40-02-02 Rapport Meldpunt Jeugdbescherming Noord
Tekst van het document
Daarmee komt de kernfunctie van de jeugdbescherming in het geding: in plaats van beschermer wordt de instantie ervaren als bedreiging. Het vertrouwen verdwijnt, de effectiviteit brokkelt af, en het systeem dreigt zichzelf op te heffen. Methodische aanpak De analyse in dit document volgt een systematische aanpak. Elk hoofdstuk neemt één van de externe analyses als uitgangspunt en confronteert die met de bevindingen zoals die tot nu toe zijn genoteerd. Daarbij hanteren we drie stappen: 1. Samenvatting van de externe analyse: we schetsen de kernpunten van de rechterlijke uitspraken, het IGJ-rapport of de VWS-casus. 2. Confrontatie de bovenstaande analyse: we leggen de conclusies naast elkaar en onderzoeken waar ze elkaar bevestigen, aanvullen of tegenspreken. 3. Reflectie en synthese: we trekken de lijn door naar de bredere analyse van structureel falen en rechtsbescherming.
84
Dit zorgt voor een voortdurende dialoog tussen de bronnen. Niet één stem domineert, maar juist het samenspel maakt zichtbaar hoe diep en breed het falen reikt. Centrale thema’s Uit de bovenstaande analyse een aantal terugkerende thema’s naar voren die als rode draad zullen dienen in deze confrontatie: −
Continuïteit en vaste jeugdbeschermer: gezinnen worden geconfronteerd met steeds wisselende gezinsvoogden, wat leidt tot verlies van kennis en wantrouwen.
−
− − − − −
Gebrekkige informatievoorziening/ouders en kinderen worden niet (juist) geïnformeerd: ouders krijgen niet alleen beperkt informatie, ook
verdwijnen hun stemmen en die van hun kinderen uit de dossiers. Neutraliteit en rolopvatting van de GI: jeugdbeschermers worden ervaren als partij in het conflict, niet als neutrale derde. Communicatie en transparantie: trajecten starten onverwacht, zonder uitleg, en met gebrekkige informatievoorziening. Uitvoering van rechterlijke beslissingen: omgangsregelingen worden niet nagekomen, uitspraken niet uitgevoerd. Cultuur en bejegening: ouders ervaren een autoritaire toon, vernedering, en een gesloten organisatiecultuur. Klachtenprocedures en toezicht: klachten worden ervaren als rituelen zonder effect, toezicht grijpt niet of te laat in.
Deze thema’s vormen het kader voor de confrontatie met de externe analyses. Elk hoofdstuk zal laten zien hoe deze thema’s terugkomen in rechterlijke oordelen, toezichtbevindingen en bestuurlijke casussen. Tot slot deze verwijzing. De jeugdbescherming is een terrein waar juridische, bestuurlijke en menselijke werkelijkheden voortdurend door elkaar heen lopen. Ouders en kinderen die ermee in aanraking komen, ontdekken al snel dat zij belanden in een stelsel van regels, instellingen en professionals waarin velen iets te zeggen hebben, maar weinigen werkelijk verantwoordelijkheid nemen. Rechters, gemeenten, gecertificeerde instellingen, inspecties en ministeries vervullen ieder hun rol, maar de kernvraag blijft: wie draagt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het kind, voor het gezin, voor het proces? Dit deel van het rapport richt zich, zoals aangekondigd, op die samenhang.
85
Om dit deel stevig te verankeren, hebben we in Bijlage 2 de kernaspecten van verantwoordelijkheid samengebracht. Het gaat daarbij om de rechten van ouders en kinderen, de rechten en mogelijkheden van gemeenteraden als democratisch orgaan, en de governance-structuur van de jeugdzorg en specifiek JB Noord in Groningen en Drenthe. Door die drie lagen naast elkaar te leggen, ontstaat een helder beeld van hoe het stelsel is opgebouwd – en vooral waar de gaten vallen tussen formele bevoegdheden en feitelijke verantwoordelijkheid.
86
11 Toezicht trekt de grens – de legitimiteit van JB Noord ter discussie 11.1 Inleiding – toezicht boven alles Wanneer het gaat om de vraag of kinderen in Nederland daadwerkelijk veilig kunnen opgroeien, is toezicht de meest bepalende factor. Inspecties, certificerende instellingen en onderzoeksbureaus hebben niet de taak om individuele geschillen te beslechten of ouders en kinderen direct bij te staan, maar om het geheel van de jeugdbescherming systematisch te beoordelen. Hun oordelen reiken verder dan een enkele casus: zij brengen patronen in beeld, signaleren structurele tekortkomingen en trekken conclusies die het functioneren van de organisatie als geheel betreffen. Daarmee leggen zij niet alleen de vinger op tekortschietende zorg voor een individueel kind, maar houden zij de samenleving een spiegel voor: voldoet deze instelling nog aan haar maatschappelijke en wettelijke opdracht? Het gewicht van toezicht ligt precies in die breedte. Waar een kinderrechter kijkt naar het belang van een specifiek kind, beoordelen inspecties en certificerende instanties of de randvoorwaarden van zorgvuldigheid, veiligheid en continuïteit op organisatieniveau worden waargemaakt. Hun rapporten zijn daarmee niet vrijblijvend: zij hebben gezag, worden besproken in de Tweede Kamer en bepalen of een instelling haar certificaat behoudt en dus überhaupt mag blijven functioneren.
In dat opzicht heeft toezicht de bovenhand. Het kan met één oordeel – het intrekken van een certificaat of het instellen van verscherpt toezicht – de toekomst van een organisatie beslissen. Dit hoofdstuk staat geheel in het teken van die toezichtsdimensie. We volgen de verschillende lagen: eerst het zelfbeeld dat JB Noord schetst in haar eigen jaaren bestuursverslagen, vervolgens de reeks landelijke en regionale onderzoeken die de bredere context zichtbaar maken, en ten slotte het culminerende inspectierapport van 2025 dat een grens trekt. Daarbij wordt duidelijk hoe de toon in de loop der jaren verandert: van signalen en waarschuwingen naar harde constateringen dat herstel niet meer realistisch is. Belangrijk om te benadrukken is dat toezicht ook een eigen taal heeft. Het spreekt van “ernstige tekortkomingen”, “onvoldoende borging van veiligheid”, “pseudo-veiligheid” of “geen vertrouwen in herstel”. Achter die termen gaan verhalen van gezinnen, medewerkers en bestuurders schuil, maar in deze 87
inleiding zetten we vooral de toon van het toezicht zelf neer. Want juist die formele, bestuurlijke taal maakt de bevindingen zo zwaarwegend: het zijn niet langer alleen ervaringen van ouders of signalen van professionals, maar formeel vastgestelde tekortkomingen door de instantie die geacht wordt te waken over de kwaliteit van de jeugdbescherming. Daarmee vormt dit hoofdstuk de basis voor de verdere analyse. Eerst brengen we in beeld hoe JB Noord zichzelf ziet: balancerend tussen crisis en herstel, telkens zoekend naar veerkracht. Daarna plaatsen we die zelfbeelden naast de landelijke en regionale onderzoeken, die steeds nadrukkelijker wijzen op structureel falen. Het zwaartepunt komt in 2025, wanneer de inspecties vaststellen dat Jeugdbescherming Noord niet meer voldoet aan de wettelijke en professionele normen en verscherpt toezicht instellen. Dit hoofdstuk kiest er nadrukkelijk voor om de confrontatie nog even uit te stellen. De verhalen van ouders en de spiegel van de rechter komen pas in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan bod. Hier gaat het om het toezicht zelf: om de systematische, bestuurlijke blik die de fundamenten van de organisatie beoordeelt. En die blik is onontkoombaar scherp. Waar de interne verslagen nog spreken van hoop en veerkracht, stelt het toezicht vast dat het fundament ontbreekt.
Het resultaat is een indringende constatering: een instelling die bedoeld is om kinderen te beschermen, slaagt daar structureel niet in.
11.2 Het zelfbeeld van JB Noord De interne jaar- en bestuursverslagen van Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen vanaf 2018 laten een opvallend dubbelbeeld zien. Aan de ene kant tonen zij een organisatie die zich scherp bewust is van de eigen kwetsbaarheid: personeelstekorten, hoog verloop, ziekteverzuim, wachtlijsten en financiële tekorten keren als refrein terug. Aan de andere kant klinkt telkens ook een narratief van veerkracht en hoop: de overtuiging dat ondanks alles de basis overeind kan blijven en dat samenwerking en innovatie uitkomst zullen bieden. Het resultaat is een zelfbeeld dat balanceert tussen crisismanagement en toekomstvisies, zonder dat structureel herstel werkelijk in zicht komt. In het jaarverslag over 2018 spreekt het bestuur van een ‘breekpunt’. Het ziekteverzuim in Drenthe ligt op 20 procent, ervaren jeugdbeschermers vallen massaal uit, en wachtlijsten groeien onvermijdelijk. Het bestuur erkent openlijk dat “nieuwe cliënten niet meer goed kunnen worden geholpen”. Om de meest basale zorg overeind te houden presenteert het bestuur het Keerpuntplan, een noodmaatregel met onder meer een speciaal intaketeam dat gezinnen in ieder 88
geval een aanspreekpunt moet geven. Het beeld dat hieruit oprijst is dat van een instelling die niet langer de eigen opdracht volledig kan uitvoeren, maar met kunst- en vliegwerk probeert de schijn van continuïteit te bewaren. Een jaar later schetst het bestuur een voorzichtiger optimisme. Met extra middelen en een tariefsverhoging vanaf 2020 moet de druk verlicht worden. Er stromen 59 nieuwe medewerkers in, maar tegelijkertijd vertrekken er 46. Het verloop blijft daarmee rond de 18 procent hangen. In de jaarstukken staat de paradox helder verwoord: “de basis wankel, maar met ambitie voor de toekomst”. Het bestuur kondigt een meerjarenkoers aan met meer cliëntparticipatie, betere samenwerking met gemeenten en verlichting van administratieve lasten. Tegelijkertijd is voor iedere lezer duidelijk dat de fundamenten broos blijven. Corona, stakingen en een krappe arbeidsmarkt geven de problemen in 2022 een nieuwe dimensie. Het verloop loopt op naar 21 procent, het ziekteverzuim bedraagt bijna 8 procent. Financieel boekt de organisatie een verlies van ruim een half miljoen euro, waardoor het eigen vermogen afneemt. Toch kiest het bestuur ervoor ook de positieve signalen te benadrukken: externe audits bevestigen ISO-certificering, spiegelbijeenkomsten en cliënttevredenheidsonderzoeken leveren waardevolle input op, en samenwerking met lokale teams wordt ‘versterkt’.
Opnieuw wordt zichtbaar hoe sterk de reflex is om kwetsbaarheid te verpakken in taal van veerkracht. Het jaarverslag van 2023 bevestigt dat de druk nauwelijks afneemt. De caseloads blijven hoog en de instabiliteit in de bezetting groot. Toch schrijft het bestuur dat “de continuïteit is gewaarborgd” en dat de samenwerking met gemeenten en ketenpartners sterker is geworden. Tegelijkertijd klinkt een andere toon: het ‘toekomstscenario jeugd- en gezinsbescherming’ werpt zijn schaduw vooruit, met kansen voor hervorming maar ook onzekerheid over de positie van JB Noord. De certificering blijft formeel behouden, maar inspecties signaleren kritische aandachtspunten op het gebied van risicotaxatie, dossiervorming en incidentregistratie. In september 2025 schetst JB Noord een beeld van herstel. Het eerste face-toface contact vindt in 86 procent van de gevallen tijdig plaats en ook plannen en risicotaxaties zijn grotendeels op orde. De formatie groeit naar ruim 81 fte, het ziekteverzuim daalt naar 13 procent en het verloop lijkt teruggebracht tot 15 procent. Toch blijft bijna een vijfde van de capaciteit afhankelijk van dure externe krachten. En nog altijd heeft een kwart van de kinderen geen vaste
89
jeugdbeschermer: de stabiliteit die wordt beloofd, is in veel gezinnen niet gerealiseerd. Terugkijkend beschrijft JB Noord zelf drie lijnen. Steeds opnieuw keert de cyclus van overbelasting en herstel terug: hoge werkdruk leidt tot uitval en verloop, wachttijden lopen op, crisismaatregelen volgen, en herstel blijft tijdelijk. Daarnaast groeit de nadruk op ketensamenwerking en cliëntparticipatie: spiegelbijeenkomsten, tevredenheidsmetingen en ervaringsdeskundigheid krijgen een steeds grotere plaats. Ten slotte komt telkens de financiële kwetsbaarheid terug, samengevat in het besef dat “tarieven niet kostendekkend zijn” en dat de organisatie afhankelijk blijft van politieke en bestuurlijke keuzes. Het zelfbeeld dat zo ontstaat is er een van een instelling die zichzelf steeds opnieuw ziet balanceren: enerzijds in brandbestrijding, anderzijds in een zoektocht naar legitimatie door samenwerking, audits en certificering. Het is een verhaal van volharding en veerkracht, maar tegelijk een spiegel van een organisatie die telkens weer moet constateren dat de structurele basis ontbreekt.
11.3 Landelijke onderzoeken en signalen Naast de interne jaar- en bestuursverslagen van JB Noord verschijnt er sinds 2019 een reeks landelijke en regionale onderzoeken die de staat van de jeugdbescherming systematisch in beeld brengen. Deze rapportages richten zich niet op één instelling, maar op het functioneren van het stelsel als geheel, en plaatsen daarmee ook de praktijk van JB Noord in een bredere context. Het rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd (2019) van IGJ en IJenV vormt een eerste ijkpunt. De inspecties schrijven: “Kinderen met een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel krijgen onvoldoende bescherming. Zij wachten te lang op een vaste jeugdbeschermer, op een plan van aanpak en op passende hulp.” De analyse is onverbiddelijk: “De huidige uitvoering is niet acceptabel.” Daarmee wordt JB Noord, net als andere gecertificeerde instellingen, formeel aangesproken op het feit dat wettelijke normen niet worden gehaald. In september 2022 volgt een signaalbrief van de inspecties waarin de urgentie opnieuw wordt benadrukt: “Wij vragen de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van VWS om op korte termijn tot verbetering te komen. Doel is dat jeugdigen met een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel onmiddellijk adequate begeleiding, bescherming en hulp krijgen.” De vraag die
90
hier expliciet wordt gesteld is waarom, ondanks eerdere rapportages, nog altijd geen structureel herstel zichtbaar is. In februari 2025 verschijnt het rapport Zorgen over kinderen die wachten op jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hierin wordt vastgesteld dat “1.496 jeugdigen wachten te lang op een vaste jeugdbeschermer” (peildatum oktober 2024). De inspecties constateren dat slechts vijf van de dertien instellingen voldoen aan de wettelijke norm van vijf werkdagen voor het eerste contact. Zij spreken hun zorg uit over het “Handelingsperspectief bij onderbezetting”, dat sinds 2022 in gebruik is: “Het werken volgens dit handelingsperspectief is niet toereikend. Sommige instellingen werken er al jaren mee, terwijl het van tijdelijke aard zou zijn.” Tegen deze achtergrond verschijnt in juni 2025 ook het Onderzoek Drenthe. Hierin staat dat “het certificaat van Jeugdbescherming Noord in december 2024 is ingetrokken” en dat de organisatie alleen nog kan functioneren met een overbruggingscertificaat. Het rapport benoemt dat ondanks “extra financiering boven landelijk tarief” structurele problemen blijven bestaan: hoog verzuim, groot verloop en lage productiviteit. De onderzoekers spreken van “pseudoveiligheid”: een situatie waarin juridische kaders worden afgevinkt, maar feitelijke veiligheid voor kinderen onvoldoende is gegarandeerd.
Gezamenlijk laten deze onderzoeken zien dat de vragen die in de landelijke context worden gesteld sterk resoneren met de situatie bij JB Noord. Het gaat telkens om wachttijden, personele continuïteit, de tijdigheid en passendheid van bescherming, de betrokkenheid van ouders en kinderen, en de vraag hoe structureel herstel mogelijk is. Deze thema’s vormen de rode draad waarmee in de volgende paragrafen de inspectierapporten en andere vormen van toezicht nader worden belicht.
11.4 Het rapport Jeugdbescherming Noord – Toezicht jeugdbescherming en jeugdreclassering, juli 2025 Na de jaarverslagen, de landelijke onderzoeken en de regionale analyses volgt in juli 2025 het meest indringende oordeel: het onderzoeksrapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid over Jeugdbescherming Noord. Dit rapport vormt het zwaartepunt van het toezicht en kan zonder overdrijving worden aangeduid als de klap op de vuurpijl. Waar eerdere rapportages signalen en waarschuwingen gaven, trekt dit rappoort de grens.
91