CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

10-02-02 Rapport onderzoek naar het handelen ten aanzien van Joods onroerend goed

Gemeenteraad 24 april 2023, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken week 1057.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

129 https://www.dewinsumsesjoel.nl/?page_id=1026.

40

kinderen slaagde er toch in de oorlog in Zuid-Holland in onderduik te overleven. Ook kan gedacht worden aan de in Groningen woonachtige Eenrumer Noach Benninga die in de meidagen van 1940 naar Engeland wist te ontkomen.130 Een overlevende was zo ook dokter Elie Aron Cohen die in 1941 van Aduard naar Groningen verhuisde, maar wiens vrouw en kind wel werden vermoord. Een ander voorbeeld is de familie van psychiater Jacob Bramson die eind 1941 verhuisde van Wildervank naar Franeker en de concentratiekampen grotendeels overleefde.131 Al op 19 augustus 1942 werden ze afgevoerd naar Westerbork, maar daar ontsnapten ze enige tijd aan verdere deportatie, dankzij het beroep van de vader. Op 11 januari 1944 werden ze op de trein naar Bergen Belsen gezet. In dit concentratiekamp stief een jaar later de vrouw Carolina oftewel Connie Klein (wier dood in 1950 in Wildervank werd geregistreerd). Na de bevrijding door de Russen keerde Jacob Bramson met zijn drie dochters via een lange weg naar Nederland terug. Naar Groningen kwamen ze niet meer en de familie vertrok in 1950 naar Israël. Ernstig getraumatiseerd door het lange verblijf in Bergen Belsen pleegde één van de dochters in 1953 uiteindelijk zelfmoord.

Als geanalyseerd wordt wie er van de Groninger Joden op het platteland vermoord werd, valt vooral de industriële, systematische, bureaucratische wijze op waarop mensen werden geselecteerd, om naar Westerbork en vervolgens naar de vernietigingskampen gestuurd te worden. De definitie van wie al dan niet-Jood was speelde daarbij een cruciale rol. Bij die eerder behandelde definitie van de scheidslijn tussen Jood en niet-Jood is duidelijk op de achtergrond het streven van de Nazi’s te zien om de Joden af te scheiden van de rest van de samenleving, maar tegelijkertijd ook om te zorgen dat het deel van de rest van de samenleving dat via gemengde huwelijken geparenteerd was aan Joden er in eerste instantie niet veel van zou merken, omdat juist deze (volle of niet-volle volgens de definitie van de bezetter) Joden met zowel Joodse als niet-Joodse familieleden in zekere zin grotendeels van de vervolging werden uitgesloten. Viel je onder de Nazi-definitie van Jood in 1942 dan waren er eigenlijk maar drie uitwegen om aan vervolging en de Holocaust te ontsnappen op het Groninger platteland. Ten eerste kon je vluchten, in elk geval zorgen dat je het gebied verliet, omdat zoals gemeld de overlevingskansen gedurende de Tweede Wereldoorlog voor Joden op het Groninger platteland gemiddeld beduidend lager waren dan vrijwel overal elders in Nederland en daarbuiten.

Ten tweede was er de optie om onder te duiken. Dit is vermoedelijk de meest voorkomende manier geweest om te overleven, al blijken ook veel ondergedoken Joden in het gebied alsnog opgepakt en vermoord te zijn (zie hiervoor uitgebreid hoofdstuk 3). Ten derde kon getracht worden de officiële mate van Jood-zijn te verminderen. Echter voor slechts weinig Joden bestond deze mogelijkheid. Vooral buitenechtelijke verwekkingen boden hier kansen. Veruit de hoogste overlevingskans voor personen met vier Joodse grootouders bood het gemengde huwelijk. Bijna alle gemengd gehuwde Joden overleefden de Tweede Wereldoorlog. Ze kwamen nauwelijks op de deportatielijsten en ook werd hun onroerend goed veelal niet onteigend door de Nazi’s, want dit was natuurlijk vaak ook voor de helft eigendom van hun niet-Joodse huwelijkspartner. Toch wil dit niet zeggen dat er niet doorlopend de dreiging van vervolging boven deze groep lag.132 Nader onderzoek zou kunnen uitwijzen hoe de groep gemengd gehuwden de 130

https://www.dewinsumsesjoel.nl/?page_id=9532. https://www.joodsmonument.nl/nl/page/179707/carolina-bramson-klein. 132 Tammes en Ultee, ‘De Duitse bezetting’, 401, 413, volgens hen zou het percentage gemengd gehuwde Joden zelfs een positief effect hebben op de algehele overlevingskans van Joden in een gemeente. Zie ook, Tammes, ‘Het belang van Jodenregistratie’, 58-59. 131

41

oorlog precies doorstaan heeft. Zij moeten in grote angst geleefd hebben, zoals blijkt uit het verhaal van de Winschoter fotograaf Gustav Tahl. Toen deze zich moest melden voor Westerbork, dook hij twee jaar lang overdag onder in een tentje op zijn eigen dak, maar sliep hij gewoon in de slaapkamer bij zijn niet-Joodse vrouw.133 Daartegenover staat weer informatie over het gemengd gehuwde oudere echtpaar Roosje Bollegraaf (1871-1950) en Andries Blaauw (1869-1947) te Slochteren. Die worden genoemd als het onderduikadres van hun voljoodse achternichtje Leni Bollegraaf (1939) en achterneefje Bernard Bollegraaf (1940) uit Oss.134 In Sappemeer werden de gemengd gehuwde Karla Herwegh-Friedmann en Jetta Douma-Mozes in maart 1944 plotseling afgevoerd naar Westerbork, maar al weer na tien dagen vrijgelaten. Ook werden gemengd gehuwde Joodse mannen – die dus kennelijk nog thuis woonden – in 1944 door de Duitse bezetters gedwongen in Havelte een vliegveld aan te leggen,135 maar dit was alleszins veiliger dan deportatie. Wel opgepakte en vermoorde gemengd gehuwden zijn Jakob Schrijver te Muntendam en (Heiman) Haijo Wallage te Stadskanaal onder Wildervank. Jakob Schrijver werd gepakt toen hij in Groningen zijn met een Jood gehuwde dochter bezocht en via Westerbork werd hij vrij snel doorgestuurd naar Auschwitz en vermoord.

Tegenover deze twee vermoorden staan echter 22 overlevende gemengd gehuwden (waaronder één weduwnaar van een niet-Joodse). Als bedacht wordt dat er volgens ons onderzoek maar 111 overlevende Joden waren, dan betekent dat zo’n eenvijfde van hen dit te danken had aan een gemengd huwelijk. Dat trouwen cruciaal was blijkt uit het trieste lot van Arent Levie. Hij woonde in Nieuwolda al zo’n twintig jaar ongehuwd samen met Roelfina Smit, een nietJoodse weduwe van een op zee vermiste zeeman Roelfina Smit en had met haar twee kinderen.136 Hij werd op 30 september 1942 vermoord in Auschwitz. Indien Arent Levie met zijn Roelfina gehuwd was geweest, had hij de oorlog waarschijnlijk overleefd, nu niet. Een ander geval was de gemengd gehuwde Winschoter winkelier Abraham Emanuël Sachs, die op 19 september 1942 opgepakt werd. Na een verblijf van bijna een jaar werd hij vrijgelaten uit Westerbork, mede dankzij – denkelijk frauduleus – afstammingsonderzoek en dooppapieren. Als verzetsstrijder werd hij later echter gearresteerd en op 22 januari 1945 met negentien anderen in Dockum gefusilleerd.137 Onder de overlevenden in het gebied waren personen met drie Joodse grootouders en één nietJoodse grootouder met een aantal van vijf tot zes ook oververtegenwoordigd. Volgens onze telling waren er in totaal zestien-zeventien van dergelijke driekwart Joden in het onderzoeksgebied.

Dat zou wijzen op een overlevingskans van ongeveer een derde en dit was beduidend beter dan personen met vier Joodse grootouders. Het lijkt erop te wijzen dat het hebben van één niet-Joodse grootouders de overlevingskansen verbeterde. Als naar de specifieke gevallen gekeken wordt, speelde bij dat overleven overigens gemengd gehuwd zijn een cruciale rol.

133

https://www.rtvnoord.nl/nieuws/177702/winschoten-herdenkt-de-joden-als-onze-vrienden-en-buren. Vergelijk ook het verhaal van Julia van Geuns, gehuwd met Jan Zuidema in paragraaf 3.3. 134 https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/b/bollegraaf.html. Het waren kleinkinderen van haar broer Abraham Bollegraaf. 135 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 167-169. 136 Zie: https://www.youtube.com/watch?v=UIDoaXPR8Zs. 137 Zie o.a. https://www.joodsmonument.nl/nl/page/678190/abraham-emanuel-sachs; https://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/zoeken/1969/dokkum-verzetsmonument; https://kampwesterbork.nl/images/Documenten/JAARVERSLAG_2019.pdf.

42

Dat het percentage vermoorde driekwart-Joden toch erg hoog was kwam vooral door het lot van alle acht kinderen Seijffers te Winschoten die in de oorlog vermoord werden. Dit gebeurde ondanks hun kennelijk niet-Joodse grootmoeder van moeders kant Beta Margaretha Gesine Sanders uit Tecklenburg. Ook hun half-Joodse moeder Hermine Friederike de Vries werd trouwens omgebracht. Een enigszins vergelijkbaar verhaal geldt voor de twee jonge kinderen Wertheim te Veendam, Marktstraat 48, (geboren in 1935 en 1940) die net als hun half-Joodse moeder Jacoba Schrijver in februari 1943 in Auschwitz vermoord werden, terwijl vader Martin Salomon Wertheim begin 1945 ergens in Midden-Europa overleed. Dit gezin – dat afscheid had genomen van het Joodse geloof – had alles gedaan om te ontsnappen. Ze schreven zich 12 november 1941 uit naar Groningen, echter doken vervolgens onder in Veendam, Boven Westerdiep, waar ze echter verraden en opgepakt werden. Andere personen waarvan bekend is dat ze vermoedelijk drie Joodse grootouders138 hadden, waren de zusters Annechien Kampijon te Nieuweschans (gehuwd met de niet-Joodse Roelf Mossel), Frouke Kampijon te Scheemda (gehuwd met de niet-Joodse Abel Stel) en de kinderen Bertha de Beer (geboren 1931) en Casper de Beer (geboren 1930) te Sappemeer (Noorderstraat 146). Allen overleefden de oorlog.

Bertha en Casper waren kinderen van Betje Klok (met een Joodse moeder), die weduwe was van de 30 maart 1940 overleden slager Abraham de Beer. Dat hun volledig Joodse vader al overleden was tijdens de Bezetting en dat hun moeder maar half-Joods was, zal ertoe hebben bijgedragen dat de beide driekwart Joodse kinderen ontsnapten aan de Holocaust. Hun tante Derkiena Klok te Winschoten, tot tweemaal toe gehuwd met Joden werd echter wel met haar man Hartog van Geuns in mei 1943 in Sobibor vermoord, net als haar dochter Bertha Geertje Meijer uit een eerder huwelijk met een Joodse man die dus ook drie Joodse grootouders had. Hun niet-Joodse grootvader Casper Klok, kleermaker te Winschoten, en Joodse grootmoeder Bertha Siemons zouden trouwens de oorlog in Winschoten wel overleven, net als de grote meerderheid van de gemengd gehuwden. De onduidelijkheid over het aantal Joodse grootouders kon soms, maar niet altijd overlevingskansen bieden. Een goed voorbeeld daarvan vormt het uit Duitsland gevluchte echtpaar Hermann Stein en Ruth Issen, die in 1936 vanuit Essen naar Oostwold onder Leek gekomen waren. Op 9 juli 1942 meldde de burgemeester van Leek aan de procureur-generaal te Leeuwarden dat zich die dag bij hem had vervoegd Hermann Stein, die als ‘halfjood’ vrijstelling had gekregen van het werken in kampen.

De burgemeester wilde weten of Stein dan ook weer manufacturen (textiel) mocht verkopen en een vervoermiddel gebruiken.139 Uiteindelijk werd Stein desondanks toch afgevoerd naar Westerbork. Op 21 december 1942 stuurde hij vanuit barak 62 te Westerbork een briefje aan de burgemeester met verzoek om toezending van de verklaring 'waarover ik vorige week met u gesproken heb, dat ik halfjood ben en mijn vrouw driekwart jood', met ook een verzoek om een uittreksel uit de Burgerlijke Stand voor hen beiden.140 Hij stuurde al eerder die maand op 3 december een telegram vanuit Westerbork ('Hooghalen-Oost') om de arische afstamming van zijn vader te bewijzen met papieren

138

Genoemd moet hier ook nog worden de overlevende Anna Caneel, wier moeder Mina Smilde als buitenechtelijk verwekt kind of half-Joods of zelfs niet-Joods was en in 1944 uit Westerbork ontslagen werd en de oorlog met haar moeder overleefde. Zie ook Appendix B. Anna had dus twee of drie Joodse grootouders. Ze is wel meegeteld in dit onderzoek bij de Joodse gemeenschap. 139 ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673, Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 1941-1944. 140 ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673, Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 1941-1944.

43

die via zijn zus moesten komen. De burgemeester heeft deze zus te Essen (Duitsland) daadwerkelijk meteen benaderd en tot spoed gemaand, door al 4 december haar een briefje te sturen.141 Het heeft allemaal niet mogen baten, daar Hermann Stein op 23 februari 1943 verder gedeporteerd werd uit Westerbork142 en uiteindelijk juni 1943 overleed in concentratiekamp Blechhammer in het huidige Polen. Zijn vrouw Ruth Issen die drie Joodse grootouders zou hebben gehad, werd ook gedeporteerd naar Westerbork. Zij zou de oorlog in de kampen overleven en stierf in 2000 in Amsterdam. Onder de personen met twee Joodse grootouders waren er echter – als alle gevallen bekeken worden – toch maar relatief heel weinig slachtoffers. Dit is de reden om deze niet mee te rekenen met de algemene telling van Joden in dit onderzoek, tenzij ze gehuwd waren met een Jood en daarmee onder de definitie van Joden van de Duitse bezetter vielen.143 Dit deel van de half-Joden werd wel degelijk genadeloos vervolgd. Genoemd zijn net al Jacoba Wertheim-Schrijver, Hermine Friderike Seijffers-De Vries en Derkiena van Geuns-Klok die overleden in Auschwitz met hun kinderen. De zuster van de laatste Betje de Beer-Klok overleefde het wel. Ook de zojuist genoemde Hermann Stein gehuwd een driekwart-Joodse vrouw werd dus vermoord.

Genoemd kunnen ook nog twee overlevenden worden, die claimden twee niet-Joodse grootouders te hebben van vaders kant, hoewel die vaders eigenlijk onbekend waren. Dat ging om de reeds eerder in hoofdstuk 3 genoemde Johanna/Hanna Meijer te Winschoten, geboren in 1918 in Ter Apel als dochter van de Joodse Julia Meijer (die zelf in 1942 in Sobibor werd vermoord). Zij huwde zoals gemeld in juli 1942 met de Joodse Aron Levie Gudema en beiden zouden de oorlog in kamp Westerbork overleven. Lazarus Salomon te Winschoten was in 1909 in Winschoten geboren als zoon van de Joodse Heike Salomon. Hij zou de zoon zijn van de niet-Joodse Rotterdammer Pieter Schonenberg (1888-1920), waar zijn moeder pas in 1914 mee trouwde. Hij overleefde de oorlog ook en trad direct na afloop in het huwelijk in Winschoten met een niet-Joods meisje. Behalve deze gevallen waren er nog de kinderen uit de reeds genoemde ruim twintig gemengde huwelijken die tenzij ze met een Jood trouwden, de oorlog op het Groninger platteland overleefden.

Tot slot is het goed om te kijken naar de leeftijds-karakteristieken van de Joodse overlevenden. We hebben al gezien dat de Joodse gemeenschap in de vijf huidige gemeenten in 1942 zeer vergrijsd was en relatief weinig kinderen en jongeren kende. Daarnaast was er van de oudere generaties een relatief groot deel ongehuwd. De vraag rijst dan of de overlevenden ook een representatieve afspiegeling vormen van deze Joodse gemeenschap.

141

ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673 Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 1941-1944. 142 https://www.tracesofwar.nl/sights/87977/Stolperstein-Hoofdstraat-241.htm. 143 Bij deze keuze speelt ook een rol dat het moeilijk bleek een volledig overzicht te krijgen van de personen met slechts twee Joodse grootouders in 1942. Dat komt omdat de op bevel van de Duitse bezetters opgemaakte lijsten in dit opzicht niet altijd compleet bleken. Zeer oude personen konden ontbreken waarvan niet altijd bekend was dat ze een Joodse ouder hadden, of ze waren om andere redenen bewust weggelaten van de lijst. Vaker ging het om de kinderen van gemengd gehuwden die gewoon niet opgegeven werden, en die doordat geboorten tot honderd jaar geleden onder de privacywetgeving vallen, niet meer altijd gemakkelijk te achterhalen bleken.

44

Grafiek 3: Overlevingskansen Joden Groninger Platteland naar leeftijd, 1942-1945 (procenten) 25

20

15

10

5

0 0-4

5-9

10-14 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64 65-69

70+

Grafiek 3144 maakt duidelijk dat voor geen enkele leeftijdscategorie in het onderzochte gebied op het Groninger platteland de overlevingskans hoger was dan 20 %. De overlevingskans voor kinderen, met uitzondering van zeer jonge kinderen was ver beneden de 10 %. Daarbij valt op dat oudere Joodse tieners nauwelijks een kans hadden om de oorlog te overleven. De beste kansen waren er nog voor de jonge volwassenen tussen de 20 en 40 jaar oud, met tussen de 15 % en 20 %. Voor oudere Joden vanaf 40 jaar liepen de overlevingskansen weer snel terug. Vanaf 55 jaar waren die kansen nog maar een minieme 6-7 %, terwijl van de Joden ouder dan 70 jaar er slechts 3 % de Holocaust overleefde.145 Deze oude mensen waren vrijwel kansloos tegenover de Duitse moordmachine.146

4.1. De terugkeer De laatste raadsvergadering van de gemeente Winsum vond plaats op 29 augustus 1941. De eerstvolgende na afloop van de oorlog was die van 22 november 1945, alhoewel de gemeente Winsum op 18 april al was bevrijd.147 De burgemeester memoreerde in deze vergadering dat ‘De Duitsche bezetting (…) zeer zwaar geweest [is] en voor Winsum in het bijzonder door de hevige razzia’s. Velen hebben hun leven gegeven. Het aantal gevallen Nederlanders is zeer groot. Ook Winsum heeft zijn slachtoffers. 26 personen zijn hier niet teruggekeerd, waaronder 14 Israëlieten. Staande worden deze slachtoffers herdacht.’ Duidelijkheid kwam er pas later. Van 24 september 144

Zie Appendix C voor de precieze cijfers. Vergelijk ook de overlevende Joden in de naburige gemeente Onstwedde. Ook daar vooral jongvolwassenen of van middelbare leeftijd, nauwelijks zeer oude personen, maar wel redelijk wat oudere tieners: Onderwater, Mobilisatie collaboratie liberatie, 149. 146 Opvallend is dat twee van de drie Joden boven de 70 jaar die het overleefden gemengd gehuwd waren, of geweest waren. De hogere overlevingskansen van volwassenen in vergelijking met kinderen wordt verder in beperkte mate verhoogd doordat hieronder natuurlijk gemengd gehuwden vielen. Dit verklaart het verschil in overlevingskansen echter maar ten dele. 147 ArHl, AgWi, inv.nr. 11. 145

45

1946 dateert een getypt memo van de burgemeester voor het hoofd van de Politieke Recherche Afdeling, district Groningen betreffende ‘Inlichtingen gedragingen S.D./Gestapo’, met een lijstje van inwoners die ten gevolge van de oorlog om het leven gekomen waren.148 Na elf (en potentieel dertien) niet-Joden volgen de in 1940 in de gemeente woonachtige ‘Israëlieten, die tot op heden niet zijn teruggekeerd’. Het waren er dertien, op vijf adressen. Eerst medio 1951 is een lijst opgesteld van dertien personen ‘van wie een kennisgeving van overlijden is ontvangen’, allen Joods.149 De Joodse gemeente in Winsum was in 1948 formeel opgeheven.150 Van de Winsumer Joden overleefde uiteindelijk niemand de oorlog. Elders waren er wel wat terugkeerders, al waren hun aantallen klein. We beperken ons hier verder tot de terugkeer van Joden die rond de tijd van de deportaties tot de Joodse gemeenschap gerekend kunnen worden. Doordat zo’n gigantisch groot percentage van de Joden in het gebied de oorlog niet overleefde, waren er natuurlijk ook een groot aantal erfgenamen die claims hadden op delen van de erfenis van deze vermoorde Joden. De precieze overlijdensdata speelden bij deze erfeniskwesties een grote rol, zodat steeds de volgorde van overlijdens tijdens de oorlog moest worden gereconstrueerd, om op die manier achteraf na te gaan, wie achtereenvolgens van wie geërfd had.

Daarbij speelde al dan niet gemeenschap van goederen ook een grote rol, omdat daardoor al dan niet ouderlijke erfenissen konden gaan naar schoonzoons en schoondochters, vervolgens konden hun erfgenamen weer rechthebbenden konden worden op die erfenissen. Bij elke ververving inde de Nederlandse overheid overigens opnieuw successiebelasting. Het verhaal van hun pogingen om op deze erfenis greep te krijgen laten we hier grotendeels buiten beschouwing, tenzij het gaat om door één van de gemeenten verworven onroerende goederen, wat aan bod komt in de hoofdstukken 6 tot en met 10. Een nog systematischer onderzoek zou misschien meer kunnen opleveren over het wedervaren van overlevende Joden direct na de bevrijding, vooralsnog kunnen we hier wel wat meer anekdotisch bewijs leveren dat ons onderzoek heeft opgeleverd.151 Het minst probleemloos was natuurlijk de situatie van de gemengd gehuwde Joden (bedenk een vijfde van het totale aantal overlevenden), waarbij het niet duidelijk is of die allemaal in onderduik hebben gezeten. In elk geval konden ze bij de bevrijding vaak meteen weer terugkeren in hun oude huis, als ze daar al niet waren blijven wonen. De oude weduwnaar Simon Benninga (1876-1959) uit Eenrum had ondergedoken gezeten bij het gezin van schoolhoofd Cornelis Theodorus Bergacker te Leens.152 Hij was postbode en tevens lid van de gemeenteraad van Eenrum.

Na de oorlog werd hij in oktober 1945 opnieuw geïnstalleerd als raadslid en vervolgens als wethouder en loco-burgemeester tot de verkiezingen van 1946. Bij zijn terugkeer vestigde hij zich weer in zijn oude huis Molenstraat 8, tesamen met zijn overlevende eerder in Haarlem wonende zuster Duifje Benninga (1877-1948), wier echtgenoot en twee kinderen vermoord waren. In 1946 vestigde zich op het adres ook zijn zoon Noach en diens jonge gezin. Bij het begin van de oorlog in mei 1940 woonde Noach Benninga (1909-1993) als chemisch analist in de stad Groningen en hij slaagde er toen in juist op tijd via de Afsluitdijk naar Engeland te vluchten met vrouw, kind en schoonmoeder. Van Engeland trokken ze naar Indonesië.

148

ArHl, AgWi, inv.nr. 1655. ArHl, AgWi, inv.nr. 823. Met blauwe pen als laatste toegevoegd is Dirk Johan Holsheimer, van wie de kennisgeving op 26 juli 1951 gedateerd is. Holsheimer was militair, zie ib., inv.nr. 1656. 150 Hamburger en Regtien, Een Joodse Erfenis in Winsum, 9. 151 Zie voor teruggekeerde Joden in de stad-Groningen o.a.: Van Hasselt, Uitgesloten, 141-192; Dommerholt en Van Donk, ‘Terugkeer, opvang en zorg’. 152 Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 54, 57. 149

46

Helena Frank – de vrouw van Noach Benninga – heeft een uitgebreid dagboek nagelaten.153 Daarin meldde ze het verschil in opvang tussen terugkerende Joden en terugkeerders vanuit Indië: ‘And there was a big difference: when Jews came back from the German camps they were neglected, didn’t get extra rations, help, nothing. But we, for half a year got double rations: two pounds instead of one and so on’. Echter over de opvang van haar schoonvader Simon Benninga was ze juist weer positief: ‘Opa Simon also got some special help. He had come back to the village, and the people there were happy to see him – they gave him a hot plate, which helped all of us warm our food. And the woman who had hidden him brought some things she had taken from the Nazis, so he’d have something in the house. He was one of the very few who had survived in the north of Holland, and the people there felt they should take care of him’. Helena Frank meldt ook dat ze van een vrouw wekelijks extra eieren kreeg en dat mensen met cadeautjes zoals aardbeien langskwamen. Enige jaren later vertrok Simon Benninga via Arnhem naar Amsterdam, vermoedelijk mede omdat hij vrijwel geheel zijn Joodse familie en vrienden in Groningen had verloren.

Zoon Noach Benninga vertrok met zijn gezin via Arnhem naar de Verenigde Staten van Amerika.154 In Ulrum werden de enige twee Joden, het kinderloze echtpaar Lewi van Geuns (1874-1942) en Rachel Cohen (1877-1942), in november 1942 afgevoerd en nog dezelfde maand in Auschwitz vermoord. Ze woonden aan het huidige pand Stationsweg 2. Na de oorlog woonde hun nicht Hendrine oftewel Hennie van Geuns nog enige tijd in het huis als erfgename. Afkomstig uit Ulrum, had zij in de stad Groningen gewoond, maar was in Niekerk (Zoutkamperweg 4) succesvol ondergedoken.155 Na de oorlog keerde Eva Denneboom-Nathans met haar dochters Saartje (Selma) en Hertha Denneboom naar Leek terug uit de onderduik. Haar man Herman en oudste dochter Duifje (Ducie) in Auschwitz en Bergen-Belsen omgekomen. Hertha schreef in een brief dat zij hulp van de gemeente hadden gekregen: ‘Het huis werd schoongemaakt (er zaten kippen in) en wij kregen meubels van NSB’ers’.

Het ging hier om hun woning boven de winkel – kledingmagazijn firma Denneboom – aan ’t Piepke 4.156 De Burgemeester en Wethouders van Leek keurden eind april 1946 nog een aanvraag voor het bouwen van een slaapkamer met geraamde kosten van ƒ 1.000,– goed.157 De broers Bram en Aron Gudema keerden met hun vrouwen Mimi Cohen en Hanna Meijer uit Westerbork terug naar Winschoten en hadden daar beiden een succesvol winkelbedrijf, respectievelijk een snoepwinkel en een slagerij.158 Slager Meijer Vleesblok en zijn vrouw Jeannette Klein uit Veendam overleefden ook in kamp Westerbork. Meijer ging al een paar dagen na de bevrijding van het kamp op de fiets naar Veendam. In zijn huis had na zijn deportatie het hoofd van de lokale Landwacht gewoond. Echter met de bevrijding was die er meteen uitgezet. Wel waren alle meubels weg. Meijer maakte het huis weer in gereedheid voor bewoning en kreeg linnengoed, servies en zilverwerk dat bij buren was ondergebracht weer terug. Jeannette was ernstig verzwakt, en keerde pas 13 mei met een ziekenauto terug, toen het huis weer enigszins bewoonbaar was. De slagerij werd weer opgestart,

153

http://simonbenninga.com/mystory.pdf, 73-74, 77. Zie ook Benninga, Oorlogsherinneringen. https://www.dewinsumsesjoel.nl/?page_id=9532. 155 https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/oorlog/95099-familie-van-geuns-oorlogsslachtoffers-uit-ulrum.html. 156 Zie Koops en Michel, ‘De familie Denneboom’, 32. 157 ArWk, AgLk, inv.nr. 1056, notulen B&W 1946, 8 april volgnr. 12 en 29 april volgnr. 3. 158 https://bevrijdingsportretten.nl/portret/de-familie-gudema/. 154

47

waarna de dorpsomroeper luidkeels in de straten van Veendam verkondigde ‘Meijer Vleesbok is terug, de slagerij is weer open!’159 Het echtpaar Simon de Beer (1893-1976) en Heika (Rika) van der Bergh (1901-1996) vonden mei 1945 bij hun terugkeer uit Westerbork een politieagent in hun huurwoning te Hoogezand. Ze kregen hun woning wel terug, maar ‘het leven [had] na 1945 voor Simon en Rika zijn glans verloren’. Hun beide zoons (geboren in 1922 en 1925) werden in de oorlog vermoord, en de hele Joodse gemeenschap van Hoogezand was gedecimeerd. In de eerste helft van de jaren vijftig verhuisden ze naar de stad Groningen.160 Over het uit onderduik in Hoogezand teruggekeerde echtpaar Bernard van Geuns en Henriette (Jet) Godfried161 meldde hun oomzegger Fred Minko (geboren 1951) dat er bij zijn bezoeken als student rond 1970 aan Hoogezand, ondanks de enorme verliezen in de familie, door oom en tante niet over de oorlog gepraat werd.162 Vermoedelijk was dit exemplarisch voor de wijze waarop het bij veel overlevenden toeging. De ondergedoken graanhandelaar Herbert Watermann en zijn vrouw Lientje Klein konden in eerste instantie niet in hun eigen huis Voorstraat 1 te Nieuweschans, want daar verbleef nog een NSBvrouw met haar kind.

Samen met zuster Ruth Watermann (1919-2015) en haar aanstaande echtgenoot woonden ze daarom in Hoofdstraat 13 te Nieuweschans.163 Toen Lientje het gebruik van haar huis bij de burgemeester van Nieuweschans opeiste, vertelde de laatste dat de vrouw in haar huis het ook moeilijk had. Pas nadat ze in woede ontstak – volgens Lientje’s eigen zeggen later aan haar dochters – liet de burgemeester hun woning ontruimen. De wederopbouw van de graanhandel was ook lastig, omdat de ‘verwalter’ (beheerder) alle machines kapot geslagen had, en diens graansilo door een Duitse brandbom was verbrand. Geldgebrek maakte het in de eerste instantie moeilijk voor Herbert Watermann, ook omdat zijn oude bank hem geen geld wilde lenen, maar gelukkig kon hij dat wel bij enige boeren. Een andere overlever – Maurits Leo de Levie – werkte trouwens voor hem. Pas op 30 juli 1945 kwamen de naar Zwitserland gevluchte Abraham Salomons en Judik Wolff terug in Winschoten met een taxi vanuit de stad Groningen. Ze werden hartelijk ontvangen door de overlevende familie Hart (Jezaias Hart en Rachelina Meika Cohen). Hun overlevende dochter Grietje Bertha Hart was gehuwd geweest met een broer van Judik Wolff (deze Jacob Wolff overleed in concentratiekamp Dachau 4 februari 1945).

Op de laatste bladzijde van zijn dagboek beschrijft Abraham de Wilhelminastraat bij zijn terugkeer: ‘Een troostelooze vervallen groep gebouwen. Het gras staat meter hoog. De Sjoel dicht getimmerd. Joden niet te zien. Huizen van de familie door vreemden bewoond. We voelen ons vreemden. Er zijn ± 20 Joden terug (van de ± 500!) ’t is hier akelig leeg!’ Het woonhuis van zijn ouders dr. D. Bosstraat 1 ‘wordt netjes bewoond’. Echter het winkelpand van zijn ouders in de Wilhelminastraat was ‘een chaos. Wonen twee familie’s. Eén goed, de ander politiek verkeerd. Hier willen we wonen, naast de zaak. Deze is geheel leeggeroofd. Er is niets meer. Het zal veel geloop achter de diverse bureaux worden om een woning etc. te krijgen. Maar we hebben moed, en zullen dus beginnen.’ Jammer genoeg eindigt hiermee het dagboek zodat we niet verder rechtstreeks ingelicht worden over hoe Abraham en Judik hun bestaan weer opbouwden in Winschoten.164 159

https://westerborkportretten.nl/bevrijdingsportretten/meijer-jeanette. Blijkens het kadaster, en in tegenstelling tot de in een voorgaande noot genoemde website. 161 Zie ook paragraaf 3.1 tot en met 3.3. 162 Menko, ‘De oorlogsgeschiedenis van mijn joodse familie’, 16. 163 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Westerwolde, 212-214. 164 https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=18&miadt=298&miaet=1&micode=244&minr=1240584&miview=ldt. 160

48

Diverse Joodse overlevenden keerden echter helemaal niet terug, zoals de niet uit Groningen afkomstige familie Drukker te Winschoten, die zich vestigde in Amsterdam na terugkeer uit Theresienstadt. Enkele Joden bleven ook maar korte tijd in het gebied na de oorlog, zoals Henriëtte (Hetty) Hertzberger (1916-1985). Zij was een verpleegster uit Amsterdam die in juni 1940 trouwde met de Winschoter groothandelaar Olbert de Beer. Eerst woonden ze bij zijn ouders in het huis Langestraat 51, maar op 1 mei 1941 betrokken ze een huurhuis Burgemeester Venemastraat 10.165 Volgens haar persoonskaart werd Henriëtte op 31 augustus 1942 gedeporteerd naar Westerbork, waar ze later werd herenigd met haar echtgenoot Olbert de Beer. Beiden werden april-mei 1944 naar Theresienstadt gedeporteerd. Haar man overleed volgens de Burgerlijke Stand op 30 september 1944 ergens in Midden-Europa. Henriëtte werd op 8 mei 1945 bevrijd uit kamp Gross-Rosen en wist naar Winschoten terug te keren op 23 juli 1945. Daar vestigde ze zich in eerste instantie in een buurwoning van haar oude huis, namelijk Burgemeester Venemastraat 12, maar vertrok op 5 december naar Langestraat 51. Olberts ouders waren al op 7 mei 1943 te Sobibor vermoord, en omdat hij enig kind was, had Henriëtte als diens erfgenaam denkelijk recht op dit huis, dat door de NGV tijdens de oorlog niet verkocht was.

Veel had ze echter in Winschoten niet te zoeken, daar de hele familie dood was. Zodoende vertrok ze op 24 april 1946 naar haar geboorteplaats Amsterdam, waar ze spoedig weer in het huwelijk trad. Het huis Langestraat 51 te Winschoten verkocht ze uiteindelijk pas rond 1965. Naar elders vertrokken Joden hadden zoals gemeld meer kans om te overleven. Zo was Simon Wijnberg te Rotterdam, samen met zijn nog met zijn gezin in Winschoten wonende broer Mozes Wijnberg en zijn zuster Betje Boekbinder-Wijnberg te Assen eigenaar van tientallen huizen in Winschoten. Zij waren veruit de belangrijkste Joodse huizenbezitters daar. Als enige overlevende erfde Simon Wijnberg (1898-1989) al deze huizen, waarvan een groot deel tijdens de oorlog verkocht waren. Echter een flink aantal huizen was aan het eind van de Tweede Wereldoorlog nog onverkocht en stond nog steeds op naam van de familie Wijnberg. Het is moeilijk een algemene conclusie te trekken over de opvang van de weinige teruggekeerde Joden op het Groninger platteland. Er zijn verhalen waar sprake is van steun vanuit de samenleving en ook vanuit de gemeente. Daartegenover staan voorbeelden van een moeizame start voor overlevenden, waarbij weinig compassie doorschemert met de nachtmerrie die deze mensen drie jaar of langer hadden moeten doorstaan.

Zelfs wordt in plaatsen als Sappemeer en Slochteren melding gemaakt van enige voorvallen van naoorlogs antisemitisme.166 Cynisch is het zelfs te noemen, dat de Nederlandse overheid de bezittingen van het gemengd gehuwde echtpaar Herwegh te Sappemeer vanwege hun Duitse nationaliteit trachtte te confisqueren als vijandelijk vermogen.

165

ArOa, AGW, persoonskaarten; https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/Olbert-de-Beer/02/8370; https://www.joodsmonument.nl/nl/page/120402/olbert-de-beer; Kadaster Archiefviewer (KaVW). 166 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 172.

49

5. Geroofde Joodse onroerende goederen en het rechtsherstel na de oorlog (Richard Paping, Owen Duijvendak, Daniël Broersma)

5.1. Ontrechting tijdens de oorlog In Nederland gold bij de aanvang van de Duitse bezetting in mei 1940 het zogenaamde Landoorlogreglement uit 1907 en de daarop gebaseerde ‘Aanwijzingen betreffende de houding, aan te nemen door de bestuursorganen van het Rijk, de provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders, alsmede het daarbij in dienst zijnde personeel en door het personeel in dienst bij spoor- en tramwegen in geval van een vijandelijke inval’ uit 1937. Artikel 20 meldt dat de bevolking het recht heeft in haar woningen te verblijven, al kan de vijand de woonruimte beperken, tenzij in zeer bijzondere gevallen. Artikel 23 bepaalt dat particulier eigendom niet verbeurd mocht worden verklaard.167 Echter op 11 januari 1942 bepaalde de zeer volgzame Hoge Raad dat verordeningen van de bezetter van Nederland niet getoetst mochten worden aan dit Landoorlogreglement. Dit besluit van de Hoge Raad gaf alle ruimte aan de Duitse bezetter, om de ontrechting van Joden wat betreft hun onroerend eigendom door te zetten. Daarbij werd nog lang getracht een schijn van wettigheid op te houden. Joods eigendom moest steeds eerst aangemeld worden, waarna het via een systeem van beheer feitelijk aan de Joodse eigenaren onttrokken werd. De administratie werd door anderen gevoerd. Ten slotte kon er overgegaan worden tot de verkoop van deze beheerde goederen.

Een basis voor dit alles werd gelegd door de al eerder genoemde belangrijke verordening VO 6/1941 van 10 januari 1941, op grond waarvan iedereen die geheel of gedeeltelijk van ‘joodse bloede’ was zich moest registreren. Eerder al was sprake van VO 26/1940 ‘Verordening Vijandelijk Vermogen’ van 20 Juni 1940. Ieder persoon welke op vijandelijk gebied verbleef kon van zijn eigendommen worden beroofd. Onder dit gebied vielen onder meer Palestina en de Verenigde Staten. Dit betekende dat enkele Joodse eigenaren al voor de registratieplicht van VO 6/1941 van het recht op hun bezittingen werden ontdaan. Dit waren binnen het onderzoeksgebied onder anderen Martinus Folquinus Hart en Markus Knorringa. Genoemd moeten ook worden: VO 145/1940 volgens welke verenigingen en stichtingen en VO 189/1940 volgens welke ondernemingen administratief aangegeven moesten worden. VO 41/1941 van 28 februari 1941 gaf de mogelijkheid verenigingen en stichtingen te ontbinden, waarbij deze onder meer gericht was op de eigendommen van Israëlische religieuze en liefdadigheidsorganisaties. Het beheer over deze Joodse goederen werd gevoerd door de Commissaris voor niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen. Deze Commisaris was in 1940 aangesteld door het nationaalsocialistische bewind om het religieuze, politieke en verenigingsleven in Nederland onder controle te brengen.

Doelstellling was dat dit Joodse bezit werd geliquideerd, waarbij het onroerend goed soms in bezit kwam van de gemeenten. Voor het onderzoeksgebied zijn echter van zulke gemeentelijke verwervingen in deze beginperiode geen voorbeelden gevonden. Belangrijk is hierbij is te bedenken dat – zoals gemeld in hoofdstuk 3 – door de Duitsers in 1941 ondertussen de gemeenteraad buiten werking was gesteld gesteld, waardoor de burgemeester in feite de taak van de gemeenteraad overnam. Hierdoor kreeg de burgemeester feitelijk de volledige beslissingsbevoegdheid inzake zaken die de gemeente betroffen, al bleven ook de wethouders aan.

167

Deze en de volgende twee alinea’s zijn vooral gebaseerd op: Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 2127.

50

Wel moest er verantwoording afgelegd worden aan de Commissaris der Provincie, vanaf voorjaar 1942 Staargaard. In dezelfde periode werden door de Duitse bezetter tevens Instituties gecreëerd om Joodse eigendommen te gaan beheren. Zo zorgde VO 148/1941 van 8 augustus 1941 ervoor dat de Amsterdamse Joodse bank Lippmann, Rosenthal & Co (Liro) werd omgezet in een plek waar geroofde Joodse eigendommen bewaard en waar vanuit deze verkocht werden. Het werd een zogenaamde roofbank met als doel Joodse eigendommen in geld om te zetten. Diegenen die door de Duitse bezetters als volledig Joods waren gedefinieerd moesten hun contante geld en banktegoeden en dergelijke storten op een rekening van de Liro, waar ze in de praktijk echter niet over mochten beschikken. In eerste instantie beperkte deze maatregel zich tot rijke Joden. Echter een tweede Liroverordening van 21 mei 1942 strekte zich uit over alle Joodse burgers van Nederland, waarbij alles wat maar enige financiële waarde had moest worden ingeleverd bij de bank. Het slotstuk kwam toen vanaf 1 januari 1943 het grootste deel van alle Joodse rekeningen samengevoegd werd tot één verzamelrekening, zodat de oorsprong van het geld ook nauwelijks meer viel na te gaan.

Deze samenvoeging gold overigens niet voor gemengd gehuwde Joden, die werden ontzien.168 Het is niet onbegrijpelijk dat Joden van alles probeerden om deze onteigening van hun waardepapieren en geld te voorkomen. Een voorbeeld daarvan blijkt uit een brief die advocaat Polak in 1948 zond aan de burgemeester van Midwolda.169 Hij meldde dat hij van W. Nanninga te Winschoten, bewindvoerder van de familie Hart te Oostwold te horen had gekregen, dat deze familie gelden aan de burgemeester of ‘een der ambtenaren der secretarie’ had gegeven, ‘zulks om een en ander aan de Duitse greep te onttrekken’. Hij wilde in verband met rechtsherstel weten wat ’omtrent deze gelden bekend is’. Burgemeester Klaas Ausma – die pas in april 1944 werd ontslagen en vervangen door een waarnemend NSB-burgemeester – reageerde daarop met een schrijven van 24 mei 1948 waarin hij aangaf dat hij dit bedrag van ƒ 5.800,– op 19 maart 1943 aangetekend aan de ‘Ausstellenleiter der SS und SD te Groningen’ had gestuurd. Er is verder jammer genoeg geen correspondentie over deze zaak te vinden in het gemeentearchief Midwolda, maar er blijft de suggestie dat de na de oorlog opnieuw geïnstalleerde burgemeester wel heel gemakkelijk tegen de zin van de familie Hart dit bedrag aan de Duitse bezetters heeft gezonden.

De roof van particulier Joods onroerend goed werd in gang gezet met de Landwirtschaftsverordnung van 27 mei 1941 (VO 102/1941) tot ‘verwijdering van joden uit het agrarische bedrijfsleven’.170 Deze verordening stelde dat alle landbouwgronden van Joden en Joodse bedrijven aan niet-Joden moesten worden verkocht vóór 1 september van dat jaar 1941, en nog binnen het kalenderjaar moest worden overgedragen. In aanmerking als kopers kwamen in eerste instantie vooral huurders en pachters van de betreffende landbouwgrond of boeren die aangrenzende percelen bezaten. De regionale pachtbureaus (de latere grondkamers) waren hier medeverantwoordelijk voor. Transacties dienden te verlopen via deze pachtbureaus en moesten worden goedgekeurd door het hiertoe ingestelde overkoepelende Bureau voor de Goedkeuring van overdracht van Joodse landbouwgronden.171 Per provincie zijn dossiers van de gedwongen verkoop aangelegd, welke door Serge Ter Braake in een database zijn verwerkt.172 De opbrengsten van deze verkopen gingen naar de Vermögensverwaltungs und Rentenanstalt (VVRA), een organisatie waar de geroofde bezittingen van grotere Joodse bedrijven werd beheerd. 168

Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 30-32. ArOa, AgMw, inv.nr. 1113, met dank aan Mireille Oosterlaar. 170 Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 33. 171 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel van geroofd Joods onroerend goed, 13-14. 172 Zie: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/348674/joodse-eigenaars-van-landbouwgronden. Bewerking van: NA, Directie van de Landbouw: Grondzaken en Pachtzaken, inv.nrs. 109-123. 169

51

Gezien de gebruikelijke beroepen van de Joden in het onderzoeksgebied (koopman, slager) was de hoeveelheid Joods landbouwgrond zelfs in de provincie Groningen tamelijk beperkt. Al kwam het wel voor dat wat meer gefortuneerde Joden stukken land bezaten. Ook waren er rijke Joodse stedelingen die soms enig land bezaten op het Groninger platteland. Omvangrijker en iets waardevoller was het niet-agrarische Joodse bebouwde grondbezit met huizen en dergelijke. Volgens VO 154/1941 van 11 augustus 1941 moest alle Joodse grond en daarop staande bebouwing vóór 15 september aangemeld worden bij de zogenaamde Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), gevestigd in Den Haag. De NGV was een door de nationaalsocialistische bezettingsautoriteit opgerichte instelling met als doel de toe-eigening van Joods onroerend goed. Deze aanmelding gold ook voor erfpachten, hypotheken en andere rechten waarmee grond bezwaard kon zijn. Dit NGV zou in vervolg het beheer hierover voeren en van dit beheer zou aantekening worden gemaakt in de kadasterregisters.173 Daarbij kreeg de NGV het recht om de Joodse onroerende goederen te verkopen.

De opbrengsten van verkopen en van aflossingen van hypotheken gingen opnieuw naar de VVRA, terwijl de opbrengsten van renten en huren van het onroerend goed overgeboekt werden naar de Liro.174 In de praktijk betekende dit dus dat de Joodse eigenaren iedere greep op hun eigendom kwijt waren en er ook geen enkel voordeel meer uit konden trekken. De Nederlandse Joden waren daarmee dus volledig beroofd van hun onroerend goed, al werd dit nog enige tijd overgoten met een semilegaal sausje door de overboeking van de baten naar de VVRA en de Liro. In een aantal plaatsen werden er verwalters aangesteld, die gemachtigd werden zorg te dragen voor de beheer en verkoop van de geroofde Joodse eigendommen. In de stad Groningen gebeurde dit door een zogenaamde Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen (ANBO), in dit geval dus ANBO-Groningen, geleid door de in Veendam geboren stad-Groninger makelaar Koeno Hamminga (1892-1968). De feitelijke verkoop van de Joodse eigendommen ging trouwens gepaard met nogal wat formaliteiten. Onder meer moest de afgesproken prijs worden goedgekeurd, omdat de overheid de huizenprijzen onder controle wilde houden.

Dit creëerde natuurlijk wel de mogelijkheid dat onderhands extra bedragen werden betaald ten voordele van de lokale beheerders.175 Te Slaa meldt dat, in elk geval in eerste instantie, de verwalter Hamminga in Groningen grote tegenwerking ondervond van de bevolking. De meeste verkopen vonden plaats in 1942 en 1943, omdat in de loop van 1944 steeds duidelijker werd bij mensen dat Duitsland de oorlog zeker zou verliezen en dat de verkoop van Joods onroerend goed vermoedelijk iedere rechtsgrond mistte. Zoals we in paragraaf 5.2 zullen zien, gold dat ook voor de hier onderzochte gemeenten op het Groninger platteland. Uit een studie betreffende Den Haag blijkt dat de verkoop van Joodse panden niet zelden problemen met zich meebracht, en dat veel potentiële kopers principiële bezwaren hadden tegen een dergelijke koop, waarbij nogal eens tussenhandelaren werden ingezet, zodat het niet meteen duidelijk was dat het om ‘voormalig’ Joods eigendom ging. Veel Joods bezit werd dan ook uiteindelijk niet verkocht, wat opnieuw ook het geval blijkt op het Groninger platteland. Ook blijkt dat de NGV/ANBO ondanks

173

Voor een vijftal gemeenten waaronder Winschoten zijn de verzoeken van het NGV aan het Kadaster bewaard gebleven op kaarten, waaraan ook allerhande extra informatie is toegevoegd. Gemeld: Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 57: ‘Verzoeken van de NGV om inschrijving in de registers van het Kadaster van onder beheer gestelde Joodse percelen of verkoop daarvan aan niet-Joden, met af en toe aantekening op de stukken van naoorlogs rechtsherstel 1941-1944’: NA, KADNBI, inv.nr. 54-59. 174 Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 36-37. 175 Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 38, zie ook p. 45.

52

de beschikbare fondsen slecht was in het betalen van grondbelasting, straatbelasting en verzekeringspremies.176

5.2. De roof van Joodse goederen op het Groninger platteland Als eerste zijn – zoals we eerder zagen – de landbouwgronden in eigendom van Joden verkocht. Hoewel de bedoeling was dat de verkoop plaatsvond voor 1 september 1941 en de overdracht voor 1 januari 1942, was dit in de praktijk nauwelijks het geval. De meeste formele verkopen vonden plaats gedurende de eerste helft van 1942, vooral in de beginmaanden. Van de latere verkopen van landbouwgrond in de tweede helft van 1942 is het opvallend dat het in drie gevallen aankopen van gemeenten betreft, namelijk Leens en twee keer Winschoten (zie daarvoor uitgebreid de hoofdstukken 6 en 9). In totaal was de opbrengst van de 451 hectare verkochte landbouwgrond 0,9 miljoen gulden, oftewel 1.998 gulden per hectare.

Tabel 10. Eerste verkoopdata van tijdens de oorlog verkochte geroofde Joodse landbouwgronden in het onderzoeksgebied. Geen verkoop

2e helft 1941

1e helft 1942

2e helft 1942

Totaal verkoop

Het Hogeland Midden-Groningen Oldambt Veendam Westerkwartier

1

6

5 4

1

13 11 33 1 11

24 11 37 1 12

Totaal

4

7

69

9

85

3

Aan de hand van de analyse van de gevallen in de Verkaufsbücher waarin de verkopen van Joods bezit werden geadministreerd – aangevuld met een klein aantal oorlogsverkopen die we daarnaast nog op het spoor gekomen zijn – kan een beeld gegeven worden van wanneer de Joodse huizen verkocht zijn aan oorlogskopers (tabel 11). Bedenk daarbij dat het in sommige gevallen gaat om meerdere huizen die tegelijk verkocht werden, of om meerdere woningen in één gebouw. Het verdere archiefonderzoek naar de gevallen vermeld in de Verkaufsbücher maakt ook duidelijk, dat een klein deel van de daar vermelde verkopen niet daadwerkelijk geëffectueerd zijn. Deze verkopen zijn dan hier ook niet meegenomen. Ter volledigheid hebben we ook de ons bekende Joodse panden toegevoegd waar geen oorlogsverkoop van plaatsvond.177 Dit alles zorgt ervoor dat de getallen in tabel 11 voor de gemeenten veelal iets afwijken van de vermelde items in de Verkaufsbücher (zie daarvoor tabel 9).

176

Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 53-56. Begraafplaatsen e.d. hebben we niet in de tabel meegenomen, hoewel op sommige begraafplaatsen wel degelijk bebouwing kon staan. 177

53

Tabel 11. Eerste verkoopdata van tijdens de oorlog verkochte geroofde Joodse panden in het onderzoeksgebied. Geen verkoop Het Hogeland Midden-Groningen Oldambt Veendam Westerkwartier

4 17 53 13 8

2e helft 1942

49 1

1e helft 1943

2e helft 1943

1e helft 1944

7 16 15 16 13

12 8 11 8 7

2 5 8 2

2e helft 1944

1

Totaal 95 50 67 46 17 1 Toelichting: Aantallen geven transacties aan, die soms meerdere panden omvatten. Joodse begraafplaatsen zijn buiten beschouwing gelaten. Geen verkoop betreft minima.

Totaal verkoop 21 29 83 28 20 181

Uit tabel 11 wordt duidelijk dat hoewel de door ons opgespoorde niet verkochte Joodse panden minima betreffen, zeker meer dan 30 % van de onder beheer van de NGV gestelde Joodse panden tijdens de oorlog niet verkocht zijn.178 Opmerkelijk is de voortvarendheid waarmee in het Oldambt (lees Winschoten) de verkoop vrijwel meteen in september 1942 werd begonnen. In de periode 22 september 1942 tot 19 januari 1943 vonden er in het Oldambt 54 dergelijke transacties plaats. Daarbij moet aangetekend worden dat we hierbij uitgaan van de eerste datum dat in de Verkaufsbücher sprake is van een dergelijke aankoop. De definitieve verkoop door middel van een formele notariële akte vond veelal enige maanden later plaats, omdat er nog door diverse instanties toestemming voor moest worden gegeven. Bedacht moet worden dat deze vroege verkopen plaatsvonden, terwijl het overgrote deel van de Joden nog niet, of slechts kort ervoor gedeporteerd was uit Winschoten. Heel veel van deze eerste akten werden afgesloten door de beruchte Groninger NSB-notaris en SS-lid Jan Geert van Russen (1893-1958).179 Echter hij was zeker niet de enige notaris die actief was in de formalisering van de verkoop van geroofd Joods onroerend goed. Meer dan vijf keer komen in het onderzoeksgebied in de Verkaufsbücher de notarissen S.J.W.

Nijhoff te Groningen (21) en Age Hendrik Ages te Leens (7) voor, terwijl vele notarissen één tot vijf dergelijke akten passeerden. Nijhoff was alleen in Winschoten actief, terwijl Ages alleen betrokken was bij de zeven aankoopakten van de door Jan Kooi in Leens gekochte Joodse huizen (zie voor hem paragraaf 5.2). Ages meldde later zelf overigens deze akten getraineerd en uiteindelijk helemaal niet gepasseerd te hebben (zie paragraaf 9.3). De overige notarissen vallen in elk geval allemaal in het niets bij de 122 transacties waarbij de in Oude Pekela geboren Van Russen betrokken was. Gezien dat bij 180 transactie in het

178

Dit percentage is volgens de tabel zelfs 34 %, echter er moet wel opgemerkt worden dat bij de verkooptransacties soms meerdere woningen betrokken waren, terwijl dat bij de onverkochte panden maar zelden het geval was. 179 Zie voor hem o.a. Nieuwsblad van het Noorden, 28 september 1948. In zijn proces werd onder meer het volgende over hem geschreven: ‘tenslotte trok hij aanzienlijke voordelen uit de Duitse terreur, door talloze akten te passeren waarbij op onrechtmatige wijze eigendom van Joden werd overgedragen’.

54

onderzoeksgebied de notaris vermeld werd, was notaris Van Russen verantwoordelijk voor meer dan tweederde van die akten.180 Buiten het Oldambt lag het zwaartepunt van de verkopen van Joodse huizen vooral in de eerste helft van 1943, in het bijzonder in de huidige gemeenten Midden-Groningen, Veendam en Westerkwartier. De aantallen liepen al weer terug in de tweede helft van 1943. Een uitzondering vormde de gemeente het Hogeland waar het grootste aantal verkopen plaatsvond in de tweede helft van 1943, wat mede kwam door de aankoop van alle Winsumer Joodse huizen in die periode door Johannes Hendrik Haverkamp (zie paragraaf 5.5). In totaal ging het bij de door de Duitse bezetters georganiseerde verkoop van Joodse panden en dergelijke in het onderzoeksgebied om een bedrag van 1,08 miljoen gulden verkoopopbrengst. Het is een bedrag dat moeilijk in hedendaagse euro’s is uit te drukken. In het bijzonder de waarde van onroerend goed is in de jaren vanaf de Tweede Wereldoorlog enorm in prijs gestegen. Het goedkoopste verkocht was een huisje van Hindrikje Gans in Uithuizen voor de uitzonderlijk lage prijs van ƒ 160. Overigens is hiervoor geen indicatie voor rechtsherstel gevonden na de oorlog (zie hiervoor paragraaf 5.4). Daarna volgden een aantal huizen te Winsum, Leens (de synagoge!), Winschoten en Muntendam in de prijsklasse van ƒ 600 tot ƒ 800.

Grafiek 4: Aantal verkooptransacties Joodse panden in het onderzoeksgebied per maand, juli 1942 - juli 1944 30 25 20 15 10 5 0 juli 1942

jan 1943

juli 1943

jan 1944

juli 1944

Grafiek 4 maakt duidelijk dat het aantal transacties betreffende Joodse panden verminderde vanaf eind 1942, al waren er nog steeds verkopen in de eerste helft van 1944. Toen het steeds duidelijker werd dat Nazi-Duitsland de oorlog gingen verliezen, door ontwikkelingen aan het Oostfront, maar vooral ook door de geallieerde landing in Normandië, kwam er vrijwel geheel een eind aan de verkopen. Vermoedelijk werden mensen steeds huiveriger om deze aankopen te doen, want uit tabel 11 wordt wel duidelijk, dat er bij het NGV en de ANBO nog een flinke hoeveelheid Joodse huizen te

180

Zie voor hem ook: Duijvendak en Van der Poel e.a., Lege plekken, 71. Van Russen wordt overigens niet met naam genoemd in de tekst door Schütz, Het Nederlandse notariaat en de oorlog, die echter wel uitgebreid de rol van notarissen in en kort na de oorlog behandeld, wat betreft de verkoop van Joods onroerend goed.

55

koop stond rond die tijd. Op belangrijke individuele oorlogskopers zullen we in de volgende paragraaf kort ingaan.

5.2.1. De oorlogskopers Veel oorlogskopers kochten maar één of hoogstens twee Joodse eigendommen als we naar de naamlijsten kijken van oorlogskopers weergegeven in Appendix F. Zesmaal zijn bij transacties gemeenten betrokken. Dit betreft Winschoten, Hoogezand en Leens, waar uitgebreid op ingegaan wordt in de desbetreffende hoofdstukken 6, 8 en 9. Het is ondoenlijk de particuliere oorlogskopers hier allemaal individueel na te gaan. Daarom zullen we hier ons eerst richten op een aantal bijzondere gevallen en daarna op enige personen die bijzonder actief waren in de oorlog bij de aankoop van Joodse panden. Het is om te beginnen interessant om erop te wijzen dat sommige oorlogskopers directe familieleden waren. Zo werd het huis te Overschild van de gemengd gehuwde Noach Salomon Cohen (1881-1957) in februari 1944 verkocht aan zijn in 1913 geboren zoon Gerrit Cohen. Het huis te Muntendam van de gemengd gehuwde – maar desondanks vermoorde – Jakob Schrijver (1877-1942) werd in mei 1944 gekocht door zijn in 1905 geboren zoon Simon Schrijver. Een ander voorbeeld om op deze wijze een huis in de familie te houden is de verkoop in augustus 1943 van Veendam, AE Kade 5 door de gemengde gehuwde Abraham Sally van Dam (1897-1960) aan zijn onvolwassen in 1929 geboren zoon Philip Frits van Dam.

Nog verder ging de gemengd gehuwde Dirk Maurits de Leve (1910-1988), wiens huis in Wildervank ook in augustus 1943 door zijn in 1941 geboren dochter Marijke Louise de Leve werd aangekocht. Als half-Joden liepen deze kinderen als kopers geen risico om hun eigendom kwijt te raken.181 Behalve dat de oorlogskopers directe familie waren, kan er bij de oorlogskoop ook anderszins sprake zijn van een verkoop waarbij sprake zou kunnen zijn van goeder trouw. Dit wordt althans geclaimd in het geval van een aankoop door de gemeente Leens (zie paragraaf 9.3). Een ander mogelijk voorbeeld – waaruit echter vooral blijkt dat bronnen elkaar op details gemakkelijk tegen kunnen spreken – betreft de eigendommen van Salomon Cohen en zijn vrouw te Martenshoek.182 Zijn vroegere leerjongen Jacob Lenting vertelde veel later in een interview dat slager Cohen bevriend bleef met de familie Oldenburger te Kiel-Windeweer, ondanks dat Oldenburger lid was van de NSB. Salomon Cohen zette zijn bezit aan land op naam van Oldenburger en gaf ook zijn sieraden bij hem in bewaring.183 Het echtpaar Cohen overleefde de oorlog ondergedoken in Kropswolde. Zij kregen na de oorlog hun bezittingen terug, waarna Salomon Cohen zelfs succesvol pleitte om de Oldenburgers eerder vrij te krijgen.

Dit verhaal vinden we in 1947 vrijwel gelijkluidend terug in de krant, maar daar is sprake van dat Oldenburger dit land niet van Cohen, maar van ene Landeweer kocht. Echter hij deed dat in opdracht van Cohen, die het land na de oorlog dan ook kreeg.184 Opgemerkt moet ook worden dat een paar oorlogsburgemeesters particulier actief geweest zijn als kopers van Joods onroerend goed. Addo Paul Hovinga kocht Noorderstraat 45 te Midwolda, 181

Overigens vond ook in deze drie gevallen gewoon rechtsherstel plaats na de oorlog. Van Hout en Jonker, ‘Het verhaal van Jacob Lenting’, 5. 183 De Noord-Ooster, 3 mei 1947; Winschoter Courant, 5 mei 1947. 184 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 171, melden overigens ten onrechte dat voor Salomon Cohen het proces van rechtsherstel van zijn verkochte slagerij zo lang duurde, dat hij in de tuin maar een nieuw huis liet neerzetten. Echter de kadastrale gegevens laten zien dat zijn huis helemaal niet verkocht werd in de oorlog, dus wellicht betreft het een probleem met een huurder-bewoner. Wel wordt er inderdaad volgens de kaartjes een huis in de tuin gebouwd op kadasternummer K358. 182

56

kadastraal bekend als B1550 en eerder eigendom van Jacob Oudgenoeg. Addo Paul Hovinga was namens de NSB burgemeester van Scheemda tussen 1942 en 1945, en van Midwolda tussen 1944 en 1945. Jacobus Esso Oterdoom, tussen 1942 en 1945 NSB-burgemeester van Finsterwolde, kocht Dr. D. Bosstraat 1 te Winschoten, kadastraal bekend als F8103. Ook Ido Gerhardus Timmer, NSBburgemeester van Bedum in de periode 1944-1945, kocht trouwens Joods eigendom, maar dan in Ten Boer aan de Gaaykingastraat buiten het onderzoeksgebied, kadastraal bekend als A1882. In al deze gevallen heeft later administratief rechtsherstel plaatsgevonden.

De allergrootste opkoper van Joodse huizen in Winschoten was Aeilko Haijenga (1898-1962), strohandelaar en caféhouder te Heiligerlee. Volgens krantenartikelen van rechtbankverslagen was hij sinds 1933 lid van de NSB en actief geweest in diverse Duitsgezinde organisaties, zoals het Vervoersfront, de Volksdienst, het Economisch Front en Winterhulp. Hij kocht in totaal 18 huizen van Joden ter waarde van ƒ 125.000,–, waarvan hij er één aan de Emmastraat als kringhuis gratis aan de NSB in gebruik had gegeven.185 In maart 1947 werd hij vrijgelaten uit de naoorlogse internering in Westerbork, maar verloor in november voor straf zijn kiesrecht voor tien jaar en hij kreeg een enorme boete van ƒ 50.000,–. Een opmerkelijke oorlogskoper in Winschoten is Pietronella Oostindier, de vrouw van de op 29 juli 1944 overleden Jakobus Udes, een voormalige landbouwer. In september 1942 kocht ze schijnbaar op haar eigen naam (ze was immers nog geen weduwe) drie huizen van Joden aan te Winschoten aan de Blijhamsterweg (waar ze zelf woonde) en aan de Liefkensstraat, samen voor ƒ 11.450,–. Ze was daarmee qua tijd formeel de eerste oorlogskoper in Winschoten die het een goed idee vond om van Joden geroofde huizen aan te kopen.

Na de oorlog werd zij ervan beschuldigd in oktober 1943 verschillende personen onder ‘fraaie voorwendselen’ met succes bewogen te hebben tot dienstneming in de Duitse Kriegsmarine, waarvan er één uiteindelijk is overleden.186 Door haar buurvrouw werd ze gedurende het proces een fanatiek propagandiste van de nationaalsocialistische Winterhulp genoemd, die ‘reeds direct bij de inval der Duitsers met hen heulde’. Tijdens de zittingen van haar rechtszaak had ze eind 1947 nogal wat woede-uitbarstingen, waarna ze psychiatrisch onderzocht werd en toch toerekeningsvatbaar werd verklaard. Uiteindelijk werd ze veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf met ontzegging van het kiesrecht.187 Te noemen valt in Winschoten verder ook nog de voerman Luppo Prak (1885-1963), die drie huizen van Joodse eigenaren kocht voor samen ƒ 8.700,–. Hij werd na de oorlog eveneens geïnterneerd vanwege collaboratie. In november 1946 werd hij vrijgelaten, verloor zijn kiesrecht voor 10 jaar en was er sprake van verbeurdverklaring tot een bedrag van ƒ 500,–.188 Een belangrijke oorlogskoper in het onderzoeksgebied was zeker ook Henderikus de Haan (18831972). Hij kocht zo’n 20 huizen in 11 transacties te Hellum, Slochteren, Hoogezand en Sappemeer. Hij was van beroep koperslager, fabrikant en ook wel koopman te Hoogezand en verkeerde duidelijk in zeer nationaalsocialistische kringen.

Tenminste drie van zijn zoons en twee van zijn schoondochters 185

Provinciale Asser en Drentsche Courant, 18 november 1947; Winschoter Courant, 6 maart 1947, 15 november 1947; De Noord-Ooster, 1 november 1947. 186 Winschoter Courant, 7 oktober 1947. 187 Winschoter Courant, 7 oktober 1947; Nieuwsblad van het Noorden, 1 december 1947, 16 december 1947. Haar zoon Jan Hartbert Udes overleed 18 jaar oud op 17 juni 1945 te Berlijn-Seedorf, en is wellicht dezelfde die als de ‘matr. Jan Udes’ genoemd werd 30 april 1944 in De Zwarte Soldaat: blad voor de WA bij een oproep om brieven te schrijven aan hem. 188 Winschoter Courant, 22 oktober 1946; 4 november 1946.

57

werden na de oorlog veroordeeld als lid van de NSB. Zoon Wilhelm (metaalhandelaar en voormalige onderwijzer) en zijn vrouw waren na de deportatie in een (mogelijk door vader gekocht) ‘Jodenhuis’ getrokken.189 Van die vrouw werd bij haar proces gemeld dat ze ‘huwde met de N.S.B.'er de Haan wiens familie nat.-socialistisch was’. In naoorlogse processen werd naar voren gebracht dat twee andere zoons tevens lid geworden zouden zijn van de Germaanse SS.190 In de huidige gemeente Het Hogeland valt op dat daar een tweetal grote oorlogskopers actief was. Het betrof opnieuw collaborateurs die deze kans grepen om een grote hoeveelheid Joods onroerend goed te verwerven voor een denkelijk lage prijs. Te noemen valt in dat opzicht zeker slager Jan Kooi (1893-1969), die de enige opkoper van Joodse panden in Leens was. Hij kocht er minstens zeven huizen (wellicht zelfs meer, indien er sprake was van dubbele woningen) voor ƒ 21.125,–. Jan Kooi werd in 1948 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en levenslang verlies van zijn kiesrecht.191 Hij zou als landwachter driemaal in de week naar het beruchte Scholtenshuis in de stad Groningen gegaan zijn, om opgave te doen van verblijfplaatsen van onderduikers. Ook deed hij aangifte van verborgen wapens op het gemeentehuis en stelde een lijst samen van personen die volgens hem het meest in aanmerking kwamen voor gijzeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12620902/1