13-03-04 De impact van de energietransitie op de Groningse economie en werkgelegenheid
Tekst van het document
14
Rijksoverheid (2020) RES GRONINGEN
ECO N O M I S C H E I M PA C T
029
5.4
Hoofdstuk 6
Bedreigingen
Er is ook een aantal ontwikkelingen dat naar verwachting een negatief effect heeft op de energiegerelateerde economie en arbeidsmarkt in Groningen. 1. Te weinig oog voor samenhang en innovaties, ontbreken van regie • De benodigde investeringen om een klimaatneutraal Groningen te realiseren zijn enorm. Alleen al in het elektriciteitsnetwerk in Groningen worden de komende jaren honderden miljoenen geïnvesteerd15. Deze kosten worden door de inwoners betaald. Bij de keuze voor een bepaalde duurzame energieinstallatie en de locatie waarop deze wordt gerealiseerd, wordt hedendaags zeer beperkt gekeken welke routes er zijn om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden (bijvoorbeeld cable pooling van zon- en windenergie). Er is veel winst te halen door af te stemmen en in de planvorming rekening te houden met maatschappelijke kosten. 2. Krimpende beroepsbevolking • Er is door vergrijzing in Nederland sprake van een krimpende beroepsbevolking. Dat speelt in Groningen sterker dan landelijk. De Groningse beroepsbevolking daalt naar verwachting tussen nu en 2035/2050 volgens de regionale bevolkingsprognose met bijna 15% tegenover 4% landelijk16. Het is vanwege de perifere ligging en de beperkte bereidheid van mensen om ver van hun woonplaats te werken ook lastiger om tekorten op te vangen, doordat er geen regio’s met een groot aanbod op pendelafstand liggen. 3.
Verschuiving naar meer arbeidsintensieve sectoren • Activiteiten zoals het realiseren van hernieuwbare elektriciteitsprojecten op land en het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving, zorgen voor een toegenomen vraag naar arbeid. Deze toename zit in arbeidsintensieve sectoren die op dit moment al met tekorten te maken hebben, zoals de bouw- en installatie17. Dit blijkt ook uit hoofdstuk 3. Daarmee
4. Externe afhankelijkheid van landelijke en Europese actoren • Veel van de keuzen die gemaakt worden, hangen af van de besluitvorming van landelijke en Europese actoren. Een goed voorbeeld daarvan is waterstof. Potentieel is dit een goede manier om aardgasbanen te ‘compenseren’, maar de ontwikkeling is nog van veel externe factoren afhankelijk (waaronder voldoende wind-op-zee). Als waterstof minder dan verwacht van de grond komt, valt een belangrijk alternatief voor de mensen in de aardgassector weg. Een ander voorbeeld is het gebrek aan tempo in de ontwikkeling van de energie-infrastructuur. 5. Aanpassingsvermogen aangetast • In Groningen is het aanpassingsvermogen aan veranderingen door ervaringen uit het verleden aangetast. Veel Groningers hebben schade en hinder van de aardbevingen en voelen zich vaak slecht behandeld. Ook de besluitvorming over de aanleg van eerdere windmolenparken heeft kwaad bloed gezet onder Groningers. Energietransitie biedt hoop en kansen op vooruitgang. Maar het roept bij menigeen ook een gevoel van verbittering op. Het is een opgave om de Groningse energietransitie nieuwe inhoud te geven, en van waarde te zijn voor de inwoners, zonder dat zij zich bejegend voelen.
Bespreekpunten RES Groningen De belangrijkste, veelal kwantitatieve, conclusies zijn aan het eind van de hoofdstukken 2 en 3 opgenomen. Hoofdstuk 4 en de gevoerde gesprekken leiden tot een aantal onderwerpen die in RES verband verder kunnen worden verkend. We raden aan te onderzoeken of er draagvlak is om in RES-verband met deze onderwerpen aan de slag te gaan: 1. Integrale visie op het energiesysteem: Nu de focus van de RES steeds meer wordt verbreed en ook systeemintegratie en de warmtetransitie nadrukkelijker in beeld komen, ontstaat een momentum om te verkennen hoe de energietransitie zo goed mogelijk kan bijdragen aan de economie in Groningen. Onder andere door het slim inrichting van het gehele energiesysteem en het zo laag mogelijk houden van de maatschappelijke kosten. 2. Arbeidsmarktonderzoek energietransitie Groningen: Het huidige onderzoek laat niet zien op welk niveau de energie(transitie) banen liggen, of de werknemers daadwerkelijk uit de regio komen en waar de discrepanties zitten. Door middel van een arbeidsmarktonderzoek kan worden verduidelijkt welke knelpunten er zijn en op korte en lange termijn worden verwacht. Bijvoorbeeld de mismatch van de benodigde skills voor de nieuwe duurzame energiesector en de oude fossiele energiesector. En hoe scholing en opleiding hierop aansluit. 3.
Toenemende krapte op de arbeidsmarkt: Gebrek aan gekwalificeerd personeel kan weleens de grootste beperkende factor worden in de energietransitie. Er is nu al sprake van krapte en het is aannemelijk dat de krapte de komende jaren fors gaat toenemen. Het is een gemeenschappelijk belang van partijen in de energiesector dat de vijver waaruit wordt gevist wordt vergroot. Het verdient aanbeveling om te verkennen of het wenselijk is een human capital strategie voor de energietransitie te ontwikkelen. Een strategie die knelpunten en uitdagingen op de arbeidsmarkt agendeert en onderbouwt en oplossingen aanjaagt en faciliteert. Het arbeidsmarktonderzoek kan hiervoor de benodigde basisinformatie aanleveren. 4. Proactief aan de slag: Los van elkaar zoeken Groningse partijen naar mogelijkheden om de impact van de energietransitie op de lokale economie te vergroten. Bijvoorbeeld door mensen uit de kaartenbakken een baan aan te bieden en intern op te leiden. Door gastlessen te verzorgen en stageplekken aan te bieden. Door in beleidstukken op te nemen dat zo veel mogelijk lokale bedrijvigheid ingeschakeld moet worden bij de realisatie van duurzame installaties. En door als fossiel energiebedrijf hulp in te schakelen bij het bieden van een nieuw perspectief aan hun personeel. Het uitwisselen van best practices gebeurt echter beperkt in Groningen.
Meerdere partijen hebben aangegeven graag mee te willen denken, hun ervaringen te willen delen en benieuwd zijn naar best practices. Het is aan te bevelen als RES-regio proactief aan de slag te gaan met kansen op de korte termijn en best practices uit te wisselen.
kan de energietransitie de bestaande schaarste in deze sectoren verder versterken. • Om de economische kansen van de energietransitie te benutten, zal dus extra beroep gedaan worden op sectoren die nu al onder druk staan. Dit is niet alleen in Groningen aan de orde. Ook omliggende regio’s zullen aan de slag gaan met de energietransitie, wat een concurrentie tussen regio’s om hetzelfde schaarse arbeidsaanbod in de genoemde sectoren in de hand kan werken.
15
030
Enexis (2020)
16
ECO N O M I S C H E I M PA C T
PBL /CBS (2019)
17
PBL (2020b)
RES GRONINGEN
RES GRONINGEN
ECO N O M I S C H E I M PA C T
031
7 Bronnenlijst Voor dit onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • • • • • • •
032
Centraal Bureau voor de Statistiek (2020). Hernieuwbaar op land, naar RES-regio, 2018 en 2019. CE Delft (2018). Werk door Groene Waterstof. Enexis (2020). Investeringsagenda 2020-2030. Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR). (2016). IABR-Atelier Groningen: De Nordic City. Energietransitie als aanjager voor de next economy in Stad en regio Groningen. (2016). Joint Research Centre (JRC, European Commission) (2020). The socio-economic impacts of the closure of the Groningen gas field. Challenges and opportunities of the energy transition in the Northern Netherlands. LISA (2020). Vestigingen en banen in Groningen. Noord-Nederlandse bedrijven en overheden (2020). Investeringsplan waterstof Noord-Nederland 2020. Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Bureau voor de Statistiek (2019). Regionale bevolkings- en huishoudensprognose. Planbureau voor de Leefomgeving (2020a). Klimaat- en energieverkenning 2020. Planbureau voor de Leefomgeving (2020b). Regionale arbeidsmarkteffecten van de energietransitie: een scenarioverkenning. RES-regio Groningen (2020). Concept-RES Groningen. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (2021). SDE(+) projecten in beheer. Rijksoverheid (2019). Klimaatwet. Rijksoverheid (2020), Kamerbrief middelenverdeling Nederlandse enveloppes EFRO en JTF. Sociaal-Economische Raad (2018).
Energietransitie en werkgelegenheid Kansen voor een duurzame toekomst Sociaal-Economische Raad (2020). Handreiking RES en Arbeidsmarkt. Arbeidsmarkt en scholing bepalend voor slagen energietransitie. (2020). Waterstofcoalitie (2019). Investeringsagenda Waterstof Noord-Nederland. Op weg naar emissievrije waterstof op commerciële schaal.
ECO N O M I S C H E I M PA C T
RES GRONINGEN
RES GRONINGEN
ECO N O M I S C H E I M PA C T
033
8 Bijlagen A1.1 - Methodologie Kwantitatieve analyse: huidige werkgelegenheid Voor het inzichtelijk maken van het aantal bedrijven en banen in de energiesector (zowel fossiel als duurzaam) in Groningen hebben wij cijfers van werkgelegenheidsregister LISA gebruikt over het aantal vestigingen en werkzame personen. LISA is een databestand met gegevens over alle (bedrijfs)vestigingen in Nederland waar betaald werk wordt verricht. Elk type bedrijfsvestiging heeft een eigen SBI-code19 . Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de hoofdactiviteit van een bedrijf is. De SBI-indeling is echter niet gedetailleerd genoeg om een compleet beeld te krijgen van de omvang van de energiesector. Er zijn een aantal SBI-codes die 100% overlap hebben met de energiesector, maar het overgrote deel van de SBI-codes is ‘vervuild’. Hier zitten bedrijven in die actief zijn in de energiesector, maar ook veel bedrijven die geen of maar gedeeltelijk raakvlakken hebben met de energiesector. Om de mate van ‘vervuiling’ te kunnen achterhalen is aanvullend onderzoek (d.w.z. het opstellen van wegingspercentages voor de ‘vervuilde’ SBI-codes) uitgevoerd. We leggen hieronder uit hoe we dit hebben uitgevoerd. Wegingsmethodiek Om betrouwbare wegingspercentages op te kunnen stellen, hebben we een representatieve steekproef uitgevoerd onder bedrijven binnen deelpopulaties van gerelateerde SBI-codes.
Door middel van websiteresearch hebben we geïnventariseerd welk deel van de bedrijven zich bezighoudt met energiegerelateerde activiteiten en welk deel niet. Aan de hand hiervan worden wegingspercentages opgesteld per deelpopulatie. Er wordt bovendien een apart wegingspercentage opgesteld voor het aandeel bedrijven dat actief is in de duurzame energiesector. Er is in totaal voor negen deelpopulaties een wegingsfactor (zowel voor de gehele energiesector als de duurzame energiesector) opgesteld. Om betrouwbare wegingspercentages op te kunnen stellen, waren tenminste 450 respondenten in de provincie Groningen nodig. Om een vergelijking te kunnen maken met de rest van Nederland, stellen wij voor zowel de provincie en Nederland aparte wegingspercentages op. Hierdoor is het gewicht van de provincie in de landelijke energiesector bepaald, waarbij rekening is gehouden met verschillen in de mate waarin bedrijven binnen een bepaalde SBI-code zich met energiegerelateerde activiteiten bezighouden tussen de provincie Groningen en Nederland. Hiermee komt het totaalaantal benodigde respondenten uit op 450 x 2 regio´s = 900 bedrijven. De wegingsfactoren zijn gekoppeld aan het aantal vestigingen en werkzame personen per SBI-code om zo (de ontwikkeling van) het aantal banen in de energiesector in Groningen en Nederland te bepalen.
Het betreft hier de bruto werkgelegenheid: alle personen die werkzaam zijn bij deze vestigingen. Landelijk worden ook cijfers bijgehouden over de netto werkgelegenheid in de energiesector en duurzame energiesector in de Klimaat- en Energieverkenning. Door het aandeel van de provincie Groningen in de bruto werkgelegenheid toe te passen op landelijke cijfers over de netto werkgelegenheid, is een inschatting gemaakt van de netto werkgelegenheid in de energiesector en duurzame energiesector in de provincie Groningen. Kwantitatieve analyse: werkgelegenheidseffecten RES Voor het bepalen van de werkgelegenheidsimpact hebben wij onderscheid gemaakt tussen tijdelijke werkgelegenheidseffecten en structurele werkgelegenheidseffecten van zon- en windprojecten uit de RES. Tijdelijke werkgelegenheidseffecten ontstaan tijdens de realisatiefase van projecten. Structurele werkgelegenheidseffecten ontstaan door werkzaamheden van een meer structurele aard, zoals onderhoud of monitoring. Tijdelijke effecten zon- en windprojecten RES Voor de tijdelijke werkgelegenheidseffecten hebben wij onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte effecten op de werkgelegenheid. Directe effecten worden gegenereerd door bedrijven die direct bij de RES-projecten betrokken zijn, zoals in de realisatie, het onderhoud of de monitoring.
Op basis van de omvang van investeringen in arbeid en statistieken over de gemiddelde toegevoegde waarde per arbeidsjaar per economische activiteit hebben wij de omvang van het directe tijdelijke werkgelegenheidseffect berekend. De omvang van de investeringen is berekend door het nog niet gerealiseerde vermogen
19
wind op land en zonnestroom te vermenigvuldigen met kengetallen over de investering per MW voor zon- en windprojecten en kengetallen over het deel van de investering dat wordt besteed aan arbeid en het deel dat wordt besteed aan de inkoop van materialen. Op dezelfde wijze zijn ook de indirecte effecten bij toeleverende bedrijven berekend. Structurele effecten zon- en windprojecten RES Voor het bepalen van de omvang van de structurele werkgelegenheid (gedurende de exploitatiefase) is deskresearch uitgevoerd en hebben we gesprekken gevoerd met een ontwikkelaar van zonneparken en een ontwikkelaar van windparken om tot goede kengetallen te komen.
Verrijken van de kwantitatieve analyse met literatuurstudie en interviews Op basis van een literatuurstudie en een serie interviews hebben we inzicht gekregen in ontwikkelingen die positief zijn voor Groningen en enkele ontwikkelingen die negatief zijn voor Groningen in de ontwikkeling wat Groningen sterk maakt en wat Groningen minder sterk maakt anno 2020.
Literatuurstudie (bureauonderzoek) De eerste stap van het verrijken van de resultaten van de kwantitatieve analyse bestond uit het uitvoeren van een literatuuronderzoek. We hebben voor dit bureauonderzoek een brede selectie van relevante beleidsdocumenten, onderzoeksrapporten en investeringsagenda’s bestudeerd. We hebben deze documenten systematisch geanalyseerd, door op zoek te gaan naar sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen voor de economie en arbeidsmarkt van de energiesector in de provincie Groningen. Samen vormen deze sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen een SWOT-analyse. Voorts hebben we ook nadrukkelijk gezocht naar aanbevelingen voor beleidsmakers, bestuurders en regionale stakeholders om de ontwikkelingen rondom de energietransitie zo positief mogelijk hun weerslag te laten vinden in de economie en arbeidsmarkt van de provincie Groningen. De voor de literatuurstudie geraadpleegde bronnen staan vermeld in de bronnenlijst (hoofdstuk 6). Interviews In aanvulling op de literatuurstudie hebben we ook een selecte maar relevante groep stakeholders geïnterviewd.
Er zijn vier partijen geïnterviewd voor dit onderzoek: • Gasunie (netbeheerder transportnet gasvormige energiedragers) • Enexis (netbeheerder distributienet elektriciteit en gasvormige energiedragers) • SolarFields (projectontwikkelaar zonne-energieprojecten) • Ventolines (projectontwikkelaar windenergieprojecten en grootschalige zonne-energieprojecten) Deze vier bedrijven zijn enerzijds sterk betrokken bij de uitvoering en planning van de energietransitie en anderzijds zijn alle vier de bedrijven in sterke mate actief in Groningen. De interviews die we hebben gehouden, zijn semi-gestructureerd. Er is gewerkt met een vooraf opgestelde vragenlijst, waarbij de respondenten ruim de gelegenheid kregen om eigen inbreng te leveren.
De Standaard BedrijfsIndeling (SBI) is een classificatie van het CBS om de hoofdactiviteiten van bedrijfsvestigingen
te classificeren en standaardiseren. 034
ECO N O M I S C H E I M PA C T
RES GRONINGEN
RES GRONINGEN
ECO N O M I S C H E I M PA C T
035