In afwijking op het gestelde in lid 3 zijn in de aanvraagperiode die loopt van 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023, de maximale bedragen waarvoor aanvrager vergoedingen kan aanvragen bij een inkomen: tot en met 100% van de norm: € 160,00; van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 120,00; van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 80,00. Het is toegestaan de vergoeding voor sport en bewegen volwassenen uit artikel 4.5.6 samen te voegen met de bedragen uit lid 3, ten behoeve van een lidmaatschap bij een erkende sportclub of -vereniging. De vergoeding voor maatschappelijke participatie is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden aangevraagd kan worden.
Artikel 4.5.6 Sport en bewegen volwassenen 1. Het college kan een vergoeding aan inwoners, van 18 jaar en ouder verstrekken voor de kosten van een sportabonnement. 2. De vergoeding betreft een lidmaatschap bij een erkende sportclub of -vereniging. 3. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager per periode vergoedingen kan aanvragen is bij een inkomen: tot en met 100% van de norm: € 100,00; van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 75,00; van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 50,00. 4. In afwijking op het gestelde in lid 3 zijn in de aanvraagperiode die loopt van 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023, de maximale bedragen waarvoor aanvrager vergoedingen kan aanvragen bij een inkomen: tot en met 100% van de norm: € 150,00; van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 112,50; van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 75,00. 5. Het is toegestaan de bedragen genoemd in artikel 4.5.5 toe te voegen aan de bedragen uit lid 3 en lid 4. 6. De vergoeding voor sport is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden dat op de 18 jaar of ouder is, aangevraagd kan worden. Artikel 4.5.7 Identiteitsbewijs 1. Het college kan een vergoeding aan inwoners, verstrekken voor de kosten van een ID-kaart. 2.
De vergoeding betreft de werkelijke kosten voor het verlengen of aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart. 3. Indien een inwoner een paspoort wenst aan te schaffen in plaats van een ID-kaart, kan hij een vergoeding krijgen voor het verlengen of aanvragen van een paspoort ter hoogte van de kosten van het aanschaffen of verlengen van een ID-kaart. De aanvullende kosten kunnen worden voldaan vanuit het Doe mee-budget uit artikel 4.5.5. 4. Indien een inwoner in het bezit is van een verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf dan kan hij een vergoeding krijgen voor de werkelijke kosten van de verlenging van het verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf. 5. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een ID-kaart is ten behoeve van deze persoon in de voorgaande periode geen vergoeding voor een ID-kaart vanuit deze paragraaf of een van zijn voorgaande regelingen verstrekt: a. deze periode betreft vijf jaar voor personen van jonger dan 18 jaar; en b. tien jaar voor personen van 18 jaar en ouder. 6.
De vergoeding voor een ID-kaart is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in lid 5. aangevraagd kan worden.
Artikel 4.5.8 Computer/ tablet basisschool 31
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
1.
2.
3. 4.
Het college kan een vergoeding aan inwoners verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een computer of tablet wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag betreft een huishouden met kinderen die op de peildatum 4 tot en met 11 jaar oud zijn; en b. er is aan het huishouden de afgelopen vijf aanvraagperiodes geen vergoeding verstrekt voor een computer vanuit deze paragraaf of een van zijn voorgaande regelingen. Het maximale bedrag waarvoor per periode van vijf aanvraagperiodes een vergoeding kan worden aangevraagd is € 500,00. De vergoeding voor een computer of tablet basisschool wordt verstrekt per huishouden, wat betekent dat de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden genoemd in de voorgaande leden, recht heeft op één vergoeding, ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.
Artikel 4.5.9 Schoolkosten middelbare school 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor schoolbenodigdheden die door middelbare scholen als noodzakelijk worden geacht om de schoolcarrière optimaal te kunnen doorlopen. 2. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding voor schoolkosten wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en b. er is voor het kind in de voorgaande periode, zoals gespecificeerd onder lid 4 onder a., geen vergoeding verstrekt vanuit deze paragraaf of een van zijn voorgaande regelingen. 3. De vergoeding voor schoolkosten omvat de volgende vergoedingen: a. laptop of computer; b. schoolbenodigdheden; c. ouderbijdrage inclusief verplichte ouderbijdrage, schoolreisjes en stagekosten. 4. De frequentie waarin aanvrager vergoedingen kan aanvragen is voor: a. laptop of computer: eenmalig; b. schoolbenodigdheden: elke aanvraagperiode; c. ouderbijdrage: elke aanvraagperiode. 5. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een laptop of computer: € 500,-; 6. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager per aanvraagperiode een vergoeding kan aanvragen is voor: a.
schoolbenodigdheden: i bij een inkomen tot en met 100% van de norm: € 100,00; ii bij een inkomen van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 75,00; iii bij een inkomen van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 50,00. b. ouderbijdrage: € 250,00. 7. In afwijking op het gestelde in lid 6 zijn in de aanvraagperiode die loopt van 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023, de maximale bedragen waarvoor aanvrager vergoedingen kan aanvragen voor: a. schoolbenodigdheden: i bij een inkomen tot en met 100% van de norm: € 150,00; ii bij een inkomen van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 112,50; iii bij een inkomen van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 75,00. b. ouderbijdrage: € 375,00. 32
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
8.
De vergoeding schoolkosten middelbare school wordt per kind verstrekt ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.
Artikel 4.5.10 Mobiele telefoon 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de aanschaf van een mobiele telefoon. 2. Om in aanmerking te komen voor deze vergoeding wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en b. voor het kind is in de voorgaande drie aanvraagperiodes geen vergoeding toegekend voor de kosten van een mobiele telefoon vanuit deze paragraaf of voorgaande regelingen. 3. Het maximale bedrag waarvoor per periode van drie aanvraagperiodes een vergoeding kan worden aangevraagd is: a. bij een inkomen tot en met 100% van de norm: € 150,00; b. bij een inkomen van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 112,50; c. bij een inkomen van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 75,00. 4. De vergoeding geldt voor: a. een mobiele telefoon (nieuw of refurbished); b. accessoires; c. prepaidkaarten. 5. Er kan geen vergoeding worden aangevraagd voor abonnementskosten en verzekeringskosten. 6. De vergoeding mobiele telefoon wordt per kind verstrekt ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. Artikel 4.5.11 Fiets 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de aanschaf of het opknappen van een fiets. 2. Om hiervoor in aanmerking te komen wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a.
de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en b. voor het kind is niet eerder een vergoeding toegekend voor een fiets vanuit deze paragraaf of voorgaande regelingen. 3. Het maximale bedrag waarvoor een vergoeding voor de kosten van een fiets kan worden aangevraagd is € 150,00: 4. Er kan slechts één keer een vergoeding voor de kosten van een fiets worden aangevraagd. 5. De vergoeding fiets wordt per kind verstrekt ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. Artikel 4.5.12 Kledingpakket 1. Het college kan een vergoeding voor een kledingpakket verstrekken. 2. Om hiervoor in aanmerking te komen wordt voldaan aan onderstaande voorwaarde: a. de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum jonger is dan 19 jaar. 3. Het maximale bedrag waarvoor per aanvraagperiode een vergoeding kan worden aangevraagd is: a. bij een inkomen tot en met 100% van de norm: € 200,00 b. bij een inkomen van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 150,00 c. bij een inkomen van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 100,00. 4. In afwijking op het gestelde in lid 3 zijn in de aanvraagperiode die loopt van 1 december 2021 tot en met 30 juni 2023, de maximale bedragen waarvoor aanvrager vergoedingen kan aanvragen bij een inkomen: a. tot en met 100% van de norm: € 320,00; b.
van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 240,00; 33
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
5.
c. van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 160,00. De vergoeding kledingpakket wordt per kind verstrekt ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.
Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering 1. Het college kan een korting op de ziektekostenverzekering verstrekken door middel van het aanbieden van een collectieve ziektekostenverzekering van een zorgverzekeraar. 2. Om hiervoor in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de aanvrager heeft geen achterstanden bij de huidige zorgverzekering; en b. de aanvrager of diens partner sluit met de zorgverzekeraar als bedoeld in lid 1, een overeenkomst voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet en het te verzekeren pakket komt overeen met de eisen die het college aan een collectieve zorgverzekering voor minima stelt. 3. De aanvrager kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert. 4. De deelname aan de collectieve zorgverzekering eindigt vanaf het moment dat aanvrager of diens partner: a. de verzekering beëindigt (per 1ste van het nieuwe kalenderjaar; of b. niet meer ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie (BRP) van de gemeente Veenendaal. 5. De deelname aan de collectieve zorgverzekering voor minima eindigt per 1 januari van het volgende kalenderjaar indien de aanvrager of diens partner: a. een inkomen heeft dat hoger is dan 120% van de toepasselijke norm; of b.
een vermogen heeft boven de van toepassing zijnde vermogensgrens op grond van artikel 34 van de Pw. Artikel 4.5.14 Huiswerkbegeleiding 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke huiswerkbegeleiding. 2. Om in aanmerking te komen voor deze vergoeding wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en b. de school verstrekt een indicatie die de noodzaak van een vergoeding voor huiswerkbegeleiding aantoont omdat het aanbod uit de sociale basis niet passend is. 3. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager per periode van een maand een vergoeding kan aanvragen is: a. bij een inkomen tot en met 100% van de norm: € 250,00; b. bij een inkomen van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 190,00; c. bij een inkomen van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm: € 125,00. 4. De aanvrager is vrij in de keuze bij welk huiswerkinstituut hij de huiswerkbegeleiding wil afnemen. 5. De vergoeding huiswerkbegeleiding wordt verstrekt per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. Artikel 4.5.15 Onjuiste of onvolledige gegevens 1. De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanlevering van de juiste gegevens aan de uitvoerder. 2. Het college kan onderzoeken of de vergoedingen rechtmatig zijn verstrekt. 3.
Het college kan het besluit tot verstrekking van een vergoeding intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen indien: a. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste, verouderde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onrechtmatige verstrekking van de vergoedingen heeft geleid; 34
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
b.
4. 5. 6.
op de aanvraag een ander besluit zou zijn genomen indien bij de beoordeling van die aanvraag de juiste gegevens bekend waren geweest; of c. de zaak of activiteit waarvoor de vergoeding is verstrekt niet is aangeschaft of heeft plaatsgevonden. Indien het college een besluit tot verstrekking van een vergoeding intrekt vervalt het recht op de vergoeding met ingang van de dag waarop het besluit tot intrekking bekend wordt gemaakt. Het college kan de, op grond van deze paragraaf onverschuldigd betaalde vergoedingen, terugvorderen. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze paragraaf of de daarop gebaseerde regels voor zover dit naar het oordeel van het college onredelijke gevolgen heeft voor de aanvrager gezien de doelstelling van deze paragraaf. Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders 1. Het college kan aanbieders van producten die vergoed kunnen worden op basis van deze paragraaf, op elk moment in het jaar, toestemming geven zich aan te sluiten bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen. 2. Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders. 3. Producten van aanbieders die reeds aangesloten zijn kunnen direct online besteld worden door de aanvrager na ontvangst van het besluit tot verstrekking van een vergoeding.
35
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.6 Regionale Cliëntenparticipatie Werk en Inkomen 4.6.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanverwante regelingen: de IOAW, de IOAZ en het Bbz; b. belangenorganisatie: een organisatie te Veenendaal, Rhenen of Renswoude, die mede de belangen van de Pw doelgroep behartigen; c. cliënt: de persoon, die een uitkering ontvangt van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude op grond van de Pw of de aanverwante regelingen, alsmede de persoon die behoort tot de personenkring als omschreven in artikel 7, eerste lid, onder a van de Pw; d. Cliëntenraad: de raad, bestaande uit personen, die al of niet namens organisaties worden geacht de belangen van cliënten te behartigen binnen de taken en bevoegdheden, zoals in deze paragraaf omschreven; e. portefeuillehouder: de wethouder met de verantwoordelijkheid voor de portefeuille Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Veenendaal; f. team WI: team Werk en Inkomen van de gemeente Veenendaal. Artikel 4.6.2 Taak Cliëntenraad 1. De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van: a. de Pw en aanverwante regelingen; b.
de re-integratie en sociale activering van cliënten, waaronder ook nietuitkeringsgerechtigden en personen met een nabestaanden of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en de doelgroep garantiebanen; c. het gemeentelijk Minimabeleid; d. nieuwe wetten en regelingen die tot het aandachtsgebied van de Cliëntenraad behoren. 2. Tot de onder lid 1 genoemde onderwerpen behoren geen klachten, bezwaarschriften of andere zaken, die op individuele cliënten betrekking hebben, maar wel de hiervoor gehanteerde procedures, regelingen, richtlijnen en de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Niet kan worden geadviseerd inzake het personeels- en organisatiebeleid van de gemeente. 3. Het opstellen van het jaarverslag gebeurt door de Cliëntenraad voor 1 maart van enig jaar. Artikel 4.6.3 Samenstelling Cliëntenraad 1. De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter en een secretaris; 2. De Cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties. 3. De individuele leden van de Cliëntenraad zijn inwoners van Veenendaal, Rhenen of Renswoude en vormen zoveel mogelijk een representatieve vertegenwoordiging van het cliëntenbestand van het team WI (inclusief beschut werk). 4.
De voorzitter van de Cliëntenraad is onafhankelijk en niet stemgerechtigd. De voorzitter mag geen cliënt zijn van het team WI, geen vertegenwoordiger zijn van een belangenorganisatie noch werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur van Veenendaal, Rhenen of Renswoude. 5. De secretaris is niet stemgerechtigd, tenzij hij naast secretaris ook lid is van de Cliëntenraad.
36
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.6.4 Benoeming en zittingsduur leden Cliëntenraad 1. Het college van Veenendaal benoemt en ontslaat de leden en de voorzitter. 2. De benoeming van de leden vindt plaats op voordracht van de Cliëntenraad. Het college is niet gebonden aan de voordracht, maar kan slecht met redenen omkleed afwijken van de voordracht. De leden van de belangenorganisaties worden door die organisaties als kandidaat aangemeld. 3. De voorzitter wordt via een sollicitatieprocedure voorgedragen. Het college kan ook een voorzitter voordragen. 4. De Cliëntenraad kiest een secretaris, al dan niet uit haar midden. 5. De zittingsduur van de voorzitter, de leden en secretaris is, behoudens tussentijds aftreden, vier jaar. 6. De leden treden af volgens het rooster van aftreden, maar blijven in functie totdat de nieuwe leden zijn benoemd; de voorzitter, de secretaris en de leden van de belangenorganisaties zijn direct herbenoembaar. Artikel 4.6.5 Werving en selectie individuele leden Cliëntenraad 1. Alleen cliënten van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude kunnen op individuele titel lid worden. 2. Aftredende leden kunnen zich direct herbenoembaar stellen met een maximum zittingstermijn van 8 jaren aaneensluitend. Herbenoeming vindt plaats na voordracht door de Cliëntenraad. 3.
Na afloop van de reguliere zittingsperiode of als er geen geschikte reserve kandidaten voor een vacature beschikbaar zijn, worden alle cliënten van het team WI schriftelijk in de gelegenheid gesteld hun belangstelling kenbaar te maken voor de functie van lid van de Cliëntenraad. 4. De benoeming ter voorziening in tussentijds opengevallen plaatsen vindt bij voorkeur plaats binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature. 5. De voorzitter en tenminste één lid van de Cliëntenraad voeren een kennismakingsgesprek met belangstellenden. 6. Kandidaten voor de functie van lid worden aan het college voorgedragen, nadat het aspirant lid minimaal drie maanden heeft meegedraaid in de Cliëntenraad en deze kandidaat door de meerderheid van de Cliëntenraad geschikt is bevonden voor de functie. 7. Bij disfunctioneren van een lid kan de Cliëntenraad bij meerderheidsbesluit en met redenen omkleed het college voorstellen het betreffende lid te ontslaan. 8. Lidmaatschap eindigt binnen 3 maanden nadat betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden onder lid 1. Artikel 4.6.6 Budget en vergoeding 1. Ten behoeve van de Cliëntenraad wordt jaarlijks een budget door het college beschikbaar gesteld, waartoe een begroting in overleg tussen de Cliëntenraad en het college wordt opgesteld. 2.
Ten laste hiervan komen vergoedingen en kosten die onder andere verband houden met deskundigheidsbevordering, het inwinnen van advies, achterbanraadpleging, kosten notulist en organisatiekosten. 3. De voorzitter, de secretaris en de leden ontvangen een door het college vastgestelde vergoeding. Artikel 4.6.7 Taken en bevoegdheden voorzitter en secretaris 1. Tot de taak van de voorzitter behoort: a. het vaststellen van de agenda; b. het bepalen van dag en uur van de vergadering; c. het leiden van de vergadering; d. het handhaven van de orde; e. het schorsen van de vergadering; f. het peilen van meningen en het mededelen van de uitslagen van stemmingen; g. het bewaken van het beschikbaar gestelde budget; h. het aangaan van verplichtingen die noodzakelijk zijn voor de voortgang en uitvoering van de taken van de Cliëntenraad, indien en voor zover de daarmee gepaard gaande kosten blijven binnen de vastgestelde begroting. 37
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2.
3.
i. vertegenwoordigen van de Cliëntenraad naar buiten. Tot de taak van de secretaris behoort: a. het medeopstellen van de agenda; b. het tijdig verzenden van de agenda met bijbehorende stukken; c. het bijwonen van alle vergaderingen en het zorgdragen voor een verslag en besluitenlijst; d. het opstellen van het jaarverslag;. e. het mede zorgdragen voor de uitvoering van de besluiten; f. het bewaken van de voortgang en afhandeling van de uitgebrachte adviezen; De secretaris kan ondersteund worden door een notulist. De notulist maakt geen onderdeel uit van de Cliëntenraad. Hij ontvangt een door het college vastgestelde vergoeding, welke uit het jaarbudget van de Cliëntenraad betaald wordt.
Artikel 4.6.8 Vergaderingen en vergaderorde 1. De Cliëntenraad vergadert als regel elke maand, met uitzondering van de vakantieperiode. Minimaal tweemaal per jaar vindt een vergadering plaats waarbij de portefeuillehouder aanwezig is. 2. De vergaderingen zijn als regel openbaar, maar de Cliëntenraad kan besluiten een besloten of een huishoudelijke vergadering te houden. 3. De agenda wordt zo mogelijk een week voor de vergadering aan de leden toegezonden. 4. Ieder lid heeft het recht schriftelijke voorstellen aan de Cliëntenraad te doen. Deze voorstellen worden bij de secretaris ingediend. 5. Ieder lid heeft het recht agendapunten in te leveren bij de secretaris. 6. Ieder lid heeft het recht een voorstel betreffende de orde van de vergadering te doen. 7. Toehoorders bij een vergadering kunnen de voorzitter bij aanvang van de vergadering om spreektijd verzoeken. De voorzitter bepaalt of hieraan gevolg wordt gegeven. 8. De Cliëntenraad kan één of meer (externe) deskundigen uitnodigen de vergadering bij te wonen voor het geven van toelichting of advies, voor zover het budget dat toelaat. 9. Het verslag van de vergadering en de besluitenlijst worden ter vaststelling aan de Cliëntenraad aangeboden in de eerstvolgende vergadering. 10. De Cliëntenraad mag niet beraadslagen of besluiten indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is. 11.
Alle adviezen worden bij meerderheid van stemmen uitgebracht. Artikel 4.6.9 Advisering 1. Het college vraagt de Cliëntenraad om advies over alle onderwerpen die vallen binnen het terrein van de Pw en aanverwante regelingen. Dit betreft in ieder geval: a. de voorgenomen beleidskaders en verordeningen op de gebieden participatiebeleid, handhavingsbeleid, inkomensbeleid en minimabeleid; b. het voorgenomen uitvoeringsbeleid, zoals verwoord in beleidsnota’s van het college. 2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit door het college. 3. Uitgangspunt is dat de Cliëntenraad tenminste twee weken de tijd heeft om een advies op te stellen. Zoveel mogelijk houdt het college daarbij rekening met de vergaderingen van de Cliëntenraad, zodat toelichting kan worden gegeven op het voorgenomen besluit. De Cliëntenraad geeft in ieder geval binnen zes weken een reactie op een gevraagd advies van het college. 4. De adviezen van de Cliëntenraad worden schriftelijk uitgebracht aan het college. 5. Het college neemt binnen zes weken een beslissing op een gevraagd of ongevraagd advies van de Cliëntenraad en stelt de Cliëntenraad daarvan schriftelijk in kennis. Indien afgeweken wordt van een advies zal dit worden gemotiveerd. 6.
In het geval het advies van de Cliëntenraad een raadsvoorstel betreft wordt door het college het advies van de Cliëntenraad bij het raadsvoorstel gevoegd en vermeld hoe het college het advies van de Cliëntenraad heeft betrokken bij de totstandkoming van het raadsvoorstel. 38
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.6.10 Ondersteuning 1. Het college draagt er zorg voor dat de Cliëntenraad wordt ondersteund. 2. Het college voorziet de Cliëntenraad onder andere van informatie opdat de Cliëntenraad naar behoren kan functioneren. Het betreft informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te kunnen begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen. 3. De teamleider van het team WI woont in de regel een gedeelte van de vergaderingen bij. 4. Als daar behoefte aan is kunnen ambtenaren toelichting geven op college voorstellen of andere vragen die passen binnen de reikwijdte van het takenpakket van de Cliëntenraad. Artikel 4.6.11 Regionale samenwerking 1. De gemeenten Veenendaal, Rhenen en Renswoude werken op basis van een dienstverleningsovereenkomst samen. De dienstverleningsovereenkomst omvat de beleidsvoorbereiding en uitvoering van taken van de Pw en aanverwante regelingen. De gemeente Veenendaal is verantwoordelijk voor (algemene) beleidsvoorbereiding en uitvoering. 2. De vaststelling van beleid en verordeningen behoort niet tot de reikwijdte van de dienstverleningsovereenkomst. Deze bevoegdheden zijn en blijven voorbehouden aan het college cq. de gemeenteraad van elk van de deelnemende gemeenten. 3. De beleidsadviezen van de Cliëntenraad zullen door het college worden doorgeleid naar de colleges van Rhenen en Renswoude. 4.
Besluitvorming over de uitvoering ligt bij het college. 5. De gemeenten Rhenen en Renswoude kunnen besluiten om relevante beleidsstukken ook aan te bieden aan andere inspraakorganen dan de Cliëntenraad.
39
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.7 Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ Artikel 4.7.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm:
1° 2°
toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Pw; of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;
Artikel 4.7.2 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van de Pw, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 4.7.3 Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; b. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 4.7.4 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden; 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.
Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 4.7.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Pw over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 3. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging toegepast ingaande de datum van aanvang van de uitkering voor zover deze nog niet is uitbetaald.