26-03-05 Veegplan herziening bedrijventerreinen Veendam Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
in relatie tot de omgeving, ruimtelijk en functioneel gezien aanvaardbaar is; niet in strijd is met landelijk-, provinciaal- en gemeentelijk beleid; geen belemmeringen kent vanuit de kaderstellende wet- en regelgeving; en vanuit financieel oogpunt verantwoord is.
Samengevat kan gesteld worden dat het aanvaardbaar is, ten behoeve van het voorgenomen project, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid onder a.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen.
21 juli 2017
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
I&BBF2212-102-101R001F0.2
11
Bijlage 1 Plattegrond
Bijlage 2 QRA
Projectgerelateerd
21 juli 2017
BIJLAGE
I&BBF2212-102-101R001F0.2
A1
Bijlage 1 Plattegrond
N
2294
0
40000
80000
120000
160000
200000mm
2363 2276
3 168
RENVOOI = BOUWFASE 1 1737
2321
17 00
= BOUWFASE 2 2524
1699
= GASSEN OPSLAG (BUITEN)
2364
pweg
2280
Adria
Rijksw
eg33
an Tri
2523
2283
NOTITIE 29 48
- Peil 0 = Bovenkant afgewerkte begane grondvloer is circa 0000-NAP. - Alle maten in millimeters (mm) weergegeven tenzij anders aangegeven. - Voor afmetingen onderdelen hoofddraagconstructie en geotechnische adviezen, zie betreffende rapporten / constructie tekeningen. - Weerstand brand doorslag brand overslag, voldoet aan NEN6068:2004 - Installatietechnische gegevens/berekeningen vlgs opgave installatie-adviseur. - Voorzieningen mbt. afvalwater, feacalien en hemelwater voldoen aan NEN3215. - Kalkzandsteenwand dikten en dilataties n.t.b. i.o.m. leverancier. - Plaats vloer-/ wand-/ fundatie sparingen t.b.v. waterdichte door- invoeringen n.t.b. - Aanleg nivo maaiveld/ terreinbestrating n.t.b. i.o.m. opdrachtgever. - Toelaatbare vloerbelasting zie constructie documenten. - Materiaal / kleur gebruik vlgs Materialen- en Kleurenstaat document: ..... - Voor referentie tekeningen zie tekeningenlijst document: .....
2717
1698
2349 2612
255,100
2713
4 170
2279
Nood- en vluchtwegverlichting: De nood- en vluchtwegverlichting moet voldoen aan de huidig geldende voorschriften.
1697
2850
2277
567,950
2820
eg 33
2949
5
2285
2344
Rijk sw
2340 2526
an Tri pw
eg
255,000
2844
r sc rne Bu s aa h fbl 3/ A 0m 50
Adria
2328
A
ru
2950
bb er
an A ig zu rse ve l uc
1756
ht
1757
2889
60
C
TR EN C AL H EX
60
AU ST
2613
E
an A M TE
rse ve
BA A
ig zu
2890
EN
ht
T
l uc
2525
RS E LL HI C
B
2897
SE
RS E LL HI C
FA
D
1
FA SE
RS E LL HI C
1
SE
RS E LL HI C
FA 2 RS E LL HI C
FA SE
SE
RS E LL HI C
FA
2
1
60
FA SE
RS E LL HI C
2
RV
RS E LL HI C
SE RE E
60
SE RE RV
3
E r sc rne Bu s aa h fbl 3/ A 0m 50
2343
ru
F
bb er
2852 an A ig zu rse ve l uc
© 2013 HaskoningDHV Nederland B.V. All intellectual property rights among which the copyright related to this drawing shall vest in HaskoningDHV Nederland B.V.. The drawing is the property of HaskoningDHV Nederland B.V. and may not without the prior written consent of Haskoning DHV Nederland B.V. be duplicated or published in any way in whole or in part, or be used for any purpose other than for which it is supplied.
ht
2286
1
2896
r sc rne Bu s aa h fbl 3/ A 0m 50 bb
ig zu
ru
an A
G
er
rse ve l uc ht
2530
an A ig zu rse ve l uc
29 51
Rijk sw
eg 33
ht an A ig zu l uc
eg
rse ve
Adria
an Tri pw
ht
2854
2287
2841 2937
3 277
2342
2936
9 17 5
2955
2875
weg
2771
on Or i 2879
7 2957
pweg
2944
2778
Siriu
swe g
Adria
2824
Rijksw
eg33
AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING "BOUWEN"
2823
12
2529
0
5
18-04-2017 R. Schrijvers
Nr. Datum
Getekend
G. Joosen
Def. ontw.
Concept
Eerste uitgave
Gecontroleerd
Fase
Status
Omschrijving
2898 2341
Raadgevend Ingenieur:
K. Bender
2946 2959
Architect:
G. Joosen
Projectleider:
CAD Coördinator:
A. Schrijvers Locatie:
Opdrachtgever:
Innolane Projects B.V.
Veendam Land:
Nederland
2966
2
262
Projectnaam:
Onderwerp:
Solar cell and module factory
2899
Overzichtstekening Situatietekening Bovengronds
2933
HaskoningDHV Nederland B.V., onderdeel van:
Orio n we
g
2958
2289
1 : 2000
eg
Situatietekening
280
2912
Buildings
2934
w Dal
© 2013 HaskoningDHV Nederland B.V. Alle intellectuele eigendomsrechten waaronder het auteursrecht op deze tekening berusten bij en zijn eigendom van HaskoningDHV Nederland B.V.. Niets van deze tekening mag zonder voorafgaande schriftelijk toestemming van HaskoningDHV Nederland B.V. worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt op welke wijze ook of worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
an Tri
2967
Larixplein 1 Postbus 80007 5600 JZ, Eindhoven Nederland KvK nr. 56515154 T: (040) 250 92 50 E: info@rhdhv.com www.royalhaskoningdhv.com
Formaat:
A1
Fase:
Definitief ontwerp
Schaal:
1 : 2000
Status:
Concept
Proj.Nr.:
BF2212
Tek.Nr.:
B_SIN90_00-000-S01
Bijlage 2 QRA
RAPPORT M5.2 Kwantitatieve risico analyse Innolane Onderdeel van aanvraag Wabo-vergunning Klant:
Innolane Projects B.V.
Referentie: I&BBF2212-102R0006F0.1 Versie:
0.1/Finale versie
Datum:
25 april 2017
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Postbus 151 6500 AD Nijmegen Netherlands Industry & Buildings Trade register number: 56515154 +31 88 348 70 00 T +31 24 323 93 46 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: M5.2 Kwantitatieve risico analyse Innolane Ondertitel: QRA Innolane Referentie: I&BBF2212-102R0006F0.1 Versie: 0.1/Finale versie Datum: 25 april 2017 Projectnaam: Innolane - Solar project Projectnummer: BF2212-102 Auteur(s): Linda Sprangers
Opgesteld door: Linda Sprangers Gecontroleerd door: Gijs Slotman Datum/Initialen: 25 april 2017 Goedgekeurd door: Robin Wagenaar Datum/Initialen: 25 april 2017
Classificatie Projectgerelateerd
Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and OHSAS 18001:2007. 25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
4
2
Introductie Innolane
5
3
Wettelijk en beleidsmatig kader
6
3.1
Wat is een QRA?
6
3.2
Landelijk toetsingskader
6
3.2.1 3.2.2
Plaatsgebonden risico Groepsrisico
6 7
3.3
Locatie specifieke toetsingskader
8
4
(Sub)selectie relevante insluitsystemen
9
4.1
Opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen
9
4.1.1 4.1.2
Selectiemethodiek Uitvoering selectie
9 9
4.2
Bulkopslag en overige insluitsystemen
10
4.2.1 4.2.2
Selectiemethodiek Uitvoering selectie
10 11
4.3
Bulkoverslag
13
5
Initiële faalscenario’s met bijbehorende frequenties
15
6
Uitgangspunten risicomodellering
17
6.1
Risicomodel
17
6.2
Stofgegevens
17
6.3
Ontstekingskansen
17
6.4
Domino-effecten
18
6.5
Ruwheidslengte
18
6.6
Weerscondities
18
6.7
Populatie in de omgeving
18
7
Resultaten
19
7.1
Plaatsgebonden risico
19
7.2
Groepsrisico
19
7.3
Effectafstanden
19
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
Aii
Projectgerelateerd
8
Conclusies
20
9
Referenties
21
Bijlagen 1.
Plattegrond Innolane
2.
SDS Hydrogen fluoride (49% HF)
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
Aiii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Aanleiding QRA Innolane Projects B.V. (verder Innolane) vraagt voor haar op te richten inrichting in Veendam een vergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan. Vanwege de aard en hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen valt Innolane onder het regime van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) [1]. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning dienen de externe veiligheidsrisico’s met een zogenaamde ‘Kwantitatieve Risico Analyse’ (QRA) in kaart gebracht te worden. In dit rapport is deze analyse uitgevoerd. Algemene rapportgegevens In onderstaande opsomming zijn de algemene rapportgegevens opgenomen: Naam van de inrichting: Innolane Projects B.V. (Innolane) Adres van de inrichting: Adriaan Tripweg 1 te Veendam Reden opstellen QRA: Aanvraag omgevingsvergunning (Wabo) Gevolgde methodiek: Safeti-NL (DNV, versie 6.54) [4] in combinatie met de Handleiding Risicoberekeningen Bevi (VROM, versie 3.3, d.d. 1 juli 2015) [3] Peildatum QRA: 5 april 2017 Historie QRA’s Na vergunningverlening wordt Innolane gerealiseerd. Deze QRA maakt onderdeel uit van de oprichtingsvergunningaanvraag van de inrichting, er zijn dan ook nog geen eerdere QRA’s opgesteld. Aangevraagde situatie In bouwfase 1 realiseert Innolane twee productielijnen, één lijn voor het fabriceren van de cellen en één lijn voor het omvormen van cellen tot modules.
In de toekomst wil Innolane uitbreiden met bouwfase 2. In deze bouwfase worden vijf cel productielijnen en een tweetal module productielijnen aan de configuratie toegevoegd. In de aanvraag ‘milieu’ worden zowel bouwfase 1 als bouwfase 2 aangevraagd. Deze studie gaat dan ook over de gecombineerde bouwfase 1 en 2.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A4
Projectgerelateerd
2
Introductie Innolane
Activiteiten Innolane is voornemens om op het industrieterrein Dallen II in de gemeente Veendam een inrichting te gaan oprichten en gebruiken voor het vervaardigen van zonnecellen en zonnemodules. Een wafer (een dunne plaat van 99,9% zuiver silicium) wordt bewerkt door middel van chemische en fysische oppervlaktebehandelingen tot een zonnecel. Het productieproces en de daarvoor vereiste voorzieningen, grond- en hulpstoffen vertonen veel overeenkomsten met de halfgeleider industrie. De zonnecellen worden vervolgens mechanisch samengesteld tot zonnemodules. Locatie van de inrichting De ligging is indicatief aangegeven op onderstaande figuren. Een plattegrond van de inrichting is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 2.1: Regionale ligging en globale begrenzing plangebied
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A5
Projectgerelateerd
3
Wettelijk en beleidsmatig kader
3.1
Wat is een QRA?
Een QRA maakt de externe veiligheidsrisico’s inzichtelijk. Bij het inzichtelijk maken van externe veiligheidsrisico’s wordt een tweetal begrippen gehanteerd, het ‘plaatsgebonden risico’ en het ‘groepsrisico’: het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans aan dat iemand die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van enig ongewoon voorval bij een bepaalde activiteit om het leven komt; het groepsrisico (GR) geeft de kans weer dat een bepaalde groep mensen door de effecten van een activiteit dodelijk wordt getroffen. Het groepsrisico wordt grafisch weergegeven als zogenaamde FNcurve, waarbij de kans (F) wordt uitgezet tegen het mogelijke aantal doden (N) en is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in de omgeving van de inrichting. Bij risicoberekeningen in een QRA worden de risico’s van de verschillende scenario’s gesommeerd tot een totaal PR en GR. Het PR is onafhankelijk van de daadwerkelijke aanwezigheid van personen; het GR houdt wel rekening met aanwezigheid van personen in de omgeving van de inrichting.
3.2
Landelijk toetsingskader
De wetgeving externe veiligheid ten aanzien van inrichtingen is verankerd in het Bevi [1]. Hierin zijn wettelijke grens- en richtwaarden opgenomen voor het PR en een zogenaamde oriëntatiewaarde voor het GR, gecombineerd met een verantwoordingsplicht. De grens- en richtwaarden van het Bevi moeten worden toegepast bij besluitvorming in het kader van Wabo-vergunningverlening en van de ruimtelijke ordening.
3.2.1
Plaatsgebonden risico
Het Bevi kent een wettelijke grenswaarde voor kwetsbare objecten (10-6 per jaar) en een wettelijke richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten (10-6 per jaar).
de grenswaarde voor kwetsbare objecten (PR 10-6 contour) dient te worden beschouwd als een harde norm waaraan te allen tijde dient te worden voldaan;
de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten (PR 10-6 contour) moet zoveel mogelijk zijn bereikt op het tijdstip dat in de algemene maatregel van bestuur is aangegeven en het bereikte niveau moet vervolgens zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Van de richtwaarde mag het bevoegd gezag slechts afwijken indien gewichtige redenen daartoe aanleiding geven. Die redenen moeten in de motivering van het besluit worden aangegeven. Er is bewust van afgezien om in dit besluit een nadere invulling van het begrip gewichtige reden te geven. Afwijking van een richtwaarde is primair een verantwoordelijkheid van het lokale bevoegd gezag.
Dit betekent dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6 contour en dat zich binnen deze contour in principe geen beperkt kwetsbare objecten mogen bevinden. In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de termen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, zoals deze in het Bevi zijn gedefinieerd.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A6
Projectgerelateerd
Tabel 3.1: Definities beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten, conform Bevi Beperkt kwetsbaar object a
Verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare; Dienst- en bedrijfswoningen van derden.
b
Kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder kwetsbaar object (onderdeel c) vallen.
c
Hotels en restaurants, voor zover zij niet onder kwetsbaar object (onderdeel c) vallen.
d
Winkels, voor zover zij niet onder kwetsbaar object (onderdeel c) vallen.
e
Sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen.
f
Kampeerterreinen en andere kavels bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder kwetsbaar object (onderdeel d) vallen.
g
Bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder kwetsbaar object (onderdeel c) vallen.
h
Objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn.
i
Objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleiding apparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
Kwetsbaar object a
Woningen, woonschepen en woonwagens niet zijnde woningen als bedoeld in beperkt kwetsbaar object (onderdeel a).
b
Gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; scholen; gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen.
c
Gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 2 kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m per object; complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 2 2 m bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd.
d
Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.
3.2.2
Groepsrisico
Het GR geeft de kans aan dat tenminste een bepaald aantal mensen door enig ongewoon voorval bij een bepaalde activiteit dodelijk wordt getroffen. Het GR wordt grafisch weergegeven als zogenaamde FNcurve, waarmee de kans (F) wordt uitgezet tegen het mogelijk aantal doden (N) en is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in de omgeving van de inrichting. In het Bevi [1] is de buitenwettelijke oriëntatiewaarde opgenomen dat een incident met 10 of meer doden slechts met een kans van één op de honderdduizend per jaar mag voorkomen (10-5), terwijl een ongeval met 100 of meer doden slechts met een kans van één op de tien miljoen jaar (10-7) mag voorkomen. De buitenwettelijk vastgestelde waarde voor het GR is dus een oriëntatiewaarde en dient als een ijkpunt bij de wettelijke verantwoordingsplicht groepsrisico. Hierbij maakt het bevoegd gezag een afweging met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de risico’s. Bij deze afweging worden behalve de hoogte van het groepsrisico, ook de zelfredzaamheid van de aanwezige personen in de nabije omgeving, de bestrijdbaarheid van een incident, mogelijk te treffen (aanvullende) bron- en overige maatregelen en mogelijke alternatieven betrokken.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A7
Projectgerelateerd
3.3
Locatie specifieke toetsingskader
Innolane bevindt zich binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein’ (vastgesteld 7 november 2011). Figuur 3.1 toont een deel van de verbeelding van dit bestemmingsplan. Dit gebied is in hoofdzaak bestemd voor bedrijven (paarse gebieden). Binnen de paarse gebieden is vestiging van nieuwe kwetsbare objecten niet toegestaan (n.b. bestaande kwetsbare objecten zijn wel toegestaan). Kantoren zijn hier toegestaan voorzover deze onderdeel uitmaken, maar geen hoofdbestanddeel zijn van de bedrijfsvoering, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘dienstverlening’. De aanduiding ‘dienstverlening’ is niet aanwezig in een cirkel van circa 750 meter rondom Innolane. In afwijking van het voorgaande zijn ter plaatse van de Transportweg kantoren toegestaan voorzover deze hoofdbestanddeel zijn van de bedrijfsvoering. Deze locatie ligt op meer dan twee kilometer van Innolane. In dit bestemmingsplan zijn geen eisen opgenomen ten aanzien van het PR en GR.
Figuur 3.1: Verbeelding van een deel van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein’ [5]
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A8
Projectgerelateerd
4
(Sub)selectie relevante insluitsystemen
De HRB [3] schrijft de zogenaamde (sub)selectiemethodiek voor om te komen tot een selectie van QRArelevante insluitsystemen. Alleen deze geselecteerde systemen hoeven vervolgens in de QRA te worden meegenomen. In dit hoofdstuk wordt deze selectie doorlopen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in ‘opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen’ (paragraaf 4.1), ‘bulkopslag en installaties’ (paragraaf 4.2) en ‘bulkoverslag’ (paragraaf 4.3). Hiervoor gelden namelijk verschillende selectiemethodieken.
4.1
Opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen
4.1.1
Selectiemethodiek
Bij PGS 15 opslagplaatsen is het voornaamste risico het ontstaan van toxische verbrandingsproducten tijdens een brand in de betreffende opslag. Als deze toxische producten kunnen ontstaan, is de bijdrage van deze opslag (mogelijk) significant voor de externe veiligheidsrisico’s. Om te bepalen welke PGS 15 opslagvoorzieningen geselecteerd moeten worden voor een QRA, wordt primair getoetst aan de eisen zoals vermeld in de HRB: in het brandcompartiment dient 10 ton of meer aan gevaarlijke stoffen opgeslagen te zijn; er dient een brand mogelijk te zijn (in het brandcompartiment dienen stoffen aanwezig te zijn die brandbaar zijn); er moet een toxische stof vrij kunnen komen bij brand. Dat kan op de volgende twee manieren: 1. een opgeslagen toxisch product (ADR klasse 6.1 VG I of VG II) wordt deels onverbrand met de rookgassen meegevoerd; 2. een opgeslagen product vormt bij brand toxische verbrandingsproducten. de rookgassen moeten zich in de omgeving verspreiden. Vooral in het beginstadium van een brand vormen de toxische verbrandingsproducten een gevaar voor de omgeving, omdat er dan (door afkoeling aan de wanden en het dak van de opslagvoorziening) relatief koude verbrandingsgassen vrijkomen die laag bij de grond blijven hangen.
Bij een meer ontwikkelde brand worden de verbrandingsgassen niet of nauwelijks meer afgekoeld en verspreiden deze hete gassen zich in verticale richting. Deze zogenaamde pluimstijging zorgt voor een aanzienlijke verdunning van de toxische concentraties op leefniveau. Bij buitenopslagen met een overkapping die verder grotendeels ‘open’ zijn, waarin de opgeslagen stoffen voornamelijk tegen de regen zijn beschermd, vindt nauwelijks afkoeling van verbrandingsgassen plaats. Deze worden om deze reden in de rekenmethode niet meegenomen. Hetzelfde geldt voor buitenopslagen zonder overkapping. Op het moment dat voldaan wordt aan alle bovenstaande vier eisen wordt de PGS 15 opslag in principe in de QRA meegenomen. Echter, wanneer op basis van berekende effectafstanden of op basis van de standaard risicoafstanden uit het Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) kan worden onderbouwd dat de bijdrage van een opslagplaats aan het externe risico van de inrichting verwaarloosbaar is, kan de betreffende opslagplaats worden weggelaten uit de QRA.
4.1.2
Uitvoering selectie
Binnen de aanwezige opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagvoorzieningen) wordt per opslagvoorziening minder dan 10 ton producten opgeslagen. Geen van de opslagen binnen Innolane is dan ook relevant voor de QRA.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A9
Projectgerelateerd
4.2
Bulkopslag en overige insluitsystemen
4.2.1
Selectiemethodiek
Om na te gaan welke insluitsystemen een potentieel gevaar opleveren voor de mens buiten de inrichting is door de overheid een subselectiesysteem voorgesteld. In onderhavig onderzoek is hiervoor de “effectroute” gevolgd, zoals beschreven in de HRB (zie tevens de linker kolom in figuur 4.1). Deze methodiek voor de sub selectie is op te delen in de volgende stappen: stap 1: Opsplitsen van de inrichting in onderdelen met gevaarlijke stoffen: a. relevante QRA-stoffen; b. relevante insluitsystemen. stap 2: berekenen van de maximale effectafstand (E) per insluitsysteem; stap 3: bepaling van de minimale afstand tot de terreingrens (T) per insluitsysteem; stap 4: toetsing of de berekende effectafstand groter is dan de minimale afstand tot de terreingrens (E>T); stap 5: toetsing of de selectie uit voorgaande stappen meer dan vijf insluitsystemen oplevert. Indien dit het geval is, kan verder gegaan worden met de ‘selectiegetalroute’. Indien minder dan vijf insluitsystemen zijn geselecteerd, worden deze betrokken in de QRA.
Figuur 4.1: Schematische weergave van de sub selectie bulkopslag en overige insluitsystemen [3]
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A10
Projectgerelateerd
4.2.2
Uitvoering selectie
Om tot de relevante insluitsystemen te komen is eerst vastgesteld bij welke onderdelen van de inrichting conform de HRB gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Hierbij wordt eerst een selectie gemaakt van stoffen die relevant zijn voor de QRA, waarna een inventarisatie plaatsvindt van insluitsystemen waarin zich de relevante gevaarlijke stoffen bevinden. Stap 1a: Inventariseren van insluitsystemen met gevaarlijke stoffen, selectie relevante QRA-stoffen Criteria ‘gevaarlijke stoffen’ Ontvlambare stoffen Conform de HRB worden stoffen van PGS 29 klasse 0, 1 en 2 stoffen aangemerkt als ‘ontvlambaar’. Tevens worden stoffen als ‘ontvlambaar’ aangemerkt indien de procestemperatuur groter of gelijk is dan het vlampunt. Voor de selectie kan ook aangesloten worden bij de selectiemethodiek van het RIVM, die uitgevoerd wordt op basis van H-zinnen [6]. Hierin wordt gesteld dat stoffen die ingedeeld zijn met H-zin H220, H221, H224, H225 of H226 als relevant beschouwd moeten worden in de QRA.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A11
Projectgerelateerd
Acuut toxische stoffen Conform de HRB worden stoffen als toxisch meegenomen in de QRA indien de LC50 (rat, inhalatie 1 uur) lager is dan 20.000 mg/m3 (acuut toxisch), met andere woorden indien de stof (zeer) toxisch is bij inademing. Van de stoffen binnen Innolane zijn geen specifieke LC-waarde te achterhalen. Voor de selectie van acuut toxische stoffen wordt dan ook aangesloten bij de selectiemethodiek van het RIVM, die uitgevoerd wordt op basis van H-zinnen [6]. Hierin wordt gesteld dat stoffen die ingedeeld zijn met H-zin H330 of H331 (enkel: acuut toxisch bij inhalatie) als relevant beschouwd moeten worden in de QRA. Ontplofbare stoffen Geen van de bij Innolane aanwezige stoffen dient conform de HRB als ‘ontplofbaar’ beschouwd te worden. Selectie ‘gevaarlijke stoffen’ bij Innolane Binnen Innolane zijn stoffen aanwezig die qua ontvlambaarheid en/of toxiciteit relevant zijn voor de QRA. Er zijn geen ontplofbare stoffen binnen de inrichting aanwezig. Onderstaande tabel 4.1 geeft een overzicht van de stoffen binnen Innolane. Per stof is aangegeven of deze relevant is om verder te betrekken in de QRA. Tabel 4.1: Selectie gevaarlijke stoffen voor de QRA Stof
H-zinnen
Ontvlambaar (H220, H221, H224, H225 of H226)
Acuut toxisch (H330 of H331)
Betrekken in QRA?
Silane (SiH4)
H220-H280
Ja (H220)
Nee
Ja
Hydrogen (H2)
H220-H280
Ja (H220)
Nee
Ja
Argon
H280
Nee
Nee
Nee
Phosfine mixture (1% PH3 in H2)
H220-H280-H250-H331H315-H319
Ja (H220)
Ja (H331)
Ja
B2H6 (1% B2H6 in H2)
H220-H250-H280-H332
Ja (H220)
Nee
Ja
Nitrogen trifluoride (NF3)
H270-H280-H332-H373
Nee
Nee
Nee
Nitrogen N2 5N low press
H281
Nee
Nee
Nee
Nitrogen N2 2.8N high press
H281
Nee
Nee
Nee
Oxygen O2 5N 5 bar
H270-H281
Nee
Nee
Nee
Hydrogen fluoride (49% HF)
H300-H310-H330-H314
Nee
Ja (H330)
Nee
Hydrochloric acid 37% (HCl)
H290-H314-H335
Nee
Nee
Nee
Potassium hydroxide 45% (KOH)
H302-H314
Nee
Nee
Nee
Monotex
H290-H315
Nee
Nee
Nee
Specialty gases
Bulk gases
Chemicals b
Water treatment HF/HCl Used (HF/HCl drain < 5%)
H301-H311-H331-H314
a
Nee
Ja (H331)
Nee
c
HF houdend afvalwater (1%)
H301-H311-H331-H314
a
Nee
Ja (H331)
Nee
c
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A12
Projectgerelateerd
a. b.
c.
Indeling gebaseerd op fluorwaterstofzuur, 1-7% fluorwaterstof in water. De oplossing Hydrogen fluoride (49% HF) is ingedeeld als acuut toxisch bij inhalatie categorie 2 en is dan ook voorzien van Hzin H330 (zie SDS in bijlage 2). De LC50-waarde (rat, inhalatie, 1 uur) bedraagt 1.300 ppm, hetgeen overeen komt met circa 3 2.055 mg/m . Het atmosferisch kookpunt van deze oplossing is 106 °C. Op basis van tabel 6 uit module C van de HRB is deze oplossing op basis van de LC50-waarde en het atmosferisch kookpunt niet voldoende acuut toxisch om te betrekken in de QRA. Deze oplossing wordt dan ook niet verder betrokken in de QRA. Hydrogen fluoride (49% HF) is niet voldoende acuut toxisch om te betrekken in de QRA. De oplossingen met minder dan 49% HF, i.c. 5% en 1%, zijn dan ook niet voldoende acuut toxisch. Deze oplossingen worden dan ook niet verder meegenomen in de QRA.
Stap 1b: Inventariseren van insluitsystemen met gevaarlijke stoffen, selectie relevante insluitsystemen Uit voorgaande stap blijkt dat de onderstaande stoffen relevant zijn voor de QRA. Per stof is het insluitsysteem aangegeven. Tabel 4.2: Insluitsystemen met QRA-relevante stoffen Stof
Gevaar in QRA
Insluitsysteem
Silane (SiH4)
Ontvlambaar
4 bundels met 16 cilinders (à 50 liter)
Hydrogen (H2)
Ontvlambaar
4 bundels met 16 cilinders (à 50 liter)
Phosfine mixture (1% PH3 in H2)
Ontvlambaar en acuut toxisch
4 cilinders (à 50 liter)
B2H6 (1% B2H6 in H2)
Ontvlambaar
4 cilinders (à 50 liter)
Stap 2, 3 en 4: Berekening en toetsing van de maximale effectafstanden (E) per insluitsysteem Conform de HRB dient voor ieder insluitsysteem de maximale effectafstand1 getoetst te worden aan de afstand tot de terreingrens. Alle insluitsystemen bevinden zich relatief dicht bij de terreingrens, waardoor alle effectafstanden naar verwachting hierbuiten reiken. Alle insluitsystemen zoals genoemd in tabel 4.2 worden dan ook betrokken in de QRA. Stap 5: Beoordeling resultaat ‘Effectroute’ Samengevat worden alle insluitststemen uit tabel 4.2 geselecteerd. Er zijn dus meer dan vijf insluitsystemen geselecteerd. Conform de subselectiemethodiek kan vervolgens de selectiegetalroute gevolgd worden om dit aantal insluitsystemen te verkleinen. In onderhavige QRA is ervoor gekozen om deze aanvullende selectiemethodiek niet te volgen, maar om alle geselecteerde insluitsystemen van de effectroute te betrekken in de QRA. Het volgen van de selectiegetalroute vergt namelijk veel inspanning en levert naar verwachting nauwelijks vermindering van het aantal insluitsystemen op.
4.3
Bulkoverslag
Voor de sub selectie van de bulkverlading mag conform de HRB geen gebruik worden gemaakt van de subselectiemethodiek zoals deze gebruikt wordt voor bulkopslagen en installaties (zie figuur 4.1 in paragraaf 4.2). In principe dienen bulkverladingen via tankauto’s conform de HRB namelijk altijd betrokken te worden in de QRA-berekeningen. Deze activiteiten hoeven niet in de QRA betrokken te worden indien aangetoond wordt dat de effecten niet buiten de inrichtingsgrens reiken.
1
De maximale effectafstand betreft de grootste afstand tot 1% letaliteit. Deze afstand wordt bepaald voor de meteorologische situaties D5 of F1,5 in combinatie met het ongunstigste scenario. De meteorologische situatie D5 betekent stabiliteitsklasse D en windsnelheid 5 m/s. In het algemeen wordt voor toxische stoffen de grootste effectafstand gevonden voor stabiel weer, dat wil zeggen weerklasse F1,5 (stabiliteitsklasse F en windsnelheid 1,5 m/s).
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A13
Projectgerelateerd
Bij Innolane vindt geen bulkoverslag van gevaarlijke stoffen plaats. Uitgezonderd de bulkverlading van stikstof. Deze stof is gevaarlijk vanwege haar verstikkend effect op personen. Dit verstikkingsgevaar beperkt zich voornamelijk tot personen binnen de inrichting. Daarnaast kan ‘verstikking’ modelmatig niet in de QRA worden betrokken. Bulkverlading is dan ook niet relevant voor de QRA van Innolane.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A14
Projectgerelateerd
5
Initiële faalscenario’s met bijbehorende frequenties
Inleiding In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de relevante ongeval scenario’s en bijbehorende initiële faalfrequenties voor de geselecteerde insluitsystemen. Deze zijn geselecteerd met behulp van HRB. Ook is per scenario aangegeven wat het uitstroomdebiet c.q. de uitstroomhoeveelheid is. Uit de subselectie (zie hoofdstuk 4) blijkt dat enkel de cilinderpakketten en losse gascilinders relevant zijn om in het QRA-model te betrekken. Voor de uitwerking hiervan wordt aangesloten bij hoofdstuk 11 van de HRB (module C): ‘Opslag van vergiftigde gassen in cilinders als bedoeld in artikel 1b, onderdeel h, van de Revi’. Specifiek voor ontvlambare gassen is geen methodiek beschreven in dit Handboek. Kenmerken gascilinderpakketten en losse gascilinders De kenmerken van de gascilinderpakketten en losse gascilinders die relevant zijn voor de QRA zijn opgenomen in tabel 5.1. Tabel 5.1: Kenmerken geselecteerde gascilinderpakketten en losse gascilinders Kenmerk
Waarde
Eenheid
Stof
Silaan
Hydrogen (H2) (watersstof)
Phosfine mixture (1% PH3 in H2) (fosfinemengsel in waterstof)
B2H6 (1% B2H6 in H2) (diboraan in waterstof)
[-]
Modelstof
Silaan
Waterstof
Mengsel van fosfine (1%) en waterstof (99%)
Waterstof
[-]
Gevaar
Ontvlambaar
Ontvlambaar
Ontvlambaar en acuut toxisch
Ontvlambaar
[-]
Aantal pakketten
4
4
-
-
[stuks]
Aantal cilinders per pakket
16
16
-
-
[stuks]
Aantal cilinders
64
64
4
4
[stuks]
Inhoud per cilinder
50
50
50
50
[l]
Totale inhoud één cilinderpakket
800
800
-
-
[l]
Druk
60
200
150
Opslagplaats a.
Buiten
Buiten
Binnen
200 a
Binnen
[bar(g)] a
[-]
Conservatief wordt ervan uit gegaan dat alle gascilinders buiten staan.
Faalscenario’s en -frequenties De opslag van de geselecteerde gassen vindt plaats in cilinderpakketten of losse gascilinders. In HRB zijn hiervoor per type opslag (pakket of los) twee faalscenario’s gedefinieerd. Deze zijn met de initiële faalfrequenties weergegeven in tabel 5.2. In deze QRA wordt ervan uit gegaan dat de cilinder(pakketten) gedurende het gehele jaar volledig gevuld aanwezig zijn binnen de inrichting. Dit is een conservatieve aanname.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A15
Projectgerelateerd
Tabel 5.2: Faalscenario’s gascilinderpakketten en losse gascilinders Faalscenario
Initiële faalfrequentie [jaar-1]
Scenario's voor een losse gascilinder Instantaan vrijkomen van de gehele inhoud van de gascilinder
5 x 10
-7
Continu vrijkomen uit een gat met een effectieve diameter van 3,3 mm
5 x 10
-7
Scenario's voor een cilinderpakket met N cilinders Instantaan vrijkomen van de inhoud van één gascilinder a
Continue vrijkomen van de inhoud van N -1 gascilinders uit een gat met een effectieve diameter van 5 mm a.
a
-7
a
-7
N x 5 x 10 N x 5 x 10
N betreft een aantal losse cilinders
Bronsterkte Bij het instantaan falen van één gascilinder komt de gehele inhoud instantaan vrij. Bij het continu vrijkomen uit een losse gascilinder wordt rekening gehouden met een gat van een diameter van 3,3 mm. De bronsterkte wordt door Safeti-NL berekend, waarbij uitgegaan wordt van een cilinderinhoud van 50 liter. Bij het continu vrijkomen van de inhoud van de gehele inhoud van het cilinderpakket wordt rekening gehouden met een gat van een diameter van 5 mm. De bronsterkte wordt door Safeti-NL berekend, waarbij uitgegaan wordt van een pakketinhoud van 750 liter (800 liter – 50 liter).
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A16
Projectgerelateerd
6
Uitgangspunten risicomodellering
6.1
Risicomodel
Het PR en het GR zijn berekend met het rekenpakket Safeti-NL [4]. Dit is een rekenpakket voor het berekenen van de externe veiligheidsrisico’s van inrichtingen en vastgelegd in het Revi [2] voor het opstellen van QRA’s in Nederland. Aan de hand van invoergegevens, zoals de hoeveelheid gevaarlijke stof, de procescondities en scenario’s, berekent Safeti-NL de externe veiligheidsrisico’s. Het resultaat van een berekening bestaat uit PR-contouren en de FN-curve.
6.2
Stofgegevens
In het model is gebruik gemaakt van de modelstoffen zoals opgenomen in tabel 5.1 (hoofdstuk 5). De stof silaan is niet standaard aanwezig in Safeti-NL. Hiervoor is dan ook een stofbestand opgevraagd bij het RIVM.
6.3
Ontstekingskansen
In geval van het vrijkomen van ontvlambare vloeistoffen is het type effect dat optreedt afhankelijk van het direct of vertraagd ontsteken van de vrijgekomen hoeveelheid ontvlambare vloeistof. De kans dat een bepaald effect optreedt, wordt dus bepaald door de kans op het vrijkomen vermenigvuldigd met de kans op directe dan wel vertraagde ontsteking. Directe ontsteking De kans dat een bepaalde hoeveelheid vrijgekomen product direct na het vrijkomen ontstoken wordt is standaard opgenomen in Safeti-NL. De kans op directe ontsteking is afhankelijk van het type installatie (stationaire installatie of transportmiddel), de stofcategorie en de uitstroomhoeveelheid. Conform de HRB worden voor de scenario’s van de verlading de ontstekingskansen van een stationaire installatie aangehouden. Vertraagde ontsteking Brandbare wolken, die worden gevormd door vrijkomen van brandgevaarlijke stoffen, waarbij geen directe ontsteking plaatsvindt, kunnen op afstand vertraagd worden ontstoken. De ontstekingskansen worden bepaald aan de hand van de aanwezigheid van ontstekingsbronnen. Ontsteking van een brandbare wolk in de omgeving kan plaatsvinden door: verkeer; industriële activiteiten; bevolking in de omgeving. Voor vertraagde ontsteking kunnen in Safeti-NL ontstekingsbronnen en hun ontstekingskans worden ingevoerd.
In de omgeving (het invloed gebied) kunnen specifieke ontstekingsbronnen aanwezig zijn, die tot een vertraagde ontsteking kunnen leiden, waarvoor een hogere ontstekingskans geldt. Per aanwezig persoon op de inrichtingen in de omgeving van de inrichting van Innolane wordt een ontstekingskans van 0,01 aangehouden, conform HRB. Voor de aantallen aanwezige personen in de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 6.7. Conservatief zijn verder geen ontstekingsbronnen binnen of buiten de inrichting ingevoerd in het rekenmodel.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A17
Projectgerelateerd
6.4
Domino-effecten
Interne domino-effecten Binnen Innolane zijn geen interne domino-effecten voorzien. De risico’s hierop worden afgevangen door de opslagen uit te voeren conform de van toepassing zijnde PGS-richtlijnen. Externe domino-effecten Binnen een afstand van 2.000 meter zijn geen windturbines aanwezig [7]. Op circa 20 kilometer ten westen van Innolane bevindt zich vliegveld ‘Groningen Airport Eelde’. De risicocontour van dit vliegveld ligt ongeveer 1.500 rondom de landingsbanen [8]. Gezien de afstand tot Innolane en de risicocontour van dit vliegveld, zijn domino-effecten als gevolg van een neerstortend vliegtuig niet te verwachten. De dichtstbijzijnde inrichtingen met gevaarlijke stoffen zijn Transportbedrijf v/d Lee (aangrenzend) en Sita Ecoservice (circa 500 ten westen van Innolane). Conform de risicokaart [8] reiken de PR 10-6 per jaar contouren van deze bedrijven niet tot Innolane. De verwachting is dan ook niet dat een incident met gevaarlijke stoffen bij deze bedrijven leidt tot domino-effecten bij Innolane.
6.5
Ruwheidslengte
De hoedanigheid van de omgeving speelt een rol bij het optreden van effecten van een brand en verspreiding van een toxische wolk. Hierbij is het van belang wat voor type bebouwing (hoog- of laagbouw) of natuur er in de omgeving van Innolane gelegen is. De ruwheidslengte is berekend met de ruwheidskaart [9]. De ruwheidslengte is berekend op 0,222 meter (bepaald op basis van gemiddelde van x = 255.000 / y = 567.000 en x = 254.000 / y = 567.000).
6.6
Weerscondities
Bij het berekenen van het PR en GR is gebruik gemaakt van de meteogegevens van het weerstation Eelde, zoals deze in Safeti-NL zijn opgenomen. Dit betreft het dichtstbijzijnde representatieve weerstation voor de locatie van Innolane.
6.7
Populatie in de omgeving
Het invloed gebied van Innolane (benaderd met de PR 10-30 per jaar contour) reikt niet buiten de terreingrens (zie figuur 6.1). Er is dan ook geen populatie ingevoerd en geen GR berekend in deze QRA.
Figuur 6.1: Invloed gebied Innolane
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A18
Projectgerelateerd
7
Resultaten
7.1
Plaatsgebonden risico
Plaatsgebonden risicocontouren In figuur 7.1 zijn de PR-contouren weergegeven van de aangevraagde bedrijfssituatie. Uit deze figuur blijkt dat de wettelijke PR 10-6 per jaar contour binnen de inrichtingsgrens ligt.
Figuur 7.1: PR aangevraagde bedrijfssituatie
Bijdragen aan het plaatsgebonden risico Normaal gesproken wordt de bijdrage aan de PR 10-6 per jaar getoond in het QRA-rapport. In deze situatie blijft deze contour binnen de inrichting. De bijdrage aan de PR 10-6 per jaar is dan ook niet relevant en niet opgenomen in dit rapport.
7.2
Groepsrisico
Het invloed gebied van Innolane reikt niet buiten de terreingrens (zie figuur 6.1). Er is dan ook geen GR berekend in deze QRA.
7.3
Effectafstanden
Conform de HRB dienen de maximale effectafstanden van de maatgevende scenario’s van de PR 10-6 per jaar buiten de inrichting en de maatgevende scenario’s voor het GR in dit rapport opgenomen te worden. Zoals uit paragraaf 7.1 en 7.2 blijkt, zijn er geen maatgevende scenario’s. Er zijn dan ook geen maximale effectafstanden opgenomen. 25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A19
Projectgerelateerd
8
Conclusies
Op basis van de resultaten van de berekeningen met Safeti-NL voor de QRA van Innolane wordt het volgende geconcludeerd: Plaatsgebonden risico -6 de PR-contour 10 per jaar ligt binnen de inrichtingsgrens van Innolane; deze situatie voldoet aan het vigerende beleid ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Er wordt geen GR berekend.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A20
Projectgerelateerd
9
Referenties
[1]
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), geldend op 1 april 2017.
[2]
Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), geldend op 1 april 2017.
[3]
Handleiding Risicoberekeningen Bevi (HRB), versie 3.3, VROM, 1 juli 2015.
[4]
Safeti-NL, softwarepakket Safeti- -NL, DNV, versie 6.54.
[5]
www.ruimtelijkeplannen.nl, bezocht op 5 april 2017.
[6]
QRA-selectiemethodiek ‘toxisch en/of ontvlambaar’, RIVM Centrum Veiligheid, 24 mei 2016.
[7]
www.windstats.nl/kaart.php, bezocht 11 april 2017.
[8]
www.risicokaart.nl, bezocht 11 april 2017.
[9]
Ruwheidskaart, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/vergaderstukken/2012/03/15/toelichting-ruwheidskaart.html.
25 april 2017
QRA INNOLANE
I&BBF2212-102R0006F0.1
A21
Bijlage 1. Plattegrond Innolane
N
B
A-18
D-A
A-17
D-B
0
4000
8000
12000
16000
20000mm
I
0
D-C
D-G
A-19
A-20
63.000 9.000
9.000
9.000
4.500
D-R
4.500
9.000
9.000
D-O D-N
D-M
9.000
D-J
E-M
E-M GARDEROBE E0.31 22,7 m²
PANTRY E0.30 22,7 m²
WACHTRUIMTE E0.02 47,0 m²
7.200
CONTAINERRUIMTE E0.28 GOEDERENSLUIS 29,5 m² E0.27 29,9 m²
TRAPPENHUIS E0.26 22,1 m²
EHBO E0.25 37,7 m²
KLEEDRUIMTE DAMES E0.24 161,9 m²
E-L G
D
A-18 A-A
A-B
A-C
A-D
A-E
A-F
A-G B-A
B-B
B-C
B-D
D-R
A-17
B-E
B-F
WERKPLAATS A0.10 37,5 m²
9.000
9.000
WERKPLAATS A0.06 35,2 m²
WERKPLAATS A0.07 35,2 m²
WERKPLAATS A0.08 35,2 m²
WERKPLAATS A0.09 35,2 m²
9.000
9.000
620
9.000
WERKPLAATS TRAPPENHUIS A0.05 A0.04 13,6 m² 20,8 m²
9.000
9.000
9.000
B-G
9.000
MAINTENANCE C0.04 37,6 m²
H1 VERGADERRUIMTE WERKKASTTRAPPENHUIS E0.08 E0.10 E0.11 29,9 m² 22,1 m² 14,6 m² VERGADERRUIMTE E0.09 30,2 m²
KLEEDRUIMTE HEREN E0.12 185,7 m²
E-L D-O D-N
D-M
D-J
A-19
G-G
D-Q
A-20
G-F
G-E
G-D
G-C
G-B
G-A F-G
F-F
F-E
F-D
F-C
F-B
F-A
108.620
DOUCHERUIMTE E0.16 19,6 m²
9.000
TRAPPENHUIS F0.04 20,8 m²
PERSONENSLUIS E0.17 29,9 m²
VERKEERSRUIMTE C0.03 385,2 m²
A-2
WASRUIMTE E0.15 4,2 m²
DOUCHERUIMTE E0.19 19,6 m²
9.000
MAINTENANCE C0.05 35,2 m²
MAINTENANCE C0.06 35,2 m²
MAINTENANCE C0.07 35,2 m²
MAINTENANCE C0.08 35,2 m²
MAINTENANCE C0.09 35,2 m²
DEMONTABEL GEVELPANEEL T.B.V. INHUIZING MACHINES
D-P A-1
9.000
WASRUIMTE E0.20 4,2 m²
A-14
VERKEERSRUIMTE E0.18 17,5 m²
108.620 9.000
LIFT E0.23 TRAPPENHUIS 4,9 m² E0.13 MIVA TOILET 26,5 m² E0.22 5,3 m² TOILETTEN HEREN TOILETTEN DAMES E0.14 E0.21 11,9 m² 11,9 m²
9.000
WERKPLAATS F0.05 16,0 m²
9.000
WERKPLAATS F0.06 35,2 m²
9.000
WERKPLAATS F0.07 35,2 m²
WERKPLAATS F0.08 35,2 m²
9.000
9.000
WERKPLAATS F0.09 35,2 m²
620
9.000
WERKPLAATS F0.10 35,2 m²
TRAPPENHUIS G0.04 20,8 m²
9.000
9.000
WERKPLAATS WERKPLAATS G0.05 G0.06 13,6 m² 35,2 m²
9.000
WERKPLAATS G0.07 35,2 m²
9.000
WERKPLAATS G0.08 35,2 m²
WERKPLAATS G0.09 35,2 m²
9.000
D-P A-1
WERKPLAATS G0.10 37,5 m²
DEMONTABEL GEVELPANEEL T.B.V. INHUIZING MACHINES
H1
D-Q
P+C E0.05 3,0 m²
VERKEERSRUIMTE E0.03 92,7 m²
14.400
A-14
ENTREE E0.01 36,3 m²
HRM E0.07 50,6 m²
ICT-KANTOOR E0.06 42,0 m²
RECEPTIE E0.04 46,9 m²
VERKEERSRUIMTE D0.04 197,5 m²
PATERNOSTERLIFT A0.12 1,2 m² GOEDERENLIFT C0.02 77,0 m²
PATERNOSTERLIFT F0.12 1,2 m²
A-2
PATERNOSTERLIFT G0.12 1,8 m²
10.800
TRAPPENHUIS D0.03 21,0 m²
10.800
7.200
KANTOOR (SPARE) E0.29 50,6 m²
A-3
A-3
E
10.800
E
277 4
DISTRIBUTIE D0.01 827,4 m²
A-4
A-4
LUCHTBEHANDELING A0.02 496,1 m²
MAGAZIJN C0.01 2.260,9 m²
LUCHTBEHANDELING F0.03 510,9 m²
LUCHTBEHANDELING F0.02 496,1 m²
PRODUCTIE MODULES F0.01 3.453,8 m²
LUCHTBEHANDELING G0.03 472,2 m²
LUCHTBEHANDELING G0.02 540,9 m²
PRODUCTIE MODULES G0.01 3.451,7 m²
10.800
PRODUCTIE MODULES A0.01 3.451,7 m²
LUCHTBEHANDELING A0.03 510,9 m²
A
A
86.400
TRAPPENHUIS D0.02 30,6 m²
A-5
I 4.500
4.500
9.000
10.800
9.000
A-5
C
C
A-6
A-6 5.400
TRAPPENHUIS B0.17 25,5 m²
A
A 5.400
WASTE WATER TREATMENT B0.01 745,9 m²
A-7
A-7
LV B0.12 109,9 m²
10.800
HF
2526
A
F
FILTER RUIMTE B0.02 173,9 m²
A-8
C
60
UPS RUIMTE B0.11 8,3 m²
2344
60
Monotex
E
C-GASOPSLAG B0.08 36,6 m²
10.800
T/F-GASOPSLAG B0.07 36,6 m²
TRAPPENHUIS G0.11 23,0 m²
TRAPPENHUIS F0.11 29,6 m²
F
A-9
A-9
G
UW BO
G
D
D
60
I-GASOPSLAG B0.09 36,6 m²
B Filterpers
Ar
Filterpers
NF3
MV B0.10 28,1 m²
B2H6 PH3
2525
Ar
60
TRAPPENHUIS A0.11 29,7 m²
ACID RUIMTE B0.03 137,9 m²
CAUSTIC STORAGE ROOM B0.06 122,8 m²
56 7, 75 0
A-8
KLEEDRUIMTE CHEMIE B0.04 15,0 m²
KOH
F
SE FA 2
60
2854
60
A-21
A-21 O2 ø1
0.0
N2 LOW GRADE
N2 HIGH GRADE SiH4
STIKSTOF TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING
00
SiH4
Situatietekening
H2
SiH4
SiH4
H2
60
H2
H2
1 : 2000
60
A-22
A-22 SPRINKLER TANK
9.000
SPRINKLER GEBOUW
9.000
VERDAMPERS
9.000
9.000
9.000
620
9.000
0
WATERSTOF OPSLAG
SILAAN OPSLAG
60 MIN. BRANDWEREND CONFORM NORM PGS
60 MIN. BRANDWEREND CONFORM NORM PGS
9.000
9.000
9.000
18-04-2017 R. Schrijvers
Nr. Datum
Getekend
Raadgevend Ingenieur:
B
K. Bender
G. Joosen
Def. ontw.
Concept
Eerste uitgave
Gecontroleerd
Fase
Status
Omschrijving
Architect:
G. Joosen
A-A
A-B
A-C
A-D
A-E
A-F
A-G B-A
B-B
B-C
B-D
B-E
B-F
B-GD-A
D-B
0
D-C
D-GG-G
G-F
G-E
G-D
G-C
G-B
G-A F-G
F-F
F-E
F-D
F-C
F-B
F-A
Projectleider:
CAD Coördinator:
A. Schrijvers Locatie:
Opdrachtgever:
Innolane Projects B.V.
Veendam Land:
Nederland Onderwerp:
Projectnaam:
Solar cell and module factory HaskoningDHV Nederland B.V., onderdeel van:
Plattegrond begane grond 1 : 200
Buildings
© 2013 HaskoningDHV Nederland B.V. Alle intellectuele eigendomsrechten waaronder het auteursrecht op deze tekening berusten bij en zijn eigendom van HaskoningDHV Nederland B.V.. Niets van deze tekening mag zonder voorafgaande schriftelijk toestemming van HaskoningDHV Nederland B.V. worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt op welke wijze ook of worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
TRANSFORMATOR B0.13 92,7 m²
2340
HCl
1
© 2013 HaskoningDHV Nederland B.V. All intellectual property rights among which the copyright related to this drawing shall vest in HaskoningDHV Nederland B.V.. The drawing is the property of HaskoningDHV Nederland B.V. and may not without the prior written consent of Haskoning DHV Nederland B.V. be duplicated or published in any way in whole or in part, or be used for any purpose other than for which it is supplied.
BOILER RUIMTE B0.15 159,5 m²
NaOH
HCl
CaCl2
Overzichtstekening Plattegrond begane grond Peil = 0 Larixplein 1 Postbus 80007 5600 JZ, Eindhoven Nederland KvK nr. 56515154 T: (040) 250 92 50 E: info@rhdhv.com www.royalhaskoningdhv.com
Formaat: Schaal: Proj.Nr.: Tek.Nr.:
A0 +3 As indicated BF2212
Fase:
Definitief ontwerp
Status:
Concept
B_PLN20_00-000-S01
Bijlagen 2. SDS Hydrogen fluoride (49% HF)
With its headquarters in Amersfoort, The Netherlands, Royal HaskoningDHV is an independent, international project management, engineering and consultancy service provider. Ranking globally in the top 10 of independently owned, nonlisted companies and top 40 overall, the Company’s 6,000 staff provide services across the world from more than 100 offices in over 35 countries.
Our connections Innovation is a collaborative process, which is why Royal HaskoningDHV works in association with clients, project partners, universities, government agencies, NGOs and many other organisations to develop and introduce new ways of living and working to enhance society together, now and in the future.
Memberships Royal HaskoningDHV is a member of the recognised engineering and environmental bodies in those countries where it has a permanent office base. All Royal HaskoningDHV consultants, architects and engineers are members of their individual branch organisations in their various countries.
Integrity Royal HaskoningDHV is the first and only engineering consultancy with ETHIC Intelligence anti-corruption certificate since 2010.
royalhaskoningdhv.com
bestemmingsplan Veegplan herziening bedrijventerreinen Veendam
84
bestemmingsplan Veegplan herziening bedrijventerreinen Veendam
Bijlage 3 AERIUS-berekening
85
Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e Ve egp l an h er z ien in g b ed r i j ven terr re in en Ve en d a m
D EF IN I TI EF
Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e Ve egp l an h er z ien in g b ed r i j ven terr re in en Ve en d a m
D EF IN I TI EF
28 maart 2023 Projectnummer P001762
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
2
Wettelijk kader
5
3
Ligging plangebied
6
4
Invoergegevens AERIUS
7
4.1
Aanlegfase 2023 t/m 2025
7
4.1.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1 en 3)
7
4.1.2
Werkverkeer (bron 2 en 4)
8
4.1.3
Totale emissie aanlegfase 2023 t/m 2025
9
4.2
Gebruiksfase 2026
9
4.2.1
Emissie bedrijvigheid (bron1)
9
4.2.2
Verkeersgeneratie bedrijvigheid (bron 2 en 3)
10
4.2.3
Totale emissie gebruiksfase 2026
10
5
Model
11
6
Rekenresultaten en conclusie
12
28 maart 2023
1
Inleiding In het kader van het Veegplan ‘herziening bedrijventerreinen Veendam’ is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van het voornemen in de gemeente Veendam berekend. In het plan worden een aantal omissies gerepareerd en een aantal nieuwe ontwikkelingen ingepast. De omvang van het plan is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (28 maart 2023). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.
Afbeelding 1 – Omvang plangebied (bron: pdokviewerpdok.nl, d.d. 06-10-2022)
28 maart 2023
3
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.
28 maart 2023
4
2
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.
Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van internof extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer er voor dat de netto stikstofemissie niet toe neemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten op de locatie zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen). Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één plan of één locatie. Intern salderen kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen gaat het om verschillende projecten of plannen. Extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.
28 maart 2023
5
3
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van Veendam. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -
Zuidlaardermeergebied, gelegen op een afstand van circa 11,1 km;
-
Drentsche Aa-gebied, gelegen op een afstand van circa 12,2 km;
-
Drouwenerzand, gelegen op een afstand van circa 13,3 km;
-
Lieftinghsbroek, gelegen op een afstand van circa 18,1 km.
Hierbij dient wel te worden vermeld dat het Natura 2000-gebied Zuidlaardemeergebied niet stikstofgevoelig is.
28 maart 2023
6
4
Invoergegevens AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie-kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 worden bepaald. Naast de bronnen van de gebouwen en mobiele werktuigen dienen ook de verkeersbewegingen op en van en naar het terrein in de berekeningen meegenomen te worden. Conform het handboek “Werken met AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden. Uit jurisprudentie blijkt dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling toegerekend worden wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Voor deze berekening is alleen gekeken naar de te wijzigen percelen waar ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De overige percelen worden in het kader van deze berekening beschouwd als de feitelijk aanwezige legale planologische situatie en derhalve niet meegenomen in de berekening. Voor de aanlegfase is uitgegaan van een minimale periode van 3 jaar. Ten behoeve van de bedrijvigheid en de verkeersgeneratie zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3 en 4).
4.1
Aanlegfase 2023 t/m 2025
4.1.1 Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1 en 3) In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van 1
BügelHajema Adviseurs . Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof. In het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt dat maximaal 60% van het bouwvlak aan de Castorweg tot een maximale hoogte van 15 meter wordt bebouwd. Uit deze gegevens is het maxi3
3
maal aantal m berekend. In totaal dient maximaal uit te worden gegaan van 441.000 m bebouwing aan de Castorweg. Voor de bouw van deze potentiele bebouwing is de aanname gemaakt dat per 500 3
m gebruikt wordt gemaakt van 4 uur een graafmachine en kraan en 2 uur een heistelling en betonstorter. Dit leidt voor de locatie aan de Castorweg tot een totaal aantal mobiele werktuigen op de bouwlocaties (zie tabel 1).
1
Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door
BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen.
28 maart 2023
7
Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Castorweg (bron 1) Functie
Werktuig
kW
Bebouwing
graafmachine 100 kraan 100 betonstorter 200 heistelling 200 Totale emissie in kg NOx /jaar
Stage
Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV
Eenheid
4 u/ 4 u/ 2 u/ 2 u/
3
500 m 3 500 m 3 500 m 500 m3
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
1.176 uur 1.176 uur 1.176 uur 1.176 uur
10,18 10,18 19,81 19,81
11.972 11.972 23.297 23.297
Emissie NOx
70,2 70,2 131,6 131,6 403,6
kg kg kg kg kg
In het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt dat maximaal 70% van het bouwvlak aan de Boven Oosterdiep tot een maximale hoogte van 15 meter wordt bebouwd. Uit deze gegevens is het 3
3
maximaal aantal m berekend. In totaal dient maximaal uit te worden gegaan van 42.000 m bebouwing aan de Boven Oosterdiep. Voor de bouw van deze potentiele bebouwing is de aanname ge3
maakt dat per 500 m gebruikt wordt gemaakt van 4 uur een graafmachine en kraan en 2 uur een heistelling en betonstorter. Dit leidt voor de locatie aan de Boven Oosterdiep tot een totaal aantal mobiele werktuigen op de bouwlocaties (zie tabel 2). Tabel 2. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Boven Oosterdip (bron 3) Functie
Werktuig
Bebouwing
kW
graafmachine 100 kraan 100 betonstorter 200 heistelling 200 Totale emissie in kg NOx /jaar
Stage
Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV
Eenheid
4 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/
500 m3 500 m3 500 m3 500 m3
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
Emissie NOx
112 uur 112 uur 112 uur 112 uur
10,18 10,18 19,81 19,81
1.141 1.141 2.219 2.219
6,5 6,5 12,1 12,1 37,2
kg kg kg kg kg
4.1.2 Werkverkeer (bron 2 en 4) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met verkeersbewegingen van 100 lichte motor3
voertuigen, 20 middelzware vrachtwagens en 4 zware vrachtwagens per 500 m bebouwing per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Voor het werkverkeer op de locatie Castorweg is in totaal rekening gehouden met: -
licht verkeer 29.400 ritten/jaar;
-
middelzwaar vrachtverkeer 5.880 ritten/jaar;
-
zwaar vrachtverkeer 1.176 ritten/jaar.
Voor het werkverkeer op de Boven Oosterdiep is in totaal rekening gehouden met: -
licht verkeer 2.800 ritten/jaar;
-
middelzwaar vrachtverkeer 560 ritten/jaar;
-
zwaar vrachtverkeer 112 ritten/jaar.
Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3).
28 maart 2023
8
Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen
- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen
Middelzware motorvoertuigen
- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen
Zware motorvoertuigen
- vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger
De totale emissie van het werkverkeer bedraagt 7,7 kg NOx/jr. 4.1.3 Totale emissie aanlegfase 2023 t/m 2025 De totale emissie van het plan in de aanlegfase bedraagt 448,6 kg NOx/jr. en 18,8 kg NH3/jr.
4.2
Gebruiksfase 2026
4.2.1 Emissie bedrijvigheid (bron1) 2
Door Arcadis zijn emissiekencijfers voor NOx op basis van milieucategorieën vastgesteld . Voor bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 3 is de emissie vastgesteld op 200 kg NOx per jaar. Voor milieucategorie 4 geldt een emissie van 750 kg NOx per hectare per jaar. Naar aanleiding van de Gaswet (1 juli 2018) is het niet meer toegestaan om kleinverbruikers aan te sluiten op een gasaansluiting. Een klein verbruiker is een pand waar een gasaansluiting G25 of lager aanwezig is. Dit komt volgens kenniscentrum InfoMil overeen met een gasverbruik van minder dan 3
3
25.000 m gas per jaar . Naar aanleiding van de grote van de kavels en de soort bedrijvigheid binnen milieucategorie 2 is er in deze berekening vanuit gegaan dat deze nieuwe bedrijvigheid als kleinverbruiker dient te worden beschouwd en gasloos zal worden gerealiseerd. Derhalve zal voor deze kavels geen emissie van NOx plaatsvinden. Voor de nog uit te geven kavels aan de Castorweg (4,9 ha) is de milieucategorie 4 opgenomen. Op basis van de emissiecijfers van Arcadis dient uit te worden gegaan van een emissie van 750 kg NOx per hectare per jaar. Echter, aangezien dit onderzoek sterk verouderd is (2013) en vanuit samenhangende wet- en regelgeving energiebesparende maatregelen opgelegd worden, kan er vanuit worden gegaan dat van dit kental afgeweken kan worden. Tevens bestaan er in de huidige maatschappij ruim voldoende bedrijven die emissie loos of emissie arm opereren. In deze berekening is derhalve uitgegaan van een emissie van 350 kg NOx per hectare maximale bebouwing per jaar. De totale emissie van de bedrijvigheid in de gebruiksfase bedraagt in dat geval ongeveer 1.029 kg NOx/jr.
2 3
Boukich A. Emissies toekomstige bedrijventerreinen, presentatie op het congres en Luchtkwaliteit 2013, Arcadis Arnhem:2013.
Kenniscentrum InfoMil, Onderwerpen, Duurzaamheid en energie, Energiebesparing, Wabo, Energieverbruik.
28 maart 2023
9
4.2.2 Verkeersgeneratie bedrijvigheid (bron 2 en 3) In het model is het verkeer van en naar de gebouwen in de verschillende deelgebieden opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor een netto ha bedrijventerrein (gemengd gebied) per etmaal. Dit houdt in dat per ha rekening moet worden gehouden met verkeersbewegingen van 128 lichte motorvoertuigen, 20 middelzware vrachtwagens en 10 zware vrachtwagens per etmaal. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 513 verkeersbewegingen lichte motorvoertuigen, 80 verkeersbewegingen middelzware motorvoertuigen en 40 verkeersbewegingen zware motorvoertuigen per etmaal. De verkeersbewegingen zijn verdeeld over de nieuw te ontwikkelen delen van het plangebied. Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3). De totale emissie van de verkeersgeneratie van de bedrijvigheid in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 40,4 kg NOx/jr. 4.2.3 Totale emissie gebruiksfase 2026 De totale emissie van het plan in de gebruiksfase bedraagt 1.069,3 kg NOx/jr.