14-02 IHP Veendam 2024-2039 incl bijlagen
Tekst van het document
Integraal huisvestingsplan onderwijs 2024 - 2039 Toekomstbestendige onderwijshuisvesting in de gemeente Veendam
Opdrachtgever Gemeente Veendam
Datum 25 oktober 2022
Referentienummer 2210255 – 20221025MM
Auteur(s) Erwin Veneklaas Slots Jarno Thole Bram Treffers
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Context
4
1.3
Proces
5
1.4
Leeswijzer
5
Scope
7
2.1
Scope van het IHP
7
2.2
Status
7
2.3
Wettelijke zorgplicht
7
2.4
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
8
Visie op onderwijs en onderwijshuisvesting
9
3.1
Gezamenlijke, integrale ambitie en visie op onderwijs
10
3.2
Gezamenlijke visie en ambitie op sectoraal beleid
11
3.3
Visie op onderwijshuisvesting
16
3.4
Afwegingskader renovatie of nieuwbouw
20
3.5
Van visie naar IHP
21
3.6
Indicatieve bekostigingssystematiek IHP
22
Onderwijshuisvesting Veendam 4.1
Feiten en cijfers
23 23
4.1.1
Scholen primair onderwijs
24
4.1.2
Scholen speciaal onderwijs
25
4.1.3
Scholen voortgezet onderwijs
26
4.2
Leerlingenprognoses
4.2.1 4.3
Leerlingenprognoses en ruimtebehoefte
Inzicht en beoordeling schoolgebouwen
26 28 30
4.3.1
Primair onderwijs
31
4.3.2
Scholen Scholengroep OPRON
31
4.3.3
Scholen VCO Midden en Oost Groningen
34
4.3.4
Scholen Stichting Primenius
36
(Voortgezet) Speciaal Onderwijs
37
4.4
4.4.1
Scholen Scholengroep OPRON
37
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS adviseurs B.V.
www.icsadviseurs.nl
4.5
Voortgezet onderwijs
4.5.1 4.6
5.
6.
Scholen Winkler Prins
Samenvatting onderwijshuisvesting
Bewegingsonderwijs
38 40
42
5.1
Analyse vraag en aanbod
42
5.2
Lokale ontwikkelingen
44
5.3
Inventarisatie gymlocaties
45
5.4
Conditiemetingen gymvoorzieningen
45
Uitvoeringsplan
48
6.1
Prioritering
48
6.2
Proces
48
6.3
Realisatie IHP-projecten
48
Bijlagen 1. 2. 3.
38
Startnotitie en Programma van Eisen IHP Leerlingenprognoses Introductie factsheets en factsheets schoolgebouwen
www.icsadviseurs.nl
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Veendam heeft zicht ten doel gesteld een actueel Integraal Huisvestingplan voor het primair en voortgezet onderwijs in haar gemeente op te laten stellen. Dit IHP biedt de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties een beleidsperspectief, geborgd in een gedragen en transparant uit te voeren meerjarenhuisvestingsplan. Het IHP geeft een actueel en zo compleet mogelijk beeld van de stand van zaken en ontwikkelingen op het gebied van de onderwijshuisvesting in de gemeente. En fungeert als koers- en visiedocument voor huisvestingsmaatregelen op de langere termijn, 16 jaar, met een concreet uitvoeringsplan voor de korte termijn, de komende 4 jaar. Het IHP moet de mogelijkheid geven om de komende jaren proactief, integraal en planmatig te investeren in de huisvesting. Tevens wordt met het IHP aangesloten op een aantal actuele landelijke ontwikkelingen, zoals het klimaatakkoord en het wetswijzigingsvoorstel van de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG). Dit wetsvoorstel verplicht gemeenten in samenspraak met de schoolbesturen een IHP voor ten minste 16 jaar op te stellen.
1.2 Context Wettelijk bepaald heeft de gemeente Veendam vanaf 1997 de wettelijke zorgplicht en verantwoordelijkheid voor de huisvesting van scholen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs. De gemeente is verantwoordelijk voor nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding van schoolgebouwen, constructiefouten en bijzondere omstandigheden. De gemeente ontvangt hiervoor geld via het gemeentefonds en dat wordt onder de scholen verdeeld. De Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs wordt gehanteerd bij aanvragen van onderwijshuisvesting. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de instandhouding, ofwel het (buiten-) onderhoud van de huisvesting. Zij ontvangen van het Rijk de middelen voor onderhoud en exploitatie op basis van leerlingenaantallen en de bijbehorende normatieve ruimtebehoefte. In het kader van dit IHP zijn er verschillende landelijke ontwikkelingen waar rekening mee gehouden wordt. Op het gebied van klimaat en duurzaamheid geldt dat in het Klimaatakkoord van Parijs afgesproken is dat de uitstoot van CO2 in 2030 49% minder is ten opzichte van 1990. In 2050, is het streven, is de CO2-uitstoot volledig gereduceerd tot nul. Ook op het onderwijsvastgoed zijn deze ambities van toepassing. Ventilatie op scholen is een tweede thema dat zeker in de huidige tijd, mede als gevolg van Covid-19, van groot belang is.
Op basis van een nationaal onderzoek van het Ministerie van OC&W is vastgesteld dat het op de meeste PO scholen (77%) redelijk goed gesteld is met de ventilatie. Om bij de overige scholen dit probleem aan te pakken is er een subsidieregeling (SUVIS) van €360 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten. Hiervan is bijna €200 miljoen beschikbaar via SUVIS in 2021 beschikbaar gesteld, de overige €160 miljoen is gereserveerd voor 2022 en 2023. Als laatste wordt voor de regio Oost-Groningen, waar de gemeente Veendam onderdeel van is, een bevolkingsdaling tot 2040 verwacht van minimaal 12,5%. Gemeente Veendam is dan ook aangemerkt als één van de krimpgemeenten in Nederland. Dat kan gevolgen hebben voor het voorzieningenniveau en de kwaliteit van voorzieningen binnen Veendam. Bij krimp kan het nodig zijn om samen te werken met andere partners en voorzieningen om een hoge kwaliteit te blijven waarborgen.
www.icsadviseurs.nl
4/52
1.3 Proces Het IHP voor de gemeente Veendam is een gezamenlijk plan van de gemeente Veendam en schoolbesturen VCO Midden en Oost Groningen, Scholengroep Opron, Stichting Winkler Prins en Stichting Primenius. Het plan is tot stand gekomen door samenwerking van schoolbesturen en gemeente aan de inhoud van het IHP. ICSadviseurs begeleidde het proces en bracht de informatie samen in een gefaseerde aanpak. De volgende processtappen zijn daarin doorlopen: ▪
▪ ▪
▪
▪
▪
Inventarisatie: voor alle schoollocaties zijn de basisgegevens geïnventariseerd middels een vragenlijst. Daarnaast geven schoolbesturen ook een eigen beoordeling per gebouw middels een score op kwaliteit. Deze informatie vormt de input voor de factsheets. Interview: de lokale context per schoollocatie is tezamen met het schoolbestuur verkend in een bilateraal gesprek. Visie op onderwijs(huisvesting): Gemeente Veendam heeft in mei 2021, ten behoeve van het opstellen van het IHP, een startnotitie en programma van eisen opgesteld (de startnotitie is als bijlage 1 opgenomen bij dit rapport). De startnotitie beschrijft de beoogde doelstellingen voor het IHP en de gezamenlijke, integrale ambitie en visie op onderwijs van de gemeente Veendam en schoolbesturen. De startnotitie is als vertrekpunt genomen en geldt als richtinggevend tijdens het doorlopen van het IHP proces. De visie vormt de basis voor scenario’s en uitvoering. Analyse: in kansenkaarten zijn de basisinformatie (factsheets), lokale context (interviews) en visie samengekomen. Ook de beoordeling van de schoolbesturen komt terug in de kansenkaarten. De kansenkaarten zijn op kern- of wijkniveau gepresenteerd en geven de kansen en knelpunten weer. Per school zijn mogelijke scenario’s weergegeven en besproken.
Scenario’s: op basis van de kansenkaarten zijn per schoolgebouw de scenario’s en een prioritering in één van de tijdvakken van het IHP gemaakt. Hierbij is tevens gezocht naar natuurlijke momenten voor mogelijke verduurzaming van schoolgebouwen. Uitvoeringsagenda: de scenario’s zijn vertaald naar mogelijke huisvestingsmaatregelen zoals renovatie en sloop/nieuwbouw en in één van de tijdvakken gepland.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Scope van het IHP. Hoofdstuk 3 bevat de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting. Om tot plannen te komen is eerst de vraag beantwoord wat de gemeente en schoolbesturen met hun onderwijshuisvesting beogen. Thema’s als onderwijsaanbod, spreiding, duurzaamheid, het begrip ‘renovatie’, gezondheid en de vorming van Kindcentra zijn in werksessies met de schoolbesturen en in ambtelijke overleggen besproken. Hoofdstuk 4 gaat in op de actualisatie van de basisinformatie. Voor elke locatie is vervolgens, op basis van informatie vanuit het schoolbestuur een factsheet gemaakt (zie bijlage 3 ‘Factsheets en leeswijzer’). Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische en functionele kwaliteit en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses. Ook is het medegebruik en verhuur inzichtelijk gemaakt. In hoofdstuk 5 komt de leerlingenprognose aan bod en de daaruit voortvloeiende normatieve ruimtebehoefte. Inzicht wordt geboden wat het huidige ruimtesaldo is per schoolgebouw en hoe de ontwikkeling ervan zich de ontwikkeling laat aanzien voor de komende jaren. Vervolgens is elk schoolgebouw beschreven en vervolgens, gebaseerd op knelpunten en ontwikkelingen, een eerste aanzet naar huisvestingsmaatregelen en prioritering.
www.icsadviseurs.nl
5/52
Hoofdstuk 6 beschrijft de oplossingsrichtingen en de uitvoeringsagenda. Tijdens werksessies zijn alle van belang zijnde ontwikkelingen en knelpunten specifiek ten aanzien van locaties inzichtelijk gemaakt. De basisinformatie uit de factsheets en de inzichten die zijn verkregen in de verschillende gesprekken met de gemeente en schoolbesturen vormen de input voor de oplossingsrichtingen.
www.icsadviseurs.nl
6/52
2. Scope 2.1 Scope van het IHP De scope van dit Integraal Huisvestingsplan betreft alle schoolgebouwen voor scholen in het basis- en voortgezet onderwijs en de binnensportaccommodaties die voor het bewegingsonderwijs worden gebruikt in de gemeente Veendam. De voorzieningen voor bewegingsonderwijs zijn op te delen in gymzalen en sporthallen. Het IHP geeft een meerjarenperspectief voor de periode van 2024 tot en met 2039, waar bij de planning is verdeeld in drie tijdvakken: ▪ ▪ ▪
Korte termijn; van 2024 tot en met 2027; Middellange termijn; van 2028 tot en met 2031; Lange termijn; van 2032 tot en met 2039.
Voor het eerste tijdvak is de planning concreet en zijn verschillende scenario’s opgesteld. Deze scenario’s worden nog uitgewerkt in businesscases. Op basis van de businesscases wordt door college en raad een integrale afweging gemaakt over de uitvoering, de businesscases worden vastgesteld door de raad. Na vaststelling van het IHP wordt gestart met uitwerking van de businesscases. Voor de middellange en lange termijn wordt een doorkijk gegeven. Gezien de langere planhorizon is voor de tweede en derde periode niet in detail vast te stellen wat de aard en omvang van de voorzieningen zijn. Het IHP wordt met regelmaat geactualiseerd, waarbij de komende 4 jaar worden geconcretiseerd.
2.2 Status Dit IHP legt de basis voor het treffen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting. Aan de hand van de in dit IHP – en in toekomstige en geactualiseerde versies – genoemde scenario’s kunnen schoolbesturen een voorziening aanvragen die vervolgens door de gemeente Veendam wordt getoetst. De uitvoeringsagenda in dit IHP is, in ieder geval voor het eerste tijdvak van 4 jaar, leidend voor de aanvragen en uitvoering. Voor alle projecten voortvloeiend uit dit IHP wordt een businesscase opgesteld die wordt behandeld in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) en intern binnen de gemeente Veendam. Zodra het IHP is vastgesteld en de business case voor het project akkoord is bevonden door gemeente Veendam, kan het voorbereidingskrediet worden afgegeven en wordt het definitieve kaderstellende budget voor het project vastgesteld. Het afwegingskader voor renovatie of nieuwbouw is opgenomen in paragraaf 3.4 en geeft op hoofdlijnen de criteria aan voor het opstellen van een businesscase.
2.3 Wettelijke zorgplicht De gemeente heeft de wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor het onderwijs en bewegingsonderwijs. Daarnaast heeft de gemeente een rol in het in stand houden van het openbaar onderwijs. De zorgplicht is verankerd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) en de Wet op de Expertise Centra (WEC). De gemeente heeft een zorg voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting en onderwijsleerpakketten, herstel van constructiefouten en herstel en vervanging bij schade door bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld vandalisme of schade door weersomstandigheden). Gemeenten ontvangen via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds van het Rijk financiële middelen om te kunnen voldoen aan deze zorgplicht. De
www.icsadviseurs.nl
7/52
gemeente is vrij om deze middelen naar eigen inzicht te besteden en weegt daarvoor de investeringen in onderwijshuisvesting af tegen haar andere taken en verantwoordelijkheden. De schoolbesturen gaan over de inhoud van het onderwijs en zijn verantwoordelijk voor onderhoud, aanpassingen, exploitatie en beheer van de onderwijshuisvesting. Hiervoor ontvangen zij middelen van het Rijk, de zogenaamde materiële instandhoudingsvergoeding (ook wel de MI-vergoeding). In de huidige wetgeving is renovatie geen gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het ministerie van OCW bereidt een wetswijziging voor op het gebied van onderwijshuisvesting dat als doel heeft de verantwoordelijkheidsverhouding tussen de gemeenten en schoolbesturen te verhelderen en de samenwerking te verbeteren. Met het voorstel wordt het voor gemeenten verplicht een meerjarig Integraal Huisvestingsplan (IHP) te ontwikkelen. Zij werken hierbij samen met schoolbesturen. Daarnaast wordt renovatie een volwaardig alternatief voor nieuwbouw.
2.4 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs De Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Veendam uit 2015 legt de grondslag voor het aanvragen en toetsen van voorzieningen en processen. De totstandkoming van scenario’s in dit IHP zijn getoetst aan de regelgeving in de verordening. De verordening wordt geactualiseerd naar aanleiding van het IHP waarin de meerjarenafspraken tussen gemeente en schoolbesturen worden verankerd.
www.icsadviseurs.nl
8/52
3. Visie op onderwijs en onderwijshuisvesting Een stevige visie kan bijdragen aan een eenduidig en vooruitstrevend beleid op het gebied van (onderwijs)huisvesting. Figuur 1 is een visualisatie van de belangrijkste punten die terugkomen in de visie voor de onderwijshuisvesting in de gemeente Veendam. De visie bestaat uit twee delen. Centraal in het IHP staat de visie en ambitie op het gebied van onderwijs en onderwijshuisvesting, daaromheen een visie op sectoraal beleid. De visie in het IHP is gebaseerd op de startnotitie voor het IHP zoals opgesteld door de gemeente, met aanvullingen en concretiseringen van de deelnemende stakeholders uit de in het kader van het IHP gehouden werkbijeenkomst. In paragraaf 3.1 komt de visie op onderwijshuisvesting aan bod, deze heeft betrekking op de verschillende onderwijsrichtingen die aangeboden worden in Veendam. In paragraaf 3.2 wordt de gezamenlijke visie en ambitie op sectoraal beleid uiteengezet, gericht op zes actuele en relevante thema’s.
Figuur 1 Visie op onderwijs en onderwijshuisvesting
www.icsadviseurs.nl
9/52
3.1 Gezamenlijke, integrale ambitie en visie op onderwijs De visie op onderwijs en onderwijshuisvesting staat in het IHP centraal, alle keuzes en scenario’s die in de opvolgende hoofdstukken aan bod komen zijn zo veel mogelijk gebaseerd op de visie. Primair onderwijs & (Integrale) Kindcentra In de Kadernota ‘Accommodatie- en voorzieningenbeleid’ zijn drie specifieke uitgangspunten voor het PO opgenomen en dienen daarom ook in het IHP een rol te spelen: ▪ ▪ ▪
Voorkomen van dislocaties; Bestaande en nieuwe locaties bezien op uitbreidingsmogelijkheden; Borgen van de koppeling tussen onderwijs en sport.
Daarnaast wenst de gemeente Veendam een evenwichtige concentratie en spreiding van scholen en kindcentra over de gemeente om een dekkend en inclusief netwerk te vormen. Het is wenselijk om gezamenlijk met de schoolbesturen te bepalen in welke wijken er minimaal of maximaal één basisschool gevestigd moet zijn. Een doorlopende leerlijn is van groot belang binnen de gemeente. De wens is om een koppeling te vormen van iedere basisschool met de voorschool. Kinder-, peuter en buitenschoolse opvang heeft met de voorschoolse educatiefunctie, die daarin wordt geboden invloed op het onderwijs en daarmee de huisvesting. Het is belangrijk ter voorkoming van leerachterstanden in het PO, een wettelijke verplichting en daarmee ook in het belang van de gemeente. De voorschoolse educatie heeft als laatste ook invloed op het aantal leerlingen van nabijgelegen scholen en is daarmee relevant voor het IHP. Het ideaalbeeld is dat het ruimtelijk samenvoegen van voorschools onderwijs met het primair onderwijs op eenzelfde onderwijslocatie zorgt voor een optimale (‘warme’) overdracht tussen de Voorschool en de Vroegschool (VVE).
In voorkomende situaties, waarin een school samen met kinderopvang meer aanbiedt om bepaalde beleidsdoelen vanuit de lokale ontwikkelagenda of een wijk te realiseren, zoals een gezonde school of voorkomen van achterstanden bij kinderen, is extra ruimte voor het programma en huisvesting benodigd. Landelijk zijn verschillende voorbeelden bekend hoe oppervlakte kan worden toegevoegd boven op de oppervlakte waar een school of kindcentrum normatief gezien recht op heeft. Zo is bijvoorbeeld vanuit gemeentelijk beleid in Den Haag voor een Brede Buurtvoorziening extra oppervlakte gerealiseerd. De doelstelling van de Brede Buurtvoorziening is om schoolgebouwen voor basisonderwijs geschikt te maken voor multifunctioneel gebruik, door te investeren in de realisatie van ruimtes voor niet-onderwijsfuncties. De voorwaarden zijn vastgelegd in het Beleidskader subsidieregeling multifunctioneel gebruik schoolgebouwen. Op basis van het beleidskader subsidieregeling multifunctioneel gebruik schoolgebouwen faciliteert het schoolbestuur een duidelijke toegang voor niet-onderwijsfuncties (culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden, zoals sport, cultuur, buitenschoolse opvang, peuterwerk, welzijn, jeugdzorg, bibliotheek en activiteiten in het kader van leerkansenprofiel) voor een minimaal aantal uren per week.
Een ander voorbeeld is bekend uit Zoetermeer waar ze zogenaamde ‘Meerpuntsruimte’ hebben. Door de partners in het onderwijs en de kinderopvang is een gezamenlijke visie opgesteld die als groeimodel dient voor scholen en kinderopvangorganisaties met betrekking tot Integrale kindcentra, het 20-puntenplan. De gemeente Zoetermeer ondersteunt en stimuleert door extra middelen beschikbaar te stellen voor zogenaamde ‘Meerpunt-ruimten’. Een Meerpunt-ruimte in een IKC biedt extra ruimte voor opvoed- en opgroei informatie en ondersteuning. De bedoeling is een extra (gespreks-) ruimte te creëren zodat in gezamenlijkheid gekeken kan worden naar de ontwikkeling van kinderen en de situatie van gezinnen. Voor de toevoeging van een Meerpunt-ruimte aan een IKC wordt rekening gehouden met maximaal 25 m² extra bouwvolume.
www.icsadviseurs.nl
10/52
Beide voorbeelden kunnen gereflecteerd worden op de gemeente Veendam waardoor in geval van leegstand in schoolgebouwen nieuwbouw of uitbreiding van bestaande gebouwen voor medegebruik niet direct nodig is. Gemeente en schoolbesturen kunnen in voorkomende gevallen met elkaar in gesprek en afspraken maken. Gemeente Veendam kan er bijvoorbeeld voor kiezen mee te werken aan het inrichten van een dergelijke ruimte en/of vaststellen dat een dergelijke ruimte wel of niet wordt ingezet voor medegebruik door andere scholen. Speciaal onderwijs Het speciaal onderwijs heeft in de gemeente Veendam een regionale functie. Er is een aanbod aanwezig van Speciaal Onderwijs (SO), Speciaal Basisonderwijs (SBO), Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) en Praktijkonderwijs (PrO). Er is een wens om de vier bestaande scholen zo dicht mogelijk bij elkaar te huisvesten, mogelijk in combinatie met de bijpassende jeugdhulp. Dit is bevorderlijk voor de doorstroom van leerlingen, de onderlinge samenwerking en de samenwerking met jeugdhulp. Voortgezet onderwijs Winkler Prins heeft een regionale functie, het biedt alle niveaus van onderwijs aan. Mede als gevolg van de nieuwbouw van twee gebouwen in 2021 (Raadsgildenlaan 7 en 9) op het Leer- en Sport Park en de renovatie van het hoofdgebouw (Raadsgildenlaan 1) in 2022 zal het voortgezet onderwijs geconcentreerd zijn op één locatie en fungeren als een campus.
Bewegingsonderwijs De gemeente draagt zorg voor het aanbieden van kwantitatief en kwalitatief voldoende sportparken voor zowel georganiseerde als ongeorganiseerde sportbeoefening. Het doel is om slimme combinaties te maken van huisvesting en sport waar zowel de onderwijsfunctie als sport- en bewegingsfunctie worden gevonden. Een ander concreet doel is om de sportontwikkelingen te baseren op een recente ontwikkeling binnen de sport, het Athletic Skills Model. Om dit doel te bereik acht de gemeente Veendam het cruciaal om het lesprogramma en de (her-)inrichting van de beweeglocaties, waaronder ook schoolpleinen en Wijk Ontmoeting Plekken volgens de filosofie van het Athletic Skills Model te ontwikkelen.
3.2 Gezamenlijke visie en ambitie op sectoraal beleid De visie en ambitie op sectoraal beleid vormt de fundering voor de visie op onderwijs. Deze visie is te verdelen in verschillende sectoren die onderstaand zijn beschreven. Zorg & welzijn Op het domein van zorg & welzijn is het doel om te ontdekken of er kansen liggen voor toekomstige huisvesting uit ontwikkelingen binnen de sector. Nieuwe ontwikkelingen kunnen betekenen dat er nieuwe mogelijkheden ontstaan voor het combineren of onder één dak brengen van verschillende functies. Voornamelijk op het gebied van jeugdzorg zouden er kansen kunnen liggen. Het streven is om voorzieningen in de wijk te combineren waar mogelijk, het uitgangspunt is zo weinig mogelijk versnippering en (in het geval van niet-onderwijsgebouwen) zo weinig mogelijk gebouwen in eigendom van de gemeente.
www.icsadviseurs.nl
11/52
Woningbouw De behoeftes aan onderwijshuisvesting hangen nauw samen met de woningbouwprogrammering en de wijkontwikkelingen. De prognoses voor de woningbouw en onderwijshuisvesting gaan daarmee hand in hand en relevante ontwikkelingen dienen daarin meegenomen te worden. In de leerlingenprognoses die voor dit IHP zijn gebruikt is rekening gehouden met de bouw van ongeveer 600 woningen in de eerste jaren (zie ook paragraaf 4.2). Duurzaamheid Voor nieuwbouw geldt er vanaf 2020 aangescherpte wet- en regelgeving omtrent de kwaliteit van schoolgebouwen met daarbij duurzaamheid in het bijzonder. Alle nieuwbouw van overheidsgebouwen (inclusief scholen) in Nederland dienen vanaf 1 juli 2020 een Bijna Energie Neutraal Gebouw oftewel BENG te zijn. BENG specificeert eisen voor de maximale energiebehoefte, het maximale fossiele gebouwgebonden energiegebruik en een minimaal aandeel hernieuwbaar op te wekken energie. Gemeente Veendam is zich ervan bewust dat een aantal schoolgebouwen zeer inefficiënt is in energieverbruik. Dit biedt mogelijkheden voor verduurzaming en mede daarom is het in het IHP van belang om het ambitieniveau te verkennen wat betreft duurzaamheid: dit moet een haalbaar ambitieniveau zijn binnen het tijdsbestek dat er ligt. Daarbij moet een duidelijke prioritering naar voren komen met passende uitvoeringsscenario’s, renoveren waar kan en nieuw waar moet.
Het is vanzelfsprekend dat de duurzaamheidsmaatregelen in alle scenario’s minimaal moeten voldoen aan de eisen die gelden in het bouwbesluit van 2012. Voor de gemeente Veendam is dit energieniveau ook de ondergrens wat betreft de duurzaamheidsambitie, waar mogelijk moet onderzocht worden of een hoger energieniveau haalbaar is. In het achterhoofd moet ook het klimaatakkoord gehouden worden: daarin is vastgelegd dat er in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn en in 2050 van 95%. Een duurzame portefeuille van onderwijsgebouwen draagt daaraan bij. Schoolbesturen en gemeente streven naar gebouwen die toekomstbestendig zijn voor volgende generaties. In lijn met het Nederlandse Klimaatakkoord (2019) vraagt dit om verantwoord gebruik van beschikbare energiebronnen om de invloed van klimaatverandering te beperken. Gemeente en schoolbesturen zijn samen verantwoordelijk voor de verduurzamingsopgave. Concrete afspraken tussen gemeente en schoolbesturen zijn nodig om de verduurzaming van onderwijsgebouwen een impuls te geven en te zoeken naar haalbare en betaalbare oplossingen. De gemeente ziet het als haar rol om te stimuleren, te coördineren, te verbinden, te sturen en te informeren. Maar de verantwoordelijkheid voor het realiseren van deze doelstellingen ligt niet alleen bij de gemeente.
De gemeente wil deze doelen graag samen met de schoolbesturen bereiken. De volgende kwaliteitsniveaus op het gebied van energie zijn mogelijk: ▪
▪
▪
BENG: Bijna Energieneutraal Gebouw. Het bouwbesluit stelt (per 1-1-2021) dat alle nieuwe schoolgebouwen aan de BENG dienen te voldoen. BENG is van toepassing op de gebouwgebonden energie. De energieprestatie van BENG gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van drie eisen: ─ De maximale energiebehoefte per kWh/m2/jaar; ─ Het maximaal primair fossiel energieverbruik in kWh/m2/jaar; ─ Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten; ─ Per project is het maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. ENG: Energieneutraal gebouw. Ook hier draait het om gebouwgebonden energie omdat de gebruiksgebonden energie nog buiten beschouwing wordt gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, t.a.v. de gebouwgebonden energie, nul is. 0-op-de-meter: Bij een 0-op-de-meter gebouw wordt zowel het gebouwgebonden als het gebruiksgebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energieverbruik opbrengst, t.a.v. de gebouwgebonden en gebruiksgebonden energie, nul is.
www.icsadviseurs.nl
12/52
Figuur 2 Overzicht verschillende kwaliteitsniveaus energie
De gemeente vervult bij de verduurzaming een stimulerende rol door het bekostigen van renovatie/nieuwbouw. Daarnaast door het attenderen op eventuele subsidiemogelijkheden voor het inschakelen van expertise en uitvoering van verduurzaming, zoals het uitvoeren van energiescans en het laten voorlichten door een energiecoach. Ook onderzoekt de gemeente de mogelijkheid schoolbesturen door middel van een financiële regeling (voorfinanciering) te ondersteunen bij de bekostiging van door hen te financieren maatregelen (zoals garantiestelling of duurzaamheidslening). Belangrijke voorwaarde hiervoor is een sluitende businesscase met daarin maatregelen die zich binnen 15 jaar terugverdienen in de exploitatie (inclusief effect op de onderhoudskosten). Als de businesscase niet sluitend is, bespreken gemeente en schoolbestuur, vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, de consequenties voor het project. Op het gebied van duurzaamheid is ook de Warmtevisie van toepassing voor Veendam. In de wijk Sorghvliet wordt een pilot gestart, waar de gemeente de isolatie van woningen wil promoten en stimuleren. Het is nu nog niet duidelijk of er voor de uitvoering subsidies beschikbaar komen. In de wijk Sorghvliet bevinden zich de volgende scholen: ’t Haimstee, De Viermaster, Mgr.
Bekkersschool (locatie Straat Soenda), Kindcentrum Westerwinde (SBO Wim Monnereauschool & SO Margaretha Hardenbergschool) en Winkler Prins Praktijkonderwijs (Jan Salwaplein). Als aan de scholen op korte termijn verduurzamingswerkzaamheden plaatsvinden kunnen dat projecten zijn waar buurtbewoners een voorbeeld aan kunnen nemen voor hun eigen woning. Op deze manier kan verduurzaming een communicatie-instrument zijn voor het duurzaamheidsbeleid.
www.icsadviseurs.nl
13/52
Gezondheid Een goed binnenklimaat draagt bij aan het optimaal kunnen presteren door leerlingen en medewerkers. Het programma van eisen Frisse Scholen 2021 geeft richting aan de kwaliteitseisen voor het binnenklimaat van zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Schoolbesturen en gemeente zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van binnenklimaataspecten zoals lucht, temperatuur, licht en geluid. Bij nieuwbouw draagt de gemeente zorg voor de nieuwbouwinvestering, schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor gebouwaanpassingen tijdens de exploitatie. Gezonde scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO2-uitstoot beperken. In de praktijk zijn vooral de CO2concentratie en de binnentemperatuur vaak te hoog als gevolg van slechte ventilatie. In verband met COVID-19 wordt nog meer belang gehecht aan goede ventilatie. Door de landelijke overheid zijn middelen beschikbaar gesteld om de ventilatie van bestaande schoolgebouwen te verbeteren (SUVIS). Schoolbesturen en gemeenten overleggen met elkaar over de te treffen maatregelen en de bekostiging hiervan. Voor bestaande gebouwen is het de ambitie om ook een goed binnenklimaat te hebben of te realiseren. De investeringen die nodig zijn bij het realiseren van een goed binnenklimaat worden gewogen en in relatie gebracht met het perspectief (nog te verwachten gebruiksduur) van het gebouw.
Gemeente, schoolbesturen en kinderopvang hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ambitie van een goed binnenklimaat in bestaande gebouwen te realiseren. Vanuit het schoolbestuur kan de bestaande situatie in beeld worden gebracht inclusief inzicht in de benodigde maatregelen. Vervolgens wordt de koppeling gelegd met geplande investeringen vanuit het onderhoudsplan. In de praktijk blijkt dat het realiseren van een goed binnenklimaat vraagt om het aanbrengen van meer installaties. Dit heeft qua financiën enerzijds een investeringskant en anderzijds een exploitatiekant. Het aanbrengen van installaties betekent in de praktijk vaak een verhoging van het energieverbruik en van de onderhoudscomponent voor schoolbesturen. Indien in een bestaand gebouw een investering in het binnenklimaat aan de orde is, dan is het in eerste instantie aan het schoolbestuur (al dan niet samen met de kinderopvang) om te verkennen of ze de investering kan plegen. Het investeren in het binnenklimaat is geen gemeentelijke taak. De gemeente volgt hierin de landelijke ontwikkelingen. De gemeente investeert alleen bij natuurlijke momenten (levensduurverlengde renovatie en vervangende nieuwbouw) in binnenklimaat als integraal onderdeel van deze investering op een natuurlijk moment.
Indien een situatie zich voordoet, zoals een subsidieregeling, dan gaan gemeente en schoolbesturen in dialoog om samen tot een oplossing te komen. De kinderopvangorganisatie investeert zelf of voldoet de bekostiging van de gepleegde investeringen (voor het deel dat ze gebruiken) via een huurvergoeding. Alle betrokken partijen maken samen een beargumenteerde keuze. De schoolbesturen hebben, in het kader van de inventarisatie van de gebouwgegevens, op de aan hen toegestuurde vragenlijsten de kwaliteit van het schoolgebouw op verschillende onderdelen beoordeeld, waaronder de ventilatie in het schoolgebouw. Tabel 1 geeft een overzicht van de beoordeelde ventilatie per schoolgebouw en de later aangebouwde delen. In het algemeen geeft de tabel inzicht in de staat van hoe de ventilatie op de scholen in Veendam worden beoordeeld. Hier dient te worden opgemerkt dat het niet bekend is of dat er een Frisse Scholen toets van de schoolgebouwen heeft plaatsgevonden en/of de aangegeven beoordelingen daarop zijn gebaseerd. In het kader van het IHP is er geen Frisse Scholen toets uitgevoerd.
www.icsadviseurs.nl
14/52
Schoollocatie t Haimstee De Braskörf De Kern Noorderbreedte De Ommewending De Sleutel De V iermaster Westerschool Jenaplanschool In de Manne Mgr. Bekkersschool Margaretha Hardenbergschool SBO Wim Monnereauschool V SO Margaretha Hardenbergschool Winkler Prins - Raadsgildenlaan 1 Winkler Prins - Pinksterstraat Winkler Prins - Jan Salwaplein Winkler Prins - Raadsgildenlaan 11 Winkler Prins - Raadsgildenlaan 7 Winkler Prins - Raadsgildenlaan 9 Mgr. Bekkersschool (Straat Soenda)
Bouwjaar Bouwjaar initieel 1978 Redelijk 1999 Uitstekend 2006 Goed 2004 Goed 1969 Goed 1987 Goed 1977 Redelijk 1990 Goed 1990 Matig 1968 Matig 1975 Goed 1975 Goed 1971 Redelijk 1987 Slecht 1956 Zeer slecht 1980 Slecht 2011 Uitstekend 2021 Uitstekend 2021 Uitstekend 1972 Niet beoordeeld
Uitbreiding 1 Uitbreiding 2 Uitbreiding 3 Uitstekend Redelijk
Redelijk Redelijk
Goed Matig Matig Goed Goed
Goed
Zeer slecht Slecht
Redelijk
Matig Goed Goed
Matig Uitstekend Uitstekend
Tabel 1 Beoordeelde ventilatie schoolgebouwen Het einddoel voor de gemeente Veendam is om alle scholen op lange termijn een Frisse Scholen klasse A status te kunnen toekennen. Op korte termijn kan gekozen worden om alle scholen in ieder geval aan te passen zodat ze in ieder geval minimaal voldoen aan Frisse Scholen klasse C.1 Omdat het niet bekend is welke Frisse Scholen Klasse de schoolgebouwen momenteel hebben, kan niet worden geduid of en in welke mate verbetering mogelijk en/of noodzakelijk is. Voortkomend uit dit IHP wordt in het eerste tijdvak een businesscase uitgevoerd waarmee de staat en beoordeling van de ventilatie in de schoolgebouwen in kaart wordt gebracht. In deze businesscase wordt hiervoor aanvullend onderzoek uitgevoerd, gericht op inzicht in de huidige Frisse Scholen-klasse, maatregelen en kosten die nodig zijn om het gewenste niveau te bereiken. Het is overigens maar de vraag of een bestaand schoolgebouw kan voldoen aan de eisen van Frisse Scholen Klasse A. Zo gaat één van de eisen van Frisse Scholen klasse A over het ruimtevolume. Leslokalen dienen een vrije hoogte te hebben van minimaal 3,2 m van vloer tot (verlaagd) plafond. Bij een vrije hoogte minder dan 3,2 m kan niet worden voldaan aan de eisen voor Frisse Scholen Klasse A. Financiën De VNG-normbedragen voor investeringen liggen beneden de feitelijk benodigde investering.
Daarnaast heeft verduurzaming van gebouw en installaties invloed op de exploitatie; afhankelijk van de maatregelen en gebouwelijke situatie kan de exploitatie voordeliger of juist duurder worden. Per situatie moet in een businesscase worden onderzocht wat verduurzaming betekent qua investering en exploitatiekosten en hoe deze kosten zich verhouden tot de materiële instandhoudingsvergoeding die de schoolbesturen van het Rijk ontvangen. Hiertoe gelden twee inspanningsverplichtingen: ▪ ▪
Gemeente en schoolbesturen voeren per situatie een gesprek; en Gemeente en schoolbesturen zoeken samen naar de meest passende oplossing per situatie.
1 Klasse C is het basisniveau; gebaseerd op geldende wet- en regelgeving. Programma van Eisen Frisse Scholen 2021
www.icsadviseurs.nl
15/52
In financiële zin wordt naar cofinanciering gezocht. De gemeente investeert bij nieuwbouw in verduurzaming tot BENG-niveau, het schoolbestuur draagt, mits de haalbaarheid is aangetoond door een sluitende businesscase, bij voor het gedeelte van BENG naar ENG-niveau. De investeringsbijdrage van de schoolbesturen in renovatie of nieuwbouw gaat altijd gepaard met goedkeuring van de zijde van de accountant om daadwerkelijk de betreffende investering te mogen doen. Hiermee wordt voorkomen dat schoolbesturen in een later stadium problemen met de accountant krijgen over gedane investeringen in stenen. Bij het afkoppelen van aardgas, zowel bij nieuwbouw als renovatie, dient per situatie gekeken te worden naar de Total Costs of Ownership (TCO). De terugverdientijd van duurzaamheidsmaatregelen moet draagbaar zijn in de exploitatie. De hoogte van een eventuele restwaarde in relatie tot circulariteit en hergebruik van materialen zal per businesscase moeten worden bepaald. Op www.rvo.nl/subsidies-financiering zijn relevante en beschikbare regelingen en subsidies te vinden waar bij de verduurzamende maatregelen van schoolgebouwen mogelijk aanspraak op gemaakt kan worden. Verkeersveiligheid Als uitvoeringsplan van de Omgevingsvisie is in februari 2022 het “Mobiliteitsplan Veendam 2022-2030” door de raad vastgesteld.
In dit plan zijn als onderdeel van het thema “Verkeersveilig & Toegankelijk” onder meer doelen en ambities geformuleerd over de verkeersveiligheid in de schoolomgeving en op schoolfietsroutes. Veiligheid & openbare orde Onlangs heeft de gemeente het Integraal Veiligheidsbeleid 2023-2026 opgesteld dat naar verwachting eind 2022 door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Dit veiligheidsbeleid kent de vijf hoofdthema’s: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Veilige woon -en leefomgeving; Bedrijvigheid en veiligheid; Jeugd & veiligheid (waaronder subthema’s: overlast, (criminele) jeugdgroepen, middelengebruik, veiligheid in en rondom de school); Fysieke veiligheid (waaronder verkeersveiligheid); Integriteit en veiligheid.
Specifiek voor het thema ‘Jeugd en Veiligheid’ beoogt de gemeente samen met de scholen samen te werken aan veiligheid in en rondom de scholen. Dit doen zij door het zorgen voor een samenhangend geheel van maatregelen en in de vorm van schoolveiligheidsplannen.
3.3 Visie op onderwijshuisvesting De behoefte voor onderwijshuisvesting komt deels voort uit de visie op onderwijs, maar is ook gebaseerd op de huidige situatie, de context per schoollocatie en de kwaliteit van gebouwen. Huisvesting afgestemd op behoefte Gemeente en schoolbesturen streven naar efficiënte inzet van onderwijshuisvesting en financiële middelen hiervoor. De omvang van permanente huisvesting wordt afgestemd op de ruimtebehoefte op lange termijn, volgens de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs. Voor piekperiodes wordt gezocht naar tijdelijke oplossingen door middel van gebruik van bestaande leegstand binnen het voedingsgebied of, wanneer medegebruik niet mogelijk is, de inzet van tijdelijke huisvesting.
www.icsadviseurs.nl
16/52
Wanneer de huisvestingscapaciteit van een school niet toereikend is, kunnen scholen binnen het voedingsgebied onderling afspraken maken over hoe zij de beschikbare capaciteit binnen het gebied gezamenlijk zo goed mogelijk inzetten, door elkaars ruimte te benutten of met elkaar in overleg naar mogelijkheden/kansen te zoeken. Doelstelling is om in goed overleg tussen gemeente en schoolbesturen onderling tot passende huisvestingsoplossingen te komen. Wanneer het overleg niet leidt tot passende oplossingen kan de gemeente de in de verordening opgenomen sturingselementen inzetten of, indien geen passende oplossingen voorhanden zijn, besluiten capaciteit uit te breiden. Opheffingsnorm Volgens de ‘Regeling aanpassing van de stichtings- en opheffingsnormen voor het basisonderwijs 2018’2 wordt voor de gemeente Veendam een opheffingsnorm van 80 leerlingen gehanteerd. Dit betekent voor de bekostiging dat als het leerlingenaantal van een school gelijk is aan of boven de opheffingsnorm, dan komt de school zonder meer in aanmerking voor bekostiging. Wanneer het leerlingenaantal daalt onder de opheffingsnorm, dan dreigt er nog niet direct gevaar. Volgens artikel 153 lid 1 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) wordt de bekostiging pas beëindigd als het leerlingenaantal gedurende drie achtereenvolgende schooljaren lager is dan de opheffingsnorm.
De WPO kent twee uitzonderingen op deze regel: ▪
Laatste school van de stichting De school die op grond van artikel 153 lid 1 WPO geen bekostiging meer zal ontvangen, kan hiervoor alsnog in aanmerking komen, mits zij voldoet aan de volgende twee voorwaarden: -
Het leerlingenaantal moet minimaal 50 zijn; Binnen een straal van 5 kilometer is de school de laatste school van de stichting.
▪ Gemiddelde schoolgrootte De wet kent nog een andere uitzonderingsbepaling (artikel 157 WPO), waar de scholen een beroep op kunnen doen als zij gedurende drie achtereenvolgende jaren een leerlingenaantal hebben dat lager is dan de opheffingsnorm. Het gaat over de gemiddelde schoolgrootte: -
-
De school (of scholen) die niet meer voldoen aan de voorwaarden van artikel 153 lid 1 WPO, blijft voor bekostiging in aanmerking komen als de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van het schoolbestuur tenminste bedraagt 10/6 maal het gewogen gemiddelde van de opheffingsnormen van de gemeente waarin een bestuur scholen heeft. In formulevorm komt dat neer op: De gemiddelde schoolgrootte moet groter of gelijk zijn aan: 10/6 * som van alle opheffingsnormen die gelden voor de scholen/aantal scholen. Gemiddelde schoolgrootte = aantal leerlingen/aantal scholen); De school die in stand wordt gehouden op basis van de gemiddelde schoolgrootte moet minimaal 23 leerlingen tellen.
In de gemeente Veendam heeft alleen basisschool De Ommewending een leerlingenaantal dat onder de opheffingsnorm ligt. Op basis van de leerlingenprognose is de verwachting dat in de periode tot en met 2036 het leerlingenaantal onder de opheffingsnorm van 80 leerlingen blijft. Het schoolbestuur (Opron) heeft aangegeven dat de school voor bekostiging in aanmerking blijft komen op basis van de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van Opron. Het schoolbestuur geeft zelf aan in de komende jaren de school in stand te blijven houden zolang het draaien van 3 groepen haalbaar blijft. Bij minder dan 3 groepen kan de school niet garant staan voor de kwaliteit van het onderwijs.
2 https://wetten.overheid.nl/BWBR0040104/2021-08-01 De regeling is geldend van 01-08-2021 t/m heden en vervalt per 01-08-2023.
www.icsadviseurs.nl
17/52
Optimale schoolgrootte en geografische spreiding In de gemeente Veendam wordt een balans nagestreefd naar thuisnabij onderwijs en een optimale schoolgrootte. Idealiter biedt een basisschool plaats aan 150 tot 250 leerlingen, waarmee een gezonde basis ligt voor kwalitatief goed onderwijs en een gezonde exploitatie. In de gemeente zijn vier basisscholen met een huidig leerlingenaantal minder dan 150 leerlingen en zes basisscholen met een leerlingenaantal dat meer dan 150 bedraagt. Schoolbesturen zijn tevreden met de huidige spreiding en streven er naar om de scholen in stand te houden, mits het aanbod van kwalitatief onderwijs kan worden gegarandeerd. Duurzame onderwijshuisvesting bij nieuwbouw Afgelopen jaren zijn de wettelijke eisen met betrekking tot de energieprestatie van nieuwbouw aangescherpt en is aardgasvrij bouwen de norm geworden. Met ingang van 1 januari 2021 worden de wettelijke eisen voor de energieprestatie van nieuwbouw verder verhoogd. Schoolgebouwen moeten dan voldoen aan de BENGeisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Daarmee worden eisen gesteld aan de maximale energiebehoefte, een maximum aan het gebruik van fossiele energie en een minimum aandeel hernieuwbare energie. De gemeente volgt bij het beschikbaar stellen van budgetten voor nieuwbouw de landelijke wetgeving en investeert daarmee in duurzame, toekomstbestendige onderwijshuisvesting.
De ambitie van schoolbesturen ligt hoger dan ‘BENG’, namelijk ‘ENG’ ofwel energieneutraal of ‘NOM’ (‘nul-op-de-meter’). Door passief bouwen wordt het energieverbruik door het gebouw geminimaliseerd. Schoolbesturen zijn in principe bereid, binnen de mogelijkheden die de onderwijswetgeving hierin biedt, bij te dragen in de nieuwbouwinvestering om deze extra ambitie te realiseren en maken hierin per project een afweging. Het is per situatie verschillend welke maatregelen noodzakelijk zijn om de ambitie nul-op-de-meter te realiseren. De extra investering verdient zich doorgaans binnen afzienbare tijd terug door lagere energielasten. Ook zijn er alternatieve financieringsvormen mogelijk voor investeringen in duurzame energiebronnen. Verduurzaming bestaande onderwijshuisvesting Schoolbesturen willen investeren in de verduurzaming van onderwijshuisvesting en voeren (een aantal van) de Erkende Maatregelen3 uit die zich in 5 jaar terugverdienen. Gezien de beperkt beschikbare budgetten die schoolbesturen ter beschikking staan middels de vergoeding voor de materiële instandhouding van de huisvesting, is het vaak niet mogelijk om meer te doen dan deze zich snel terugverdienende maatregelen. Financiële zekerheid is daarnaast een voorwaarde voor het nemen van grotere duurzame maatregelen. De schoolbesturen achten een financiële bijdrage vanuit de gemeente noodzakelijk.
Zodra de plannen ten aanzien van de Warmtevisie verder uitgewerkt en gereed zijn, worden de financiële effecten inzichtelijk en kunnen gemeente en schoolbesturen overleggen over de verdeling van kosten. De scholen bereiden zich voor op een aardgasvrije toekomst. Per school dient in samenwerking met de gemeente te worden gezocht naar haalbare maatregelen om van het gas af te gaan. Gedacht kan worden aan het treffen van maatregelen om energie te besparen, het zelf duurzaam opwekken van energie of het aansluiten bij de door de gemeente uit te voeren transitietrajecten, zoals het vervangen van aardgas door alternatieve energiebronnen per wijk of dorp. Voor alle schoolgebouwen zonder vervangingsnoodzaak kan een duurzaamheidsscan worden uitgevoerd om de haalbaarheid van bovenstaande maatregelen te onderzoeken. Het uitvoeren van de maatregelen, voortkomend uit de scan, is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur en kan zoveel mogelijk worden gekoppeld aan geplande ingrepen voor het meerjarenonderhoud. Hierbij dient ook de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente te worden betrokken. De gemeente en schoolbesturen gaan op basis van concrete plannen (maatregelen en effecten investering en exploitatie) in gesprek over een kostenverdeling.
3 Informatieplicht energiebesparing uitgevoerde erkende maatregelen, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/04/erkende-maatregelenlijst-onderwijsinstellingen-april-2020.pdf
www.icsadviseurs.nl
18/52
De schoolbesturen vinden het belangrijk om het goede voorbeeld op het gebied van duurzaamheid te geven aan leerlingen. De leerlingen worden in het onderwijs bewust gemaakt van het belang van duurzaamheid. Renovatie als duurzaam alternatief voor nieuwbouw Renovatie is tot op heden geen gemeentelijke verantwoordelijkheid. In het in 2017 door PO-raad, VO-raad en VNG opgestelde voorstel voor wetswijziging is voorgesteld om renovatie die de levensduur van het gebouw verlengt, ook als voorziening huisvesting onderwijs te beschouwen. Dit voorstel is door de minister overgenomen en wordt op dit moment in beleid uitgewerkt. Onderdeel van dit beleid is de verdeling van de verantwoordelijkheid voor en bekostiging van renovatie. Ook zal het investeringsverbod voor schoolbesturen in het primair onderwijs worden versoepeld, zodat het mogelijk is dat schoolbesturen vanuit hun eigen middelen mee investeren in renovatie. Renovatie betreft, in de voorgestelde definitie, een grootschalige en integrale aanpak van een bestaand schoolgebouw, waarmee de levensduur wordt verlengd met ten minste 25 jaar en het gebouw weer voldoet aan de actuele functionele en technische kwaliteitseisen en zoveel als mogelijk voldoet aan de nieuwbouweisen voor BENG, Frisse Scholen en GPR5.4 Het gebouw krijgt daarmee een startconditie die gelijkwaardig is aan nieuwbouw.
Renovatie is als duurzaam alternatief aan de orde als een schoolgebouw aan het einde van de technische en functionele levensduur is en het bestaande gebouw als gevolg van levensduurverlengende renovatie behouden kan blijven. In specifieke gevallen kunnen gemeente en schoolbesturen besluiten om, vooruitlopend op de wetswijziging, bestaande schoolgebouwen voor rekening van de gemeente te renoveren als alternatief voor vervangende nieuwbouw. De levensduurverlenging bedraagt minimaal 25 jaar, maar bedraagt bij voorkeur 30 à 40 jaar. Gemotiveerd kan worden gekozen voor een kortere levensduur, bijvoorbeeld wanneer het om redenen wenselijk is nieuwbouw voor bepaalde tijd uit te stellen. Schoolbesturen brengen onderhoudsreserveringen voor gepland toekomstig meerjarenonderhoud in de investering voor renovatie, zodat gemeente en schoolbesturen gezamenlijk kunnen investeren. Ook in geval van nieuwbouw kunnen als gevolg van de geplande nieuwbouw vervallen onderhoudsuitgaven voor de bestaande huisvesting worden aangewend voor nieuwbouwinvesteringen. Gemeente en schoolbestuur bepalen per huisvestingsproject de hoogte van de inbreng. In de komende jaren moeten met de op handen zijnde wetswijziging nieuwe spelregels worden ontwikkeld waarmee renovatie, mede uit het oogpunt van duurzaam materiaalgebruik, een volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw wordt.
Circulair bouwen Door circulair te bouwen wordt de uitputting van primaire grondstoffen beperkt. Door nieuw te bouwen schoolgebouwen te ontwerpen op circulaire uitgangspunten, kunnen materialen aan het einde van de levensduur van deze gebouwen worden hergebruikt. Hierbij kan worden gedacht aan losmaakbaarheid en herbruikbaarheid van bouwelementen. Ook kan worden onderzocht of bij sloop van bestaande gebouwen materialen elders kunnen worden hergebruikt. Zo worden schoolgebouwen grondstofbanken voor toekomstige projecten in plaats van dat materialen aan het einde van de levensduur van een gebouw waardeloos zijn ofwel afval worden. Door materiaalschaarste, stijgende prijzen van primaire grondstoffen, incorporeren van milieuschade in de bouwkosten en een groter besef van de milieuschade als gevolg van bouwen verandert het beeld op het gebruik van materialen. Van materialen wordt in een circulaire economie verwacht dat ze hoogwaardig langdurig kunnen worden hergebruikt.
4 GPR Gebouw (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) is een systematiek waarmee de duurzaamheid van een gebouw in beeld wordt gebracht.
Door middel van rapportcijfers (1 t/m 10) wordt een score toegekend op de thema’s energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.
www.icsadviseurs.nl
19/52
Materialen krijgen een toekomstwaarde. Vanuit deze redenatie kan voor toekomstige projecten rekening worden gehouden met een restwaarde. Deze toekomstige restwaarde kan worden benut als investeringsruimte nu, voor circulaire, herbruikbare materialen.
3.4 Afwegingskader renovatie of nieuwbouw Als de bestaande huisvesting aan vervanging toe is, kan renovatie een gelijkwaardig alternatief zijn voor nieuwbouw. In de in ontwikkeling zijnde onderwijswetgeving wordt renovatie als huisvestingsvoorziening opgenomen. Vooruitlopend op deze wetgeving wordt een afwegingskader geschetst om te komen tot een keuze tussen renovatie of vervangende nieuwbouw. Er moet een integrale afweging tussen renovatie of nieuwbouw worden gemaakt vanuit diverse invalshoeken, resulterend in een ‘businesscase’ per project. De term businesscase betreft meer dan alleen het financiële aspect, ook kwalitatieve aspecten spelen een belangrijke rol in de afweging. De diverse aspecten worden in onderstaande tabel toegelicht. De opsomming is niet limitatief; voor specifieke projecten kunnen andere aspecten evenzeer een rol spelen in de te maken afweging. Aspect Financieel
Afwegingen ▪ Vergelijking op kapitaallasten (afhankelijk van investering en te verwachten resterende levensduur). ▪ Wat zijn de te verwachten exploitatielasten (energielasten, onderhoudskosten)? ▪ Bestaande boekwaarden kunnen bij renovatie blijven staan, bij nieuwbouw moeten deze doorgaans worden afgeboekt. ▪ Bij renovatie en vervangende nieuwbouw kan het schoolbestuur financiële middelen inbrengen uit de reserveringen voor gebouwonderhoud en toekomstige energiebesparingen.
Kwaliteit: ▪
Ruimtelijk
▪
▪
Functioneel
▪
▪
Technisch
Cultuurhistorisch
▪ ▪ ▪ ▪
Is de toekomstige ruimtebehoefte goed in te passen bij renovatie? Kan overmaat worden afgestoten, is in geval van ruimtetekort uitbreiding mogelijk? Is het gebouw bij renovatie geschikt voor modern onderwijs en aanpasbaar? Of legt de bestaande draagstructuur veel beperkingen op? Is het programma efficiënt in te passen? Is het bij renovatie mogelijk om te voldoen aan de technische eisen van onder andere Frisse Scholen? Is sprake van een monument of beschermd dorpsgezicht? Heeft het gebouw waarde voor de omgeving?
Duurzaamheid: ▪
Energieprestatie
▪
▪
Materiaalgebruik
▪
Is het bij renovatie mogelijk om een (bijna) energieneutraal gebouw te realiseren?
Renovatie heeft een kleinere ecologische footprint, omdat de huidige materialen voor een langere periode gebruikt blijven en voor renovatie minder nieuwe materialen nodig zijn dan voor nieuwbouw. Tijd/procedures ▪ Is voor nieuwbouw een wijziging van bestemmingsplan nodig? ▪ Worden problemen voorzien bij vergunningverlening als gevolg van stikstofproblematiek? Tabel 2 Afwegingskader renovatie of nieuwbouw
www.icsadviseurs.nl
20/52
3.5 Van visie naar IHP De wettelijke zorgplicht van de gemeente en de gedeelde visie op onderwijs en onderwijshuisvesting vormen de basis voor het toekomstbeeld van de onderwijshuisvesting. De wettelijke zorgplicht is daarbij leidend. De visie op onderwijs en onderwijshuisvesting is een gezamenlijk product van gemeente Veendam en de schoolbesturen en is richtinggevend voor het toekomstperspectief van de onderwijshuisvesting. Op basis van door schoolbesturen en gemeente aangeleverde informatie is de huidige staat van de onderwijshuisvestingsportefeuille in beeld gebracht. Uit een vergelijking van de visie op het optimale onderwijs en onderwijshuisvesting en de bestaande situatie zijn de knelpunten inzichtelijk gemaakt, sommige urgent, andere minder urgent. In het volgende hoofdstuk is de situatie van de bestaande onderwijshuisvestingsportefeuille weergegeven en is verwoord welke maatregelen noodzakelijk dan wel wenselijk zijn om de gesignaleerde knelpunten op te kunnen lossen.
www.icsadviseurs.nl
21/52
3.6 Indicatieve bekostigingssystematiek IHP In onderstaande tabel zijn voor de schoolgebouwen en afhankelijk van het toekomstige scenario de bekostigingssystematiek weergegeven. Afhankelijk van de voorziening zijn het schoolbestuur of de gemeente verantwoordelijk en in voorkomende gevallen hebben zij een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Scenario
Voorziening
Verantwoordelijkheid
Leeftijd gebouw
In stand houden
Onderhoud/ exploitatie
Schoolbestuur
Verduurzaming
Renovatie
Renovatie
Budget
Afschrijving
-
Exploitatie
Varieert
Schoolbestuur en gemeente
-
Demarcatie n.a.v. gesprek
Gemeente, aangevuld met onderhoudsreserveringen schoolbestuur
>40 jaar
70% richtbedrag + BENG
20 – 40 jaar
50 – 70% richtbedrag + BENG
10 – 20 jaar
30 – 50% richtbedrag + BENG
<10 jaar
Nieuwbouw
Gebouw teruggeven
Ambitie
ENG Aardgasloos Frisse Scholen Klasse A
25 jaar
10 – 30% richtbedrag + BENG
Aanvullende verduurzaming Tot ENG/NOM
Schoolbestuur en gemeente
-
Van BENG naar ENG
Nieuwbouw BENG
Gemeente
-
Richtbedrag
60 jaar
Nieuwbouw ENG
Schoolbestuur
-
Van BENG naar ENG
60 jaar
Gebouw teruggeven
Schoolbestuur
-
-
-
-
Tabel 3 Indicatieve bekostigingssystematiek IHP De restwaarde van bestaande gebouwen in relatie tot circulariteit moet in een businesscase worden aangetoond.
www.icsadviseurs.nl
22/52
4. Onderwijshuisvesting Veendam In de gemeente Veendam zijn drie gebieden te onderscheiden waar onderwijshuisvesting aanwezig is: Veendam Noord, Veendam Zuid en het buitengebied. In het buitengebied binnen de gemeentegrenzen zijn verder een aantal buurtschappen en gehuchten gelegen. In 2022 telt de gemeente ca. 27.500 inwoners waarvan het merendeel in de kern Veendam wonen. Het aanbod en de vraag naar onderwijshuisvesting in de gemeente Veendam komen in dit hoofdstuk aan de orde.
4.1 Feiten en cijfers Binnen de gemeente zijn vier schoolbesturen actief binnen het basisonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs. De totale permanente onderwijshuisvestingscapaciteit bedraagt momenteel ca. 48.116 m² BVO.5 Er zijn 19 scholen gehuisvest in 19 gebouwen op 20 locaties; twee scholen zitten samen in één kindcentrum en één school zit op twee locaties. Van deze 20 schoollocaties bieden er 11 scholen basisonderwijs en twee scholen speciaal basisonderwijs aan, is er één school voor voortgezet speciaal onderwijs en vijf scholen voor voortgezet onderwijs. In figuur 4 zijn de feiten en cijfers van de onderwijshuisvesting gevisualiseerd. Het schoolgebouw aan Pinksterstraat 26 is in het aantal scholen en in de onderwijscapaciteit opgenomen. Het schoolgebouw wordt door Winkler Prins tijdens de renovatie van Raadsgildenlaan 1 als tijdelijke huisvesting gebruikt.
Figuur 2 Feiten en cijfers onderwijshuisvesting gemeente Veendam Een relevante ontwikkeling om hier ook te benoemen betreft het nieuwe kindcentrum Hoi Pippeloi. Zij hebben een aanvraag ingediend om erkend te worden als basisschool. Op termijn kan het zijn dat de gemeente Veendam ook voor deze school een huisvestingsverplichting krijgt. Vanwege de stichtingsnorm voor nieuwe scholen in het basisonderwijs moet het leerlingenaantal op de school binnen vijf jaar na de start van de bekostiging minimaal 200 bedragen. Door de grote onzekerheid of de school dit gaat halen is de school 5 Het Bruto vloeroppervlakte (BVO) is het vloeroppervlak van de buitenomtrek van een ruimte of gebouw incl. gevels, bouwmuren, ramen etc.
In de hier genoemde capaciteit en aantal locaties is de locatie Pinksterstraat van Winkler Prins opgenomen.
www.icsadviseurs.nl
23/52
echter niet opgenomen in het IHP. Het kindcentrum biedt onderwijs aan in het gebouw aan de Ds. Petersenstraat waar voorheen Christelijk scholengemeenschap Ubbo Emmius was gevestigd. In tabel 4 is per schoolbestuur het aantal scholen zichtbaar. Primenius heeft de scholen Jenaplanschool In de Manne en Mgr. Bekkersschool onder haar hoede, waarvan de laatste school huisvest in twee gebouwen op twee locaties. Voor Opron geldt dat de scholen SBO Wim Monnereauschool en SO Margaretha Hardenbergschool samen huisvesten in één gebouw: Kindcentrum Westerwinde. Per schoolbestuur is de totale onderwijscapaciteit voor haar schoolgebouwen en het totaal aantal leerlingen weergegeven. Het totaal van het aantal leerlingen is afkomstig uit de leerlingenprognoses die in oktober 2021 zijn opgesteld door Pronexus. De leerlingenprognoses van Pronexus voor het primair, speciaal en voortgezet onderwijs zijn opgenomen in bijlage 2. Schoolbestuur
Aantal scholen
Primenius
2 scholen, 3 gebouwen
Onderwijscapaciteit in m² BVO
Aantal leerlingen in 2022
3.325
582
VCO Midden- en Oost Groningen 2 scholen
2.276
322
Opron
9 scholen, 8 gebouwen
13.134
1.429
W inkler Prins
1 school, 5 gebouwen
19.997
1.966
W inkler Prins
Pinksterstraat 26
9.384
-
48.116
4.299
Totaal
Tabel 4 Schoolbesturen en aantal scholen
4.1.1 Scholen primair onderwijs In tabel 5 zijn de scholen in het primair onderwijs weergegeven en de permanente onderwijscapaciteit van het schoolgebouw. Voor zover een school beschikt over tijdelijke onderwijshuisvesting (in de vorm van noodunits), is die oppervlakte hier buiten beschouwing gelaten. In elk schoolgebouw is aanbod voor kinderopvang in de vorm van een kinderdagverblijf en/of buitenschoolse opvang aanwezig. In de tabel is aangegeven van welke ruimte in het schoolgebouw gebruik wordt gemaakt voor de kinderopvang.
www.icsadviseurs.nl
24/52
Primair onderwijs
BRIN
Bouwjaar
De Viermaster OPRON
13GU
1977
Permanente onderwijs- Oppervlakte capaciteit (m² BVO) KDV / BSO 1.882
Ruimte KDV / BSO
56
Gebruik v an onderwijsruimte
De Braskörf OPRON
13QO
1999
1.968
164
Gebruik v an ov erige ruimte in het gebouw
Noorderbreedte OPRON
13UO
2004
2.025
48
Gebruik v an onderwijsruimte
Westerschool OPRON
14EK
1990
1.935
54
Gebruik v an onderwijsruimte
De Sleutel OPRON
14HC
1987
765
84
Gebruik v an onderwijsruimte
De Ommewending OPRON
15EP
1969
1.075
188
Gebruik v an onderwijsruimte
t Haimstee VCO Midden en Oost Groningen
15FJ
1978
990
130
Gebruik v an ov erige ruimte in het gebouw
De Kern VCO Midden en Oost Groningen
15LG
2006
1.286
58
Gebruik v an ov erige ruimte in het gebouw
Mgr. Bekkersschool Primenius
15DL
1968 en 1972
2.465 (2 locaties)
69
Gebruik v an ov erige ruimte in het gebouw
I n de Manne Primenius
23DM
1990
860
95
Gebruik v an ov erige ruimte in het gebouw
Totaal
12.786
Tabel 5 Scholen primair onderwijs en onderwijscapaciteit
4.1.2 Scholen speciaal onderwijs In de gemeente Veendam zijn drie scholen waar speciaal onderwijs wordt aangeboden. In tabel 6 zijn de scholen en de oppervlakte van de gebouwen weergegeven. De Wim Monnereauschool en de Margaretha Hardenbergschool huisvesten samen in één schoolgebouw genaamd ‘Kindcentrum Westerwinde’. Het totaal oppervlak van het schoolgebouw is in het overzicht in twee gelijke delen verdeeld over de beide scholen omdat niet bekend is welke oppervlakte elk van de scholen in het schoolgebouw gebruikt. Stichting Cosis gebruikt 42 m² van de onderwijsruimte van de Wim Monnereauschool. De Wim Monnereauschool gebruikt in naastgelegen school voor praktijkonderwijs aan het Jan Salwaplein 175 m² onderwijsruimte van Winkler Prins. Alle drie de scholen voor speciaal onderwijs vallen onder Scholengroep Opron.