CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

09-03-03 Naslagwerk Regionale Structuur Warmte incl onderzoek groen gas

Commissie Fysiek 31 mei 2021, gemeente VeendamBij agendapunt: Raadsvoorstel: Besluitvorming RES 1.0.35.918 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Juridisch gezien is er vanuit de eisen rondom GvO's in elk geval geen verplichting voor dergelijke relatie.

28

Indien dergelijke borging als onvoldoende wordt beschouwd, kunnen onderstaande modellen (6.3.1) een route voor een borging van een rechtstreekse relatie tussen lokaal geproduceerde GvO's en lokaal afgenomen groen gas bieden. Zoals hierboven aangegeven is het twijfelachtig of centrale borging in de praktijk zal werken. Immers, kan er worden gewaarborgd dat afnemers een contract voor Nederlands groen gas kunnen krijgen en komt het geproduceerde Nederlandse groen gas ook beschikbaar via leveranciers die aan huishoudens leveren? Op deze vraag wordt ook impliciet ingegaan bij de strategieën (6.3.2) waarmee de borging zou kunnen worden verkregen doormiddel van sturing, eventueel ook in de beschikbare productie van groen gas, voortbouwend op de GvO route-modellen en het instrumentarium beschreven in 6.2.

6.3.1 Modellen voor routing GvOs lokale borging In de huidige setting wordt de GvO met name gebruikt om te zorgen dat leveranciers die ‘groen’ gas verkopen ook kunnen zorgen voor een groen karakter van dit gas en dat hierop ook toezicht kan worden gehouden door de ACM. Zoals gezegd kan worden aangenomen dat wanneer er centraal (‘op de grote bult’) voldoende lokale GvO's beschikbaar zijn en deze uiteindelijk ook voor de afnemers van groen gas (waar dan ook in Nederland) worden afgeboekt, de lokale beschikbaarheid voldoende kan worden geacht om te kunnen voorzien in lokale afname van groen gas (centrale borging). Er hoeft dan geen directe relatie te zijn tussen de lokaal geproduceerde GvO en de GvO die wordt afgeboekt voor de lokale afnemer. Echter, om te zorgen dat de groenwaarde ook rechtstreeks aan eindgebruikers (bijvoorbeeld in lokale setting) kan worden toegerekend zijn er nog verschillende modellen denkbaar die verder gaan dan de hierboven beschreven ‘centrale borging’:

29

1) de leverancier kan lokaal geproduceerd groen gas verkopen aan de eindgebruiker, waarbij de leverancier zelf voor de betreffende afnemer de bij de productie van het gas verkregen GvO afboekt, of de GvO kan aan de eindgebruiker worden geleverd door een GvO handelaar en ten behoeve van deze eindgebruiker worden afgeboekt; 2) een lokale producent, zoals bijvoorbeeld een coöperatie, verkoopt gas aan een leverancier, maar zorgt zelf dat de GvO’s worden afgeboekt ten behoeve van de lokale afnemers (al dan niet tegen een vergoeding). 3) een lokale producent, zoals bijvoorbeeld een coöperatie, verkoopt de GvO’s niet op de markt, maar levert deze aan een lokaal fonds, dat in stand wordt gehouden om het groene karakter van het lokaal afgenomen gas te borgen. De levering van de GvO's kan hierbij meer of minder vrijwillig zijn. Hieronder worden de modellen verder geanalyseerd en toegelicht.

Model 1: via leverancier (of GvO handelaar) Borging van lokaal groen gas kan worden bewerkstelligd wanneer afnemers zelf via een (zelf te kiezen) lokale bron bij een leverancier groen gas kan inkopen. Momenteel is dit (alleen) voor elektriciteit mogelijk via bijvoorbeeld Van de Bron of Powerpeers. De reden dat er op deze wijze nog geen groen gas geleverd kan worden zit volgens Van de Bron in de beperkte beschikbaarheid van groen gas.7 Desalniettemin is bij een dergelijke constructie de borging administratief optimaal (dat wil zeggen de lokale GvOs kunnen 1-op-1 worden ingezet voor de lokale afnemers). De matching tussen lokaal opgewekt groen gas en afgenomen groen gas is op deze wijze echter wel ‘individueel’. Consumenten hebben keuzevrijheid in het kiezen van hun leverancier (of handelaar van GvOs), eventueel de bron (zoals bij Van de Bron), en het type (groen) gas (grijs, 100% groen, of CO2 gecompenseerd). Dit model werkt dus alleen als afnemers en producenten elkaar vinden via een energieleverancier, of met 7 Het is momenteel wel mogelijk om (Nederlands) groen gas te kopen bij een aantal leveranciers

30

tussenkomst van een GvO handelaar (binnen de vrije markt). Een ander mogelijk complicerende factor hierbij is ook dat het nergens centraal te monitoren valt of bewoners daadwerkelijk groen gas gebruiken dat afkomstig is uit de regio – er is geen inzage in welke overeenkomsten leveranciers en afnemers met elkaar sluiten. Hierdoor kan niet worden nagegaan of eindgebruikers lokaal groen gas gebruiken. Wel kan de directe handel van GvO’s aan eindgebruikers worden uitgelezen uit het handelsplatform en ook kan de eindgebruiker zelf een afschrift krijgen van de afgeboekte GvO’s van Vertogas, de beheerder van het GvO handelsplatform. Hiervoor moet de eindgebruiker (afnemer) zelf een registratie in het GvO register maken en daarbij een koppeling (afspraak) maken met de handelaar (leverancier). Mogelijk kan het gebruik van regionaal groen gas worden gestimuleerd door de inzet van subsidies, bijvoorbeeld voor energiebesparende maatregelen of bijvoorbeeld hybride warmtepompen. Dergelijke subsidie wordt echter ook al verstrekt door het Rijk (ISDE). Aan deze subsidie wordt echter nog geen lokale voorwaarden gesteld of rekening gehouden met lokale plannen en prioriteiten voor de warmtetransitie.

Model 2: via lokale producent of coöperatie Een andere optie is dat een lokale producent, bijvoorbeeld een coöperatie, lokaal groen gas opwekt, hiervoor GvO’s produceert en deze voor de omgeving op rekening houdt. Met dergelijke optie investeren lokale partijen in een productiecentrale, waarmee zowel dus het groene gas als de GvO’s worden opgewekt. Het gas wordt verkocht aan een (markt)partij. De GvO’s niet, in elk geval ter dekking van het ‘lokale’ verbruik van groen gas niet. Die blijven op de GvO-balans van de coöperatie, of worden via een handelaar in het GvO register afgeboekt ten behoeve van de lokale eindgebruikers. De burgers uit de lokale omgeving kunnen zelf vervolgens iedere leverancier kiezen die ze willen. Het is daarbij niet relevant of ze via de leverancier het product ‘groen’ of ‘grijs’ gas afnemen al moet wel opgemerkt worden dat zodra ze ook bij hun leverancier groen gas gaan afnemen ze feitelijk dubbel groen gas ontvangen. De borging van de GvO’s (en daarmee het groene karakter van hun gasverbruik) gaat in ieder geval via de coöperatie. Technisch gezien krijgen bewoners in de nabije omgeving waarschijnlijk bovendien ook (deels, afhankelijk van hoeveel wordt lokaal wordt geproduceerd) groen gas, omdat dit lokaal wordt ingevoed. Opgemerkt moet worden dat in deze variant de lokale producent of coöperatie de waarde van de GvO niet kan verzilveren op de markt.

Mogelijk kunnen er wel afspraken worden gemaakt met lokale afnemers om de gederfde inkomsten voor de GvO’s te compenseren. Dit zal echter op vrijwillige basis moeten, aangezien afnemers (of mogelijk andere partijen, zoals lokale overheden) hiervoor geen verplichting hebben. Iteratie op dit model is dat de coöperatie ook zelf leverancier kan worden en daarmee ook administratief het groen gas zou kunnen leveren aan de lokale bevolking. Echter speelt in deze variant de keuzevrijheid van de consument weer een complicerende rol – immers, consumenten kunnen niet verplicht worden om klant van een lokale coöperatie te worden. Daarnaast is het ook lastig voor een kleine partij om leverancier voor huishoudens te zijn, aangezien er dan moet worden beschikt over een leveranciersvergunning (zie ook 6.1.2). Los van eventuele borging van ‘lokale’ GvO’s door middel van een 1-op-1 leveranciersovereenkomst tussen de lokale afnemers en de lokale energie coöperatie (zie ook model 1), kunnen mogelijk ook collectieve afspraken worden gemaakt met (semi-)commerciële partijen en bijvoorbeeld lokale overheden over de bestemming van de GvO’s. Zie ook model 3 (bijvoorbeeld borging GvO-fonds).

Model 3: inkoop of verplichte afdracht via provincie of gemeente GvO. Als borging via de markt (leverancier), of de directe (‘vrijwillige) betrokkenheid van de lokale omgeving (coöperatie) of de (semi-)commerciële partijen niet mogelijk is, kan er worden gekozen voor het realiseren van collectieve borging via een ‘regionale certificatenrekening’. Hiervoor moet een handelaarsregistratie bij Vertogas worden gedaan. De geregistreerde handelaar kan vervolgens de

31

benodigde lokale GvO’s opkopen of toegewezen krijgen door de lokale producenten. Lokale overheden (al dan niet in gezamenlijkheid) zouden iets kunnen organiseren voor het opkopen van de GvO's. Hiervoor moeten echter wel kosten (voor de aankoop van de GvO’s – zie 6.2.3.1. – en kosten voor registratie bij Vertogas, kosten voor het aanmaken en afboeken van GvO’s) worden gemaakt, waarvoor de lokale overheden ook budget moeten hebben. Bij het maken van deze kosten zal de doelmatigheid van de kosten een aandachtspunt zijn. De borging van lokaal beschikbaar groen gas via de inkoop van GvO’s is niet een taak van de overheid. Daarnaast is er juridisch gezien ook geen sprake van borging, aangezien dergelijke route niet een juridische erkende methode is voor lokale overheden om te kunnen ‘beschikken’ over groen gas, bijvoorbeeld voor de inzet van groen gas in Transitievisie Warmte en het Wijkuitvoeringsplan. GvO's worden momenteel ingezet voor de borging van het groene karakter van de levering van groen gas door leveranciers. Alternatief kunnen lokale overheden bij de realisatie van nieuwe groen gasprojecten verplichte afdracht van GvO's proberen te bedingen. Hierbij kan een (verplicht) fonds worden ingesteld waarbij de lokaal opgewekte GvO’s door de producent moeten worden afgestaan aan de regio.

Dergelijke constructies worden momenteel al gehanteerd om lokaal eigendom te borgen door middel van ‘omgevingsfondsen’. Momenteel wordt er steeds meer gebruik gemaakt van omgevingsfondsen om het in het Klimaatakkoord voorgeschreven lokaal eigendom te borgen. Bij verplichte afdracht via een omgevingsfonds is het echter nog wel de vraag in hoeverre dergelijke constructies kunnen worden afgedwongen. Dergelijke fondsen worden dus georganiseerd om participatie van/met de lokale omgeving te bewerkstelligen en worden geschaard onder ‘financiële participatie’. Dergelijke constructies worden veelal gestoeld op het omgevingsrecht (participatievoorschriften). Mogelijk kan ook via de privaatrechtelijke route een en ander worden vastgelegd, wanneer lokale overheden bijvoorbeeld als grondeigenaar betrokken zijn in de projectontwikkeling. Het is overigens vaak lastig om financiële participatie vanuit het omgevingsrecht af te dwingen omdat hiervoor vaak een relatie moet zijn tussen de (financiële) bijdrage en doelen vanuit de ruimtelijke ordening. Indien er voor dergelijke constructie wordt gekozen is het ten alle tijde van belang om dergelijke constructie tenminste goed te borgen in beleid.

Voor een eventueel verplichte afdracht van GvO's lijkt bovenstaande constructie (omgevingsfonds) overigens extra complex, aangezien een relatie tussen de afdracht van GvO's en de doelen met betrekking tot de ruimtelijke ordening moeilijk te maken lijkt. In een dergelijke setting moet de producent GvO's afstaan die een handelswaarde vertegenwoordigen die nu niet verzilverd kan worden. Deze handelswaarde is ook relevant voor de businesscase van de groen gasproducenten en kunnen, bij nieuwe projecten, mogelijk worden aangewend voor nacalculatie van de SDE-subsidie. De producent wordt dan geacht het voordeel te genieten van de waarde van de GvO, dat dus in werkelijkheid niet langer bij de producent berust. Daarbij komt de waarde van de GvO tot stand in een marktsetting en kan daardoor dus variëren, waardoor ook de derving van inkomsten variabel is. Vanuit verplichtingen rondom de GvO's en de levering van gas is zoals gezegd geen noodzaak voor de borging van lokale GvO's, aangezien alleen leveranciers verplicht over GvO’s moeten beschikken en deze ten behoeve van eindgebruikers moeten afboeken om groen gas te kunnen leveren. Binnen de huidige regeling kan een lokaal fonds deze borging niet bieden.

De vraag is of dergelijke verplichte afdracht proportioneel zou zijn, gelet op de doelmatigheid (mate van borging binnen het GvO stelsel) en de derving van inkomsten van de lokale producent. Daarnaast zal voor een goede borging ook een langdurig afdracht stelsel moeten worden ontwikkeld omdat GvOs na afgifte slechts een jaar geldig zijn. Het fonds moet dus telkens worden aangevuld. Hierover zullen ook afspraken voor de lange termijn worden gemaakt, met in ogenschouw dat de variërende waarde van de GvO’s. Hoe dan ook, indien voor een verplichte afdracht van GvO’s wordt gekozen, verdient het aanbeveling om goed te kijken naar de inspanningen rondom bijvoorbeeld het Methodeboek Participatie

32

(Groningen) en de Oplegger NP RES (“Bevoegdheden overheden bij procesparticipatie en financiële participatie”) om een beter beeld te krijgen van hoe dergelijke constructie zou kunnen worden vormgegeven en in welke mate dergelijke constructie 'afdwingbaar' kan worden gemaakt.

6.3.2 Strategieën voor sturing Zoals boven beschreven is er naast een aantal mogelijke modellen voor de borging van GvO’s ten behoeve van het (eind)gebruik van groen gas, ook nog een aantal mogelijke strategieën (niet uitputtend) om tot een grotere beschikbaarheid, productie en/of mate van (lokale) afname van groen gas te komen. Binnen deze strategieën is ook specifiek gekeken naar de (on)mogelijkheden van lokale overheden. Het is van belang te beseffen dat de startanalyse van PBL ook een vorm van sturing bevat en wel op basis van zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Dat gebeurt door in elke buurt te berekenen wat de goedkoopste gasloze strategie is, zo wordt een indicatie verkregen van de kosten die kunnen worden uitgespaard als daar wel groengas beschikbaar zou zijn. Vervolgens worden alle buurten geordend naar oplopende ‘uitgespaarde kosten’ en wordt daarna groengas toegewezen aan buurten met de hoogste ‘uitgespaarde kosten’, net zo lang tot de beschikbare hoeveelheid groengas is uitgedeeld. Regionale sturing kan deze aanpak doorkruisen maar maatschappelijke kosten zijn slechts één criterium, ook aspecten als draagvlak en draagkracht dienen meegewogen te worden bij de uiteindelijke verdeling.

6.3.2.1 Strategie 1: Geen sturing Strategie 1 is simpelweg ‘niets doen’ door lokale overheden. Indien de gehele keten in handen is van private partijen is de invloed op de inzet van groen gas dan zeer beperkt. Producenten en afnemers opereren in een vrije markt die wordt gereguleerd vanuit de EU en het Rijk. Ook via mogelijke borgingsconstructies met GvO’s wordt in dit opzicht niets gedaan. Een mogelijke reden voor deze strategie kan zijn de aanname dat centrale borging van GvO's afdoende is voor de relatie tussen lokale productie en afname groen gas en dat de markt (zie 6.3.1), al dan niet geholpen door een verplichting voor leveranciers om in Nederland geproduceerd groen gas te leveren, zal zorgen voor voldoende productie van groen gas en afnemers die groen gas afnemen (omdat aardgas niet meer beschikbaar is). Deze strategie werkt dus alleen indien er alleen nog maar groen gas kan worden afgenomen (waarvoor ook de benodigde GvO’s worden afgeboekt) door huishoudens en er voldoende groen gas GvO’s zijn die binnen Nederland zijn uitgegeven. De vraag is in hoeverre hiervoor voldoende groen gas kan worden geproduceerd/beschikbaar worden gemaakt. Indien dit niet het geval is zou dit betekenen dat er mogelijk afnemers zijn die geen (groen) gas (meer) kunnen afnemen omdat er onvoldoende gas beschikbaar is.

Dit staat haaks op de huidige leveringsplicht (zie 6.2.3.2) voor Nederlandse leveranciers en het is de vraag of dergelijke strategie überhaupt mogelijk is/wordt binnen de regels van het huidige geliberaliseerde marktstelsel voorgeschreven vanuit de EU. Hoe dan ook vergt dit coördinatie vanuit de Rijksoverheid en aanpassingen van het huidige wettelijke kader voor de levering van gas aan afnemers. Enerzijds om te komen tot duidelijke spelregels over de inzet van het schaarse groene gas, anderzijds om afnemers die geacht worden een andere warmtebron te gebruiken dan groen gas te ontmoedigen of verbieden om nog langer een aansluiting op het gasnet voor het gebruik van (groen) gas in stand te houden.

6.3.2.2 Strategie 2: Sturing biogrondstoffen Een andere strategie, om meer grip te krijgen op de keten van de groen gasproductie kan zijn door de levering van biogrondstoffen (Gft-afval, bermmaaisel, natuurgras etc.) en/of de afname van digestaat. Ook kan er worden gekeken of er een financieel belang in een ander deel van de keten kan worden genomen (zie ook strategie 3).

33

Overheden hebben specifieke publieke taken, zoals het organiseren van de afvalverwerking. Hiervoor worden door lokale overheden, bijvoorbeeld op gemeentelijkniveau, collectieve oplossingen gezocht, zoals bijvoorbeeld bij de inzameling en verwerking van afval; de gemeente heeft namens haar bewoners ‘afval’ aan te bieden, waar bijvoorbeeld energie en andere waardevolle grondstoffen van kunnen worden gemaakt. Ook stromen als natuurgras, rioolslib, etc. kunnen hiervoor worden aangewend. Voorbeelden van collectieve oplossingen hieromtrent zijn bijvoorbeeld te zien bij afvalverwerkers Omrin, HVC en Twence Zie voorbeelden hieronder, bij optie 3. Borging in deze strategie zit in de herkomst en beschikking over de biogrondstoffen. Door de lokaal beschikbare biogrondstoffen aan te bieden aan lokale producenten van groen gas komt er lokaal meer groen gas beschikbaar. Met het beschikbaar stellen van biogrondstoffen, of eventueel zelfs de verwerking ervan, wordt bovendien een aandeel verkregen in de groen gas keten. Als aandeelhouder is deze betrokkenheid is echter wel (grotendeels) privaatrechtelijk.

Hiervoor geldt dat er goed moet worden getoetst hoe en tot in hoeverre dergelijke privaatrechtelijke routes kunnen worden ingezet voor de realisatie van publieke doelen (zoals het ‘borgen’ van groen gas voor regionaal gebruik) in het kader van de ‘doorkruisingsleer’ (het gebruik van privaatrechtelijke middelen ten behoeve van publieke doelstellingen of taken). Verder lezen Doorkruisingsleer. Doorkruisingsleer in Persectief (VNG).

6.3.2.3 Strategie 3: Sturing productie Zoals hierboven aangegeven kan naast de invloed op de herkomst en de inzet van biogrondstoffen ook een verdergaande invloed op de keten worden verkregen door bijvoorbeeld het investeren in collectieve oplossingen, zoals bijvoorbeeld rondom afvalverwerking. Om maximale invloed te kunnen uitoefenen op de beschikbaarheid van groen gas en daarnaast de bestemming van de GvO’s kan overwogen worden om het project zelf (mede) te ontwikkelen en realiseren, of door financieel te participeren (al dan niet met subsidies) in projecten. Voorbeelden van dergelijke ‘projecten’ zijn veelal te vinden bij de collectieve afvalverwerkers, zoals Omrin, Twence, of HVC. Ook kan er mogelijk worden geïnvesteerd in of subsidie gegeven worden aan een coöperatie (zoals Wijnjewoude Energie Neutraal of Nieuwborgen – zie 6.4). Ook kan het ruimtelijk beleid worden ingericht om de productie van groen gas te stimuleren. Overheidsbedrijven, afvalverwerking en energieopwekking Omrin (regio Fryslân en Groningen) Omrin, met 12 Friese en 4 Groningse gemeenten als aandeelhouders, produceert groen gas. Dit gas wordt deels ingezet voor hun eigen wagenpark. Wat overblijft wordt in het net ingevoed en is naar eigenzeggen voldoende voor zo'n 10.000 afnemers. Momenteel wordt er gewerkt aan uitbreiding van de groen gas productie capaciteit.

De bij Omrin geproduceerde GvO’s worden deels ingezet voor vergroening eigen energiebehoefte (het wagenpark), deels aangeboden bij aandeelhouders tegen marktprijs en deels verhandeld op de certificatenmarkt.

Twence (regio Twente) Twence, opgericht door 14 Twentse gemeenten, produceert biogas voor de opwek van elektriciteit en warmte. De opgewekte elektriciteit wordt via een energieleverancier ook aan de aandeelhoudende gemeenten geleverd. Twence werkt momenteel ook aan een groen gas installatie, waarmee voor zo'n 3000 huishoudens groen gas kan worden geproduceerd. Voor de aanvoer van biogrondstoffen heeft Twence een mestverwerkingsprogramma, waarbij varkensmest wordt verwerkt en (lokale) veehouderijen worden ontzorgd in hun mestverwerkingsplicht tegen een ‘concurrerend vast maandbedrag’.

34

HVC (regio Noord- en Zuid-Holland) HVC, energie- en afvalbedrijf van 44 gemeenten en 6 waterschappen, heeft een groen gas vergister in Middenmeer, Noord-Holland. Hiermee kunnen volgens HVC zo'n 2000 huishoudens van groen gas worden voorzien. HVC heeft daarvoor ook al sinds 2010 een leveranciersvergunning. Hiermee kan HVC ook zelf de levering van gas aan kleinverbruikers verzorgen. Afnemers kunnen dus ook daadwerkelijk rechtstreeks via HVC (groen) gas afnemen, indien voldoende beschikbaar. Als de vraag groter is dan het aanbod groene gas, zal HVC gas en GvO's moeten inkopen op de handelsmarkten om te kunnen voldoen aan de leveringsplicht en leveringszekerheid.

6.3.2.4 Strategie 4: Sturing afname Als vierde en laatste strategie kan worden gestuurd op de afname van groen gas. Indien gemeenten hechten aan de inkoop van groen gas door haar bewoners en daar zelf ook een stimulerende factor in zouden willen zijn kan er bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van subsidies om de bewoners te stimuleren (lokaal) groen gas af te nemen bij zijn/haar leverancier. Ook de provincie zou dergelijke subsidie kunnen onderzoeken. Onderzocht kan worden of er op effectieve en efficiënte wijze een subsidie zou kunnen worden geboden die groen gas gebruik stimuleert. Hiervoor kan ook gedacht worden aan aanvullende verduurzamingssubsidies of gunstige leningen, bijvoorbeeld voor het isoleren van woningen, het aanschaffen van hybride warmtepompen, etc. Bij dergelijke subsidies kan worden gekeken naar voorwaarden rondom het gebruikte gas, indien gas wordt gebruikt voor verwarming. Hierbij moet ook worden gekeken naar de huidige ISDE-subsidies vanuit het Rijk. Mogelijk dat in deze subsidies ook rekening gehouden kan worden met lokale omstandigheden en plannen (zie 6.2.1.1.1). Belastingen om het gebruik van ‘grijs’ gas te ontmoedigen zijn niet waarschijnlijk, omdat een wettelijke grondslag voor dergelijke belasting lijkt te ontbreken op Provinciaal en Gemeentelijk niveau.

Tevens zijn er landelijk al belastingen georganiseerd met hetzelfde doel, namelijk een verhoogde energiebelasting op het gebruik van aardgas. Uitgangspunt is dat er voor hetzelfde niet twee keer belast kan worden. Bij de huidige Energiebelasting wordt geen onderscheid gemaakt tussen grijs en groen (zowel voor elektriciteit als gas). Ook ‘stuurt’ dergelijke landelijke belasting niet op lokaal gebruik, maar louter op nationaal gebruik van (groen) aardgas. Belastingen zijn dus geen waarschijnlijk middel om groen gas te stimuleren, of voor bijvoorbeeld het voorzien van budget voor het aankopen van GvO's voor lokale borging van groen gas (zie 6.3.1 - Model 3). Mogelijk dat aanpassingen in de landelijke Energiebelasting (of de Opslag Duurzame Energie) nog stimulansen zouden kunnen bieden in de toekomst.

35

6.4. Praktijkvoorbeelden Voor dit onderzoek zijn twee projecten nader beschouwd die werken aan een toekomst zonder aardgas maar met groen gas. Deze worden hier beschreven.

Casus Nieuwborgen Nieuwborgen is een samenvoeging van Nieuwolda en Wagenborgen; twee dorpen in Noordoost Groningen die participeren in het Programma Aardgasvrije Wijken. De dorpsbewoners wonen in ca. 1.200 woningen, het merendeel bestaat uit eengezinswoningen die minimaal 80 jaar oud zijn. Gezamenlijk gebruiken ze nu nog 3,2 MNm³ aardgas per jaar. De dorpen willen aardgasvrij worden door een set van maatregelen waarvan de inzet van groen gas de belangrijkste is en ca. de helft van het aardgas gaat vervangen. In de gemeente Oldambt staat een mestcovergister die biogas produceert en vervolgens gebruikt voor de productie van elektriciteit en warmte. Deze installatie heeft een vermogen van 2,2 MWe en 2,8 MWth en produceert op vol vermogen 7,9 MNm³ biogas per jaar (=4,7 MNm³ groen gas). De laatste tijd draait de installatie echter op deellast (55%) en produceert hij 4,4 MNm³ biogas (=2,6 MNm³ groen gas). De installatie kan niet zomaar overschakelen van biogas naar groen gas, daar zijn substantiële aanvullende investeringen voor nodig in een opwaardeerinstallatie die biogas op aardgaskwaliteit kan brengen. In de gemeente Oldambt zijn, zelfs in het meest ongunstige scenario, voldoende biogrondstoffen aanwezig om deze vergister te voeden. Wel is van belang dat een oplossing gevonden wordt voor de onbalans tussen vraag en aanbod.

De vergister produceert immers normaalgesproken bij voorkeur een stabiel volume. De vraag kent echter behoorlijke dag-, nacht en seizoen fluctuaties. Deze zijn wel op te lossen door te werken met gasopslag (duur), aanpassingen in het menu van de vergister (ten dele) of door de koppeling met het aardgasnet te behouden en een soort saldering toe te passen. Om groen gas te kunnen gaan leveren aan de bewoners dient allereerst de subsidiebeschikking aangepast te worden. In plaats van een beschikking voor elektriciteit en warmte dient een SDE++ beschikking voor groen gas aangevraagd te worden. Daarbij ontstaat een aantal uitdagingen: De huidige beschikking is geldig tot en met 2029. Normaalgesproken kan een bestaande beschikking niet worden ingewisseld voor een andere. De oude beschikking dient te worden ingeleverd en na een bepaalde periode kan dan een nieuwe worden aangevraagd. Deze periode was 3 jaar maar in het kader van de proeftuin kan daar wellicht van afgeweken worden. De oude beschikking moet worden ingeleverd voordat een nieuwe kan worden aangevraagd. Dat betekent dat het project een zekere periode met een behoorlijke onrendabele top te maken zou krijgen. Dat is het geval als het project na de eerste aanvraag wordt gehonoreerd maar kan oplopen als het project wordt afgewezen.

De huidige SDE++ regeling stuurt op de kosten van vermeden CO 2 uitstoot, hierdoor kan een groot aantal opties aanvragen voordat groen gas aan de beurt is. De laatste ronde (najaar 2020) was het budget al uitgeput voordat groen gas de kans kreeg om aan te vragen. De verwachting is dat dat dit jaar niet anders zal zijn. Indien het project een SDE++ subsidie weet te bemachtigen valt die lager uit dan de huidige beschikking. Voor de betreffende ondernemer is overstappen dus niet aantrekkelijk en zal hij op de een of andere manier gecompenseerd moeten worden. Zodra groen gas wordt ingevoed in het aardgasnet wordt een GvO aangemaakt. Deze GvO's vertegenwoordigen een bepaalde waarde die kan variëren van ca. € 0,10/Nm³ voor groen gas dat is

36

geproduceerd met gebruikmaking van een SDE-subsidie tot een veelvoud daarvan als het gas zonder subsidie is geproduceerd. GvO's zonder SDE kunnen namelijk ingezet worden in de bijmengverplichting voor transportbrandstoffen en daar is de waarde van GvO's hoog. Op de een of andere manier moet geborgd worden dat het groene gas gebruikt wordt in de gebouwde omgeving. Dat kan door gebruik te maken van GvO’s zoals in hoofdstuk 7 is aangegeven. Nieuwborgen verwacht daarvoor gebruik te gaan maken van EnergieVanOns. Dat is een energiebedrijf dat lokaal opgewekte groene energie levert aan particuliere en zakelijke klanten. Ze verzorgen ook de administratie en de klantenservice. Ze zijn opgericht door: Ús Koöperaasje, Drentse Kei en Groninger Energie Koepel. Elke koepelcoöperatie is voor een derde deel eigenaar van EnergieVanOns. De koepelcoöperaties vertegenwoordigen weer hun eigen leden, de aangesloten lokale coöperaties. De winst wordt uitgekeerd aan de deelnemende coöperaties, voor elke klant ontvangen ze jaarlijks een bedrag terug. Op dit moment levert EnergieVanOns alleen klimaat gecompenseerd gas maar dat zal dan veranderen. De inwoners van Nieuwborgen zullen dan in de toekomst een leveringscontract voor groen gas met EnergieVanOns af moeten sluiten. Dit komt dan overeen met hetgeen beschreven is in paragraaf 6.3.1. bij Model I Via leverancier.

Onderdeel van dat leveringscontract zijn verplichte belastingen en opslagen waaronder de Opslag Duurzame Energie. Dat is een heffing op het verbruik van aardgas en elektriciteit. Met de opbrengsten hieruit wordt de productie van duurzame energie en de terugdringing van CO 2 gestimuleerd (SDE++). Deze opslag bedraagt op dit moment ca. 8,5 €ct en moet ook betaald worden door huishoudens die groen gas afnemen. Daarmee wordt het, zelfs voor groen gas, erg lastig om een kostenneutrale oplossing te bieden. Zie ook paragraaf 6.2.1.2 en 6.3.2.4.

37

Casus Wijnjewoude Energie Neutraal (WEN) Het dorp Wijnjewoude is een samenvoeging van Wijnjeterp en Duurswoude; twee voormalige dorpen in Zuidoost Fryslân. Ook Wijnjewoude participeert in het Programma Aardgasvrije Wijken. De 2.030 dorpsbewoners wonen in 841, voornamelijk koop-, woningen, waarvan 34% voor 1946 is gebouwd en 56% voor 1974. Gezamenlijk gebruiken ze nu nog 1,8 MNm³ aardgas per jaar. Wijnjewoude wil aardgas vervangen door groengas uit mestvergisting en het gasverbruik fors reduceren. Door isoleren, de inzet van hybride warmtepompen en door ander energiegedrag verwacht men het huidige verbruik terug te brengen naar 1,0 miljoen Nm³ gas per jaar. Het dorp is dan zelfvoorzienend met groengas uit eigen mest. In coöperatief verband met ca 18 boeren kan WEN met een mestmonovergister voldoende groen gas opwekken voor Wijnjewoude. WEN is eigenaar van de installatie en beheert het proces. De boeren krijgen een vergoeding voor hun uitgeleende mest, na vergisting wordt de mest terug geleverd aan de boeren. Om verspreiding van ziektes tegen te gaan moet het digestaat dan wel worden gehygieniseerd, bijvoorbeeld door het minimaal 60 minuten op een temperatuur van 70 °C te houden. De hiervoor benodigde warmte wordt met elektriciteit gegenereerd, mogelijk uit de eigen zonnepanelen. Hierdoor kan alle biogas worden ingezet voor de productie van groen gas.

Het WEN model zorgt voor een hoge deelnamebereidheid, van de 20 boeren doen 18 mee. Twee boeren doen niet mee omdat hun stalconcept deelname in de weg staat. Bijvoorbeeld omdat ze zand gebruiken als strooisel wat voor problemen in de vergister zorgt. Er is een businesscase opgesteld, deze laat zien dat er een tekort in de begroting zit van € 100.000 maar die kan met de Proeftuinsubsidie worden weggenomen. Met de huidige SDE++ subsidies zal het tekort nog iets verder oplopen. De vergister is een factor 3 te groot voor de categorie kleinschalige mestmonovergisting en eigenlijk een factor 5 te klein voor de categorie grootschalige mestmonovergisting. Met een subsidie voor kleinschalige vergisting lijkt er een businesscase te zijn voor dit project, WEN probeert nu een tussencategorie opgenomen te krijgen in de SDE++ regeling voor hun type project. Het leveringsmodel dat Wijnjewoude Energie Neutraal wil gaan gebruiken is nog niet geheel uitgewerkt maar de ideeën lijken nu uit te gaan naar een model waarbij de groen gas certificaten door de producent worden afgeboekt (geredeemed) en dus niet verhandeld. Daardoor is er sprake van de levering van fysiek groen gas aan alle afnemers in het net waarop is ingevoed, althans voor zo lang als afname en gebruik in balans zijn. Dit komt dan overeen met hetgeen beschreven is in paragraaf 6.3.1. bij Model II Via lokale producent of coöperatie.

38

7 Conclusies en aanbevelingen 7.1. Conclusies De potentie van groen gas in de warmtetransitie De in de Provincie Groningen aanwezige biogrondstoffen vertegenwoordigen, met 11 PJ, een substantiële hoeveelheid energie. Niet al deze reststromen zijn beschikbaar voor energietoepassingen. Na correctie voor hoogwaardiger toepassingen en met enkele aannames op basis van technologie en de mate van invloed die kan worden uitgeoefend op de biogrondstoffen zijn 4 verschillende scenario’s uitgewerkt. In het meest conservatieve scenario kunnen alleen mest en biogrondstoffen worden gebruikt die vrijkomen bij ‘overheidswerkzaamheden’. Deze biogrondstoffen worden dan in een vergister omgezet in biogas en vervolgens opgewaardeerd naar groen gas. In dit scenario kan uit Groningse biogrondstoffen en mest maximaal 1.985 TJ (56 MNm³ groen gas) worden gewonnen. In het meest optimistische scenario vindt er een, niet nader uitgewerkte, vorm van sturing plaats die er voor zorgt dat bedrijven hun biogrondstoffen in de regio laten verwerken. Daarbij is dan de technologie ook verder ontwikkeld waardoor ook gebruik gemaakt kan worden van (superkritische water-)vergassers. In dit scenario kan uit Groningse biogrondstoffen en mest maximaal 4.240 TJ (117 MNm³ groen gas) worden gewonnen.

De Provincie heeft op basis van landelijke prognoses de energiebehoefte in 2030 berekend, in 2030 is nog 15.700 TJ nodig voor de gebouwde omgeving. Dat zou betekenen dat als alle beschikbare biomassa wordt gebruikt voor groen gas productie om ingezet te worden in de lokale gebouwde omgeving minimaal 12,6% en maximaal 27,0% van de gebouwde omgeving in Groningen er gebruik van zou kunnen maken.

Lokale productie lokaal gebruiken Garanties van Oorsprong (GvO’s) zijn uitermate geschikt om het duurzame karakter van (lokaal) geproduceerd groen gas te verbinden aan door de huishoudens afgenomen groen gas, al dan niet in de nabije omgeving van de productie-installatie van groen gas. Ook zijn GvO’s geschikt om deze verbinding inzichtelijk te maken. Wel is voor deze mate van verbinding geen wettelijke verplichting binnen de huidige regeling. Levering aan huishoudens gaat via leveranciers die (verplicht) voor hun klanten GvO’s moeten afboeken en daarmee ook het groene karakter van het door hen geleverde groen gas te waarborgen. Deze GvO’s kunnen overal vandaan komen, ook van buiten Nederland en hoeven ook niet per se met de productie van groen gas te zijn uitgegeven. Wel resulteert Lokaal geproduceerd groen gas ten allen tijde in een lokale GvO die ook als zodanig gewaarmerkt is door de, aan de GvO, gekoppelde productielocatie. Hieruit kan wel de lokale beschikbaarheid worden afgelezen. Mogelijk kan hier ook lokale borging in worden gezocht, onder strikte, maar niet per se realistische omstandigheden. Er zou dan nog uitsluitend Nederlands groen gas beschikbaar moeten zijn voor afnemers. Verdergaande borging is echter mogelijk door lokale afnemers te koppelen aan de GvO's.

Volledige administratieve borging kan alleen door een leverancier zowel de lokaal opgewekte GvO’s te laten inkopen als de lokaal afgenomen hoeveelheid groen gas (en dus de GvO’s) bij de klant te bezorgen. Omdat klanten en waarschijnlijk ook producenten niet gedwongen kunnen worden om met dezelfde leverancier te werken is dit een ingewikkelde route.

39

Het kan eenvoudiger als vraag naar en aanbod van groen gas in een bepaald afgebakend deel van het gasnet in evenwicht is. Indien in zo’n situatie voorkomen wordt dat de GvO’s elders ingezet worden heeft immers iedere afnemer effectief groen gas ontvangen. Inzet elders kan voorkomen worden door de GvO’s af te boeken (redeemen) maar dan gaat de waarde ervan verloren terwijl de producent die waarde nodig heeft voor een gezonde bedrijfsvoering. Het kan ook door bijvoorbeeld een lokaal fonds te organiseren en daarbij ofwel verplichte afdracht te laten plaatsvinden (indien mogelijk), ofwel door lokale overheden de lokaal geproduceerde GvO's te laten opkopen. Maar ook hier zijn er financiële complicaties. Sturing op de inzet van groen gas is het meest kostenefficiënt en leidt tot de laagste maatschappelijke kosten als dat centraal en dus op landelijk niveau gebeurt. Als het uitgangpunt is dat de warmtetransitie voor Nederland als geheel zo goedkoop mogelijk moet zijn is het immers logisch om de beperkte hoeveelheid groen gas in te zetten in buurten waar de goedkoopste alternatieve strategie het duurst is. Daarnaast spelen criteria als draagvlak en draagkracht echter ook een belangrijke rol.

Uit de afweging tussen kostenefficiëntie, draagvlak en draagkracht kan dus ook een keuze volgen om het groene gas te reserveren voor de gebouwde omgeving in de buurt van de productielocatie en/of economisch minder welvarende delen van het land en niet per sé daar waar dat het meest kostenefficiënt is. De hoeveelheid groen gas die we in Nederland kunnen inzetten in de gebouwde omgeving heeft dus impact op de totale maatschappelijke kosten die ons land maakt. Wel dient de nationale overheid dan maatregelen te nemen om te voorkomen dat het groen gas weglekt naar andere sectoren en/of landen omdat daar een betere prijs wordt betaald. Dat kan in de vorm van een leveranciersverplichting en in de Routekaart groen gas wordt aangegeven dat dit één van de mogelijke vraagstimuleringsroutes is. Lokale overheden kunnen de beschikbaarheid en afname van groen gas lokaal stimuleren. Voor de beschikbaarheid kan worden gekeken naar subsidie, investeringen, of faciliterende kaders vanuit ruimtelijke ordening en de afname kan worden gestuurd door subsidies of belastingen. Hierbij speelt ook de financiële kant een belangrijke rol en ook specifiek de vraag wat wel en niet bij de taken van de overheid behoort. De energielevering an sich is geen overheidstaak.

Dit hoeft echter geen beletsel te zijn om ook aandelen te verkrijgen in de productieketen (zie bijvoorbeeld HVC, Omrin en Twence), of om te onderzoeken of er voorwaarden kunnen worden verbonden aan de verwerking van biogrondstoffen die eigendom/in beheer van deze overheden zijn. Hierbij moeten uiteraard de spelregels van de open markt voor energielevering in acht worden genomen, evenals bijvoorbeeld regels rondom mededingingsrecht.

7.2. Aanbevelingen Er is een relatie tussen de beschikbare hoeveelheid groen gas voor de gebouwde omgeving en de totale nationale kosten van de warmtetransitie. Lokale overheden zouden daarom primair moeten sturen op de productie van het groen gas. Bijvoorbeeld door de inzet van biogrondstoffen, ondersteunen van coöperaties en door te kijken of op andere manieren bijgedragen kan worden om de beschikbaarheid verder te vergroten. Bijvoorbeeld zoals bij Omrin, HVC en Twence. Het gebruik van groen gas op de korte termijn, zolang aardgas nog niet uitgefaseerd is, kan worden aangejaagd door het verstrekken van prikkels. Bijvoorbeeld door de ISDE subsidie af te stemmen op lokaal beleid zodat hybride warmtepompen alleen daar gestimuleerd worden waar in de toekomst groen gas beschikbaar is. Ook stimuleringsbeleid voor duurzaam energiegebruik en opwek, bijvoorbeeld SDE subsidie, of Energiebelasting (lagere belasting voor groen gas) kan bijdragen.

40

De Opslag Duurzame Energie geldt ook voor groen gas en vormt daarmee een drempel voor het kostenneutraal inzetten van dat groen gas. Door groen gas vrij te stellen van deze opslag wordt deze drempel weliswaar weggenomen maar zal met een toenemend groen gasvolume en afnemend aardgasvolume ook de dekking van de SDE++ teruglopen. Als de huidige SDE++ niet wordt aangepast zal het groen gas volume niet groeien. In de huidige regeling maakt groen gas geen kans, door met aparte schotten te werken voor moleculen veranderd dat en kan de productiecapaciteit verder vergroot worden. Een GvO is geld waard. Deze waarde is belangrijk voor de businesscase van de groen gas producent. Een businesscase die per definitie lastig is in de huidige energiemarkten vanwege een forse onrendabele top (zonder SDE subsidie geen businesscase). Waarschijnlijk zijn modellen waarbij de GvO’s onder de marktwaarde van eigenaar wisselen niet toekomstbestendig. Hou daarom bij de modellen rekening met een reëele vergoeding voor de GvO’s. Betrokkenheid van burgers is van doorslaggevend belang; zorg dat ze goed worden meegenomen. Burgers hebben zeker baat bij groen gasprojecten in hun omgeving als groen gas het beste alternatief is voor hun warmtevoorziening, maar dit is niet altijd evident voor hen. Informeer hen wat ze kunnen doen, waarom dit belangrijk is.

41

Discussiepunten 1. Er moet een duidelijke maatstaf komen om vast te stellen welk groen gas voor wie beschikbaar is en hoe deze beschikbaarheid kan worden ‘verzilverd’. Toelichting: het is momenteel onduidelijk welke hoeveelheid/potentie groen gas als (zeker) beschikbaar kan worden aangemerkt voor lokale overheden om in te zetten bij het opstellen van hun plannen. Om te zorgen dat het groen gas ook daadwerkelijk beschikbaar is voor de plannen die worden gemaakt door lokale overheden moet er een duidelijke maatstaf komen om te bepalen welk en hoeveel groen gas kan worden aangesproken door lokale overheden in het maken van hun beleid. Dit is met name ook belangrijk omdat de gasmarkt een Europese markt is waarin gas vrij kan worden verhandeld en zowel producenten als afnemers vrij zijn om zelf te kiezen met wie ze handelen. Dit rapport geeft een indicatie van hoe een maatstaf er uit zou kunnen zien (bijvoorbeeld borging beschikbaarheid middels GvO’s, verscheidene modellen – zie 6.3.1), maar dit zijn (nog) geen erkende methodes om groen gas te kunnen claimen voor de Transitievisie Warmte en de Wijkuitvoeringsplannen. 2. Om groen gas effectief als warmtebron in te kunnen inzetten is er instrumentarium nodig om de inzet van groen gas in de Transitievisie Warmte en Wijkuitvoeringsplannen van Gemeenten te kunnen effectueren.

Hierbij is het nodig om afnemers te stimuleren of afremmen/verbieden om groen gas te gebruiken, gelet op de beperkte beschikbaarheid van groen gas. Dit kan door bijvoorbeeld door het wegnemen van de gasaansluiting. Toelichting: momenteel hebben afnemers van gas het recht op een (model)overeenkomst met iedere leverancier met een leveranciersvergunning. Ook hebben afnemers met een bestaande aansluiting op het gas netwerk het recht om deze aansluiting te gebruiken en te behouden. Wanneer er voor bepaalde wijken zal worden ingezet op groen gas als warmtebron, zal ook de afname van groen gas moeten worden beperkt en tevens verplicht voor de wijken waarvoor groen gas als warmtebron is aangewezen. 3. Om de beschikbaarheid van groen gas voor de gebouwde omgeving te vergroten zal er moeten worden gestuurd door middel van bijvoorbeeld de SDE++. Toelichting: Naar verwachting zullen, nu de SDE++ niet in staat is om de productie van groen gas te stimuleren, veel projecten kiezen om groen gas te gaan produceren voor de transportbrandstoffenmarkt. Helemaal als straks de mogelijkheid ontstaat om groen gas in te voeden en de GvO’s te gebruiken om LNG te vergroenen. Hier ontstaat de rare situatie dat het groene gas, als gevolg van een marktmechanisme, niet automatisch daar wordt ingezet waar het de meeste toegevoegde waarde heeft.

Het is immers best voorstelbaar dat het prijsverschil tussen BioLNG en de één-na-goedkoopste hernieuwbare transportbrandstof kleiner zal zijn dan tussen groen gas en een all-electric oplossing in de gebouwde omgeving. 4.

De opzet van een lokaal GvO fonds met verplichte GvO afdracht voor groen gas producenten.

Toelichting: Het opzetten van lokale GvO fondsen of soortgelijke constructies waarin GvO’s verplicht moeten worden afgedragen in een lokaal fonds, ter borging van de lokale beschikbaarheid (en de mogelijke aanspraak van omwonenden op de beschikbaarheid van groen gas), zorgt er ook voor dat de groen gas producent de waarde van de GvO’s niet meer (zelf) kan verzilveren. Dit kan een aanzienlijke invloed hebben op het rendement van de productie-installatie. Mogelijk zou dit tot onvoldoende rendement leiden om überhaupt een groen gas productie-installatie te exploiteren. Daarnaast zal ook de leverancier nog steeds (extra) GvO’s moeten afboeken om aan zijn eigen verplichtingen te voldoen indien de afnemer kiest voor het product groen gas bij zijn of haar

42

leverancier. Het is daarom de vraag of het wenselijk zou zijn om middels verplichte afdracht in een lokaal fonds GvO’s te werven om de lokale beschikbaarheid van groen gas te vergroten. Wanneer er geen verplichte afdracht zou zijn, maar afdracht tegen vergoeding zal de beheerder van het fonds (bijvoorbeeld de Gemeente) zelf kosten moeten maken om de beschikbaarheid op deze wijze te kunnen borgen. Wat betref de verplichting voor de leverancier om GvO’ af te boeken voor de levering van het product groen gas kan worden overwogen om of te kiezen voor de levering van aard- in plaats van groen gas (de GvO’s zijn immer al elders afgeboekt), of indien er geen aardgas meer kan worden afgenomen, de verplichting tot afboeking van GvO’s voor leveranciers voor groen gas kan worden losgelaten indien er elders al GvO’s ten behoeve van de afnemer zijn afgeboekt.

43

Bijlage I: Hernieuwbaar-gas-installaties Groningen Naam

Vermogen (MW)

Thema

Bio Energie Westerkwartier

1,15

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

H. van Oosten Interm. & Log.

2,05

Vergisting en verbranding <= 10 MW (HE)

Mts Schuitema Nieboer

1,49

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Groengas Hoogezand

1,16

Mestvergisting uitbreiding (HW)

Groengas Hoogezand

3,17

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Dankers Bio Energy

4,74

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

H. van Oosten Interm. & Log.

5,05

Monomestvergisting (HW)

MTS Ten Have - Mellema

0,53

Vergisting en verbranding <= 10 MW (HE)

MTS Ten Have - Mellema

1,28

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Attero

6,84

Overige vergisting (HG)

Coöperatie Koninklijke Cosun

1,50

Overige vergisting (HE)

Coöperatie Koninklijke Cosun

11,00

Overige vergisting (HG)

Koninklijke Coöperatie Cosun

16,80

Allesvergisting (HEW)

MTS Te Braake

0,60

Vergisting en verbranding <= 10 MW (HE)

Deeterink Bio Energie

5,04

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Vermue

0,41

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Vermue

0,74

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Woldjesspoor

0,31

Stortgas (Fakkel)

Stainkoeln I

0,22

Stortgas (Fakkel)

Stainkoeln II

0,29

Stortgas (HEW)

Delfzijl

0,16

Stortgas (Fakkel)

Veendam

1,20

Stortgas (Fakkel)

Garmerwolde

0,19

RWZI (HEW)

Scheemda

0,19

RWZI (HEW)

Veendam

0,19

RWZI (HEW)

Koninklijke Coöperatie Cosun

5,75

Allesvergisting (HG)

Biofuel Groningen

60

Biomassavergassing

Torrgas Delfzijl

13,9

Biomassavergassing

44

Bijlage II: Energie uit biogrondstoffen (MNm³ groen gas) Gemeenten Appingedam Bedum Bellingwedde De Marne Delfzijl Eemsmond Groningen (gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Menterwolde Oldambt Pekela Slochteren Stadskanaal Ten Boer Veendam Vlagtwedde Winsum Zuidhorn

Reststromen VGI

Zuiveringsslib

Gewasresten

GFT- en ONF

Afvalhout

Productiebossen

NLH

TOTAAL

0,96 1,42 1,37 1,37 2,01 2,12 27,45 1,65 2,65 4,64 2,66 0,80 1,41 1,87 5,84 1,92 2,00 4,95 0,99 4,22 2,44 1,84 2,55

0,21 0,18 0,16 0,32 1,71 4,00 0,20 0,26 0,28 0,60 0,34 0,17 0,18 0,23 0,44 0,74 0,26 0,57 0,98 1,07 0,02 0,50 0,31

0,40 0,76 3,92 10,92 5,22 13,26 0,12 0,58 1,31 2,73 0,42 4,03 0,72 3,31 7,66 2,42 7,06 4,43 0,81 2,57 5,84 2,71 3,69

0,29 0,26 0,18 0,23 0,56 0,28 3,04 0,24 0,35 0,34 0,21 0,30 0,15 0,31 0,72 0,31 0,40 0,50 0,16 0,51 0,13 0,34 0,17

0,43 0,38 0,40 0,34 1,02 0,45 7,75 0,52 0,56 1,23 0,83 0,28 0,43 0,41 1,76 0,51 0,60 1,42 0,28 1,16 0,72 0,40 0,61

0,08 0,07 0,20 0,11 0,50 0,09 0,11 0,01 0,20 0,14 0,09 0,22 0,44 0,14 0,36 0,07 0,03 0,27 0,64 0,03 0,54 0,01 0,00

0,12 0,23 0,60 0,87 0,68 0,97 0,49 0,44 0,24 0,34 0,32 0,57 0,34 0,43 1,21 0,25 0,69 0,61 0,23 0,39 0,86 0,52 0,65

2,50 3,29 6,83 14,15 11,70 21,17 39,15 3,70 5,60 10,01 4,88 6,37 3,67 6,70 17,99 6,21 11,02 12,73 4,08 9,95 10,55 6,32 7,99

79,11

13,73

84,91

9,97

22,46

4,36

12,03

226,57

Bijlage III: Scenario's voor mest Variabele

WEN

JS

HUB

90%

90%

90%

5%

0%

0%

15 & 36 m³

-

-

Deelnamebereidheid9

100%

25%

80%

Mutaties veestapel10

-

Technische geschiktheid. (biologisch bedrijf, zandligbox,.)

Afkeur ziekte*8 Omvang mesttransport (bij centrale vergisting)

Innovaties

2%/jr

(mestconservering, conversie, …)11

Efficiëntie

81%

81%

81%

8 Stalziektes zijn op te lossen door hygiënisatie. Grootschalige uitbraken van mond-en-klauwzeer, vogelgriep en varkenspest hebben een impact op vergisters die mest aanvoeren van elders. Een propstroomvergister kan ook ziektedruk wegnemen. 9 Deelnamebereidheid zal ook erg afhangen van het gekozen model, eventuele vergoedingen voor het ‘lenen’ van de mest, wie investeert en wie de risico’s draagt. 10 Bedrijfsgrootte neemt toe, oude (kleine) stallen verdwijnen. Veestapel neemt iets af, melkgift neemt iets toe. Per saldo blijft de hoeveelheid mest gelijk. 11 Steeds minder gebruik van roostervloeren zal leiden tot meer biogas uit mest omdat die verser in de vergister beland. Wijziging in de mestwetgeving zal leiden tot meer animo voor vergisters.

46

Op basis van de gegevens in CBS is voor de Provincie Groningen berekend welke groen gas potentie de Groningse mest heeft. Daarbij is gebruik gemaakt van de modellen die in paragraaf 5.2 beschreven worden. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel groen gas geproduceerd kan worden en hoeveel huishoudens daarmee verwarmd kunnen worden in de situatie dat er een hybride ketel in de huizen is en wanneer er een CV ketel is. Daarbij is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 1.400 Nm³ per jaar voor een huis dat met CV wordt verwarmd en de helft indien een hybride systeem aanwezig is.

WEN

JS

HUB

36 m³

15 m³

41.327.766

45.984.124

3.077.377

28.485.490

# huishoudens Groningen

290.294

290.294

290.294

290.294

# huishouden (hybride)

59.040

65.692

4.396

40.694

# huishoudens (CV-ketel)

29.520

32.846

2.198

20.347

% dat verwarmd kan worden met monomestvergisting

20,3%

22,6%

1,5%

14,0%

Totaal

47

Bijlage IV: Scenario's per gemeente In de navolgende tabellen worden de resultaten getoond van de doorrekening van de verschillende scenario’s. Biogrondstoffen die hoogwaardiger toegepast kunnen worden dan voor energiedoeleinden worden niet meegenomen in de berekeningen. In onderstaande tabel is aangegeven hoe groot dit aandeel is per reststroom.

Reststroom VGI Zuiveringsslib Mest Gewasresten GFT- en ONF Afvalhout Productiebossen Natuur en bermgras Hout uit natuur & landschap

Deel dat hoogwaardiger gebruikt wordt 55% van VGI reststromen wordt hoogwaardiger gebruikt in de vorm van veevoer, als grondstof of voor de productie van biobrandstoffen zoals biodiesel. 0% In dit onderzoek is er van uitgegaan dat zuiveringsslib 100% beschikbaar is voor energieproductie. 0% In dit onderzoek is er van uitgegaan dat mest 100% beschikbaar is voor energieproductie. 78% is stro en wordt als product gebruikt (deels als strooisel in de stal en telt dan mee via de mest). 22% is suikerbietenblad en kan vergist worden. 0% In dit onderzoek is er van uitgegaan dat Gft-afval en ONF 100% beschikbaar zijn voor energieproductie. 0% In dit onderzoek is er van uitgegaan dat Afvalhout 100% beschikbaar is voor energieproductie. 40% van de reststromen uit productiebossen wordt hoogwaardiger ingezet. Aangenomen is dat de helft van het natuurgras ingezet kan worden als veevoer. Dat komt neer op 17% van al het gras. 40% van de reststromen uit natuur en landschap wordt hoogwaardiger ingezet.

48

Scenario I (MNm³ groen gas) Gemeenten Appingedam Bedum Bellingwedde De Marne Delfzijl Eemsmond Groningen (gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Menterwolde Oldambt Pekela Slochteren Stadskanaal Ten Boer Veendam Vlagtwedde Winsum Zuidhorn

Zuiveringsslib 0,094 0,079 0,071 0,139 0,752 1,760 0,089 0,115 0,123 0,264 0,148 0,076 0,079 0,102 0,195 0,327 0,114 0,249 0,431 0,469 0,009 0,220 0,138

Mest 0,795 2,098 1,954 1,921 2,307 1,822 0,486 3,356 0,486 0,563 1,866 3,136 2,451 1,181 3,588 0,607 2,628 1,027 2,120 0,740 1,789 3,787 5,277

GFT- en ONF 0,117 0,103 0,071 0,093 0,229 0,117 1,268 0,093 0,139 0,146 0,084 0,117 0,059 0,119 0,285 0,122 0,159 0,202 0,064 0,206 0,060 0,133 0,072

Natuur en bermgras 0,002 0,007 0,020 0,028 0,011 0,031 0,015 0,014 0,007 0,011 0,010 0,009 0,010 0,014 0,041 0,009 0,022 0,021 0,007 0,014 0,030 0,016 0,020

TOTAAL 1,01 2,29 2,12 2,18 3,30 3,73 1,86 3,58 0,75 0,98 2,11 3,34 2,60 1,42 4,11 1,06 2,92 1,50 2,62 1,43 1,89 4,16 5,51

6,043

45,984

4,057

0,369

56,453

49

Scenario 2 (MNm³ groen gas) Gemeenten Appingedam Bedum Bellingwedde De Marne Delfzijl Eemsmond Groningen (gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Menterwolde Oldambt Pekela Slochteren Stadskanaal Ten Boer Veendam Vlagtwedde Winsum Zuidhorn

Zuiveringsslib 0,149 0,125 0,113 0,221 1,197 2,800 0,141 0,183 0,195 0,420 0,236 0,121 0,126 0,163 0,310 0,520 0,181 0,396 0,686 0,747 0,014 0,350 0,219

Mest 0,795 2,098 1,954 1,921 2,307 1,822 0,486 3,356 0,486 0,563 1,866 3,136 2,451 1,181 3,588 0,607 2,628 1,027 2,120 0,740 1,789 3,787 5,277

GFT- en ONF 0,202 0,103 0,071 0,093 0,229 0,117 1,268 0,093 0,139 0,146 0,084 0,117 0,059 0,119 0,285 0,122 0,159 0,202 0,064 0,206 0,060 0,133 0,072

Natuur en bermgras 0,003 0,010 0,027 0,039 0,015 0,043 0,022 0,020 0,010 0,015 0,014 0,013 0,015 0,020 0,057 0,012 0,030 0,030 0,010 0,019 0,042 0,023 0,028

TOTAAL 1,15 2,34 2,17 2,27 3,75 4,78 1,92 3,65 0,83 1,14 2,20 3,39 2,65 1,48 4,24 1,26 3,00 1,65 2,88 1,71 1,90 4,29 5,60

9,613

45,984

4,142

0,517

60,256

50

Scenario III (MNm³ groen gas) Gemeenten Appingedam Bedum Bellingwedde De Marne Delfzijl Eemsmond Groningen (gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Menterwolde Oldambt Pekela Slochteren Stadskanaal Ten Boer Veendam Vlagtwedde Winsum Zuidhorn

Reststromen VGI 0,111 0,163 0,157 0,157 0,231 0,244 3,157 0,190 0,305 0,533 0,306 0,092 0,162 0,214 0,672 0,221 0,230 0,569 0,114 0,485 0,281 0,212 0,294

Zuiveringsslib 0,094 0,079 0,071 0,139 0,752 1,760 0,089 0,115 0,123 0,264 0,148 0,076 0,079 0,102 0,195 0,327 0,114 0,249 0,431 0,469 0,009 0,220 0,138

Mest 0,795 2,098 1,954 1,921 2,307 1,822 0,486 3,356 0,486 0,563 1,866 3,136 2,451 1,181 3,588 0,607 2,628 1,027 2,120 0,740 1,789 3,787 5,277

GFT- en ONF 0,117 0,103 0,071 0,093 0,229 0,117 1,268 0,093 0,139 0,146 0,084 0,117 0,059 0,119 0,285 0,122 0,159 0,202 0,064 0,206 0,060 0,133 0,072

Natuur en bermgras 0,002 0,007 0,020 0,028 0,011 0,031 0,015 0,014 0,007 0,011 0,010 0,009 0,010 0,014 0,041 0,009 0,022 0,021 0,007 0,014 0,030 0,016 0,020

TOTAAL 1,15 2,51 2,60 3,24 3,96 5,07 5,02 3,82 1,17 1,74 2,45 3,76 2,82 1,91 5,41 1,49 3,73 2,43 2,80 2,13 2,65 4,59 6,11

9,097

6,043

45,984

4,057

0,369

72,558

51

Scenario 4 (MNm³ groen gas)

Gemeenten Appingedam Bedum Bellingwedde DeMarne Delfzijl Eemsmond Groningen(gemeente) Grootegast Haren Hoogezand-Sappemeer Leek Loppersum Marum Menterwolde Oldambt Pekela Slochteren Stadskanaal TenBoer Veendam Vlagtwedde Winsum Zuidhorn

Reststrom en VGI 0,303 0,447 0,431 0,430 0,632 0,668 8,646 0,519 0,835 1,461 0,838 0,251 0,443 0,587 1,841 0,605 0,629 1,558 0,311 1,330 0,768 0,580 0,805 24,919

Zuiverings slib 0,149 0,125 0,113 0,221 1,197 2,800 0,141 0,183 0,195 0,420 0,236 0,121 0,126 0,163 0,310 0,520 0,181 0,396 0,686 0,747 0,014 0,350 0,219 9,613

Mest 0,795 2,098 1,954 1,921 2,307 1,822 0,486 3,356 0,486 0,563 1,866 3,136 2,451 1,181 3,588 0,607 2,628 1,027 2,120 0,740 1,789 3,787 5,277 45,984

Gewasres ten 0,281 0,535 2,747 7,646 3,651 9,282 0,081 0,405 0,920 1,912 0,296 2,824 0,502 2,320 5,363 1,691 4,941 3,100 0,565 1,802 4,086 1,899 2,585 59,434

GFT- en ONF 0,202 0,004 0,003 0,003 0,008 0,004 0,045 0,003 0,005 0,005 0,003 0,004 0,002 0,004 0,010 0,004 0,006 0,007 0,002 0,007 0,002 0,005 0,003 0,341

52

Afvalhout 0,298 0,264 0,278 0,235 0,715 0,316 5,424 0,362 0,394 0,858 0,584 0,199 0,303 0,288 1,229 0,356 0,417 0,992 0,193 0,811 0,503 0,277 0,425 15,721

Productie bossen 0,059 0,051 0,142 0,074 0,349 0,065 0,077 0,008 0,142 0,095 0,066 0,153 0,305 0,096 0,255 0,048 0,021 0,187 0,447 0,018 0,380 0,009 0,003 3,052

Natuur en bermgras 0,003 0,010 0,027 0,039 0,015 0,043 0,022 0,020 0,010 0,015 0,014 0,013 0,015 0,020 0,057 0,012 0,030 0,030 0,010 0,019 0,042 0,023 0,028 0,517

Hout uit natuur & landschap 0,085 0,159 0,418 0,608 0,478 0,677 0,340 0,310 0,170 0,237 0,226 0,396 0,241 0,301 0,844 0,175 0,481 0,427 0,162 0,271 0,600 0,361 0,453 8,421

TOTAAL 1,93 3,23 3,74 4,58 6,20 7,67 15,19 4,82 2,36 3,92 3,87 4,66 3,96 2,96 8,87 2,56 5,07 5,05 4,01 4,19 4,66 5,65 7,57 116,744

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10134065/1