12-08 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Natuurtoets
Beneden Verlaat 60, Veendam Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN)
13 juli 2022
Definitief
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
NATUURTOETS BENEDEN VERLAAT 60, VEENDAM
Auteur: Veldwerk uitgevoerd door: Gecontroleerd door: Opdrachtgever: Status: Datum: Projectnummer:
S. van Staa Q. Vos, S. van Staa T. Dalderup Gemeente Veendam Definitief 13 juli 2022 2022-238
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
1
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 1.1 AANLEIDING ................................................................................................................................. 3 1.2 DOELSTELLING .............................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 PLANGEBIED ................................................................................ 4 2.1 LIGGING ...................................................................................................................................... 4 2.2 IMPRESSIE EN BEGRENZING ............................................................................................................. 4 2.3 VOORGENOMEN INGREPEN ............................................................................................................. 5 2.4 VASTSTELLEN VAN HET ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 6 HOOFDSTUK 3 WETTELIJK KADER ......................................................................... 7 3.1 WET NATUURBESCHERMING ...........................................................................................................
7 3.2 WET RUIMTELIJKE ORDENING: NATUURNETWERK NEDERLAND ............................................................. 9 HOOFDSTUK 4 WERKWIJZE............................................................................... 10 4.1 WET NATUURBESCHERMING ......................................................................................................... 10 4.2 WET RUIMTELIJKE ORDENING: NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................... 11 HOOFDSTUK 5 RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING ................................................ 12 5.1 NATURA 2000 ........................................................................................................................... 12 5.2 NATUURNETWERK NEDERLAND ..................................................................................................... 13 HOOFDSTUK 6 RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................. 14 6.1 VOGELS ..................................................................................................................................... 14 6.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN ................................................................................................... 14 6.3 VLEERMUIZEN ............................................................................................................................
15 6.4 AMFIBIEËN................................................................................................................................. 16 6.5 OVERIGE SOORTEN ...................................................................................................................... 16 6.6 SAMENVATTENDE TABEL............................................................................................................... 17 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE EN ADVIES .................................................................. 18
BIJLAGEN
............................................................................................... 20
BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4
GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................... 21 TOELICHTING OP WETTELIJKE KADERS ...................................................................................... 22 VRIJGESTELDE SOORTEN PER PROVINCIE ................................................................................... 25 NATUURKALENDER ............................................................................................................... 26
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
2
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Er zijn plannen voor de herontwikkeling van een perceel tussen de Beneden Verlaat 60 en de Middenweg 63, te Veendam. Op het nu overwegend verruigde perceel met twee gebouwen wordt een woning geplaatst. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is BJZ.nu door initiatiefnemer gevraagd om een natuurwaardenonderzoek uit te voeren. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
1.2
Doelstelling
In het voorliggende rapport worden mogelijke effecten van het project op de natuur in kaart gebracht en getoetst aan de kaders van de Wnb (Soortbescherming, Gebiedsbescherming en bescherming van Houtopstanden) en de provinciale verordening voor het onderdeel betreffende het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties in beeld gebracht. De resultaten hebben in principe een geldigheid van drie jaar. Wijzigingen in het project of wezenlijke veranderingen binnen het onderzoeksgebied kunnen invloed hebben op de beoordeelde effecten. In dat geval dient een nieuwe beoordeling plaats te vinden. De onderzoeksvragen voor deze natuurtoets zijn: • Welke beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies kunnen voorkomen binnen (de invloedsfeer van) het plangebied? • Welke negatieve effecten kunnen vanuit het voornemen op deze gebieden, soorten en houtopstanden worden verwacht of niet worden uitgesloten? • Zijn er voorzorgsmaatregelen te treffen om deze effecten te voorkomen? • Is er nader onderzoek nodig om effecten op beschermde gebieden te bepalen en/of om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen of uit te sluiten?
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 2 2.1
PLANGEBIED
Ligging
Het plangebied (Figuur 2.1) bevindt zich in de woonkern van Veendam. Aangrenzend aan de oostzijde bevindt zicht een watergang. Rond het plangebied ligt een slotenstructuur. Deze stond op moment van het veldbezoek droog.
Figuur 2.1: Ligging van het plangebied (Bron: PDOK).
2.2
Impressie en begrenzing
Het plangebied bestaat uit bebouwing, een scheepscontainer, een bosschage en een gedeelte verruigd braakliggend terrein.
Figuur 2.2: Impressie van het plangebied (Bron: PDOK).
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Figuur 2.3 (links): Impressie van de bebouwing. Deze is met kunststof bekleed en heeft een platdak; Figuur 2.4 (rechts): Impressie van het gebied achter de bebouwing. Hier staat een container (rood) en een grote laurierhaag.
Figuur 2.5 (links): De zuidzijde van de bebouwing, hier staan een aantal berken; Figuur 2.6 (rechts): Een impressie van het verruigde terrein.
2.3
Voorgenomen ingrepen
Het voornemen ziet toe het perceel te verkopen als bouwkavel ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning. Op het moment van schrijven zijn geen concrete plannen bekend. Ter volledigheid van het onderzoek wordt er vanuit gegaan dat de bosschage, de bebouwing en het verruigde terrein verwijderd worden. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Verwijderen beplanting; • Slopen bebouwing; • Uitvoeren grondverzet; • Bouwen woningen; • Aanleggen erfverharding; • Aanleggen erfbeplanting. Voorgenoemde ingrepen zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de activiteiten zelf alsmede de resultaten hiervan. 2.3.1 •
Tijdelijke effecten Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.
2.3.2 •
Permanente effecten Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten.
•
•
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
5
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
2.4
Vaststellen van het onderzoeksgebied
Naast een tijdelijk effect in het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Bij het bepalen van de invloedsfeer wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Het plangebied grenst aan een watergang en woningen. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden nabij het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De fysieke werkzaamheden hebben een minimale invloedssfeer, daarom wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
6
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 3
WETTELIJK KADER Het wettelijk kader weergeeft de diverse kaders waaraan het initiatief getoetst wordt. 3.1
Wet natuurbescherming
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al geruime tijd achteruit. In verband met het grensoverschrijdende karakter van de natuur is het van belang om de bescherming van deze soortenrijkdom op Europees niveau aan te pakken. Zo wordt voorkomen dat de natuur in nationaal en internationaal verband eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn, welke in 2017 zijn samengevoegd onder één wet, de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. 3.1.1 Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden.
Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets of effectenbeoordeling. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 3.1.2 Soortenbescherming In de Wnb is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wnb worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren;
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
7
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
• lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of • onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q.
ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wnb. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig. 3.1.3 Zorgplicht Binnen de Wnb, artikel 1.11, is de algemene zorgplicht opgenomen die na streeft om het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen en indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zoveel mogelijk te beperken. Deze geldt ten alle tijden voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe omgeving en voor Natura 2000-gebieden. 3.1.4 Houtopstanden In de Wnb is ook de bescherming van houtopstanden geregeld. Dit is een implementatie van de oude Boswet die het doel had om bossen te beschermen. Dit geldt nog steeds. Het uitgangspunt is dat Er netto geen oppervlakte bos mag verdwijnen. De handhaving hiervan ligt in principe bij de provincies en in sommige gevallen bij het Ministerie van LNV, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Onder houtopstanden wordt verstaan: een zelfstandige eenheid aan bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat vanaf 10 are of bestaat uit een bomenrij van meer dan 20 bomen. Wanneer een houtopstand gekapt wordt, of er andere maatregelen genomen worden die (eventueel indirect) tot het verminderen van het oppervlakte bos leiden geldt er een melden herplantingsplicht, tenzij: • het bomen op erven of in tuinen zijn; • het fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn; • het wilgen of populieren langs wegen of landbouwgrond zijn; • het kerstbomen (niet ouder dan 20 jaar) zijn; • het kweekgoed is;
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
8
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
• •
•
het dunnen van een houtopstand is; het uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o minimaal eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare ; o na 1 januari 2013 zijn aangelegd. het houtopstanden zijn binnen de begrenzing van een bebouwde kom.
Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar (zoels hiervoor genoemd) melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Aan de hand van een kapmelding kan de provincie ervoor kiezen om een kapverbod op te leggen (maximaal 5 jaar), ter bescherming van bijzondere natuur of landschapswaarden. Daarnaast geldt er voor kap van houtopstanden een herplantplicht: binnen 3 jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Kan deze niet worden uitgevoerd op het oorspronkelijke perceel, dan kan er compensatie plaatsvinden door de herplant te realiseren op een ander perceel. De voorwaarden hiervan verschillen per provincie. Er geldt daarentegen geen meldingsplicht of verplichting om binnen 3 jaar te herplanten als er wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode waarin een werkwijze is opgenomen die waarborgt dat: • er geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; • de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern; • herplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt; • de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond; • de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Daarnaast is er een vrijstelling van de herplantplicht mits het bijdraagt aan het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen, nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen en houtkap voor biomassaplantages.
3.2
Wet ruimtelijke ordening: Natuurnetwerk Nederland
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Groningen zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
9
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 4
WERKWIJZE In dit hoofdstuk worden de wettelijk vastgelegde beoordelingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.1
Wet Natuurbescherming
4.1.1 Natura 2000 Voor de oriëntatie in het kader van de Gebiedsbescherming is bekeken of nabijgelegen Natura 2000gebieden mogelijk significante directe en indirecte effecten ondervinden van de beoogde ingrepen. 4.1.2 Soortenbescherming In de Wnb is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Voor de totstandkoming van het advies betreffende dit onderzoek zijn de volgende stappen gezet: 1. Bureaustudie; 2. Veldbezoek; 3. Concluderende analyse. Bureaustudie De bureaustudie bestaat uit het bestuderen van (de geschiedenis van) het plangebied, bronnenonderzoek en een analyse van de flora- en faunagegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor verdere verkenning in het kader van de Soortenbescherming is een analyse van de bestaande flora- en faunagegevens uitgevoerd. Hierbij zijn de gegevens van beschermde soorten in een straal van 500 meter rondom het plangebied van de laatste 5 jaar opgevraagd in de NDFF. Het plangebied bestaat uit bosschage, bebouwing en verruigd braakliggend terrein. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • Vogels; • Vleermuizen; • Grondgebonden zoogdieren; • Amfibieën.
Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. Veldbezoek Het veldbezoek heeft een verkennend karakter en kan daarom niet worden gezien als uitputtende soorteninventarisatie. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 8 juni 2022 bezocht door T. Dalderup, Q. Vos en S. van Staa, ecologen in dienst bij BJZ.nu, gedurende de daglichtperiode. Het plangebied is visueel en auditief onderzocht op de aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Hierbij is gebruik gemaakt van een verrekijker (Vortex Crossfire HD 10x42) en een zaklamp. Tijdens het veldbezoek was het 15 graden, bewolkt en regenachtig. Het plangebied is te voet onderzocht. Daarnaast is bewijslast verzameld met fotomateriaal.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
10
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Gedurende het veldbezoek is het volgende onderzocht: • Houtopstanden en struweel; • Bestaande bebouwing en potentiële rust- en verblijfsplaatsen; • (Mogelijke voortplantings) Wateren; • Sporen in de vorm van holen en nesten; • Sporen in de vorm van pootafdrukken, graaf-, krab- en bijtsporen; • Sporen in de vorm van fecaliën, veren/haren en prooiresten; • Overige indicaties die wijzen op de aanwezigheid van beschermde soorten. Analyse en conclusie Aan de hand van de verzamelde verspreidingsgegevens en de resultaten van het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt habitat aanwezig is in en/of rondom het plangebied. De beoogde ingrepen zijn beoordeeld in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het plangebied. Bij voldoende zekerheid over het al dan niet voorkomen van beschermde soorten, zijn mogelijke (negatieve) effecten bepaald. Ten slotte is beoordeeld of wettelijke consequenties aan de orde zijn. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectenanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de beoogde werkzaamheden en uitvoeringsplanning. 4.1.3 Houtopstanden Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Veendam ligt en er geen bomen gekapt worden, is er geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen als weergeven in H4 van de Wnb.
Om deze reden worden Houtopstanden ook niet verder behandeld in voorliggende rapportage.
4.2
Wet ruimtelijke ordening: Natuurnetwerk Nederland
In de Wet ruimtelijke ordening is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het NNN. Ter beoordeling van de voorgenomen activiteiten in relatie tot de NNN is gekeken naar de nabijheid van NNN en de eventuele (negatieve) effecten op de aanwezige natuurwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
11
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 5
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.1
Natura 2000
5.1.1 Ligging t.o.v. het plangebied Het plangebied ligt op minimaal 10,4 kilometer afstand van Natura 2000-gebied (Figuur 5.1). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Zuidlaardermeergebied.
Figuur 5.1: Ligging van Natura 2000 in de omgeving van het plangebied (rood). Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe kleur op de kaart aangeduid. De minimale afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied bedraagt 10,4 kilometer (Bron: PDOK).
5.1.2 Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Van verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring of licht is derhalve geen sprake. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, wordt een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Deze regeling staat op moment van schrijven onder druk. In geval van uitloop van de procedure kan het mogelijk zijn dat stikstofemissie gedurende de ontwikkelfase ook beoordeeld dient te worden. Beoordeling stikstof (nieuwe gebruiksfase) Het is aannemelijk dat de voorgenomen ingrepen voor een toename van verkeersbewegingen zal zorgen ten opzichte van de huidige situatie. Echter, gezien de afstand van het plangebied naar het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de schaal van de beoogde ingrepen, is het onwaarschijnlijk dat er een significant effect ten gevolge van de ingreep en de gebruiksfase plaats zal vinden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
12
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
5.2
Natuurnetwerk Nederland
5.2.1 Ligging t.o.v. het plangebied Het plangebied ligt op minimaal 9,5 kilometer afstand van gronden die tot NNN behoren. Het plangebied ligt daarmee buiten de begrenzing van het NNN. In Figuur 5.2 wordt de ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.2: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied (rood). Gronden die tot NNN behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid. De minimale afstand tussen het plangebied en gronden die tot NNN behoren bedraagt 9,5 kilometer (Bron: PDOK).
5.2.2 Beschermingsregime De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
13
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 6
RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten en de bijbehorende wettelijke consequenties en verplichtingen. 6.1
Vogels
6.1.1 Resultaat Jaarrond beschermde nestsoorten Gedurende het veldbezoek zijn geen indicaties aangetroffen dat vogels met een jaarronde nestbescherming een nest bezetten binnen het plangebied. De bebouwing wordt als ongeschikt geacht voor soorten als de huismus en gierzwaluw omdat deze geen openingen biedt voor vogels om een nest te bezetten en omdat de bebouwing niet hoog genoeg is voor gierzwaluwen om uit te kunnen vliegen. Er zijn in de bomen geen (takken)nesten aangetroffen welke als nest voor roofvogels of kraaiachtigen kunnen dienen. Er zijn tevens geen sporen aangetroffen dat roofvogels en uilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Categorie 5 beschermde nest soorten Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat vogels met een categorie 5 nestbescherming een nest binnen het plangebied bezetten. Daarnaast is er in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheid om de ingrepen niet als zwaarwegend genoeg te beschouwen om eventueel voorkomende nesten als jaarrond beschermd te beschouwen. Vogels algemeen Alhoewel er geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat vogels een nest bezetten binnen het plangebied, kan het voorkomen dat er een vogel nestelt gedurende het broedseizoen.
Daarnaast wordt het plangebied als goed geschikt foerageergebied beschouwd door de ruime aanwezigheid van braamstruiken en dergelijke vegetatie. Echter wordt het gebied door de omvang en omgeving niet als essentieel foerageergebied beschouwd. 6.1.2 Wettelijke consequenties Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
6.2
Grondgebonden zoogdieren
6.2.1 Resultaat Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, egel, diverse marterachtigen, vos, haas en konijn. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied, maar bezetten er mogelijk ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder rommel, opgeslagen bouwmaterialen, groenafval en onder dichte begroeiing. Uit de NDFF-analyse is naar voren gekomen dat in de omgeving diverse
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
14
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
marterachtigen zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Door de inrichting van het plangebied (Figuur 6.1), kan niet worden uitgesloten dat marterachtigen een vaste rust- of verblijfplaats bezetten in het plangebied.
Figuur 6.1: Impressie van geschikt leefgebied van marters.
6.2.2 Wettelijke consequenties Omdat er niet op voorhand uitgesloten kan worden dat marterachtigen een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten binnen het plangebied dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om de effecten van de beoogde ingrepen in kaart te brengen.
6.3
Vleermuizen
6.3.1 Resultaat • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De bebouwing beschikt niet over gemetselde buitengevels met luchtspouw en er zijn geen geschikte invliegopeningen waargenomen. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. In het plangebied zijn geschikte inrottingsholten waargenomen, de opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen; deze bomen beschikken niet over holen in de stam of losse schors. • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
15
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
6.3.2 Wettelijke consequenties • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. • Essentieel foerageergebied Door het verwijderen van beplanting wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen zeer beperkt aangetast. Er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. • Essentiële vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
6.4
Amfibieën
6.4.1 Resultaat Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder lage, dichte begroeiing. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander of rugstreeppad beschouwd. Voorgenoemde soorten komen niet in het plangebied voor en er zijn geen waarnemingen van deze soorten in of nabij het plangebied bekend. 6.4.2 Wettelijke consequenties Door het ontbreken van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Het naleven van de zorgplicht wordt als voldoende beschouwd. Uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht.
6.5
Overige soorten
Het plangebied behoort niet tot het functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
16
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
6.6
Samenvattende tabel
Tabel 6.1: Samenvatting Soortenbescherming
Soortgroep
Mogelijk voorkomende soorten
Te beoordelen effecten?
Overtreding Wnb
Vervolgstappen
Algemene soorten
Verstoring broedende vogels en doding van individuen.
Art. 3.1, lid 1, 2 en 4.
Grondgebonden zoogdieren
Marterachtigen
Art. 3.10, lid 1a en 1b.
Vleermuizen
Niet aanwezig
Art 3.5, lid 1, 2 en 4.
Geen nader onderzoek noodzakelijk. Aanvraag van ontheffing is niet aan de orde.
Amfibieën
Diverse soorten
Art. 3.10, lid 1a en 1b.
Geen nader onderzoek noodzakelijk. Aanvraag van ontheffing is niet aan de orde.
Overige soorten
Niet aanwezig.
Verstoring en doding van individuen en aantasten van verblijfplaatsen en foerageergebied. Verstoring en doding van individuen en aantasten van verblijfplaatsen en foerageergebied. Verstoring en doding van individuen en aantasten van voortplantingsen rustplaatsen. Niet van toepassing.
Nemen voorzorgsmaatregelen om verstoring broedende vogels te voorkomen, uitvoeren werkzaamheden buiten broedperiode of onder toeziend oog van een ervaren ecoloog. Nader onderzoek naar aanwezigheid marterverblijfplaatsen noodzakelijk
N.v.t.
Niet van toepassing.
Vogels
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
17
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIE EN ADVIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst (bijlage 3) van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Gezien de afstand van het plangebied naar het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de schaal van de beoogde ingrepen, is het onwaarschijnlijk dat er een significant effect ten gevolge van de ingreep en de gebruiksfase plaats zal vinden. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in de provincie. Vogels Er kan worden uitgesloten dat soorten met een jaarronde nestbescherming binnen de invloedsfeer van de beoogde werkzaamheden nestelen. Het is niet toegestaan om vogelnesten te verstoren of vernielen, ook als deze niet jaarrond beschermd zijn. Als de voorgenomen ingrepen worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen kan niet worden uitgesloten dat een bezet vogelnest verstoord of beschadigd wordt. Van de binnen de invloedsfeer verwachte soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/verstoord worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd wordt tijdens het broedseizoen, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Vleermuizen Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, maar gebruiken het mogelijk wel als (niet essentieel) foerageergebied. Er zijn geen geschikte gebouwen of bomen met inrottingsholten in het gebied aanwezig voor vleermuizen om een verblijfplaats te bezetten. Gelet op de omgeving wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd. Grondgebonden zoogdieren Er zijn verschillende indicaties aangetroffen dat het plangebied onder functioneel leefgebied van marterachtigen valt. Het plangebied wordt als geschikt habitat geacht voor diverse marterachtigen en uit de NDFF-analyse is naar voren gekomen dat deze in de afgelopen 5 jaar meermaals is waargenomen binnen een straal van 1 km van het plangebied. Marters zijn wettelijk beschermd en om overtreding van de Wnb te voorkomen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Het bevoegd gezag heeft geen richtlijnen opgesteld op het gebied van aanvullend onderzoek naar steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn. Het onderzoek wordt vormgegeven op basis van ervaring, al kan de Handreiking Kleine Marters van de Provincie Noord-Brabant gebruikt worden bij een
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
18
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
inschatting van de benodigde materialen (cameravallen, sporenbuizen, etc). Het onderzoek kan plaatsvinden vanaf maart tot en met augustus. De onderzoeksduur is 6 weken. Amfibieën Voor de beschermde amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
19
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
BIJLAGEN Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen Bijlage 2: Toelichting op wettelijke kaders Bijlage 3: Vrijgestelde soorten per provincie Bijlage 4: Natuurkalender
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
20
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Bijlage 1
Geraadpleegde bronnen
Internet Verspreidingsatlas Natura 2000 Beschermde soorten Vleermuisprotocol AERIUS-calculator Ruimtelijkeplannen.nl Nationale Databank Flora en Fauna Effectenindicator Wet Natuurbescherming
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
21
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Bijlage 2
Toelichting op wettelijke kaders
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd.
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een Gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten.
Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
22
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de Gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een Gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring.
Daarna dient de Gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten:
Verstoren
Eieren
beschadigen of vernielen
Doden/ vangen
1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Er is een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
23
Plantensoorten
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Bijlage 3
Vrijgestelde soorten per provincie Zuid-Holland
Zeeland
Utrecht
Overijssel
Amfibieën Bruine Kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Bastaardkikker Reptielen Hazelworm Levendbarende hagedis Landzoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Molmuis Ondergrondse Woelmuis Ree Rosse Woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild Zwijn Woelrat
Noord-Holland
Soort
Noord-Brabant
Limburg
Groningen
Gelderland
Friesland
Flevoland
Drenthe
Provincie
Legenda Vrijgestelde soort 1 = Vrijgesteld jul - sep 2 = Vrijgesteld 15 aug - 15 okt 3 = Vrijgesteld mrt - apr en jul - nov 4 = Vrijgesteld 15 aug - feb Geldig per: 25 april 2022 Bronnen: Regelink Habitus Natuurinclusief
1 2
3
4
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief
Bijlage 4
Natuurkalender Jan
Houtopstanden Afzetten/hakhoutbeheer Dunnen Verw. opslag/exoot Knotten Snoeien
Terugzetten
Zuiveren Vellen
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Algemeen Heg afzetten Algemeen Algemeen Algemeen Opsnoeien/opkronen Hoogstam wintersnoei Hoogstam zomersnoei Vleermuisbomen zomerverblijf Vleermuisbomen paarplaats Bomen met winterslaapvogels Hazelmuis struweel hakhoutbeheer Boomkikker struweel Das Grondgebonden kleine zoogdieren Sleedoornstruwelen voor sleedoornpage
Pionier, grazige en ruigte vegetaties Maaien Algemeen Vochtig/nat grasland Droog schraalgrasland Afgraven Ruigte vegetatie met amfibieën Ophogen Ruigte vegetatie met reptielen Heide Maaien Plaggen Branden Afgraven Ophogen
Algemeen Heide met reptielen Algemeen Algemeen Algemeen
Wateren (poel, moeras, watergang en beek) Graven Algemeen Aanbrengen Kunstwerken nieuwe wateren Kunstwerken bestaande wateren Opschonen Algemeen Poel Baggeren Algemeen Dempen Algemeen Oever-, water- en moerasvegetatie Maaien Algemeen Afgraven Algemeen Ophogen Algemeen Bebouwing en muren Verbouwen Renoveren Slopen
Algemeen Zomerverblijf vleermuizen Winterverblijf vleermuizen Gebouwen met uilen Gebouwen met zwaluwen
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Dec
TOETSING WNB EN NNN – Beneden Verlaat 60, Veendam Definitief Legenda Optimale perioden voor werkzaamheden. In deze perioden zijn de minste kans op verstoringen van planten en dieren. Acceptabele perioden voor werkzaamheden, mits er geen verstoring van planten en dieren plaatsvindt. De werkzaamheden verrichten onder begeleiding van een ter zake kundige. Geen werkzaamheden in deze perioden. Wanneer andere zwaarwegende belangen gelden dan de werkzaamheden verrichten onder de voorwaarden. Bijvoorbeeld voorwaarden in de ontheffing Wet natuurbescherming.
Bronnen: Natuurbank Overijssel Natuurkalender Arnhem
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27