CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

40-02-02 Rapport Meldpunt Jeugdbescherming Noord

Gemeenteraad 27 oktober 2025, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken week 26 t/m 40 en mededelingen29.894 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gehoord en niet gezien Ouders over de jeugdbescherming in Groningen en Drenthe

Enkele quotes van kinderen en ouders: "Ik kreeg een brief dat er een onderzoek was gestart. Ik wist niet eens waarvan ik beschuldigd werd." "Ze belden, en ineens stond er iemand voor de deur." "Ik moest elke week mijn verhaal opnieuw doen. Maar in de verslagen stond steeds hetzelfde." "Ze schrijven dingen op die nooit zijn gezegd. Als ik er wat van zeg, dan ben ik 'lastig'." "Jeugdbeschermers zeiden letterlijk: 'Wij doen niet aan waarheidsvinding'." "De rechter zei dat ik mijn dochter mocht zien. Toch gebeurde er maanden niets." "Elke paar maanden kreeg ik iemand anders. Ik moest steeds opnieuw uitleggen wie ik was." "De gezinsvoogd zei letterlijk: 'U hoeft hier niet over na te denken, wij beslissen.'" "Ik durfde op een gegeven moment niet meer eerlijk te zijn, bang dat ze dat zouden gebruiken om mijn kinderen weg te halen."

"Er was één gezinsvoogd die mij gewoon vroeg hoe het écht met mij ging. Dat vergeet ik nooit meer." "Ik kreeg een brief terug waarin stond dat mijn klacht niet gegrond was. Punt." "Het maakt niet uit wat ik zeg, het verdwijnt gewoon in een zwart gat." "Wat moet ik in godsnaam wel niet gedaan hebben om mijn kinderen slechts vier dagen per maand te mogen zien?" "Toen ze zeiden dat ik hem het weekend weer zou zien, wist ik eigenlijk al dat het niet zou gebeuren." "Ik voelde me al zenuwachtig als de telefoon ging. Je weet nooit wat ze nu weer van plan zijn." "Ik praatte wel, maar ik wist al dat het niets uitmaakte." "Ik hield een map bij met alle mails. Niet dat het hielp, maar het gaf me iets om vast te houden." "Alle beloftes zijn niet nagekomen. Er wordt niks gedaan. Helemaal niks." "Hoe vaak mag je belazerd worden?" "Elke belofte werd voor mij een trigger om boos te worden, nog voor duidelijk was of ze het zouden nakomen."

Colofon Niet gehoord en niet gezien Jeugdbescherming Noord - Ervaringen van ouders en kinderen Een onderzoek naar praktijk, patronen en perspectieven

Uitgave/opdrachtgevers Lijst van Brakel Leefbaar Assen Stadspartij 100% voor Groningen PVV Groningen Auteur Joop Roebroek Advies en kritische reflectie Krijn ten Hove Met bijdragen van Jongeren, (groot)ouders, (oud) medewerkers en andere belanghebbenden die hun ervaringen deelden via het meldpunt. Publicatiejaar 2025 Contact Voor vragen kan contact opgenomen worden met meldpuntjeugdbeschermingnoord@gmail.com Dankwoord Dit rapport had niet tot stand kunnen komen zonder de bereidheid van jongeren en (groot)ouders, (oud) medewerkers en andere belanghebbenden om hun ervaringen te delen. Hun verhalen vormen het hart van dit onderzoek. Verder gaat een groot dankwoord uit aan de vrijwilligers van het meldpunt die in de afgelopen maanden talloze gesprekken hebben gevoerd met de mensen die zich gemeld hebben bij het meldpunt en al deze ervaringen hebben omgezet in bruikbare informatie voor het schrijven van dit rapport.

Inhoudsopgave

Samenvatting

1

Belangrijkste conclusies

4

Naar een nieuwe toekomst voor bescherming van de jeugd

6

Deel 1: Fundament en aanpak

11

1. Inleiding

12

1.1 1.3 1.3 1.4 1.5

12 12 13 13 15

Achtergrond en aanleiding Doel en relevantie van het onderzoek Initiatiefnemers en onderzoeksopdracht Opzet van het onderzoek Aanpak van het onderzoek

Deel 2: De verhalen in hun lagen

16

2 Feiten en gebeurtenissen

17

2.1 Reconstructie van de casussen 2.2 Overzicht van thematische patronen

3 Emoties in verhalen 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Emoties als spiegel van de werkelijkheid De zes kernemoties Kwantitatieve patronen Van breedte naar diepte Een tussenconclusie – patronen van emoties

17 19 22 22 22 23 24 26

4 De kernemoties nader belicht 4.1 Onmacht als rode draad 4.2 Boosheid en frustratie - de emotie van verzet 4.3 Wantrouwen - het verlies van het geloof in de betrouwbaarheid en intenties van de jeugdbescherming 4.4 Angst - de schaduw van de dreiging 4.5 Verdriet en pijn - het stille verlies 4.6 Vernedering - de ontwrichting van waardigheid 4.7 Conclusie – emoties als signalen van uitsluiting, onrecht en bedreiging

5 Betekenisverlening aan emoties

27 27 29 30 31 32 34 36 38

5.1 Van emotie naar betekenis 38 5.2 Betekeniskaders van persoonlijke emoties naar systeemkritiek 39 5.3 Overkoepelende betekeniskaders van persoonlijke emoties naar systeemkritiek 40 5.4 Conclusie – emotie als vensters op instituties 42

Deel 3: Van ervaring naar systeem

43

6 De werkwijze en houding van JB Noord

44

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9

Communicatie als breuklijn Gebroken beloften Onverwachte interventies Klachtenprocedures en de ervaring van zinloosheid Bejegening en vernedering Patronen en organisatiestructuur binnen JB Noord De cultuur van JB Noord Reflectieve stemmen uit het veld Overzicht van structurele tekortkomingen in de praktijk van JB Noord 6.10 Conclusie – van ondersteuning naar ontwrichting

44 46 47 48 49 50 51 52 53 55

7 De invloed op het leven van ouders en kinderen 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Impact op het dagelijks leven De ouder-kindrelatie De beleving en ontwikkeling van kinderen Vooruitkijken: littekens en toekomst Conclusie – het tekent levens

8 Proces en communicatie met professionals 8.1 De ervaring van het proces 8.2 De communicatie als kernervaring 8.3 Conclusie – proces en communicatie bepalend voor ervaring

9 Handeling strategieën van ouders 9.1 9.2 9.3 9.4

Formele en juridische routes Relationele strategieën Persoonlijke en emotionele wijze van handelen Conclusie – Handelen tussen verzet en berusting

57 57 59 60 61 62 64 64 66 67 68 68 69 70 71

10 Andere instituties en hun rol in het domein van de jeugdbescherming

73

10.1 Rechtbanken en rechters 10.2 Raad voor de Kinderbescherming 10.3 Veilig Thuis 10.4 Gemeenten en wijkteams 10.5 Klachtencommissies 10.6 Inspectie (IGJ, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) 10.7 Overkoepelend patroon 10.8 Conclusie – een gesloten keten die niet corrigeert

73 74 75 76 77 78 79 81

Deel 4: Externe bevestiging: het gelijk van ouders 82 Inleiding op deel 4

83

11 Toezicht trekt de grens - de legitimiteit van JB Noord ter discussie 11.1 11.2 11.3 11.4

87

Inleiding - toezicht boven alles) Het zelfbeeld van JB Noord Landelijke onderzoeken en signalen Het rapport Jeugdbescherming Noord – Toezicht Jeugdbescherming, juli 2025 11.5 Slotconclusie – toezicht trekt de grens

87 88 90

12 Toezicht, rechtspraak en de ervaringen van ouders

96

12.1 Inleiding – de dubbele spiegel 12.2 Escalatie in de tijd (2017-2025) 12.3 Thema’s in confrontatie 12.4 Reflectie en synthese 12.5 Slotconclusie – legitimiteit onder vuur

91 94

96 97 99 104 105

13 Tussen verantwoordelijkheid en falen: governance in de jeugdbescherming 106 13.1 Een paravent van papier – een scherm tegen de wind die opsteekt 107 13.2 Wat gebeurt hier? 109 13.3 Wie brengt hier welke boodschap en wie gelooft deze nog? 110 13.4 Bestuur en intern toezicht – tussen herstelplannen en wegkijken 111 13.5 Gemeenten en regioverbanden – het bestuurlijk vangnet dat wegkijkt 112 13.6 Het Rijk – afwezig bestuur 114

Kinderen in de storm van wegkijken en stilzitten

116

Stemmen die zich nog eenmaal tot jullie richten

117

Epiloog

119

Bijlage 1:

Structurele tekortkomingen in de werkwijze van JB Noord

120

Bijlage 2: Rechten, plichten en bestuurlijke verantwoordelijkheden in de jeugdbescherming

127

Bijlage 3:

142

Overzicht van rechterlijke uitspraken

Samenvatting Dit onderzoek komt voort uit een groeiende stroom meldingen en verhalen van ouders die te maken hebben met Jeugdbescherming Noord (JB Noord). Hun ervaringen vormen de basis van dit rapport. Het gaat niet om enkele losse incidenten, maar om terugkerende patronen die veel gezinnen raken en diepe sporen trekken in hun leven. Het doel van dit rapport is om deze verhalen te bundelen, hun betekenis zichtbaar te maken en te toetsen hoe zij zich verhouden tot het bredere stelsel van jeugdbescherming en het bestuur dat daarvoor verantwoordelijk is. De methode van onderzoek is narratief en inductief. Op basis van circa 150 casussen en een analysekader van zeven kernvragen zijn verhalen van ouders, verzameld via meldpunten, gesprekken en dossiers, op verschillende lagen geanalyseerd op verschillende lagen. We kijken naar feiten, emoties, betekenissen, de houding en werkwijze van JB Noord, de invloed op het dagelijks leven, de communicatie met professionals en de strategieën die ouders ontwikkelen om overeind te blijven. Door deze aanpak ontstaat een gelaagd beeld dat verder gaat dan losse ervaringen en dat de structurele patronen zichtbaar maakt. Wat ouders vertellen, schetst een consistent en onthutsend beeld. Gezinnen krijgen voortdurend te maken met wisselingen van gezinsvoogden, soms wel zes of zeven in één jaar. Met elke wissel verdwijnt opgebouwde kennis en vertrouwen.

Ouders moeten hun verhaal telkens opnieuw doen en raken de moed kwijt dat er iemand werkelijk luistert. Zij ervaren dat hun correcties in dossiers verdwijnen en dat hun stem eenvoudigweg niet wordt vastgelegd. Kinderen worden beschreven in standaardformuleringen die geen recht doen aan hun werkelijkheid. Zij maken mee dat trajecten onverwacht starten, vaak zonder duidelijke uitleg en zonder zorgvuldig feitenonderzoek. Rechterlijke beslissingen over omgang worden niet nagekomen: kinderen zitten klaar voor contact met hun ouder en horen op het laatste moment dat het toch niet doorgaat. Ouders voelen zich geconfronteerd met een autoritaire toon, soms zelfs met vernederende opmerkingen als: “wij beslissen, u hoeft niet mee te denken.” Klachtenprocedures blijken rituelen die niets veranderen en door ouders worden ervaren als toneelstukken zonder betekenis. Toch worden ook incidenteel kleine momenten van menselijkheid genoemd, die laten zien hoeveel verschil persoonlijke aandacht kan maken.

1

De emoties die in deze verhalen doorklinken, zijn intens en divers: woede, verdriet, angst, machteloosheid, teleurstelling en diepe schaamte. Ouders spreken over wantrouwen dat maar blijft groeien, over een ervaring van voortdurende onveiligheid, en over de pijn van vernedering. Deze emoties zijn geen ruis of bijkomstigheid. Ze zijn de taal waarin beleid en praktijk zich in hun levens vertalen. Door die emoties betekenis te geven, maken ouders duidelijk dat het niet gaat om misverstanden of botsingen in communicatie, maar om structureel falen. Zij zeggen: onze rechten bestaan alleen op papier, de jeugdbescherming is geen beschermer meer maar een tegenpartij, en de instantie die veiligheid moet bieden, is zelf een bron van dreiging geworden. Het onderzoek laat zien dat deze ervaringen niet losstaan, maar ingebed zijn in de manier waarop JB Noord functioneert en in de keten waarbinnen zij opereert. Binnen de instelling zijn er structurele tekortkomingen in communicatie, besluitvorming, continuïteit en cultuur. Het respect voor ouders en kinderen is in veel gevallen zoek. Daarbovenop komt dat ook de keten als geheel tekortschiet.

Rechtbanken beslissen vaak op basis van onvolledige informatie; de Raad voor de Kinderbescherming neemt stukken van JB Noord over zonder eigen toetsing; Veilig Thuis en gemeenten geven meldingen door zonder onderzoek; en de inspectie constateert wel, maar handhaaft nauwelijks. Voor ouders ontstaat zo een gesloten systeem waarin dezelfde fouten zich steeds herhalen. Waar zij zich ook wenden, zij lopen vast. De kracht van dit onderzoek ligt erin dat de verhalen van ouders niet alleen op zichzelf staan, maar inmiddels ook door externe bronnen worden bevestigd. Rechters stellen in meerdere zaken vast dat JB Noord tekortschiet. In 2025 oordeelt een rechter zelfs dat een ondertoezichtstelling “inhoudsloos” is en wordt JB Noord vervangen door een andere instelling. Daarmee is het falen niet langer slechts een ervaring, maar een juridisch vastgesteld feit. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd komt in 2024 en 2025 tot de conclusie dat de veiligheid van kinderen onvoldoende wordt gewaarborgd, dat participatie van ouders en kinderen structureel tekortschiet, dat planvorming faalt en dat klachtenprocedures niet functioneren. Zij gebruikt de harde kwalificatie “structureel onvoldoende”. In 2025 grijpt ook het Ministerie van VWS in, wanneer ambtenaren een moeder helpen een handhavingsverzoek in te dienen omdat bestaande klachtenprocedures niets opleveren.

Dit uitzonderlijke ingrijpen maakt zichtbaar dat ouders pas via ministeriële steun toegang krijgen tot effectief toezicht en legt een bestuurlijke lacune bloot: toezicht en correctie functioneren niet zoals het hoort.

2

Wanneer deze stemmen naast elkaar worden gelegd, ontstaat een opmerkelijke eenstemmigheid. Ouders spreken in emoties van wanhoop en wantrouwen. De analyse bundelt hun verhalen tot structurele patronen. Rechters bevestigen de tekortkomingen in juridische taal, de inspectie doet dat in toezichtstaal en een ministerie erkent bestuurlijk dat correctie ontbreekt. Vier talen, één boodschap: JB Noord faalt structureel. Deze analyse leidt tot een aantal kernconclusies. De jeugdbescherming verliest systematisch het vertrouwen van ouders en kinderen. Zonder vertrouwen kan er geen bescherming tot stand komen. De rechten van ouders en kinderen bestaan op papier, maar functioneren in de praktijk niet. De keten corrigeert zichzelf niet en bevestigt dezelfde tekortkomingen steeds opnieuw. Het falen is structureel, juridisch vastgesteld, toezicht matig bevestigd en ook bestuurlijk gesignaleerd. Daarmee is de kernfunctie uitgehold: bescherming verandert in bedreiging, neutraliteit in partijdigheid, vertrouwen in wantrouwen. Uit deze conclusies volgt de dringende noodzaak tot hervorming. Voor de jeugdbescherming als functie betekent dit herstel van de basisvoorwaarden: vaste jeugdbeschermers, volledige en waarheidsgetrouwe dossiers, en respectvolle samenwerking met ouders en kinderen.

Voor gemeenten betekent het dat zij hun wettelijke zorgplicht serieus nemen, instellingen die structureel falen niet langer contracteren en onafhankelijk toezicht organiseren dat daadwerkelijk corrigeert. Voor de inspectie en de Raad voor de Kinderbescherming betekent dit dat toezicht en rapportage scherp en volledig zijn, en dat handhaving zonder omwegen wordt toegepast zodra normen worden geschonden. Voor de landelijke politiek betekent het dat de governance van de jeugdbescherming opnieuw moet worden ingericht, verantwoordelijkheden helder belegd moeten worden en rechtsbescherming van ouders en kinderen daadwerkelijk moet worden versterkt. Toch gaat het niet alleen om structuren en procedures. De kern van de problematiek is cultureel. Ouders ervaren dagelijks een toon, een manier van bejegening, een gesloten houding die hen buitensluit en kleineert. Respect, luisteren en samenwerking ontbreken vaak. Zolang dat niet verandert, zullen verbeterprogramma’s oppervlakkig blijven. Alleen een fundamentele omslag in houding en waarden kan het vertrouwen herstellen en de kernfunctie van de jeugdbescherming terugbrengen: kinderen beschermen door samen te werken met hun ouders. Tegelijkertijd moet vooruit worden gekeken. Op de korte termijn ligt de nadruk op preventie, gemeenschapsgerichte ondersteuning, en laagdrempelige 3

rechtspraak die gezinnen niet buitensluit maar begeleidt. De kwaliteit van de jeugdzorg moet worden beoordeeld op maatschappelijke effecten: minder uithuisplaatsingen, stabielere opvoedsituaties, betere schoolloopbanen, minder schuldenstress. Alleen door te investeren in vertrouwen en rechtsbescherming kan het systeem geloofwaardig herstellen. Verderop in dit rapport volgt een vooruitblik naar 2040: hoe deze omslag structureel kan worden verankerd in een samenleving die verantwoordelijkheid deelt en jeugdbescherming opnieuw betekenis geeft? Het beeld dat dit onderzoek schetst, is ernstig maar glashelder. Ouders hebben gelijk, niet alleen in hun eigen beleving, maar ook in de taal van rechters, toezichthouders en een ministerie. Het probleem is structureel en diepgeworteld. Zolang hervormingen uitblijven, blijft de jeugdbescherming een bron van wantrouwen en dreiging. Hervorming is niet slechts wenselijk, maar urgent en noodzakelijk.

Belangrijkste conclusies De verhalen van ouders, de analyse van patronen en de bevestiging door rechterlijke uitspraken, toezichtrapporten en zelfs ministeriële interventie leiden samen tot een aantal onontkoombare conclusies. Zij tekenen het beeld van een instelling en een systeem dat in zijn kernfunctie tekortschiet. Deze conclusies zijn niet enkel gebaseerd op individuele ervaringen, maar worden breed gedragen en meervoudig bevestigd. Allereerst valt op dat de jeugdbescherming het vertrouwen van ouders en kinderen stelselmatig verliest. Dit vertrouwen is niet slechts een kwestie van gevoel, maar een noodzakelijke voorwaarde om tot samenwerking en bescherming te kunnen komen. Wisselingen van gezinsvoogden, het niet uitvoeren van rechterlijke beslissingen, en een cultuur van autoritaire bejegening hebben dit vertrouwen ondermijnd. Waar bescherming bedoeld is om veiligheid te bieden, ervaren ouders juist onveiligheid en dreiging. Een tweede conclusie is dat de formele rechten die ouders en kinderen bezitten, in de praktijk nauwelijks effect sorteren. Rechten als hoor en wederhoor, inzage en correctie van dossiers, een eerlijk proces en passende jeugdhulp zijn wettelijk erkend, maar blijken in de praktijk ontoegankelijk. Ouders vertellen dat hun correcties verdwijnen, dat klachtencommissies slechts rituelen zijn, en dat hun 4

kinderen niet werkelijk gehoord worden. Dit bevestigt de kloof tussen papier en praktijk: rechten bestaan, maar functioneren niet als bescherming. Daarmee komt een derde conclusie naar voren: de keten corrigeert zichzelf niet. In plaats van een netwerk van instituties dat elkaars fouten opvangt en corrigeert, zien we een gesloten systeem waarin missers worden herhaald en bekrachtigd. Gemeenten contracteren instellingen die structureel falen; rechtbanken werken met onvolledige informatie; de Raad voor de Kinderbescherming neemt klakkeloos over; en de inspectie blijft steken in constateringen zonder door te pakken. Ouders ervaren dit als een muur: waar ze ook aankloppen, dezelfde fouten keren terug. Ten vierde laat de confrontatie met externe bronnen zien dat het falen structureel en breed erkend is. Rechters spreken van normschendingen en inhoudsloze maatregelen en de inspectie concludeert dat veiligheid niet gewaarborgd is. Het probleem is daarmee niet subjectief, niet tijdelijk en niet incidenteel. Het is juridisch vastgesteld, toezicht matig bevestigd en bestuurlijk onderkend. En wie ziet vervolgens, ten vijfde, toe op dit alles en neemt verantwoordelijkheid? De centrale conclusie is verontrustend. De analyse van governance toont dat falen niet alleen in de uitvoering ligt, maar ook in de bestuurlijke structuren zelf.

Certificering door het Keurmerkinstituut fungeert als papieren schild dat formele legitimiteit verschaft zonder de werkelijkheid van ouders en kinderen te raken. Bestuur en Raad van Toezicht blijven steken in herstelplannen en bevestigen zo eerder de papieren orde dan dat zij daadwerkelijk ingrijpen. Gemeenten en regioverbanden verschuilen zich achter gefilterde informatie en geruststellende tabellen, waardoor gemeenteraden hun controlerende rol niet kunnen vervullen. Het Rijk blijft beperkt tot constateren en doorverwijzen, terwijl het de systeemverantwoordelijkheid draagt. Zo ontstaat een patroon waarin governance niet corrigeert maar wegkijkt, waarin verantwoordelijkheid oplost en waarin instituties zichzelf beschermen in plaats van de kinderen. Het falen is daarmee niet alleen uitvoeringsmatig, maar bestuurlijk en systemisch ingebed. De zwaarste, alomvattende conclusie luidt tenslotte dat de kernfunctie van de jeugdbescherming is uitgehold. Bescherming is bedreiging geworden, neutraliteit partijdigheid, vertrouwen wantrouwen. De instantie die kinderen zou moeten beschermen, wordt door velen ervaren als een tegenpartij. Daarmee staat niet alleen de legitimiteit van JB Noord ter discussie, maar ook de geloofwaardigheid van het hele systeem van jeugdbescherming in Nederland. Het geheel van deze

5

bevindingen vormt zo een consistent en onderbouwd oordeel, dat zowel op casusniveau als op systeemniveau overeind blijft.

Naar een nieuwe toekomst voor de bescherming van de jeugd Het beeld dat uit dit onderzoek naar voren komt laat weinig ruimte voor cosmetische verbeteringen. De problemen die gezinnen en kinderen ervaren met JB Noord zijn structureel, diepgeworteld en in verschillende talen bevestigd: door ouders, door analyse, door rechters en toezichthouders. De conclusie dat hervorming noodzakelijk is, ligt dan ook voor de hand. Maar de vraag is hoe die hervorming eruitziet. De reflex luidt nog vaak: verbeter de bestaande instellingen, voeg personeel toe, stel nieuwe protocollen op, versterk toezicht. Die weg blijkt doodlopend. Er wordt jarenlang geprobeerd om via verbeterprogramma’s verandering te brengen, maar telkens zonder resultaat. Dat komt omdat het probleem dieper zit. Het is niet in de eerste plaats een kwestie van gebrek aan middelen, personeel of expertise, maar van cultuur en positie. De instellingen raken losgezongen van de mensen en gemeenschappen waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. Daarom is het tijd voor een ander vertrekpunt. Niet langer de instelling in stand houden en oplappen, maar nadenken over een fundamenteel andere ordening. In die nieuwe ordening staan de gezinnen, de kinderen en de lokale gemeenschappen waar zij deel van uitmaken centraal. De ervaring in Veendam laat zien dat dit mogelijk is: daar wordt radicaal gebroken met versnippering en marktwerking.

In plaats van honderden aanbieders kiest men voor één samenwerkingsverband – het Jeugdexpertisepunt (Jep) – waarin een beperkt aantal organisaties met huisartsen en scholen samenwerkt. Dat betekent ook dat er veel sterker wordt ingezet op een pedagogische basis en preventie. Niet pas handelen wanneer calamiteiten zich voordoen, maar vroegtijdig gezinnen en kinderen ondersteunen zodat problemen niet escaleren. Preventie vormt de kern, niet de uitzondering. Het huidige stelsel is opgebouwd rond grote instellingen met wettelijke taken. JB Noord is daar een voorbeeld van, maar hetzelfde geldt voor de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. Deze organisaties hebben formeel de centrale positie, terwijl gemeenten verantwoordelijk zijn voor de financiering en voor het waarborgen van de kwaliteit. In de praktijk blijkt die verdeling niet te werken. Gemeenten hebben nauwelijks grip op het handelen van instellingen,

6

terwijl ouders zich in de procedures machteloos en verloren voelen. De toekomst vraagt om een verschuiving van dit zwaartepunt. Instellingen verliezen hun centrale rol. Gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten nemen hun wettelijke verantwoordelijkheid weer serieus en organiseren de jeugdbescherming dichter bij huis. Niet door zelf nieuwe instituten te bouwen, maar door de taak opnieuw te verankeren in de gemeenschap: in lokale teams, in samenlevingsverbanden, in netwerken waar gezinnen al deel van uitmaken. Dat betekent dat jeugdbescherming niet langer een domein is dat op afstand plaatsvindt, maar een gezamenlijke opgave van scholen, huisartsen, wijkteams, buurtverenigingen, sportverenigingen, jeugdwerk en lokale overheid. Het onderwijs krijgt daarin een bredere opdracht: niet alleen cognitieve kennisoverdracht, maar ook de psychologische, sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Scholen worden zo volwaardige partners in het versterken van veerkracht en het voorkomen van problemen. In Veendam blijkt dit concreet: basisscholen en huisartsenpraktijken hebben wekelijks een behandelaar in huis, zodat hulp dichtbij en snel beschikbaar is. Lichte problemen worden vaak in enkele gesprekken opgelost, zware gevallen krijgen een verklarende analyse en structurele aanpak.

Professionals krijgen de opdracht om samen met gezinnen oplossingen te vinden, met de rechter als laatste vangnet, maar niet als routineuze schakel in een bureaucratisch proces. In de nieuwe ordening nemen gemeenten hun verantwoordelijkheid weer volledig op zich. Dat vraagt politieke moed en bestuurlijke inzet, want het betekent dat zij niet langer achter instellingen kunnen schuilen. Gemeenteraden verhouden zich actief tot de verhalen van ouders, tot signalen uit de samenleving, en tot de vraag of kinderen daadwerkelijk veilig opgroeien. De gemeente is het bestuursniveau dat het dichtst bij gezinnen staat. Zij heeft toegang tot de kennis van scholen, huisartsen, buurtwerkers, sportverenigingen, kerken en moskeeën. In dat netwerk wordt jeugdbescherming beter ingebed dan in een regionale instelling die op afstand beslissingen neemt. Gemeenten zorgen ervoor dat beslissingen niet worden genomen in een gesloten bureaucratie, maar in dialoog met gezinnen en hun omgeving. Dat betekent niet dat elke gemeente het alleen hoeft te doen. Regionale samenwerking blijft nodig voor expertise, voor opvang van pieken in de vraag, en voor het waarborgen van kwaliteit. Maar het uitgangspunt verandert: niet de instelling, maar de gemeente en de gemeenschap vormen het middelpunt. Het herstel van de jeugdbescherming komt niet alleen uit politiek-bestuurlijke keuzes.

Het vraagt ook om het opnieuw verankeren van zorg en bescherming in de verbanden waarin gezinnen zelf leven. Ouders en kinderen zijn geen 7

losstaande individuen die toevallig cliënt worden van een instelling; zij maken deel uit van families, buurten, scholen, verenigingen, geloofsgemeenschappen. In veel verhalen vertellen ouders dat zij zich geïsoleerd voelen zodra de jeugdbescherming binnenkomt. Hun netwerk wordt niet gezien, hun steunbronnen worden genegeerd, hun sociale omgeving wordt buiten spel gezet. Dat isolement vergroot de machteloosheid en verkleint de kans op duurzame oplossingen. De toekomst vraagt om het tegenovergestelde: erkenning van die verbanden. Jeugdbescherming wordt iets wat samen met het netwerk van het gezin wordt vormgegeven. Dat betekent dat grootouders, ooms en tantes, buren, vrienden en docenten een rol kunnen spelen, mits zij dat willen en mits de veiligheid het toelaat. Het betekent dat professionals zich niet langer opstellen als autoritaire beslissers, maar als begeleiders die samen zoeken naar oplossingen. De rode draad door de verhalen van ouders is het verlies van regie. Beslissingen worden over hun hoofden genomen, hun stem verdwijnt uit dossiers, hun correcties worden niet serieus genomen. Kinderen ervaren hetzelfde: hun mening wordt vaak geneutraliseerd of in stereotype taal weergegeven. In de nieuwe ordening staat eigen regie centraal. Dat betekent dat ouders en kinderen niet alleen worden gehoord, maar daadwerkelijk invloed hebben op de besluiten die over hun leven gaan.

Zoals in Veendam zichtbaar is: ouders en kinderen krijgen direct toegang tot professionals, zonder wachtlijsten, en zoeken samen met deskundigen naar een passende oplossing. Professionals en gezinnen staan samen aan het roer: beslissingen worden in gelijkwaardigheid genomen, waarbij zowel vakdeskundigheid als ervaringskennis bepalend zijn. Dit vraagt een cultuur waarin professionals niet boven, maar naast ouders en kinderen staan. Participatie is geen procedureel vinkje, maar een uitgangspunt dat door alle professionals wordt gedeeld. Ouders krijgen recht op inzage en correctie van dossiers die ook werkelijk effect hebben. Kinderen krijgen recht op een gesprek dat niet wordt vastgelegd in clichés, maar in hun eigen woorden. De verhalen van ouders laten ook zien hoe groot de kloof is tussen formele rechten en feitelijke praktijk. Op papier zijn die rechten stevig verankerd: in de Jeugdwet, het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het VN-Kinderrechtenverdrag. In de praktijk merken ouders daar weinig van. De nieuwe ordening moet deze kloof dichten. Rechtsbescherming krijgt een zichtbare en toegankelijke vorm. Ouders en kinderen krijgen laagdrempelige mogelijkheden om hun rechten te effectueren. Klachtenprocedures worden vervangen door onafhankelijke toetsing die bindende kracht heeft.

Toezichtorganen handhaven daadwerkelijk en laten overtredingen niet langer zonder gevolg. Rechters blijven beschikbaar als 8

onafhankelijke toets, maar krijgen betrouwbare en volledige informatie, niet de fragmenten die instellingen nu vaak aanleveren. Geen enkele hervorming slaagt zonder een fundamentele omslag in cultuur. Het probleem bij JB Noord is niet alleen een tekort aan personeel of middelen, maar vooral de manier van bejegening: de toon, de houding, de vanzelfsprekendheid waarmee ouders en kinderen worden buitengesloten. De nieuwe jeugdbescherming functioneert alleen als respect, luisteren en samenwerking de norm worden. Dat vraagt een ander type professional: niet een dossierbeheerder of een controleur, maar iemand die nabijheid biedt, die een relatie aangaat, die bereid is samen te zoeken naar oplossingen. Dat betekent ook dat de jeugdbescherming zich ontwikkelt tot een lerend systeem: met een gezamenlijke kennisagenda die aansluit bij vragen uit de praktijk, een transparante datainfrastructuur die laat zien wat werkt en wat niet, en een sector breed opleidingsprogramma dat professionals voortdurend toerust met actuele inzichten. Ook hier geeft Veendam richting: door in te zetten op systematisch leren, normaliseren van alledaagse opvoedproblemen en het verminderen van bureaucratische rapportagelast, ontstaat ruimte voor innovatie en verbetering. Het vraagt ook om een andere vorm van opleiding en begeleiding, waarin empathie, dialoog en rechtsstatelijke waarden centraal staan.

De verhalen van ouders laten zien hoe diep het vertrouwen is geschaad. Het herstellen daarvan vraagt meer dan kleine aanpassingen. Het vraagt een nieuwe horizon voor de toekomst van de jeugdbescherming: een stelsel waarin instellingen als JB Noord niet langer de centrale positie innemen, gemeenten hun verantwoordelijkheid als dragers van jeugdbescherming waarmaken, communities en samenlevingsverbanden opnieuw erkend en betrokken worden, ouders en kinderen hun stem en hun rechten werkelijk kunnen laten gelden, de rechtsstaat niet alleen op papier maar ook in de praktijk bescherming biedt, en bovenal een cultuur waarin respect en nabijheid de kern vormen. Investeringen moeten daarbij gericht zijn op interventies waarvan bewezen is dat ze werken. Zulke interventies leveren niet alleen meer welzijn voor gezinnen op, maar ook aanzienlijke maatschappelijke baten: minder uitval, minder zorgkosten en een veerkrachtiger samenleving. Elke euro die hier wordt ingezet, betaalt zich meervoudig terug. Deze toekomst is geen utopie. Zij sluit aan bij de oorspronkelijke bedoeling van de decentralisatie: zorg en bescherming dichter bij gezinnen organiseren, in hun eigen omgeving, met hun eigen netwerken. Die bedoeling raakt de afgelopen jaren uit beeld door de groei van instellingen en bureaucratie. Het is tijd om dat kompas terug te vinden.

De conclusie van dit onderzoek luidt dat hervorming niet 9

alleen noodzakelijk maar ook mogelijk is. Ouders en kinderen laten zien wat er misgaat. Rechters, toezichthouders en zelfs een ministerie bevestigen hun ervaringen. Het is nu aan gemeenten, politiek en samenleving om de stap te zetten: weg van instellingen die zich loszingen, op weg naar een jeugdbescherming die werkelijk beschermt.

10

Deel 1 Fundament en aanpak

11

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en aanleiding In Nederland rust de jeugdbescherming op de belofte dat kinderen veilig kunnen opgroeien en dat ouders, waar nodig, steun en correctie krijgen in de opvoeding. Die belofte staat echter onder druk. Steeds vaker klinkt de roep dat de praktijk tekortschiet en dat gezinnen zich niet gehoord of gesteund voelen. Jeugdbescherming Noord (JB Noord) speelt hierin een centrale rol. Als regionale uitvoeringsorganisatie mag JB Noord haar wettelijke taakopdracht alleen uitvoeren wanneer zij door de overheid is gecertificeerd. Om die reden worden dergelijke organisaties aangeduid als gecertificeerde instellingen (GI). Het Keurmerkinstituut (KMI) versterkt en toetst de certificering periodiek. De aanleiding voor dit onderzoek ligt in een jarenlange opeenstapeling van signalen: ouders, grootouders en andere betrokkenen die zich miskend en buitengesloten voelen in hun contact met JB Noord, het intrekken van de certificering door het KMI, kritische uitspraken van rechters van de Rechtbank Noord-Nederland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en het gezamenlijke rapport van de Inspecties Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Justitie en Veiligheid (IJ&V).

De verhalen van jongeren en ouders laten niet alleen pijnlijke incidenten zien maar maken ook structurele patronen zichtbaar: afspraken die niet worden nagekomen, communicatie die als leeg of autoritair wordt ervaren, en een systeem waarin ouders het gevoel hebben dat hun stem geen waarde heeft. Deze ervaringen worden bevestigd en versterkt door rechterlijke uitspraken, het intrekken van de certificering, inspectierapporten en talloze publicaties in de regionale en landelijke media.

1.2 Doel en relevantie van het onderzoek Het doel van dit onderzoek is om via de ervaringen van ouders inzicht te krijgen in de werking van de jeugdbescherming. Niet alleen de feitelijke gang van zaken in de trajecten staat centraal, maar vooral hoe ouders deze beleven: welke emoties het oproept, welke betekenissen zij eraan geven en hoe zij terugkijken op de rol van de instelling. De relevantie van dit onderzoek is tweeledig. Enerzijds gaat het om 12

waarheidsvinding en maatschappelijke betekenis: zichtbaar maken wat er werkelijk weer niet in de jeugdbescherming en hoe dit door ouders wordt beleefd. Daarmee wordt duidelijk hoe beleid en uitvoering elkaar raken in de levens van gezinnen. Anderzijds is het onderzoek normatief en toekomstgericht, omdat het laat zien wat er op het spel staat. Kinderen zijn ons meest kostbare goed; hun veiligheid en welzijn worden direct beïnvloed door de kwaliteit van de samenwerking tussen ouders en jeugdbescherming.

1.3 Initiatiefnemers en onderzoeksopdracht Dit onderzoek is uitgevoerd op initiatief van vier politieke partijen in Drenthe en Groningen. De aanleiding voor deze opdracht was de groeiende behoefte om de signalen van ouders niet langer als losse incidenten te beschouwen, maar te onderzoeken op hun bredere betekenis. De initiatiefnemers hebben het belang van een onafhankelijke aanpak nadrukkelijk benadrukt. De initiatiefnemers hebben het onderzoek bij een team neergelegd dat op afstand van zowel Jeugdbescherming Noord als de gemeentelijke uitvoeringspraktijk opereert. Zo waarborgen zij dat ouders vrijuit kunnen spreken, zonder angst dat hun inbreng gevolgen heeft voor lopende trajecten. De opdracht formuleert drie kerncriteria: Onafhankelijkheid – het onderzoek dient buiten de invloed van uitvoerende instellingen en lopende casusposities te staan. Zorgvuldigheid – ouders moeten de garantie hebben dat hun verhalen correct en met respect zouden worden weergegeven. Methodische verantwoording – de analyse moet transparant en navolgbaar zijn, zodat bevindingen toetsbaar en bruikbaar zijn voor beleid, toezicht en rechtspraak. Met deze onderzoeksopdracht willen de initiatiefnemers de stemmen van ouders en kinderen recht doen en zo bijdragen aan een bredere reflectie op de kwaliteit en legitimiteit van de jeugdbescherming.

1.4 Opzet van het onderzoek Een analysekader dat bestaat uit zeven centrale vragen vormt de kern van dit onderzoek. Deze vragen zijn niet vooraf vastgesteld, maar zijn ontstaan tijdens de analyse van de gesprekken. Daarmee vormen ze een instrument om orde en

13

richting te brengen in de veelheid aan ervaringen die ouders en grootouders hebben gedeeld. De vragen zijn opgebouwd als een beweging van concreet naar abstract. Eerst worden de gesprekken gereconstrueerd in termen van feiten en gebeurtenissen. Vervolgens verschuift de aandacht naar de emotionele ervaring van ouders, en daarna naar de betekenis die zij aan hun ervaringen geven. Pas daarna volgt de verbreding: wat leren we hieruit over de werkwijze en houding van JB Noord, wat is de invloed op het leven van ouders en kinderen, hoe ervaren zij het proces en de communicatie met professionals, en welke handelingswijzen ontwikkelen zij zelf om met de situatie om te gaan? Het uiteindelijke analysekader bestaat uit de volgende zeven vragen: 1. Wat zijn de belangrijkste feiten en gebeurtenissen in dit gesprek? 2. Welke emoties worden ervaren en hoe worden die verwoord? 3. Welke betekenis geven ouders aan hun ervaringen? 4. Wat leren we hieruit over de werkwijze en houding van JB Noord, en hoe functioneren andere betrokken instituties? 5. Wat is de invloed op het leven van de ouder en de kinderen, nu en in de toekomst? 6. Hoe ervaren ouders het proces en de communicatie met professionals? 7. Welke handelingsstrategieën en vormen van veerkracht gebruiken ouders zelf? Deze gelaagde benadering maakt het mogelijk om de verhalen recht te doen in hun volle complexiteit.

De stemmen van ouders worden niet gereduceerd tot losse incidenten, maar geplaatst in een bredere samenhang van emoties, betekenissen, institutionele patronen en persoonlijke strategieën. Naast deze vragen worden nog twee aanvullende perspectieven belicht. Allereerst volgt een overzicht van structurele tekortkomingen bij JB Noord, waarin de terugkerende patronen systematisch worden benoemd. Vervolgens wordt gekeken naar andere betrokken instituties, zoals rechtbanken, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis, om te laten zien hoe gezinnen in een netwerk van instanties klem kunnen raken. Het onderzoek volgt daarmee een dubbele beweging: van het persoonlijke naar het structurele, en van emoties naar betekeniskaders en institutionele cultuur. Het eindigt met een reflectie op de vraag wat deze verhalen ons leren over de

14

toekomst van de jeugdbescherming, en met een oproep om werkelijk te luisteren naar de stemmen van ouders en kinderen.

1.5 Aanpak van het onderzoek Voor de analyse is gekozen voor een inductieve methode, geïnspireerd door de grounded theory benadering van Glaser en Strauss (1967). In plaats van te vertrekken vanuit een vooraf bepaald theoretisch kader of vastgelegde categorieën, hebben wij de thema’s en dimensies laten opkomen uit het materiaal zelf. Door de gesprekken systematisch te coderen en steeds opnieuw te vergelijken, ontstonden terugkerende patronen. Deze patronen hebben wij vervolgens samengebracht in een analysekader van zeven kernvragen. Deze inductieve aanpak heeft als voordeel dat wij nauw aansluiten bij de taal, ervaringen en betekenissen van de respondenten zelf. Het kader is dus niet extern opgelegd, maar “van binnenuit” gegroeid uit de verhalen. Daarmee behouden we de rijkdom en authenticiteit van wat ouders naar voren brengen. De basis van dit onderzoek wordt gevormd door 150 casussen. Elke casus vertelt het verhaal van één gezin of ouder. De casussen zijn rijk aan detail en geven niet alleen inzicht in feitelijke gebeurtenissen, maar vooral in de emotionele en normatieve beleving daarvan. Door de casussen te analyseren als afzonderlijke bouwstenen en vervolgens te vergelijken, konden we patronen zichtbaar maken die verder gaan dan het individuele verhaal.

Tegelijkertijd blijven de casussen ook als verhaal herkenbaar: zij laten zien hoe beleid en praktijk samenkomen in het concrete leven van ouders en kinderen. In die spanning – tussen het individuele en het structurele – ligt de kracht van dit onderzoek.

15

Deel 2 De verhalen in hun lagen

16

2. Feiten en gebeurtenissen 2.1 Reconstructie van de casussen Dit onderzoek is gebaseerd op gesprekken en casusbeschrijvingen die voortkomen uit meldingen bij het Meldpunt JB Noord. In elk gesprek, iedere casus en elk verslag komen meerdere lagen samen: persoonlijke ervaringen, feitelijke gebeurtenissen en reflecties op de betekenis daarvan. Wat hier volgt is een doorlopend verhaal met tussenkoppen, bedoeld om een eerste indruk te geven van de inhoud van deze gesprekken. Het is nadrukkelijk nog geen diepgravende analyse, maar een narratief overzicht dat de lezer laat kennismaken met de stemmen en verhalen.

Een onverwacht begin Ouders vertellen over hun eerste confrontatie met jeugdbescherming. Vaak begint het met een melding of een telefoontje, soms onaangekondigd. Het gevoel dat ‘het ineens begon’ komt telkens terug. En soms ook gewoon zonder grondslag of uitleg. Een moeder zegt: “Ik kreeg een brief dat er een onderzoek was gestart. Ik wist niet eens waarvan ik beschuldigd werd.” Een ander: “Ze belden, en ineens stond er iemand voor de deur.” De start van het traject voelt als een schok: onverwacht, onduidelijk en beladen met angst. In enkele gesprekken komt naar voren dat de start niet altijd volkomen onverwacht is, maar soms een aanloop kent via school, huisarts of wijkteam.

Niet gehoord of niet geloofd Daarna volgen maanden van gesprekken, huisbezoeken, rapporten en rechtszittingen. Ouders voelen zich vaak buitengesloten bij beslissingen. Een vader: “Ik moest elke week mijn verhaal opnieuw doen. Maar in de verslagen stond steeds hetzelfde, alsof mijn woorden niets toevoegden.” Een moeder: “Ze

schrijven dingen op die nooit zijn gezegd. Als ik er wat van zeg, dan ben ik ‘lastig’.” Dit patroon van niet gehoord of niet geloofd worden keert terug in bijna alle gesprekken. In een enkel geval is te horen: “Jeugdbeschermers zeiden letterlijk: ‘Wij doen niet aan waarheidsvinding’.” Een indrukwekkende brief van een 11-jarig meisje waarin zij haar uiterst moeilijke situatie met concrete observaties beschrijft – later zonder meer als correct beoordeeld –, wordt weggezet met de kwalificaties ‘trauma’ en ‘onbetrouwbaar’.

17

Het gemis van contact Omgangsregelingen komen veelvuldig ter sprake, vooral het gegeven dat zij niet worden nageleefd. Ouders vertellen dat contact met hun kinderen soms wordt uitgesteld, beperkt of stopgezet, ook als een rechter heeft bepaald dat er contact moet zijn. Een vader herinnert zich: “De rechter zei dat ik mijn dochter mocht

zien. Toch gebeurde er maanden niets. Ik belde, ik mailde, maar kreeg geen antwoord.” Het gemis aan contact is een terugkerend en diep pijnlijk thema. Professionals en wisselingen

Een ander belangrijk thema is de rol van de professionals. Ouders ervaren de medewerkers vaak als wisselend, niet altijd goed geïnformeerd, en soms ronduit autoritair. Een moeder vertelt: “Elke paar maanden kreeg ik iemand anders. Ik moest steeds opnieuw uitleggen wie ik was en wat er speelde.” En dan de soms autoritaire bejegening. Een vader: “De gezinsvoogd zei letterlijk: ‘U hoeft hier niet over na te denken, wij beslissen.’” Het gevoel van machteloosheid is groot.

Angst en wantrouwen Naast boosheid en onmacht zijn er ook verhalen van wantrouwen en angst. Ouders beschrijven hoe ze zich voortdurend moeten verantwoorden en bang zijn dat hun woorden tegen hen gebruikt gaan worden. Een moeder zegt: “Ik durfde

op een gegeven moment niet meer eerlijk te zijn, bang dat ze dat zouden gebruiken om mijn kinderen weg te halen.” Kleine momenten van menselijkheid

Toch zijn er ook momenten van hoop en kleine gebaren van menselijkheid. Een moeder vertelt: “Er was één gezinsvoogd die mij gewoon vroeg hoe het écht met mij ging. Dat heeft nog nooit iemand gedaan. Dat vergeet ik nooit meer.” Zulke momenten laten zien hoe groot het verschil kan zijn tussen kille bureaucratie en persoonlijke aandacht.

Klachten die niets opleveren In de gesprekken komt naar voren dat klachtenprocedures weinig vertrouwen geven. Ouders hebben vaak wel geklaagd, maar krijgen het gevoel dat hun klacht niets uithaalt. Een vader: “Ik kreeg een brief terug waarin stond dat mijn klacht niet gegrond was. Punt. Er werd niets uitgelegd.” Formeel worden de regels netjes gevolgd: de klacht wordt geregistreerd, besproken en administratief afgehandeld, of wegens procedurele tekortkomingen niet-ontvankelijk verklaard. 18

Maar materieel blijft de kern buiten beeld: de klacht gaat over een situatie waarin een gezin of kinderen zich bevinden, terwijl de organisatie zich verdedigt door te verwijzen naar procedures. Sommige ouders zoeken daarom hun recht bij de rechter of de ombudsman, maar dat vergt vaak een enorme inspanning.

Een gezamenlijke ervaring De verhalen schetsen samen een beeld van een traject dat ingrijpend is en dat diepe, onuitwisbare sporen nalaat in het leven van ouders en kinderen. Het gaat om meer dan praktische beslissingen: het gaat om relaties, vertrouwen, en de ervaring gehoord en erkend te worden. Voor de ouders zijn dit geen abstracte procedures, maar dagelijkse realiteit – waarin de aanwezigheid of afwezigheid van hun kinderen centraal staat. Dit narratief overzicht laat zien hoe uiteenlopende situaties telkens terugvoeren naar een aantal kernervaringen: het onverwachte begin, het niet gehoord worden, het verlies van contact met kinderen, wisselende professionals, autoritaire bejegening en moeizame klachtenprocedures. Deze eerste kennismaking vormt de basis voor het overzicht en de thematische patronen die in de volgende paragraaf worden uitgewerkt.

2.2 Overzicht van thematische patronen De narratieve verkenning laat zien hoe uiteenlopende ervaringen telkens terugvoeren naar enkele terugkerende patronen. Het gaat niet om losse incidenten, maar om structurele ervaringen die in meerdere gesprekken worden bevestigd.

Een onverwachte start In veel van de casussen vertellen ouders dat zij volledig worden overvallen door de eerste confrontatie met jeugdbescherming. Een melding of telefoontje komt zonder aankondiging, vaak inhoudelijk onduidelijk, soms gevolgd door een huisbezoek of brief waarin staat dat een onderzoek al is gestart. Deze onverwachte ingangen maken dat ouders vanaf het begin met een gevoel van onveiligheid en wantrouwen in het traject stappen.

Niet gehoord of niet geloofd In veel casussen wordt expliciet benoemd dat ouders en kinderen het gevoel hebben niet gehoord of geloofd te worden. Hun inbreng wordt genegeerd, 19

verdraaid of gebagatelliseerd. Verslagen bevatten uitspraken die zij nooit hebben gedaan, correcties worden niet verwerkt en hun inbreng in gezinsplannen krijgt nauwelijks aandacht. Dit patroon is in bijna alle casussen aanwezig en vormt een van de meest basale ervaringen. Het lijkt een systematische ‘neutralisering van ouder- en kinderwoorden’.

Gemis van contact Het verlies of de beperking van contact met kinderen wordt in de meeste casussen benoemd. Ouders vertellen hoe omgangsregelingen niet worden nageleefd of steeds opnieuw worden uitgesteld. Zelfs uitspraken van rechters bieden niet altijd een garantie. Soms is ook sprake van tegenstrijdige beslissingen. Zo mag een vader zijn kinderen twee weken mee op vakantie nemen, maar krijgt normaal slechts vier dagen per maand omgang. Voor ouders stapelen verlieservaringen zich op elk gemist moment met voelt als een nieuwe wond.

Wisselingen van professionals Vrijwel alle casussen bevatten voorbeelden van frequente wisselingen van jeugdbeschermers of periodes waarin ouders maandenlang zonder vaste contactpersoon zitten. Ouders moeten hun verhaal telkens opnieuw vertellen en krijgen de indruk dat dossiers niet worden overgedragen of onvolledig worden bijgehouden. Het versterkt het gevoel dat hun situatie niet serieus wordt genomen en dat continuïteit ontbreekt. Dat tast het vertrouwen in de legitimiteit van de begeleiding aan.

Autoritaire bejegening In een aantal casussen wordt expliciet gesproken over momenten van autoritaire of kleinerende bejegening. Ouders voelen zich genegeerd in gesprekken, soms letterlijk buitengesloten of aangesproken op een toon die zij als vernederend ervaren. Hoewel dit thema minder vaak voorkomt dan bijvoorbeeld gemis van contact of niet gehoord worden, heeft het een bijzonder grote emotionele impact. Autoritaire bejegening beperkt zich niet tot toon of houding, maar functioneert ook als machtsuitoefening: ouders krijgen geen ruimte om eigen oplossingen te zoeken.

20

Klachten die niets opleveren Ouders dienen ook klachten in, vaak zorgvuldig onderbouwd met documenten. Toch ervaren zij vrijwel unaniem dat deze procedures weinig tot geen effect hebben. Soms krijgen zij alleen een korte terugkoppeling (‘niet gegrond’), soms wordt een excuus aangeboden zonder dat er structureel iets verbetert. Voor ouders versterkt dit het gevoel van machteloosheid en bevestigt het de ervaring dat hun stem geen gewicht heeft. Klachtenprocedures functioneren eerder als legitimerend ritueel ter bescherming van eigen belangen, in plaats van als corrigerend mechanisme.

Samenvatting Wanneer we de meldingen en gesprekken naast elkaar leggen, ontstaat een consistent beeld. Ouders ervaren hun traject bij JB Noord als een opeenvolging van onzekerheid, gemis en buitensluiting. Zij worden niet alleen verrast door onverwachte ingangen, maar ook door de onduidelijkheid van de grondslag van maatregelen. Contact met kinderen wordt beperkt of vertraagd, vaak op een wijze die willekeurig of tegenstrijdig aanvoelt. Wisselingen van professionals zijn niet incidenteel maar structureel, en soms zeer omvangrijk (één ouder heeft in acht jaar tijd met vijftig verschillende hulpverleners te maken). Pogingen om zich te verweren via klachtenprocedures leveren zelden resultaat op; soms volgt helemaal geen reactie, soms wordt een klacht wel gegrond verklaard maar zonder concrete opvolging. De rode draad is dat ouders – en soms ook kinderen zelf – hun stem onvoldoende terugzien in het proces en dat hun rol structureel wordt gemarginaliseerd. Dit overzicht laat zien dat de verhalen niet slechts persoonlijke anekdotes zijn, maar uitdrukking geven aan terugkerende patronen die voor veel gezinnen herkenbaar zijn. Daarmee vormt dit hoofdstuk de basis voor de volgende stap in de analyse: de emoties die deze ervaringen oproepen.

21

3. Emoties in de verhalen 3.1 Emoties als spiegel van de werkelijkheid In het voorgaande hoofdstuk hebben we de situaties en patronen in kaart gebracht die ouders en kinderen tegenkomen in hun traject met de jeugdbescherming. Terugkerende thema’s zijn onder meer het onverwachte begin van een maatregel, het niet gehoord of geloofd worden, het verlies van contact met kinderen, autoritaire bejegening, klachtenprocedures die geen uitkomst bieden, en een voortdurend gevoel van onzekerheid en dreiging. Achter deze thematische beschrijvingen ligt een diepere laag besloten: de emotionele ervaring van de betrokkenen. Wat zich op het eerste gezicht aandient als een feitelijke situatie – een gemiste afspraak, een niet uitgevoerde uitspraak, een onverwachte interventie – blijkt tegelijk een emotioneel geladen gebeurtenis te zijn, die gevoelens oproept van boosheid, machteloosheid, verdriet, angst, wantrouwen of vernedering. Deze emoties vormen de primaire respons van ouders en kinderen op hun ervaringen en kleuren de manier waarop zij de gehele gang van zaken beleven. In dit hoofdstuk richten we ons op deze emotionele dimensie. Daarmee verschuift het perspectief van een beschrijving van gebeurtenissen naar een analyse van wat die gebeurtenissen met mensen doen.

3.2 De zes kernemoties Uit de gesprekken komen zes emoties steeds opnieuw naar voren. Zij vormen samen het fundament van de emotionele ervaring in de casussen: 1. Onmacht – het gevoel buitenspel te staan, geen enkele grip te hebben op beslissingen of verloop van het traject. 2. Wantrouwen – de ervaring dat men niet wordt geloofd, dat woorden en argumenten geen gewicht hebben bij professionals. 3. Vernedering – situaties waarin de eigen waardigheid als ouder expliciet wordt aangetast, bijvoorbeeld door autoritaire of kleinerende bejegening. 4. Boosheid en frustratie – directe woede en irritatie over afspraken die niet worden nagekomen, over het gevoel misleid of genegeerd te worden. 5. Angst – vrees voor het verlies van kinderen, voor onverwachte ingrepen of voor verdere escalatie.

22

6. Verdriet en pijn – gevoelens van verlies, gemis, emotionele uitputting en neerslachtigheid. Deze zes emoties keren in wisselende combinaties terug in alle casussen. Zij vormen het emotionele spectrum waarbinnen ouders en kinderen hun ervaringen plaatsen. In de volgende paragrafen werken we per casus en per situatie uit hoe deze emoties tot stand komen, hoe vaak zij voorkomen en wat dit zegt over de beleving van jeugdbescherming.

3.3 Kwantitatieve patronen Om een beeld te krijgen van de breedte van de emotionele belasting, is per casus geïnventariseerd welke emoties expliciet of impliciet aanwezig zijn. De verwachting was dat dit een tabel zou opleveren. Maar een tabel is niet nodig. De analyse maakt duidelijk dat alle zes de kernemoties universeel in de casussen voorkomen. Ter illustratie drie casussen nader uitgewerkt analyses. Casus 1: vader, drie jaar geen omgang, twee jaar niks gedaan − onmacht: vader beschrijft dat hij ondanks een rechterlijke uitspraak twee jaar lang geen plan of actie ziet van JB Noord; − boosheid/frustratie: frustratie over het eindeloos wachten en dat toezeggingen telkens niet worden nagekomen; − wantrouwen: diep wantrouwen richting JB Noord wegens het niet nakomen van beloften en het verdraaien van informatie; − verdriet/pijn: verdriet om verlieservaringen en moe gestreden zijn; − vernedering: gekleineerd voelen omdat zijn zorgen niet serieus genomen worden.

Casus 2: moeder, vier kinderen, misbruikvader, OTS onder JB Noord − onmacht: moeder kan haar gezag niet uitvoeren, vader overrulet afspraken waarbij JB Noord niet ingrijpt; − boosheid/frustratie: woede omdat dat vader afspraken structureel schendt en JB Noord geen regie voert; − wantrouwen: wantrouwen richting JB Noord die de rechter met onjuiste of onvolledige informatie voedt (“Voor de rechter lijkt het alsof ik een moeilijk mens ben.”); − verdriet/pijn: om verlies van haar dochter aan de vader en zorgen om ontspoord gedrag; − vernedering: weggezet als ‘lastige moeder’ en haar inbreng structureel wordt genegeerd.

23

Casus 3: vader, acht jaar strijdt met JB Noord, 50 hulpverleners − onmacht: “Wij doen niet aan waarheidsvinding.” – gevoel volledig buitenspel te staan; − boosheid/frustratie: frustratie over willekeurige omgangsregelingen en klachten die verdwijnen; − wantrouwen: wantrouwen richting JB Noord en klachtenprocedure die niets opleveren; − verdriet/pijn: verdriet over het gemis van contact en de langdurige strijd; − vernedering: klacht mondeling afgehandeld, niet op papier; ervaren als kleinering. Deze schets van drie uiteenlopende situaties laat zien dat de ervaringen van ouders met JB Noord volgens hetzelfde patroon verlopen. In alle drie de casussen is de link met JB Noord evident en concreet: de organisatie is rechtstreeks betrokken bij beslissingen, rapportages en trajecten. Opvallend is dat in al deze verschillende omstandigheden telkens dezelfde zes kernemoties terugkomen. Dat maakt duidelijk dat deze emoties niet incidenteel of puur persoonlijk van aard zijn, maar veeleer de uitdrukking vormen van een structureel patroon in de manier waarop gezinnen hun contact met JB Noord ervaren. Wat de tabel níet laat zien, is hoe vaak die emoties binnen een gesprek terugkeren en in welke situaties zij telkens worden opgeroepen.

3.4 Van breedte naar diepte: intensiteit en situaties Voor die verdieping is een heatmap van belang. Deze visualisatie verschuift de aandacht van louter aanwezigheid naar intensiteit en herhaling. Het gaat dus niet alleen om de vraag óf een emotie in een casus voorkomt, maar ook hoe vaak de onderliggende situaties zijn benoemd. Om dit nader te onderzoeken hebben we dertien aselect gekozen uitgebreidere gesprekken geanalyseerd. Daarbij is gekeken naar de frequentie waarmee specifieke emoties in het gesprek naar voren komen. Het resultaat van die analyse is weergegeven in de onderstaande heatmap. Zo wordt duidelijk dat sommige emoties in vrijwel elk gesprek meerdere keren terugkeren (bijvoorbeeld onmacht door steeds opnieuw niet gehoord te worden), terwijl andere emoties meer incidenteel optreden maar desondanks een grote emotionele impact hebben (zoals vernedering bij autoritaire bejegening).

24

Met andere woorden: waar de tabel een breedtebeeld geeft van de spreiding van emoties over de casussen, laat de heatmap het dieptebeeld zien van de intensiteit en frequentie.

De volgende stap is het leggen van de koppeling tussen emoties en de concrete situaties die ze oproepen. Daarvoor dient de kruistabel. Die laat zien welke gebeurtenissen systematisch samenhangen met welke emoties.

Zo wordt duidelijk dat emoties niet willekeurig ontstaan, maar telkens terug te voeren zijn op herkenbare aanleidingen. Het niet gehoord of geloofd worden hangt structureel samen met gevoelens van onmacht, boosheid en wantrouwen. Het verlies of de dreiging van verlies van kinderen roept naast onmacht ook angst

25

en verdriet op. Autoritaire bejegening wordt vrijwel zonder uitzondering ervaren als vernedering, vaak in combinatie met boosheid. De kruistabel slaat zo de brug tussen feitelijke patronen en gebeurtenissen enerzijds, en de emotionele reacties die zij oproepen anderzijds.

3.5 Een tussenconclusie – patronen van emoties De analyse van de casussen laat zien dat de relatie met JB Noord voor ouders en kinderen in de eerste plaats een bron van negatieve emoties is. Het gaat niet om een enkel incident of een uitzonderlijke ervaring, maar om een breed en terugkerend patroon dat zich door alle verhalen heen laat zien. Centraal staat het gevoel van onmacht en boosheid, universeel aanwezig in alle casussen. Ouders ervaren keer op keer dat zij geen grip hebben op beslissingen en dat hun stem niet werkelijk telt. Dit gaat vrijwel altijd samen met wantrouwen: de overtuiging dat hun verhaal niet serieus wordt genomen of zelfs actief wordt genegeerd. In veel gevallen wordt dit nog verdiept door verdriet en angst, vooral waar het contact met kinderen wordt beperkt of het verlies van kinderen dreigt. In enkele casussen wordt de emotionele belasting versterkt door ervaringen van vernedering, waarin ouders zich niet alleen genegeerd maar ook als mens gekleineerd voelen. Deze emoties zijn zo zwaar omdat zij telkens terugkeren in dezelfde situaties: afspraken die niet worden nagekomen, rechterlijke uitspraken die niet worden uitgevoerd, interventies die plotseling en eenzijdig worden opgelegd, klachten die niets opleveren. Daardoor stapelen gevoelens van onmacht en frustratie zich op, en worden zij structureel onderdeel van de relatie die ouders met JB Noord hebben.

Kort gezegd: de interactie met JB Noord roept bij de veel ouders niet gevoelens van steun, veiligheid of erkenning op, maar juist een gevoel van bedreiging, strijd en verlies van vertrouwen. De relatie met de instelling wordt daarmee zelf een bron van emotionele belasting, in plaats van een middel tot bescherming en herstel.

26

4. De kernemoties nader belicht In het voorgaande hoofdstuk hebben we een overzicht gegeven van de emoties die zichtbaar worden. Dat overzicht liet zien hoe universeel gevoelens van onmacht en boosheid zijn, hoe wantrouwen en verdriet zich daaraan toevoegen, en hoe angst en vernedering in specifieke situaties een diepe impact hebben. Ook wordt zichtbaar dat deze emoties niet willekeurig optreden, maar telkens verbonden zijn met herkenbare situaties zoals het niet gehoord worden, het niet nakomen van afspraken of autoritaire bejegening. In dit hoofdstuk maken we de stap van overzicht naar verdieping. We nemen de zes kernemoties die in de gesprekken naar voren komen afzonderlijk onder de loep. Daarbij richten we ons niet alleen op de frequentie waarin zij voorkomen, maar vooral op de manier waarop ouders deze emoties beleven en verwoorden. Zo ontstaat een rijker beeld van wat onmacht, boosheid, wantrouwen, angst, verdriet en vernedering concreet betekenen in de dagelijkse werkelijkheid van ouders en kinderen. Elke emotie wordt in drie stappen belicht. Eerst schetsen we de algemene contouren: hoe vaak de emotie voorkomt en hoe zij zich verhoudt tot andere emoties. Vervolgens koppelen we de emotie aan de concrete situaties waarin zij wordt opgeroepen.

Tot slot laten we ouders zelf aan het woord door citaten en casusfragmenten op te nemen, zodat voelbaar wordt hoe intens en persoonlijk deze emoties zijn. Zo vormt dit hoofdstuk de kern van de emotionele analyse: het laat zien hoe abstracte categorieën veranderen in doorleefde ervaringen. Waar hoofdstuk 3 de breedte van het emotionele landschap zichtbaar maakte, toont dit hoofdstuk de diepte en de intensiteit van de beleving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16136544/1