50-03-02 Bijlage inhoudelijke zienswijze ontwerpbesluit windturbinebepalingen
Tekst van het document
Inhoudelijke zienswijze ontwerpbesluit windturbines leefomgeving Van donderdag 12 oktober tot en met woensdag 22 november 2023 liggen de nieuwe normering voor windturbines ter inzage (publieke consultatie) en kan een ieder een zienswijze naar voren brengen over: a. het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving en de bijbehorende nota van toelichting; b. de integrale teksten van de windturbinebepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit, zoals gewijzigd door dit ontwerpbesluit en c. het bijbehorende milieueffectrapport (plan-MER). Hieronder volgt puntsgewijs onze reactie op bovenstaande. Sociale impact Bij de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is geconstateerd dat deze zich beperkt tot met name de technische aspecten en normstelling. In de zienswijze op de NRD hebben we gemotiveerd aangegeven dat een milieueffectrapportage verder gaat dan alleen het technische aspect. De Wet milieubeheer beoogt in Hoofdstuk 7 activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu met een m.e.r inzichtelijk te maken. Windenergie op land levert vaak discussie op en kent voorstanders en tegenstanders.
Bij het heroverwegen van het normstelsel van rijksregels voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid verdient het aanbeveling om deze niet alleen technisch te benaderen maar juist aandacht te bieden aan de sociale effecten op de bevolking. Dit gaat verder dan, de genoemde gezondheidseffecten van geluid. In andere landen is het gebruikelijk om deze effecten mee te nemen in een milieu- (en sociale-) effectenrapport. Dit gaat verder dan hetgeen in het planMER zoals ze nu voorligt is beschreven. Wij herhalen dan ook ons verzoek om ook het sociale aspect van windturbines op land mee te nemen in het planMER. Referentiesituatie Als uitgangspunt (referentiesituatie) heeft men gekozen voor het moment dat de Raad van State heeft geconcludeerd dat de normen, als opgenomen in het Activiteitenbesluit en -regeling milieubeheer niet op een correcte manier tot stand zijn gekomen. Er zijn daarmee 10 jaar lang vergunningen verleend en zienswijzen en bezwaren tegen de verleende vergunningen op ondeugdelijk gronden afgewezen door de Raad van State. Ook de overbruggingsregeling die van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2025 in werking is, is vastgesteld in afwachting van de uitkomsten van het planMER.
Nu de situatie voor de bestaande inrichtingen die voor 2021 zijn vergund buiten de beoordeling wordt gehouden en niet te kiezen voor het jaar dat de regels tot stand zijn gekomen (2011) is voor de bestaande inrichtingen een ongelijk speelveld ontstaan in het voordeel van de vergunninghouders. Wij blijven van mening, net als bij de zienswijze op de NRD, dat het niet meenemen van de vergunde windparken die tussen 2011 en 2021 een vergunning hebben gekregen (inrichtingen met 3 of meer windturbines) bij het vaststellen van de bestaande toestand in strijd met wat artikel 7.7 Wm beoogt. Daarnaast ontstaat het risico dat de normering op een later moment opnieuw door de rechter buiten toepassing zal worden verklaard, omdat een onvolledig MER is opgesteld. Wij verzoeken u om de situatie van voor de regels in het Activiteitenbesluit en -regeling (stand van zaken 2011) als bestaande toestand van het milieu vast te stellen en als referentiesituatie te nemen.
Geluid Praktisch handhaafbare normen Op basis van metingen is het praktisch onmogelijk om te handhaven op Lden. Lden is immers een jaargemiddelde en dat betekent dat er een jaar moet worden gemeten voor dat tot handhaving over zou kunnen worden gegaan. De geluidsproductie van windturbines in vollastsituatie zou een mogelijkheid zijn waarbij een eenvoudige meting kan worden verricht. Tijdens vollast draaien de windturbines namelijk het hardst (als de turbine in orde is). Een meting zou dus nooit boven een bepaald maximum uit moeten komen. Dat maximum zou de handhaafbare waarde moeten worden. Op die manier kan in ca. 10 minuten vast worden gesteld of een turbine in orde is en hoeft er geen meting van een jaar plaats te vinden. Met een maximale geluidsproductie van een goed functionerende turbine kunnen vervolgens in de vergunning vaste controlepunten worden opgenomen vanaf waar gemeten kan worden. Verzoek is om (eventueel naast Lden) een handhaafbare norm voor windturbinegeluid in te voeren. Standaard- en grenswaarden Lden en Lnight (subsidiair) Er is in het ontwerpbesluit een lagere standaardnorm van Lden (45 dB) opgenomen. Uit het planMER komt naar voren dat hierbij aansluiting is gezocht bij de aanbevelingen van de WHO. Er is echter ook een mogelijkheid om tot 47 dB als grenswaarde te vergunnen waarbij een motiveringsplicht is opgenomen.
In het planMER zien we dat er is gekeken naar een aantal windparken welke na de uitspraak van 30 juni 2021 een omgevingsvergunning hebben gekregen en waarbij, een door het lokale bevoegde gezag een gemotiveerde geluidsnorm is vastgesteld (in plaats van te toetsen aan algemene regels wat door de uitspraak van de Raad van State bij WP Delfzijl Zuid Uitbreiding op grond van het Nevele-arrest noodzakelijk is geworden). We zien in deze afweging steeds terug dat het economische belang, de derving van energieopbrengst, zwaarder weegt dan de bescherming van de omwonenden. De Raad van State heeft hier positief over geoordeeld, waarmee de 7 dB opnieuw 'de norm' is geworden. Het gaat daarbij om projecten die al langer liepen en waarbij de posities van de windturbines op grond van de geluidruimte van Lden = 47 dB waren gekozen. Een heroverweging met andere posities of minder windturbines is daarbij niet in beeld gekomen. Door het opnemen van een standaardwaarde Lden= 45 dB maar gelijktijdig 'ruimte' te bieden om naar een grenswaarde van Lden=47 dB te kunnen gaan, zal naar verwachting bij nieuwe windturbines door de initiatiefnemers steeds een aanvraag met een motivatie voor de grenswaarde worden ingediend. Hierbij gesteund door uitspraken van de Raad van State die een Lden= 47 dB aanvaardbaar vindt.
Wij kunnen ons in de gegeven motivering voor het stellen van standaardwaarden en grenswaarden niet vinden omdat wij als bevoegd gezag niet voldoende instrumenten in handen krijgen om de ruimte tussen die twee te reguleren. Wanneer u vasthoudt aan de streef- en grenswaarde zoals verwoord in het ontwerpbesluit, verzoeken wij deze ruimte te laten afhangen van een motivering waarbij het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van omliggende geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (Hfst. 4.) als maatgevend moet worden beschouwd. Afstandsnorm (voor geluid) Er is naar aanleiding van een motie een afstandsnorm van 2 x de tiphoogte opgenomen in de regels. Het is echter onduidelijk op welke wijze deze afstand gemeten moet worden. Hiermee is samen met de afstandsnorm ook een nieuwe onduidelijkheid en dus bron van discussie over de interpretatie ontstaan. Onduidelijk is waartussen de afstand moet worden gemeten. Is dat aan de fundering, of hart van de WTmast, of tot de buitenkant rotor, of tot de as of nacelle, of tiphoogte?
Ook geven de planologische mogelijkheden in de vorm van vastgesteld bouwvlak of de functie wonen op het hele perceel nog mogelijkheden om een woning verder in de richting van de windturbine uit te breiden waardoor toetsing van de bestaande situatie de planologische zekerheid te niet doet. Hiermee lijken we van de regen in de drup terechtgekomen te zijn. Een éénduidig te interpreteren afstand kan dat voorkomen/oplossen. Eerder hebben wij gepleit om géén afstandsnorm op te nemen, omdat dit de noodzaak om stillere windturbine te ontwikkelen zal frustreren. Nu onze eerder ingebracht zienswijze bij de NRD om géén afstandsnorm in te voeren niet is gehonoreerd, verzoeken wij om in elk geval duidelijk aan te geven hoe deze afstand bepaald (gemeten) moet worden. Daarbij is het noodzakelijk vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voor zowel de initiatiefnemers als omwonenden dat er rekening wordt gehouden met de planologische mogelijkheden van omliggende te beschermen percelen en niet van de situatie van geluidgevoelige objecten (bestaande rechten). Amplitudemodulatie Als de windsnelheid varieert zal daarmee ook de hoeveelheid geluid variëren. Het gewone weerbericht is daarbij niet bruikbaar om hierover een voorspelling te doen, want dat geldt niet op de hoogte waarop de rotor draait. Als ’s avonds de wind gaat liggen, kan de windsnelheid op rotorhoogte juist omhooggaan.
(Pilot Kennisplatform Windenergie, KENNISBERICHT Geluid van windturbines, Versie 1.0, Juni 2015). Met het hoger en groter worden van de windturbines is er een situatie ontstaan waarbij de windturbine in twee verschillende windsnelheidsgebieden terecht komt. Zo kan aan de onderzijde van de rotor, vaak als gevolg van een hogere ruwheidslengte ter plaatse, thermiek of het doorsnijden van een inversielaag, de windsnelheid lager zijn dan aan de bovenzijde van de rotor. De wieken komen dan tijdens hun rondgang verschillende windsnelheden tegen waarbij de hoeveelheid opgewekt geluid ook verschilt. Bij amplitudemodulatie varieert de sterkte van het geluid met het tempo waarmee een wiek de mast passeert. Dit is bij de meeste windturbines met 3 wieken dus 3 maal hoger dan het toerental en kan worden vertaald naar een aantal Beats Per Minute (BPM). Een term die we kennen vanuit de muziek en betrekking heeft op het ritme van de muziek. Hoe sterk dit ritmisch geluid is, is afhankelijk van de weersomstandigheden. Door de ontwikkelaars van windturbines is sinds 2015 nog maar weinig progressie geboekt in het tegengaan van dit onderdeel van de geluidbelasting. Het is vooral op grotere afstand van een windturbine te horen (M. Reedijk, I. van Kamp, J. Hin, juli 2021: Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM). Dicht bij een windturbine is ritmisch geluid altijd te horen.
Dit komt doordat een wiek naar voren (in draairichting) meer geluid produceert. Het lijkt erop dat amplitudemodulatie vooral ’s avonds en ’s nachts (als de zon onder is) voorkomt. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het veranderen van de windsnelheid als de grond afkoelt: dan neemt de windsnelheid bij de grond af maar op grotere hoogte juist toe. Dat dit ritmisch geluid zo opvallend is, komt doordat mensen gevoelig zijn voor ritme; het ritme in muziek is qua timing vergelijkbaar. Wanneer er daadwerkelijk sprake is van een herkenbaar waarneembaar 'ritmisch geluid' bij de ontvanger, zou gelijk aan muziekgeluid een straffactor gepast zijn. Hoewel in het planMER het hierboven genoemde kennisbericht wordt aangehaald, heeft men dit aspect 'afgedaan' als een leemte in kennis. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat hier, behalve een onderzoek van RIVM uit 2021, sinds 2015 geen nadere studies naar gedaan zijn, maar als dat zo is, dan is dat reden temeer om voor dit ritmische geluid een correctie van 10 dB op te nemen om omwonenden beter te beschermen. Dit zou op een zelfde wijze kunnen plaatsvinden als waarop dit in de Handreiking Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI) bij muziekgeluid wordt gedaan. Dit ook omdat voor tonaal geluid wel is gekozen om een strafcorrectie van 5 dB in te voeren.
Wij verzoeken om in het meet- en rekenvoorschrift dan wel in de regels mogelijkheden op te nemen voor een dergelijke correctie).
Koelsystemen van windturbines Bij het opwekken van elektriciteit komt op as-hoogte in de nacelle (gondel) van de windturbines, waar de generator de windenergie omzet in elektriciteit, een aanzienlijke hoeveelheid warmte vrij. Om deze warmte te kunnen afvoeren zijn veel windturbines voorzien van een koelsysteem dat te vergelijken is met dat van een auto. Een koelvloeistof loopt langs de generator en neemt de warmte mee naar een (vaak) buiten geplaatste radiator waar ze afkoelt om daarna terug te vloeien naar de generator. Net als bij een auto zijn deze radiatoren uitgerust met een 'fan', een ventilator die bij weinig wind en hoge temperaturen zorgt voor extra koeling. Juist op warme dagen heeft dit extra geluid geleid tot klachten van omwonenden. Bij het onderzoeken van deze klachten is geconstateerd dat dit geluid niet is meegenomen in de bepaling van het bronniveau van windturbines. We zien de afgelopen jaren een trend in het toenemen van het aantal warme dagen. Hiermee zal ook vaker de (geforceerde) koeling in werking treden. Tenzij op die momenten ervoor wordt gekozen om de windturbine stil te zetten. In de huidige regelgeving en certificering van windturbines is dit geluid niet meegenomen. Wanneer dat wel zou worden gedaan, dan zal het bronvermogen van de turbine hoger worden.
Hiermee wordt de werkelijke geluidbelasting waaraan omwonenden worden blootgesteld ook hoger dan waarmee tot nu toe is gerekend. Juist op deze warme dagen, waarbij de windturbine niet onder vollast draait door de lage windsnelheid en het geluidniveau eigenlijk onder het gemiddelde geluidniveau zou moeten zitten, is dit geluid maatgevend. Om omwonende te beschermen is het zeer wenselijk om in de berekening en normering van het geluid van windturbines ook deze geluidsbron mee te wegen bij het opstellen van de beoordelingssystematiek. Bij de zienswijze op de NRD hebben wij reeds aandacht gevraagd voor dit specifieke hinderaspect. Wij constateren dat noch in het planMER noch in de ontwerp-regels aandacht besteed is aan dit fenomeen. Wij verzoeken daarom regels te stellen die ervoor zorgen dat de windturbine wordt stilgezet (uit bedrijf wordt genomen) op die tijdstippen dat het geluid van het koelsysteem bij omwonende herkenbaar (meetbaar) kan worden waargenomen. Cumulatie met andere windturbines Aan dit aspect is maar zeer beperkt aandacht besteed. Men geeft aan dat een verlaging van de standaardwaarde (Lden = 45 dB) mogelijk is wanneer er geluidhinder door andere windturbines worden veroorzaakt. Er wordt niet aangegeven hoe men dit zou moeten doen. In de regels van het Activiteitenbesluit wordt het begrip Lcum ook gebruikt in artikel 3.14 Abm lid 2.
Hierin staat dat: "Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines". Een uitwerking van de manier waaraan een dergelijk maatwerkvoorschrift moet voldoen of op welke manier geluidruimte kan of moet worden verdeeld ontbreekt daarbij. Het ontbreken van eenduidigheid geeft veel onduidelijkheid. Zowel bij de initiatiefnemers en eigenaren van windturbines als ook bij de bevoegde gezagen die hieraan een invulling moeten geven. Welke windturbine zou aangepast moeten worden wanneer er sprake is van een overschrijding? - Is dat de laatste WT die vergund is? (Wie het eerst komt heeft de meeste rechten) - Wordt het gelijk verdeeld over de inrichtingen (ongeachte het aantal WT's waaruit elke inrichting bestaat? - Is de meest luidruchtige WT aangewezen om het geluidniveau te reduceren (stiller modus of tijdelijk uit bedrijf nemen) - Hoe moet hier het evenredigheidsbeginsel op worden toegepast? - Etc. etc.
Een mogelijke oplossing zou gevormd kunnen worden door de werkelijk geproduceerde (berekende) geluidbelasting vast te leggen met een maatwerkvoorschrift en dit ook als zodanig in de regels op te nemen. Dus om te voorkomen dat er door cumulatie een overschrijding van de geluidnorm Lden en/of Lnight ontstaat kunnen alle inrichtingen in elkaars nabijheid gezamenlijk voldoen aan Lden en/of Lnight. De geluidimmissie per inrichting kan men relateren aan het aantal inrichtingen met windturbines welke in de omgeving aanwezig zijn. Dit kan door de Lden (dan wel Lnight) te corrigeren voor het aantal inrichtingen middels de formule: Lden = standaardwaarde - (10 Log WTn) Waarbij WTn voor het aantal inrichtingen met windturbines staat. Wij zien op het punt van de cumulatie met andere windturbines graag een verduidelijking over de wijze waarop het bevoegd gezag invulling moet geven aan de cumulatie met andere windturbines ten einde de hierboven genoemde onzekerheden uit te sluiten. Zonering Bij de komst van een windturbine of een windpark wordt getoetst of voldaan kan worden aan de normen bij de ontvanger. Een windturbine is, zeker in een landelijke omgeving een grote geluidbron. In berekeningen zijn bronniveaus van meer dan 100 dB(A) meer regel dan uitzondering.
Een dergelijke bijna permanente aanwezige (24/7) geluidemissie legt een significant ruimtebeslag op een groot gebied rondom deze windturbines. Ter bescherming van een onbelemmerde exploitatie van een vergunde windturbine of windpark is het wenselijk om een dergelijke 'hinderzone' of aandachtsgebied op te nemen in bijvoorbeeld een ruimtelijk plan. Hiermee kan worden geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen binnen dit aandachtsgebied (zone) de rechten van de windturbines niet over het hoofd worden gezien. De systematiek van de milieuregels gaat uit van de bescherming van omwonenden. Hiervoor wordt getoetst aan de gevel van woningen of andere geluidgevoelige gebouwen of op de grens van geluidgevoelige terreinen. De definitie hiervan is herleid aan de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Hiermee wordt bij de komst van een windturbine of een windpark getoetst of voldaan kan worden aan de normen. Dit laat zich vertalen in een geluidbelastingcontour. Ten behoeve van de rechtszekerheid voor het onbelemmerd exploiteren en om bij nieuwe ontwikkelingen de hinderzone goed in beeld te hebben zou een dergelijk aandachtsgebied vastgelegd moeten worden.
Hoewel dit in eerste opzicht een aspect lijkt dat buiten de scoop van de regels van het Activiteitenbesluit valt, verwijzen we naar andere AMvB's welke voortvloeien uit de Wet milieubeheer (artikel 8.40 - 8.44 Wm) waarin al een koppeling is tussen het milieu- en ruimtelijk spoor. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan vinden we in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (BEVI). Wij verzoeken u om regels op te nemen welke ervoor zorgen dat er binnen een benodigde afstand van de windturbines geen nieuwe geluidgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd. Nu de regels van zowel het milieuspoor en het ruimtelijk spoor van de omgevingswet samenkomen. Zou dit goed uitvoerbaar moeten zijn. Norm voor (laagfrequent) tonaal geluid In onze eerdere zienswijze op de NRD hebben wij over tonaal geluid verzocht: “Er wordt sterk aanbevolen om te onderzoeken of het meet en rekenvoorschrift op dit punt moet worden overwogen en of er een correctie voor tonaal geluid moet worden opgenomen.” Daarnaast hebben wij aangegeven dat: “Voor de beoordeling van het tonale karakter bij de ontvanger het ons logisch lijkt om aansluiting te zoeken bij de internationale standaard ISO 1996-2:2017, ‘Akoestiek - Beschrijving beoordeling en meting van omgevingsgeluid - Deel 2: Bepaling van omgevingsgeluidniveau’, Bijlage J”
De in het planMER voorgestelde ISO 1996-2:2017 blijkt voor laagfrequent tonaal geluid te grof met een te ruime bandbreedte (beoordeling in tertsbanden). Bovendien is deze norm gericht op stationair tonaal geluid terwijl bij windmolens de frequentie van het tonaal geluid kan verlopen als gevolg van het veranderende toerental door een variabele windsnelheid. Dit kan met name bij tonaliteit van lage tonen door de systematiek, de lange middelingstijd die de ISO 1996-2:2017 voorschrijft, zorgen voor 'versmering' en daarmee voor het 'uitmiddelen' van de tonaliteit. Tertsbanden 'kijken' naar een heel gebied aan (groepen van) tonen. Verreweg de meeste geluiden die ons omringen bestaan uit een groot aantal tonen tegelijk. Als in een stille omgeving één toon ten gehore wordt gebracht zal die toon veel meer of sneller opvallen dan geluid dat bestaat uit een verzameling van meerdere tonen bij een tertsbandbreedte. Een toeslag van 5 dB voor alle soorten tonaal geluid is dus onvoldoende. Voor laagfrequente tonen is het hinderbelevingseffect ernstiger/groter. Ervaringen met onderzoeken naar LFg (ook andere bronnen dan windturbines) heeft uitgewezen dat zodra mensen een lage toon horen deze ook vrijwel meteen als hinderlijk wordt ervaren. De toe te passen beoordelingssystematiek mag deze tekortkomingen niet in zich hebben.
Een betere manier om de tonaliteit (van LFg) aan te tonen zou zijn om smalbandig, ongewogen en spectraal in Fast Fourier transform (FFT) te meten. Hiervoor zou metingen in FFT gedaan kunnen worden. Op dit moment wordt in een windpark in Groningen door het adviesbureau Arcadis al metingen uitgevoerd. Wij zijn van mening dat het besluit duidelijkheid moeten geven over het meten van tonaliteit en een uitgewerkte beoordelingssystematiek moet bieden. Alleen een aanbeveling als nu in het planMER is opgenomen volstaat niet. In het PlanMER komt dit weliswaar terug in §9.5.2., maar ze wordt niet als zodanig in een meet- en rekenvoorschrift vastgelegd. Wij verzoeken dan ook opnieuw en met klem dit te borgen in het besluit en daarbij bovengenoemde aanbevelingen over de rekenmethodiek over te nemen. Slagschaduw Afstandsnorm 12 maal de rotordiameter Het aanwezig hebben van een stilstand voorziening is volgens artikel 3.12 Arm alleen nodig: "voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden.” Bij de beoordeling van de afstand gaat het niet om de horizontale afstand, maar om de diagonaal ontvanger - as-hoogte. In slagschaduwonderzoeken wordt gemakshalve vrijwel altijd de horizontale afstand genomen. Bij een as-hoogte van 145 meter en een rotordiameter van 131 meter is het verschil (1572 - 1565 =) 7 meter.
Op de totale afstand is dat niet zo veel, maar daar waar het 'kritisch' wordt kan het tot discussie leiden, of er wel of geen stilstand voorziening ingeregeld moet worden. Met de regels zoals ze nu in het ontwerpbesluit en in de planMER zijn verwoord ontstaat een situatie die onnodig onduidelijk is. Moet de afstand gemeten en beoordeeld worden tot aan de fundering, of hart van de WT-mast, of tot de buitenkant rotor, of tot de as of nacelle, of tiphoogte? De as-hoogte is een gegeven, maar de positie en hoogte van de ramen bij gevoelige objecten kan variëren. Daarnaast kan in het ruimtelijk spoor nog een mogelijkheid zijn om de bestaande woning uit te breiden. In de praktijk wordt vrijwel altijd een meer praktische en daarmee ook worst-case benaderring gehanteerd waarbij wordt uitgegaan van de horizontale afstand en een gevel als een kas (greenhouse) wordt benaderd. Ook in de aangepaste regels blijft dit punt onduidelijk doordat er meerdere interpretaties van de afstand mogelijk zijn. Wij verzoeken u dan ook, nu onze opmerking bij de zienswijze op de NRD niet is meegenomen, opnieuw om de afstand van 12 maal de rotordiameter aan te duiden als een horizontale afstand tussen het centrum van de mast van de windturbine en de grens van waar een slagschaduw gevoelig object mag
komen op grond van de de planologische mogelijkheden voor omliggende te beschermen percelen op grond van het bouwvlak of bestemmingsvlak (bestaande rechten). Overbruggingsregels Het Activiteitenbesluit is per 1 juli 2022 aangevuld met een overbruggingsregeling. Voor bestaande windparken verving de overbruggingsregeling de niet meer geldende regels. Met bestaand wordt de situatie op 30 juni 2021, de datum van de uitspraak bedoeld. De regeling voegde een nieuwe paragraaf 3.2.3a 'In werking hebben van een windturbinepark' toe aan het Activiteitenbesluit en de -regeling met hetzelfde beschermingsniveau als de vervallen regels. Voor nieuwe windparken zijn er door de overbruggingsregeling geen Rijksregels meer. In artikel 3.15b lid 2 staat te lezen: "Deze paragraaf is niet van toepassing op het in werking hebben van een windturbine als bedoeld in het eerste lid, vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windturbinepark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning of het bestemmingsplan van kracht wordt". Deze formulering geeft onduidelijkheid. Hoe om te gaan met een situatie waarbij, in het herstel van een omissie van een vergunning afgegeven en onherroepelijk voor 30-6-2021, een wijzigingsvergunning of veranderingsvergunning noodzakelijk blijkt te zijn.
Of een situatie waarbij na 30-6-2021 een definitieve keuze van het type windturbine wordt aangeleverd (ook als dit in de vergunning als voorschrift is opgenomen). Moet dit artikel rigide worden getoetst en valt een bestaande inrichting hierdoor ineens niet meer onder de overbruggingsregels en moet er voor het betreffende windpark een geheel nieuwe overweging worden gemaakt? Op dit punt is de overbruggingsregeling niet duidelijk. Wij verzoek u om de regels, dan wel de toelichting op dit punt te verduidelijken zodat voor de duur van de overbruggingsregeling hierover geen interpretatieverschil meer kan ontstaan.