14-05 Reactie op Vragen m.b.t. de jaarrekening 2021 scholengroep OPRON
Tekst van het document
Aan mevrouw K. Bosman, ambtelijk voorportaal gemeenten Stadskanaal, Midden-Groningen en Veendam klarinde.bosman@midden-groningen.nl
Datum: Kenmerk: Betreft:
12 september 2022 2022-048 Beantwoording vragen over de jaarstukken 2021 Scholengroep OPRON
Geachte mevrouw Bosman, Scholengroep OPRON heeft het bestuursverslag en de jaarrekening 2021 aangeleverd. Gemeenten hebben met betrekking tot dit stuk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen bij het bestuur van de scholengroep. Om te kunnen bepalen of een zienswijze over de jaarrekening en/of het bestuursverslag wenselijk is, hebben de gemeenten Scholengroep OPRON verzocht antwoord te geven op de hieronder genoemde vragen. Vragen 1. Pagina 19: er wordt een ambitieus beleid voor ICT beschreven. Als gemeente dragen we ook bij aan het ICT project digitale geletterdheid van Basicly. Dit wordt uitgevoerd vanuit Kansrijke Groningers. Ik zie dit project niet terug in het jaarverslag. Wat is hiervan de reden? Wat zijn de ervaringen met dit project? Er lopen heel veel projecten binnen OPRON, Basicly is 1 van de vele projecten. Deze allemaal opnoemen maakt het jaarverslag niet leesbaarder; temeer omdat alle projecten onder de paraplu van ons strategisch beleid vallen en daarmee niet de opbrengst van de losse projecten op individuele scholen een plek krijgt in het bestuurlijk jaarverslag, maar we meer overkoepelend rapporteren. De scholen zijn overigens tevreden en doorgaans enthousiast over Basicly. 2. Op pagina 37 wordt aangegeven dat er ruim 3,6 fte extra aan personeel is ingezet. De personeelslasten zijn echter gelijk gebleven t.o.v. 2020.
Hoe is dat te verklaren? De personeelslasten bestaan uit de salariskosten personeel en de overige personele lasten, zie onderstaand knipsel uit de jaarrekening p 65.
De salariskosten zijn hoger dan voorgaand jaar (o.a. hogere inzet), maar de overige personele lasten zoals Personeel niet in loondienst, zijn lager dan voorgaand jaar. Per saldo zijn de personeelslasten nagenoeg gelijk aan voorgaand jaar. 3. Pagina 41 Meerjarenformatieplanning: de formatie voor onderwijspersoneel krimpt van ruim 184 fte naar circa 151. Is dit realistisch en haalbaar? Ja, hierop is in de meerjarenbegroting een nadere toelichting gegeven. De daling in de fte’s kan worden opgevangen door natuurlijk verloop en door de tijdelijke schil (tijdelijke aanstellingen van een jaar of korter). Tevens is er extra inzet op NPO gelden gedaan wat mede de daling verklaard. 4. De inzet van directie stijgt licht. Hoe is dat te verklaren? Is het niet logisch dat de directie inzet ook krimpt? De toename van het aantal fte’s directie is gelegen in het feit dat de directietaken op De Tandem deels door de beleidsmedewerker Onderwijs & Kwaliteit werden uitgevoerd, tijdens afwezigheid van de vaste directeur; hierdoor lijkt het alsof er dus meer directie was. Tevens zijn er directeuren die een kleine uitbreiding van hun baan hebben om andere taken te vervullen binnen de scholengroep wegens personele krapte.
Daarnaast hebben we een kweekvijver met startende directeuren waarin we mensen (uit onze eigen organisatie) opleiden tot schoolleider en op deze wijze kunnen we enerzijds voorzien in de tekorten die er ook heel stevig in deze beroepsgroep zijn en tevens behouden we talent op deze manier. Ook dit kan dus wat vertekeningen geven in het aantal directie fte’s. Hierdoor lijkt het alsof directie inzet groeit, maar we blijven werken conform ons allocatiemodel, ook in de verdeling naar de scholen toe en de gehanteerde staffels, zo ook voor directie. Tevens goed om op te merken: bij een daling van een lln aantal op school kan de span of control (aantal teamleden) nagenoeg gelijk blijven. Het is dan niet realistisch om de omvang van fte directie aan te passen met bijv. 0,1 fte.
5. Ook is bij de formatieplanning is een groot verschil zichtbaar ten opzichte van de vorige planning (begroting 2022). Waar zit dit verschil ten opzichte van de begroting in? Welke risico’s zijn hiermee gemoeid (en is er voldoende ruimte in de flexpool)? Wat wordt er gedaan om deze risico’s tegen te gaan? Bij het opstellen van de begroting 2022 was nog niet bekend dat er NPO middelen beschikbaar kwamen en in welke omvang. Daarbij is er de subsidie EHK verstrekt en ingezet. Dit betreffen tijdelijke middelen, waarop tijdelijk personeel is ingezet. Hiermee worden risico’s beperkt. De formatieruimte in de flexpool is een vastgesteld percentage van de personele omvang. Deze ruimte groeit en krimpt dan ook mee met de organisatie. 6.
Pagina 39 en 49: Weerstandsvermogen, pagina 39, is lager dan de norm. In het financiële jaarverslag wordt een andere definitie van het weerstandsvermogen gehanteerd dan op pagina 39 en ook een andere norm (pagina 49). Daar is het ruimschoots voldoende. Waarom worden verschillende definities gehanteerd? Er vanuit gaande dat alleen het kengetal weerstandvermogen buiten de signaleringsgrens valt die door de PO raad en onderwijsinspectie wordt gehanteerd zoals aangegeven op p 42): Wat zijn de verwachtingen m.b.t. deze waarde? Hoe wordt het weerstandvermogen de komende jaren vergroot? 12. Op pagina 39 bij de kengetallen wordt een weerstandsvermogen van 8,8% genoemd, echter op pagina 49 wordt gesproken over 19,0%; Welke is correct en waar zit dit verschil in? Het weerstandsvermogen zal worden vergroot door de komende jaren een (klein) positief resultaat te begroten, waardoor de omvang van het totale eigen vermogen zal toenemen. Hierdoor zal de verhouding met de totale baten toenemen (=hoger weerstandsvermogen). Op pagina 39 in het bestuursverslag wordt, net als voorgaande jaren het weerstandsvermogen als volgt berekend: Weerstandsvermogen (verhouding tussen het totale eigen vermogen minus de materiële vaste activa en het totaal van de baten): 8,8%. Deze berekening wordt in het bestuursverslag aangehouden om een vergelijking te kunnen maken met voorgaande jaren.
Op pagina 49 in de jaarrekening wordt, conform wettelijke vereisten jaarrekening, het weerstandsvermogen als volgt berekend: Weerstandsvermogen (verhouding tussen het totale eigen vermogen en de totale baten). Hier vindt dus geen aftrek plaats van de materiele activa. Beide zijn correct, maar de Inspectie kijkt naar de wettelijke berekening, dus 19%, voor een beoordeling.
7.
Pagina 16: Persoonlijke gegevens toezichthouders, hier staat genoemd dat de RvT in 2020 de volgende samenstelling kende. Gaat het hier om 2021? Ja
8.
Algemeen: er staan veel afkortingen in het stuk die niet worden toegelicht. Voor de leesbaarheid zou het prettig zijn alle gebruikte afkortingen ten minste eenmaal toe te lichten. Dit punt zal worden meegenomen bij de Jaarrekening 2022.
9.
In de Meerjaren exploitatiebegroting staat een daling personeelslasten van €19.787 duizend euro in 2022 naar 17.849 duizend euro in 2023; Dit is een daling van bijna 2 miljoen euro; Hoe realistisch is dit? Dit is realistisch onderbouwd vanuit de opgestelde schoolbegrotingen en de beschikbare formatie op de scholen. De terugloop in aantal fte’s kan worden opgevangen vanuit natuurlijk verloop en de tijdelijke schil.
10. Bij de meerjarenbegroting is rekening gehouden met het wegvallen van de vordering OCW, er is echter gekozen om, van het verwachte resultaatseffect van 1.216 duizend euro, slechts 438k te verwerken in de begroting, wat is de achterliggende reden van deze keuze?
Per abuis is in de meerjarenbegroting niet voldoende rekening gehouden met het wegvallen van de vordering OCW bij de bekostiging voor de (V)SO en SBO scholen. De gevormde bestemmingsreserve ter dekking van deze vordering is wel op orde. 11. Er wordt bij Risico’s en onzekerheden gesproken over grote investeringen die de komende tien jaren plaats gaan vinden; Om welke investeringen gaat het en welke bedragen zijn hiermee gemoeid? Dit betreffen investeringen in onderhoud bij verschillende scholen. Dit is opgenomen in het meerjarenonderhoudsplan. De dekking komt uit de voorziening onderhoud, welke op orde is (middels een jaarlijkse dotatie via de exploitatie). Wij vertrouwen erop dat nu na beantwoording van deze vragen de stukken kunnen worden gecompleteerd en de routing voor de besluitvorming kan beginnen. Mochten er echter nog vragen zijn, dan vernemen wij dat graag. Met vriendelijke groet,
Mw. drs. M.M. Andreae Bestuurder.