10-04 Bijlage 3 - Handreiking duurzame hulpverleningsrelatie
Tekst van het document
Algemene voorzieningen & duurzame hulpverleningsrelatie Deze handreiking bevat een uitleg van het begrip ‘duurzame hulpverleningsrelatie’. Het is een toelichting op het juridisch kader, het juridisch kader is leidend. In deze handreiking is alle informatie over algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie, bij elkaar gebracht. Dit is relevant om te bepalen voor welke voorzieningen het abonnementstarief gaat gelden. De handreiking kan gemeenten en cliëntenorganisaties (lokale belangenbehartigers) ondersteunen bij de lokale keuzes die gemaakt moeten worden op dit thema. Ook na invoering van het abonnementstarief zal maatwerk, passende zorg en ondersteuning in de betreffende situatie, het uitgangspunt blijven. Aanleiding Algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie, worden onder het abonnementstarief gebracht. Het belangrijkste doel van het abonnementstarief is het beperken van de stapeling van zorgkosten voor mensen. Door ook een substantieel deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen, wordt dit doel beter bereikt. Niet alle algemene voorzieningen worden onder het abonnementstarief gebracht. Er zijn tal van laagdrempelige algemene voorzieningen waarbij een maandelijkse bijdrage van 19 euro niet passend is.
Bovendien zou dit leiden tot een ongewenste toename aan bureaucratie en administratieve lasten. Met het oog op deze overwegingen is het begrip ‘duurzame hulpverleningsrelatie’ geïntroduceerd zodat een deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief kan worden gebracht.
Hoe bepaalt de gemeente of er sprake is van duurzame hulpverleningsrelatie? Het begrip duurzame hulpverleningsrelatie is alleen relevant om te bepalen welke voorzieningen onder het abonnementstarief moeten worden gebracht én heeft dus alleen een functie om te bepalen welke bijdrage betaald moet worden. Het begrip staat los van de vraag welke ondersteuning voor een cliënt passend is. Om te bepalen of er sprake is van een algemene voorziening waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, is met name de aard van de band tussen de cliënt en hulpverlener van belang. Deze afweging wordt per voorziening gemaakt, niet per cliënt. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie gaat het om algemene voorzieningen waar(bij): er in belangrijke mate sprake is van persoonlijke hulpverlening (en waarbij arbeid verreweg de grootste kostencomponent is). de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk is voor de ondersteuning van de cliënt. langdurig gebruik van wordt gemaakt. Voorzieningen waar cliënten incidenteel gebruik van maken hoeven niet onder het abonnementstarief gebracht te worden. Gemeenten brengen een algemene voorziening als geheel onder het abonnementstarief als aan alle drie de voorwaarden wordt voldaan. Gemeenten maken hierbij de afweging of de algemene voorziening voor het merendeel van de cliënten een duurzame hulpverleningsrelatie betreft.
Indien dit het geval is dienen deze voorzieningen onder het abonnementstarief gebracht te worden. Op individueel niveau, blijft het uitgangspunt van de Wmo om in samenspraak tot maatwerk, passende zorg en ondersteuning, te komen. Bij een aanvraag zal de gemeente na het onderzoek kijken welke vorm (maatwerk of algemene voorziening) van ondersteuning beschikbaar, betaalbaar en passend in de betreffende situatie is.
Voorbeelden Hieronder staan enkele voorbeelden van voorzieningen die in sommige gemeenten worden vormgegeven als algemene voorziening en waarbij gemeenten de afweging moeten maken of er sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie. Als de voorziening is vormgegeven als maatwerkvoorziening, geldt sowieso het abonnementstarief. -
-
-
-
-
Bij begeleiding en huishoudelijke hulp is er in de meeste gevallen sprake van persoonlijke hulpverlening waarbij arbeid de grootste kostencomponent is. Continuïteit is van belang. De professional komt regelmatig bij de cliënt in huis en heeft veel persoonlijk contact. Het is daarom van toegevoegde waarde voor de ondersteuning van de cliënt, dat de cliënt een vaste begeleider/hulp heeft. Cliënten maken meestal gedurende langere tijd gebruik van deze voorziening (bijvoorbeeld meer dan zes maanden). Er is hiermee sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie. Bij een voorziening als tafeltje-dekje, waar het eten thuis wordt afgeleverd, speelt een duurzame relatie niet of nauwelijks een rol. De kosten van voeding zijn in het merendeel van de situaties aan te merken zijn als algemeen gebruikelijk én de band tussen de bezorger en de cliënt is van beperkte betekenis voor de ondersteuning van de cliënt. Er is hiermee geen sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie. Daar waar dit in (individuele) situaties anders ligt (bijvoorbeeld daar waar het gaat om ‘maaltijdondersteuning’), is het aan de gemeente om een afweging te maken of het passend is om de voorziening onder het abonnementstarief te brengen. Van respijtzorg maken de meeste mensen maar enkele keren per jaar gebruik. Het is daarom vaak onwenselijk dat cliënten vast zitten aan een maandelijks tarief.
Omdat er geen sprake is van langdurig gebruik, betreft dit in deze gevallen geen duurzame hulpverleningsrelatie. Afhankelijk van hoe respijtzorg is vormgegeven, kan er soms wel sprake zijn van een duurzame hulpverleningsrelatie. Als respijtzorg bijvoorbeeld hoofdzakelijk gericht is op cliënten die regelmatig gebruik maken van de voorziening, zoals gezinnen met een kind met een levenslange (verstandelijke) beperking of iemand met een chronische aandoening, kan er sprake zijn van een duurzame hulpverleningsrelatie en moet deze onder het abonnementstarief gebracht worden. In de meeste gevallen is dagbesteding vormgegeven als voorziening waarbij er sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie. Er zijn vormen van dagbesteding denkbaar waarbij hier geen sprake van is. Te denken valt aan een buurthuis in de wijk waar wisselende vrijwilligers werken en mensen binnen kunnen lopen wanneer zij dit willen. Algemene voorzieningen worden bij verordening aangewezen voor het abonnementstarief. Het kan voorkomen dat er voor een individuele cliënt sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie, terwijl die bij verordening niet is aangewezen en er ook voor het merendeel van de cliënten geen duurzame hulpverleningsrelatie bestaat. Dit kan voor deze individuele cliënt als gevolg hebben dat voor hem/haar de bijdrage flink oploopt.
Het is in deze gevallen specifiek van belang om te onderzoeken of een algemene voorziening financieel passend is voor de cliënt (zoals ook is verplicht op basis van jurisprudentie van de CRvB). Mocht dit niet zo zijn, dan moet een alternatief geboden worden in de vorm van een maatwerkvoorziening waarvoor het abonnementstarief geldt of een korting voor de minima.
Vervolgstappen Het is aan gemeenten om te bepalen bij welke van hun algemene voorzieningen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie en dit vast te leggen in de verordening. Het is belangrijk om ook vertegenwoordigers van cliënten bij deze afweging te betrekken. Gemeenten hebben hier altijd de vrijheid om algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen, ook als er geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie. Ook kunnen gemeenten er voor kiezen om geen bijdrage te vragen voor een algemene voorziening. Daarna is het van belang om duidelijk richting cliënten te communiceren, zodat cliënten weten voor welke voorzieningen het abonnementstarief van toepassing is.