09-03-02 Memo voorlopige analyse consultatieverslag Groningenwet
Tekst van het document
Memo voorlopige analyse consultatieverslag Groningenwet Aan:
colleges van de provincie Groningen, de gemeenten in Groningen en Noord-Drenthe en dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's Van: werkgroep Staat van Groningen en werkgroep schade Datum: 6 februari 2025 Betreft: voorlopige analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet 1. Aanleiding U heeft medio 2024 een consultatiereactie ingediend op het wetsvoorstel "wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen", ook wel de Groningenwet genoemd. Het ministerie van BZK heeft de ingediende consultatiereacties verwerkt en het gewijzigde wetsvoorstel ter advisering voorgelegd aan de Raad van State. Het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting zijn tot de behandeling in de Tweede Kamer niet openbaar. Toch hebben we op basis van het openbaar gemaakte consultatieverslag inzicht in de belangrijkste wijzigingen die zijn aangebracht. In dit memo geven we aan hoe het ministerie met de consultatiereactie is omgegaan en wat onze voorlopige analyse is. Dit memo is ter informatie. Pas als het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gaat, weten we hoe het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting er precies uitziet. Dan volgt een definitieve analyse en een advies met betrekking tot een eventuele lobby.
2.1 Voorgesteld besluit a. kennisnemen van de voorlopige analyse b. de voorlopige analyse ter informatie naar raden, staten en algemeen besturen zenden 2.2 Vervolg Na de definitieve analyse besluiten of en - zo ja - welke acties worden ondernomen. 3. Algemene informatie 3.1 Waarom een voorlopige analyse?
We kunnen op dit moment nog geen definitieve analyse geven. Dat komt omdat het wetsvoorstel zoals dat naar de Raad van State is gestuurd geheim is; we hebben er geen kennis van kunnen nemen. Bovendien kan het wetsvoorstel nog gewijzigd worden als het advies van de Raad van State daartoe aanleiding geeft. Pas als het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, weten we precies hoe er met de consultatiereacties is omgegaan. Dan pas is een definitieve analyse mogelijk. Dat is ook het moment dat we - als dat nodig is en daartoe wordt besloten - de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Niet in formele zin, want formele momenten om te reageren zijn voorbij. Maar wel in de vorm van lobby. Omdat we ondertussen als rijk en regio al bezig zijn met de uitvoering van het wetsvoorstel heeft het ministerie van BZK op 15 januari 2025 een uitgebreid consultatieverslag openbaar gemaakt: Overheid.nl I Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire enquête aardgaswinning Groningen. Op 20 januari heeft de werkgroep Staat van Groningen een ambtelijke toelichting gekregen. Dat geeft ons inzicht in de belangrijkste wijzigingen.
Groningenwet en Wet Groningen? De Groningenwet is de Wijzigingswet die nu in procedure is. Die wet wijzigt de Tijdelijke wet Groningen naar Wet Groningen. Ondanks dat de namen (Groningenwet en Wet Groningen) bijna hetzelfde zijn en de wetten nauw samenhangen, zijn het toch andere wetten.
4.1. Wat regelt de Groningenwet? De Groningenwet wijzigt een aantal wetten, waaronder de Tijdelijke wet Groningen, om diverse maatregelen uit Nij Begun wettelijk vast te leggen. Het gaat onder andere om de Staat van Groningen, de mogelijkheid van daadwerkelijk herstel en het regelen van collegiaal bestuur Staatstoezicht op de Mijnen.1 In bijlage 1 treft u een overzicht van wijzigingen aan. De kern van de wijzigingen betreft "7 de mogelijkheid voor daadwerkelijk herstel tot€ 60.000 (hoofdstuk 1 en 2) "7 de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming (hoofdstuk Sb) "7 het uitvoeringsplan voor de zorgplichten (hoofdstuk Sb) "7 de Staat van Groningen en de overlegcyclus (hoofdstuk Se) "7 koste-wat-kost financiering voor uitvoering wettelijke taken IMG en NCG (hoofdstuk 6)
"7 generatielange betrokkenheid (hoofdstuk 6) 4.2. Het wetsproces en waar we staan
De regionale raden, staten en algemeen besturen hebben gereageerd op de hoofdlijnennotitie onderdeel Staat van Groningen, zie bijlage 2. De colleges en de dagelijks besturen hebben een consultatiereactie op het wetsvoorstel gegeven, zie bijlage 3. In totaal zijn er 33 consultatiereacties ingediend die vooral gaan over de Staat van Groningen, de middelen die de uitvoerende instanties nodig hebben en daadwerkelijk herstel (de zogenaamde€ 60.000-maatregel). Het ministerie van BZK heeft de consultatiereacties verwerkt in het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting en heeft het gewijzigde wetsvoorstel voor advies voorgelegd aan de Raad van State.
2
5. Hoe is omgegaan met de consultatiereactie van colleges en dagelijks besturen? Op basis van het consultatieverslag en de ambtelijke toelichting daarop geven we hierna inzicht in hoe er met de consultatiereacties is omgegaan. Daarbij geven we aan wat is overgenomen(+), wat niet is overgenomen(-) en wanneer nog niet duidelijk is of we tevreden zijn, bijvoorbeeld omdat daarvoor de precieze uitwerking nodig is(+/-). De blauw gekleurde paragraafnummers verwijzen naar de paragrafen uit onze consultatiereactie.
1
Respectievelijk maatregel 1, 3 en 38 Nij Begun.
2 Het proces is gestart bij het ministerie van EZK,
nu is het ministerie van BZK verantwoordelijk. 2
Op een aantal onderdelen geven we onze voorlopige analyse. 5.1 Onderdeel Staat van Groningen
1.1 De zorgplicht moet een juridische resultaatsverplichting van het kabinet inhouden Niet overgenomen omdat het kabinet geen verplichtingen kan aangaan voor de inzet van derden of daarvoor verantwoordelijk kan zijn. Het kabinet kan alleen voor de eigen bijdrage verantwoordelijk worden gehouden. + Wel wijziging in het wetsvoorstel dat regelt dat het kabinet - als de Staat van Groningen of het overleg daarover daartoe aanleiding geeft - moet aangeven welke maatregel de verantwoordelijke minister moet nemen om de streefwaarden en doelen uit het uitvoeringsprogramma Rijk te bereiken. Het wetsvoorstel verplicht het kabinet namelijk wel om de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming te concretiseren. Voorlopige analyse: We blijven hierover van mening verschillen. Het staat niet ter discussie dat voor het bereiken van de doelen ook inspanningen van derden nodig zijn. Wij blijven echter vinden dat dat niet in de weg staat aan een juridisch afdwingbare resultaatsverplichting in de wet. 1.2 Verplichtingen kabinet in relatie tot aanvullende bijdrage (middelen zijn niet bedoeld om reguliere verplichtingen mee te financieren)
+
In de Memorie van Toelichting is verduidelijkt dat de middelen aanvullend zijn.
1.3 Uitvoeringsplan in relatie tot afspraken met decentrale overheden (het moet duidelijk zijn dat het uitvoeringsplan voortvloeit uit de afspraken die Rijk en regio maken in de agenda's; het uitvoeringsplan kan ook betrekking hebben op andere onderwerpen zoals schadeafhandeling of versterking in de Herstelagenda) + +
In het wetsvoorstel is uitvoeringsplan gewijzigd in uitvoeringsprogramma Rijk waardoor in terminologie duidelijk is dat de verantwoordelijke ministers niet zelf een plan maken. De Memorie van Toelichting verduidelijkt dat het uitvoeringsprogramma Rijk voortvloeit uit de economische en sociale agenda en de afspraken die op 6 maart 2024 zijn gemaakt over de verduurzaming.
+/-
De Memorie van Toelichting verduidelijkt dat de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming op de bevoegde minister rusten, maar dat de taken in samenwerking met derden worden uitgevoerd. De minister zal de decentrale overheden verzoeken om de inspanningen die zij doen in de uitvoering van de sociale en economische agenda (de brede welvaartsontwikkeling} en de verduurzamingsaanpak ook vast te leggen. Er komen geen afspraken over schadeafhandeling en versterking in het uitvoeringsprogramma Rijk omdat het taken en verantwoordelijkheden betreft van de minister en het IMG die al in de wet zijn beschreven; daar is geen uitvoeringsprogramma voor nodig. Voorlopige analyse: Het is goed dat er een duidelijker verband is tussen de agenda's en het uitvoeringsprogramma Rijk en dat ook in terminologie (uitvoeringsplan wordt uitvoeringsprogramma Rijk} tot uitdrukking komt dat het niet de bedoeling is dat het kabinet na het vaststellen van de agenda nog met een eigen plan komt. Het programma regelt niet iets nieuws. Het is ook duidelijker dat de inhoud van de agenda's essentieel is: daarin moet duidelijk zijn wie waarvoor verantwoordelijk is en welke bijdrage levert. Willen we de verantwoordelijke minister verantwoordelijk houden voor het resultaat en niet alleen voor het beschikbaar stellen van
3
middelen of het zijn van procespartij bij het opstellen van de agenda, dan moeten de streefwaarden secuur vastgelegd worden in de agenda. De wet beperkt het uitvoeringsprogramma Rijk niet tot de zorgplichten brede welvaart en verduurzaming. Toch maakt het consultatieverslag duidelijk dat er geen afspraken in komen over de uitvoering van wettelijke taken door IMG en NCG. Dit is op zichzelf niet onlogisch: deze taken zijn al wettelijk vastgelegd en de minister is hiervoor verantwoordelijk. Het uitvoeringsprogramma Rijk voegt daar niets aan toe. Wanneer de herstelagenda echter betrekking heeft op gezamenlijke afspraken over de wijze waarop overheden samenwerken (een betere overheid) is er geen reden om dit niet door te laten werken in het uitvoeringsprogramma Rijk. 1.4 Uitvoeringsplan en de nadere invulling van de zorgtaken brede welvaart en verduurzaming (differentiatie, bepalen ondergrens om te voorkomen dat tegenstellingen ontstaan of goede
resultaten de slechte resultaten maskeren, de memorie van toelichting laten aansluiten op afspraken over maatregel 29, duidelijke invulling horen inwoners)
+/-
+/-
Er komt geen ondergrens, maar wel een bepaling in het wetsvoorstel dat in het uitvoeringsprogramma Rijk zo nodig onderscheid kan worden gemaakt in streefwaarden, doelen en maatregelen ten aanzien van (delen van) gemeenten voor brede welvaart en verduurzaming. In het wetsvoorstel was opgenomen dat inwoners gehoord worden ten behoeve van het opstellen van het uitvoeringsplan. Dit is geschrapt omdat inwoners intensief betrokken zijn bij de totstandkoming van de sociale en de economische agenda. Het uitvoeringsprogramma Rijk regelt niets nieuws zodat het een belasting is voor inwoners zonder meerwaarde om nogmaals gehoord te worden. Over de uitvoering van het uitvoeringsprogramma Rijk vindt de dialoog met inwoners plaats in het kader van de jaarlijkse monitor.
Voorlopige analyse: De mogelijkheid om te differentiëren kan een goede oplossing zijn. Inwoners worden niet gehoord ten behoeve van het uitvoeringsprogramma Rijk. Dit is logisch omdat het uitvoeringsprogramma Rijk niets nieuws regelt; de inhoud ligt vast in de agenda's. Daarmee is echter nog geen invulling gegeven aan de vraag hoe inwoners bij de agenda's worden gehoord. Dit proces ligt niet vast in de wet. Omdat de regionale overheden de agenda's mede vatstellen, is het een gezamenlijke verantwoordelijkheid om inwoners tijdig invloed te laten uitoefenen. 1.5 Staat van Groningen
(de monitor moet ook zien op het verlenen van juridische bijstand) +
Geen wetswijziging omdat dat niet nodig is; er is al geregeld dat juridische bijstand wordt geëvalueerd en dit wordt meegenomen in de monitor.
1.6 Beschikbaar stellen financiële middelen
(in de wetstekst opnemen dat in ieder geval tot en met 2055 voldoende middelen beschikbaar worden gesteld, onderbenutte middelen doorschuiven, indexering per sector) +
In het wetsvoorstel is opgenomen dat tot en met in ieder geval 2055 een bedrag wordt
+
opgenomen (generatielange betrokkenheid). De memorie van toelichting verduidelijkt dat de indexering moet worden toegepast die hoort bij de betreffende sector. Er komt geen bepaling over het doorschuiven van onderbenutte middelen; dit is een keuze van het kabinet.
4
5.2. Onderdeel Daadwerkelijk herstel
2.1 De motivering van het maximale schadebedrag (geen maximaal bedrag stellen of grensbedrag beter motiveren) 2.2 De borging van het maximale schadebedrag (in de wet met indexering) 2.3 Deskundigenrapporten (twijfel of de maatregel leidt tot minder 'vuistdikke deskundigenrapporten)' 2.4 Een gelijkwaardige uitkomst vraagt om onderscheid (voorkomen dat de zwaarst gedupeerden minder profiteren van de maatregel, nakomen toezegging uitzonderingssituaties, terugwerkende kracht} -
+/+/-
Er wordt vastgehouden aan het grensbedrag dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd, het bedrag wordt niet geïndexeerd, maar in de toelichting wordt expliciet gemaakt dat het bedrag in beginsel niet naar beneden naar kan worden bijgesteld In de Memorie van Toelichting wordt uitgebreider ingegaan op de totstandkoming en motivering van het grensbedrag. In het wetsvoorstel komt een uitbreiding van de hardheidsclausule zodat in uitzonderingssituaties ook een financiële vergoeding zonder beoordeling van de schadeoorzaak mogelijk is.
+/- Er komt geen terugwerkende kracht voor de maatregel omdat dat in algemene zin niet haalbaar is; het kabinet verkent nog wel de mogelijkheid naar handelingsperspectief voor schrijnende gevallen, samenhangend met schades die door NAM/CVW zijn afgewezen. +/- Het IMG werkt aan verbeteringen in het aanvraagproces; deze verbetering moet bijdragen aan het ontzorgen van aanvragers/voorkomen van vuistdikke rapporten. Voorlopige analyse: Uit het consultatieverslag wordt niet duidelijk hoe het grensbedrag precies is gemotiveerd. We moeten de openbaarmaking van de Memorie van Toelichting afwachten. Het kan zijn dat ruimere mogelijkheden voor schrijnende gevallen en eerder afgewezen schades een oplossing zijn voor terugwerkende kracht. Dit is echter afhankelijk van de ruimte die hierin wordt geboden. 2.5 Finale kwijting (laten vervallen als eis of laten aansluiten op criteria voor het wettelijk bewijsvermoeden)
+/-
Dat was en wordt niet in de wet geregeld, het IMG moet met inachtneming van het kabinetsbeleid of de aanwijzing van de staatssecretaris voorwaarden uitwerken voor onder meer wanneer een nieuwe schademelding kan worden gedaan. Wanneer schade is afgehandeld en hersteld moet de aandacht en de capaciteit zich richten op de plekken waar ook na het stoppen van gaswinning uit het Groningenveld kans op terugkerende schade blijft bestaan.
Finale kwijting wordt niet in het wetsvoorstel geregeld, maar het wetsvoorstel is voor ons wel aanleiding geweest op het onderwerp te reageren. Dat het ministerie aangeeft dat de focus moet komen te liggen op de gebieden waar schade nog zal blijven, is op zich een goede redeneerlijn. In die gebieden is finale kwijting echter moeilijk te zien als een aanvaardbare voorwaarde voor schadeherstel. 2.6 De grondslag voor de heffing op NAM aanpassen {heffingsgrondslag uitbreiden)
5
+
Dit is niet nodig omdat dit geregeld is in het afzonderlijke wetsvoorstel waarin een aantal omissies is rechtgezet.
2.7 Onderdeel opschorten beslistermijn
(objectiveren van de opschortingsmomenten) +
De bepaling is gewijzigd zodat er objectieve momenten zijn waarop de beslistermijn wordt opgeschort en de opschorting voor duurzaam herstel is geschrapt.
5.3 Onderdeel koste-wat-kost
(commitment op koste-wat-kost voor gevolgschade en maatregel 1 t/m 33 mist) De Memorie van Toelichting verduidelijkt wat de wettelijke taken van het IMG en de NCG inhouden en wat onder koste-wat-kost valt. Voor versterking gerelateerde uitgaven van het Adviescollege Veiligheid Groningen, het SodM en de gemeenten geldt koste-wat-kost. Dat geldt ook juridische, bouwkundige en financiële bijstand (hoofdstuk Sa van de wet). Voorlopige analyse: Zodra de Memorie van Toelichting openbaar wordt, kan beoordeeld worden welke verduidelijking precies is gegeven. Op basis van de huidige informatie lijkt het erop dat wat wij zien als gevolgschade (agro, gezondheid en dergelijke) niet valt onder koste-wat-kost. 4. Redactionele controle (consequent benoemen Noord-Drenthe) +
1
Dit is overgenomen.
5.4 Overige zaken die niet voortvloeien uit (onze) consultatiereactie
Het wetsvoorstel wordt gewijzigd zodat het IMG inwoners actief kan benaderen Dit volgt niet uit de consultatiereacties. Er zijn inwoners die - gelet op de locatie van de woning - mijnbouwschade hebben aan de woning, maar die zich niet gemeld hebben. Tot nu toe kan het IMG alleen reageren op schademeldingen. Een wetswijziging maakt het voor het IMG mogelijk om deze inwoners ook zonder melding actief te benaderen. De wetswijziging maakt het voor het IMG mogelijk om gegevens te bewerken en uit te wisselen met de gemeenten en de provincie in het effectgebied. Motivering waarom niet alle gemeenten die onder het effectgebied vallen, onder de werking van de economische en sociale agenda vallen Er is een consultatiereactie ontvangen waarin wordt geconstateerd dat het effectgebied groter is dan de gemeenten die onder de zorgplichten vallen. In het consultatieverslag wordt gemotiveerd waarom dat zo is. 'Dit zou tot versnippering van middelen leiden en tot verdelingsvraagstukken, omdat in deze gemeenten een groot deel van de postcodes buiten het IMG-effectgebied valt'.
6
BIJLAGE 1 OVERZICHT WIJZIGINGEN IN DE TIJDELIJKE WET GRONINGEN W at w ijzigt er in de Tijd elijke w et G ro ningen? H u idige Tijd elijke w et G ro ningen
N ieuw e W et G roningen
1. Algemeen
Definitie 'veronderstelde schade' (maatregel 3, daadwerkelijk herstel). Nieuwe taak IMG om veronderstelde schade te herstellen of te vergoeden (maatregel 3, daadwerkelijk herstel). Opschorten beslistermijnen (gewijzigd artikel 2). Geen wijzigingen. Geen wijzigingen. In relevante bepalingen wordt 'de inspecteurgeneraal der mijnen' vervangen door 'het bestuur van het Staatstoezicht op de Mijnen'. Opschorten beslistermijnen (gewijzigd artikel 13). Geen wijzigingen. Sb. Zorgplichten brede welvaart en verduurzaming, uitvoeringsplan voor zorgplichten (maatregel 1 Nij Begun). Sc. Staat van Groningen, Overleg en reactie, gegevensverwerking (maatregel 1 Nij Begun). Koste-wat-kost financiering voor uitvoering wettelijke taken NCG en IMG (gewijzigd artikel 14). Generatielange betrokkenheid (nieuw artikel 14a, maatregel 1 Nij Begun). Geen wijzigingen. Vervallen evaluatiebepaling (artikel 20).
2. Instelling, taken, bevoegdheden
3. Aansturing en toezicht 4. Procedure bij het Instituut 5. Versterking
Sa. Bijstand
6. Financiering
7. Rechtsbescherming 8. Slotbepalingen
7
BIJLAGE 2: RAA MWERK REACTIE RADEN EN STATEN OP HOOFDLIJNENNOTITIE
Aan de staatssecretaris voor Mijnbouw van EZK De heer J.A. Vijlbrief Per mail : stasmijnbouw@minezk.nl Geachte heer Vijl brief, U heeft ons in de gelegenheid gesteld om te reageren op de notitie 'hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet' (hierna hoofdlijnennotitie). Wij maken graag van die gelegenheid gebruik. De impact van gaswinning en de gevolgen daarvan zullen nog lang worden ervaren in onze regio. Het is dan ook van belang dat de verantwoordelijke bewindspersoon en het kabinet zich langdurig committeren aan herstel van en perspectief voor de regio. In ieder geval tot 2055. Uit de hoofdlijnennotitie blijkt dat dat ook het doel is van de Groningenwet - onderdeel Staat van Groningen. Een jaarlijkse Staat van Groningen, een jaarlijks debat tussen de verantwoordelijke bewindspersoon en de Tweede Kamer en het gesprek daarover met onze regio zorgen ervoor dat het rijk elk jaar opnieuw stilstaat bij de gevolgen van de gaswinning en de effecten en resultaten van het gevoerde beleid. Uit de hoofdlijnennotitie blijkt dat dat ook het doel is van de Groningenwet - onderdeel Staat van Groningen. Hoofddoelstellingen aanpassen
De hoofddoelstellingen en de financiële bepalingen zijn voor ons van essentieel belang. Niet alleen nu, maar ook en vooral voor toekomstige bewindspersonen en kabinetten en Tweede Kamer. De doelstellingen en de benodigde financiën mogen geen vrijblijvend karakter hebben. Het is, zoals in de hoofdlijnennotitie staat, onze verzekeringspolis. Resultaatverplichtingen
Wij vinden dat de hoofddoelstellingen resultaatverplichtingen moeten inhouden. Dat zien wij onvoldoende terug in de beschrijving van de hoofddoelstellingen. Dit geldt met name voor de hoofddoelstellingen voor verduurzaming en brede welvaart. Wij begrijpen goed dat het behalen van de doelstellingen mede afhankelijk is van derden en dat het behalen ervan niet in strijd mag zijn met andere wettelijke verplichtingen. Dat neemt niet weg dat de doelstellingen resultaatsverplichtingen moeten zijn zoals het kabinet in Nij Begun ook toezegt: "Het gaat om een resultaatsverplichting". Wij willen dat (toekomstige) verantwoordelijke bewindspersonen kunnen worden aangesproken op het behalen van de doelstellingen. Niet alleen politiek, door de Tweede Kamer, maar ook door ons. Desnoods langs juridische weg via de rechter. Hiermee willen we niet zeggen dat de bewindspersoon verantwoording aan ons aflegt, maar wel dat de regio nu en in de toekomst verzekerd moet zijn van het behalen van de doelstellingen. Omschrijvingen waarbij het absolute resultaatskarakter ontbreekt, passen daar niet bij.
Wij roepen u dan ook op om de hoofddoelstellingen voor verduurzaming en brede welvaart zodanig te wijzigen dat het absolute resultaatsverplichtingen worden, rekening houdend met het feit dat derden betrokken zijn bij het behalen van de doelen en dat er andere wettelijke verplichtingen zijn die in acht moeten worden genomen.
8
In de formulering van de doelstelling voor verduurzaming moet duidelijk zijn dat het doel is dat woningen aardgasvrij gereed worden. In de formulering van de doelstelling voor brede welvaart moet duidelijk worden gemaakt dat het landelijk gemiddelde in elk van de betrokken gemeenten gehaald moet worden. Daarnaast adviseren we u in de Memorie van Toelichting op te nemen dat het behalen van de doelstelling niet tot gevolg mag hebben dat tegenstellingen worden verdiept. Hiermee bedoelen we dat moet worden voorkomen dat op gemeenteniveau het landelijk gemiddelde niveau wordt gehaald, maar dat binnen de gemeente de tegenstellingen juist groter worden.
Verbreding doelstellingen De doelstellingen voor schade en versterking hebben wel een absoluut resultaatskarakter. Voor deze doelstellingen geldt koste-wat-kost, zo lang het duurt. Dat vinden wij terecht. Toch vinden wij de doelstellingen niet goed passen bij het uitgangspunt dat schadeafhandeling - en ook versterking zoals in de hoofdlijnennotitie staat - milder, makkelijker en menselijker moet. Alhoewel deze termen openstaan voor interpretatie is wel duidelijk dat schadeafhandeling en versterking méér moet zijn dan de technisch juiste afhandeling van overheidstaken. Het gaat erom dat de overheid oog moet hebben voor de mensen en daar passend naar handelt als dat gerechtvaardigd is. Dit element missen wij in de hoofddoelstelling en wij roepen u op om de hoofddoelstelling hierop aan te passen. Voor versterking geldt dat de hoofddoelstelling beperkt is tot de maatregelen zoals bedoeld in artikel 13ba van de Tijdelijke wet Groningen waarin staat: Onze Minister neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad. Deze bepaling gaat over technische veiligheid. De hoofddoelstelling moet óók om technische veiligheid gaan, maar niet alleen. Dat geeft u ook weer in de hoofdlijnennotitie, maar missen we in de hoofddoelstelling.
We roepen u dan ook op om de hoofddoelstelling hierop aan te passen. Bovendien moeten de hoofddoelstellingen voor schade en versterking ook recht doen aan het herstel van of wegnemen van de sociale en gezondheidsgevolgen die mensen ervaren. De psychische en emotionele impact voor inwoners en ondernemers zien wij als gevolgschade. Dat geldt ook voor nadelige (investerings)gevolgen voor ondernemers. Wij roepen u op om duidelijk te maken dat deze nadelige gevolgen onder gevolgschade vallen en daarmee ook onder de doelstelling voor schadeherstel en de financiële uitgangspunten daarbij: koste-wat-het-kost, zo lang het duurt. Behalen doelstellingen staat centraal Indien in 2055 de hoofddoelstellingen niet gehaald zijn dan moet de regio de garantie hebben dat het commitment blijft gelden en afdwingbaar is totdat de hoofddoelstellingen wél zijn gehaald. Financiële bepalingen moeten voldoende aanspraak op middelen geven
De financiële bepalingen moeten recht doen aan het budgetrecht van de Kamer en aan het langdurig commitment aan de regio. Daarbij geldt voor schadeherstel en versterking koste wat kost, zo lang het duurt. Alhoewel we het budgetrecht van de Kamer niet willen doorkruisen, kunnen de bepalingen ook niet vrijblijvend zijn. Een generatielang commitment betekent ook een generatielang financieel commitment. Er zijn voorbeelden genoeg van wetten die langjarige verplichtingen scheppen voor het rijk. Dat kan dus ook hier. Wij roepen u op om ons in de financiële bepalingen voldoende zekerheid te geven dat de regio in de toekomst over voldoende middelen kan beschikken om de doelstellingen te 9
behalen. Dit geldt met name voor verduurzaming en brede welvaart. De middelen moeten beschikbaar blijven. Wanneer de middelen in een bepaald jaar niet volledig zijn benut, moeten ze doorschuiven naar een volgend jaar. Daarnaast willen we dat is vastgelegd dat de middelen additioneel zijn. In de hoofdlijnennotitie lezen we dat de inzet van het rijk aanvullend is op de bijdrage die andere partijen vanuit hun (wettelijke) taak leveren. Het kan echter niet zo zijn dat lagere overheden geen middelen (meer) krijgen omdat de inzet van de middelen een wettelijke taak betreft. Wij vinden ook dat de Staat van Groningen zelf niet uit de middelen van Nij Begun bekostigd mogen worden. Om de sociale en gezondheidsgevolgen van inwoners uit het aardbevingsgebied weg te nemen, moet - net als bij schadeherstel en versterking - gelden dat de financiële middelen beschikbaar worden gesteld koste-wat-kost, zo lang het duurt. Koste-wat-kost houdt nadrukkelijk óók in dat er voldoende capaciteit moet zijn. In de financiële bepalingen moet ook zijn opgenomen dat de financiële middelen worden geïndexeerd. Regio mee laten beslissen over indicatoren die niet jaarlijks terugkomen in de Staat van Groningen.
In de hoofdlijnennotitie geeft u aan dat niet alle gegevens en indicatoren jaarlijks een update krijgen in de Staat van de Groningen omdat voor sommige indicatoren geldt dat er een geleidelijke verandering plaatsvindt. Wij roepen u op om in de ontwerpwet te bepalen dat de regio meebeslist over de vraag welke indicatoren niet jaarlijks geüpdatet worden. Regio heeft voldoende tijd voor (het voorbereiden van) overleg nodig. Op twee momenten in het jaar overlegt u met regionale bestuurders, namelijk in mei - over de Staat van Groningen - en in het najaar - over de voortgang. De regio moet met name voor het overleg in mei voldoende tijd hebben om dat overleg te kunnen voorbereiden en voeren. Samenvattend geeft de hoofdlijnennotitie ons aanleiding om u op te roepen om de ontwerpwet op een aantal essentiële onderdelen aan te passen. Wij zien, net als u, het grote belang van deze wet. En wij zijn van oordeel dat deze aanpassingen recht doen aan de intenties waarmee dit wetgevingsproces is begonnen. Wij zien uw reactie op onze punten met belangstelling tegemoet
10
BIJLAGE 3: RAAMWERK CONSULTATIEREACTIE COLLEGES OP VOORSTEL GRONINGENWET
Aan zijne excellentie staatssecretaris Herstel van Groningen Betreft: consultatiereactie Groningenwet Geachte heer Van Marum, Van 17 juni tot en met 10 september 2024 kan iedereen tijdens de internetconsultatie reageren op het wetsvoorstel "wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen" (hierna: het wetsvoorstel). Wij maken graag van de gelegenheid gebruik om te reageren.
Het wetsvoorstel is voor ons en onze inwoners van belang omdat het de garantie moet vormen dat het kabinet - en ook toekomstige kabinetten - zich houden aan de beloften die zijn gedaan in de Kamerbrief 'Nij Begun: op weg naar erkenning, herstel en perspectief' (hierna: Nij Begun). Wij waarderen het dan ook dat de betrokken raden, staten en algemeen besturen de gelegenheid hebben gekregen om te reageren op de notitie "Hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet" (hierna: de hoofdlijnennotitie). De kern van de reactie van de regionale volksvertegenwoordigingen is dat de wet houvast moet bieden. Houvast dat de verantwoordelijke bewindspersoon en het kabinet zich committeren aan de regio, aan beloften, aan doelen en maatregelen om die doelen te realiseren en aan het beschikbaar stellen van de middelen en de capaciteit die daarvoor nodig is. Wij onderschrijven deze reactie van de regionale volksvertegenwoordigingen en onze reactie staat dan ook in het licht van de vraag of het wetsvoorstel naar ons oordeel voldoende houvast biedt. Daarnaast is de wet van belang omdat het een maatregel vastlegt - onder de noemer daadwerkelijk herstel - die als doel heeft de schadeafhandeling menselijker, milder en makkelijker te laten verlopen. 1. Onderdeel Staat van Groningen (maatregel 1 Nij Begun)
Het kabinet reageert met 50 maatregelen in Nij Begun op de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie en zegt daar zelf over 'Geen beloften zonder daden meer. Het kabinet legt daarom in de wet vast dat het jaarlijks over de voortgang verantwoording aflegt in een Staat van Groningen en elke zes maanden hierover praat in de regio.' Dit wetsvoorstel moet de resultaatsverplichtingen van het kabinet vastleggen. Het is immers het kabinet dat een ereschuld moet inlossen en het zijn de verantwoordelijke bewindspersonen die doelen moeten realiseren en maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. En het is met zoveel woorden toegezegd in Nij Begun bij maatregel 1: "Het gaat om een resultaatsverplichting". Dit zien wij echter onvoldoende terug. Het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting lijken te worstelen met verantwoordelijkheid van de bevoegde Minister, andere betrokken Ministers en derden waardoor de gezamenlijke resultaatsverplichting van de betrokken Ministers - in ieder geval in terminologie - verzwakt. Daardoor zien we constructies als 'coördinatie', 'inzet' en 'aanvullende bijdrage'. Het staat voor ons vast dat het kabinet verantwoordelijk is voor het realiseren van de welvaartsverbetering en dit willen we terugzien in het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting.
11
1.1 Zorgplichten brede welvaart en verduurzaming In het wetsvoorstel krijgt de Minister in overeenstemming met andere betrokken ministers zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming. De formulering is 'draagt zorg voor het bevorderen van'. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het een coördinerende en aanjagende taak is. De maatregelen uit Nij Begun worden niet gerealiseerd door een zorgplicht of door een bewindspersoon die enkel een coördinerende taak heeft. Een zorgplicht zonder norm waaraan die zorg moet voldoen geeft de regio niet het houvast dat nodig is. We vinden dat de taak van de verantwoordelijke bewindspersoon in het wetsvoorstel verbonden moet zijn aan de verplichting om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de doelen te realiseren. Het moet zó duidelijk zijn dat derden de bewindspersoon en de Staat - eventueel in een juridische procedure - kunnen aanspreken wanneer de uitoefening van de taken niet, onvoldoende of niet-tijdig tot het vereiste resultaat leidt. We doen u een concreet wijzigingsvoorstel in bijlage 1 van deze consultatiereactie. 1.2 verptichtinqen kabinet in re/one tot aanvullende bijdrage De middelen die het kabinet beschikbaar stelt voor verduurzaming en brede welvaart zijn additioneel. Ze zijn extra en niet bedoeld om reguliere verplichtingen mee te financieren.
In de Memorie van Toelichting staat echter zoals eerder genoemd dat de bijdrage aanvullend is op wat andere partijen vanuit hun taak of verantwoordelijkheid bijdragen: 'ook hun bijdrage is noodzakelijk om de gewenste welvaartsverbetering te realiseren'. Wij vinden dat dit geen recht doet aan de ereschuld die het kabinet heeft, omdat gesuggereerd wordt dat eerst en primair andere partijen een (financiële) bijdrage moeten leveren en dan pas het kabinet voor zover de bijdrage van andere partijen ontoereikend is. In deze formulering zou het ook kunnen dat het kabinet- door bijvoorbeeld gemeenten extra taken te geven - zijn verantwoordelijkheid kan verschuiven. De maatregelen en de middelen die daarvoor nodig zijn, zijn bedoeld om de ereschuld die het kabinet heeft in te lossen. Het kabinet moet dan ook de verbétering realiseren. Daarbij kan inzet van andere partijen nodig zijn, maar het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting moeten duidelijk maken dat het realiseren van de doelen en het beschikbaar stellen van de middelen een verantwoordelijkheid is van het kabinet en toekomstige kabinetten.
1.3 Uitvoeringsplan in relatie tot afspraken met decentrale overheden Uit de Memorie van Toelichting blijkt summier dat het de bedoeling is dat de Minister met de regionale bestuurders afspraken maakt over de invulling van de zorgplichten, het bepalen van concrete doelen, maatregelen om die doelen te bereiken en streefwaarden. Dat zijn op basis van Nij Begun in ieder geval de economische en sociale agenda (maatregel 34 en 35 uit Nij Begun). Op basis van deze afspraken nemen de betrokken Ministers in het uitvoeringsplan onderdelen over die in de Staat van Groningen terecht moeten komen en waar zij verantwoording over moeten afleggen. Het wetsvoorstel verplicht de Minister(s) alleen om het uitvoeringsplan in overleg met de decentrale overheden vast te stellen. Wij vinden dat de relatie tussen het uitvoeringsplan en de afspraken met decentrale overheden een steviger basis in het wetsvoorstel moeten krijgen. Het moet duidelijk zijn dat het uitvoeringsplan voortvloeit uit die afspraken. We doen u een concreet voorstel in bijlage 1 van deze consultatiereactie. Daarnaast vinden we dat het wetsvoorstel tot uitdrukking moet brengen dat de regionale afspraken
12
en het uitvoeringsplan ook op andere onderwerpen kunnen zien dan verduurzaming en brede welvaart. Rijk en regionale overheden kunnen bijvoorbeeld ook afspraken met elkaar maken en doelen formuleren die betrekking hebben op schadeafhandeling of versterking, de zogenaamde herstelagenda.
1.4 Uitvoeringsplan en de nadere invulling van de zorgtaken brede welvaart en verduurzaming Volgens het wetsvoorstel wordt in het uitvoeringsplan nadere invulling gegeven aan de relevante aspecten van brede welvaart en aardgasvrij gereed maken. Het risico dat wij hier zien, is dat elke vijf jaar een andere invulling kan worden gegeven aan de zorgplichten waarmee de doelstellingen moving targets zijn. Het wetsvoorstel of de Memorie van Toelichting moeten in ieder geval een ondergrens van de relevante aspecten bevatten. De gekozen ondergrens moet eraan bijdragen dat de doelstellingen van de zorgtaken niet tot gevolg hebben dat verschillen binnen en tussen gemeenten worden verdiept of dat goede resultaten slechte resultaten maskeren. Op grond van artikel 13q worden inwoners uit de betrokken gemeenten gehoord ten behoeve van het uitvoeringsplan. Het is van belang dat inwoners wezenlijke invloed kunnen uitoefenen op het uitvoeringsplan. Daarom vragen wij u om duidelijkheid te bieden over de invulling van het horen van inwoners. De Memorie van Toelichting beschrijft welke afspraken zijn gemaakt over het uitvoeren van maatregel 29 uit Nij Begun (verduurzaming). Er zijn specifieke afspraken gemaakt voor adressen die binnen het versterkingsprogramma vallen. Deze afspraken gelden ook voor bepaalde adressen buiten het versterkingsprogramma, we noemen dit het versterkingsgebied.
De Memorie van Toelichting is hierover echter niet volledig. We stellen voor om de terminologie van de "Uitgangspuntennotitie Isolatieaanpak Groningen Noord-Drenthe" te hanteren die is vastgesteld in de stuurgroep van maatregel 29 en door alle colleges van de provincie Groningen en de betrokken dertien gemeenten. Het gaat om het gebied waar tenminste 30% van de woningen in de versterkingsscope is opgenomen (CBS Wijk- en buurtindeling). Daarbij wordt afgerond naar hele percentages (dus >29,5%). Om tot een ruimtelijk samenhangend gebied te komen worden enclaves die niet aan de criteria voldoen toegevoegd aan het versterkingsgebied en daarmee aan de 100% regeling. Een enclave is een gebied dat volledig grenst aan gebieden waar het criterium van minimaal 30% geldt (dus daardoor wordt omsloten) en gebieden die met aan 1 zijde aan zee liggen en verder volledig grenzen aan gebieden waar het criterium van 30% geldt. Om tot een sociaal samenhangend gebied te komen zijn nog 2 gebieden toegevoegd aan het versterkingsgebied. Het gaat om aan elkaar grenzende CBS-wijken die in de praktijk één gemeenschap vormen.
1.5 Staat van Groningen Het nieuwe artikel 13r maakt duidelijk wat gemonitord moet worden in de Staat van Groningen. Dat betreft onder meer de kwantitatieve en kwalitatieve realisatie van bijstand voor het verlenen van financieel en bouwkundig advies en in hoeverre dit bijdraagt aan ruimhartige schadeafhandeling of veiligheid. In het wetsvoorstel moet worden opgenomen dat deze monitoring ook ziet op het verlenen van juridische bijstand.
1.6 Beschikbaar stellen financiële middelen Het nieuwe artikel 14a borgt dat er jaarlijks financiële middelen beschikbaar komen voor de zorgplichten die de minister heeft voor brede welvaart en verduurzaming. Dit vinden wij onvoldoende garantie dat het kabinet de toezeggingen uit Nij Begun nakomt. De doelen en de maatregelen die daarvoor nodig zijn, moeten met de financiering door het kabinet gerealiseerd worden. Er moet dan ook tenminste een relatie worden gelegd met de doelen en de maatregelen in het uitvoeringsplan. Anders zijn de middelen namelijk slechts gekoppeld aan de
13
algemene zorgplicht. In de wettekst moet bovendien worden opgenomen dat jaarlijks, in ieder geval
tot en met 2055, voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. We vinden dat de financiële bepaling het ook mogelijk moet maken om onderbenutte middelen door te schuiven naar het komende jaar en dat zij moet regelen dat er bij de indexering rekening gehouden wordt met verschillende indexeringsmethoden per beleidsveld of sector. Het ministerie dat de middelen op de begroting zet is hierin niet leidend, maar de inhoudelijke maatregel (waar het geld ook daadwerkelijk aan wordt besteed). 2. Onderdeel daadwerkelijk herstel (maatregel 3 Nij Begun)
Het doel van dit onderdeel van het wetsvoorstel is om schadeafhandeling voor gedupeerden met meer omvangrijke schade soelaas te bieden in het complexe, langdurige en onzekere proces van schadeafhandeling. Met dat doel zijn we het eens. We onderschrijven ook dat het belangrijk is dat aanvragers een gelijkwaardige uitkomst kunnen krijgen, namelijk een schadevrij gebouw. Toch zijn er wel zorgen over de uitvoering, het effect en de impact van de maatregel. 2.1 De motivering van het maximale schadebedrag
Het kabinet heeft het schadebedrag waarvoor de maatregel geldt, bepaald op€ 60.000. Dit is volgens de Memorie van Toelichting verdedigbaar 'omdat in situaties waarin herstelkosten uitzonderlijk hoog liggen, de omvang van de schade een onderzoek naar de oorzaak ervan rechtvaardigt'. Hiermee is geen motivering gegeven van de begrenzing van het bedrag. Elke begrenzing roept weliswaar een discussie op, maar in dit geval lijkt de begrenzing van€ 60.000 willekeurig gekozen te zijn. Of herstelkosten uitzonderlijk hoog zijn, is bovendien niet zozeer te koppelen aan het schadebedrag zelf, maar meer aan de ligging en de aard van het gebouw in het gebied. Herstelkosten aan een rijksmonument kunnen bijvoorbeeld hoger zijn dan aan een ander gebouw, ligt dat rijksmonument op een bepaalde ondergrond is het bedrag mogelijk nog hoger en ligt dat weer in de zogenaamde kern van het gebied is het bedrag nog hoger. Dat hoeft gelet op de specifieke omstandigheden geen uitzonderlijk hoog herstelbedrag te zijn. Tot slot begrijpen wij van het IMG dat het niet vaak voorkomt dat het schadebedrag hoger is dan€ 60.000. Als dat het geval is, begrijpen wij de begrenzing niet.
Waarom wordt - nu een relatief klein aantal schadebedragen hoger is dan€ 60.000 - niet gekozen om het grensbedrag te laten vervallen zodat in alle gevallen voor een soepeler beoordeling gekozen kan worden? We vinden dat er géén maximaal schadebedrag gesteld mag worden aan de keuze voor daadwerkelijk herstel óf beter gemotiveerd moet worden waarom voor het grensbedrag van€ 60.000 is gekozen. 2.2 De borging van het maximale schadebedrag
Het maximale schadebedrag wordt niet in de wet, maar in een Ministeriële Regeling vastgelegd. Dit maakt het volgens de Memorie van Toelichting mogelijk het bedrag aan te passen aan toekomstige (prijs)ontwikkelingen zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. Het bedrag kan daardoor echter ook naar beneden bijgesteld worden zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. Wij vinden dat het maximale schadebedrag - indien daaraan wordt vastgehouden - in de wet zelf moet worden vastgelegd en dat daarbij wordt bepaald dat de Minister het bedrag jaarlijks zal indexeren. Zo is gewaarborgd dat het bedrag in ieder geval zijn reële waarde behoudt. 2.3 Deskundigenrapporten 14
Het wetsvoorstel heeft tot doel dat inwoners worden ontzorgd en niet langer worden geconfronteerd met 'vuistdikke deskundigenrapporten'. De maatregel daadwerkelijk herstel betekent echter niet dat er geen deskundigenrapporten meer zijn. Er moet in ieder geval vastgesteld worden of er sprake is van veronderstelde schade en vervolgens wat het schadebedrag is. Uit onze gesprekken met het IMG blijkt dat deskundigen in de rapporten aan gaan geven welke schade veroorzaakt wordt door mijnbouw (schade naar haar aard mijnbouwschade en geen evident andere oorzaak) en welke niet (schade die naar haar aard redelijkerwijs mijnbouwschade zou kunnen zijn). Vanuit de gedachte dat mijnbouwschade op de exploitant verhaald moet worden, is dit begrijpelijk. Het schuurt wel met de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie om de uitvoeringskosten te verlagen. Er lijkt eerder een extra berekening van deskundigen bij te komen.
2.4 Een gelijkwaardige uitkomst vraagt om onderscheid De maatregel geeft alle potentiële aanvragers in het gebied dezelfde aanspraak onder dezelfde voorwaarden. Toch leidt dat niet per definitie tot een gelijkwaardige uitkomst. Voor zwaarder gedupeerde aanvragers pakt de maatregel mogelijk relatief minder goed uit dan voor aanvragers die minder zwaar gedupeerd zijn. Bij zwaarder gedupeerden wordt er relatief minder veronderstelde schade hersteld of kan het zelfs verstandiger zijn om voor een reguliere beoordeling te kiezen. Dat heeft echter tot gevolg dat veronderstelde schade juist bij hen niet wordt hersteld. Wanneer juist de zwaarst gedupeerden minder profiteren van een maatregel, is de maatregel het doel voorbij geschoten. Dit draagt ook niet bij aan draagvlak voor de maatregel. Wij vinden dat u voortdurend moet beoordelen of de zwaarst gedupeerden profiteren van de maatregel en, als dat niet zo is, de maatregel in hun voordeel moet verruimen. Anders gezegd: we missen de wettelijke bevoegdheid voor het IMG om in de kern van het gebied tot versoepeling van schadeafhandeling te komen. Zoals de commissie verschillen (Van Geel) in haar rapport concludeert moet het voor bewoners niet uitmaken wanneer, door welke instantie of door welke deskundige hun schadeclaim in behandeling is genomen.
"Dit betekent dat met betrekking tot oude, nieuwe en toekomstige schades de mogelijkheid moet bestaan dat de schade op dezelfde wijze behandeld wordt en wel onder de nieuwe voorwaarden".3 Dit onderschrijven we, het past ook bij het einddoel van een herstelde woning en daarom vinden we dat de maatregel met terugwerkende kracht moet worden toegepast. De maatregel wordt toegepast in het gebied waar het wettelijk bewijsvermoeden geldt. Dat gebied is afgebakend op grond van artikel lüoa Besluit Tijdelijke wet Groningen. Uit deze bepaling volgt dat de begrenzing is gebaseerd op trillingssnelheid en de ligging ten opzichte van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk. De trillingssnelheid moet echter bijgesteld worden bij kwetsbare 4 gebouwen. Een juiste toepassing van de maatregel daadwerkelijk herstel, vereist een juiste toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden. Wij willen dat u hierop toeziet.
3
Advies 1.3 van de commissie, bladzijde 29. https ://www. schadedoormij n bouw. n 1/schade-gebouw/verd ie pende-informatie/toepassingbewijsvermoeden#: -: text= Een%20tril ling %201ager%20da n %202, van %20gas%20u it%20het%20G ron i ngenveld. https://www.schadedoormijnbouw.nl/schade-gebouw/verdiepende-informatie/toepassingbewijsvermoeden#: -: text= Een %20tri l ling %201ager%20dan %202, van %20gas%20u it%20het%2 OGron i ngenveld 4
15
In de Kamerbrief van 6 oktober 2023 is door uw voorganger toegezegd dat in een aantal uitzonderingssituaties een financiële vergoeding tot€ 60.000 zónder weerleggingstoets mogelijk is. In het wetsvoorstel zien we deze mogelijkheid niet terug. 2.5 Finale kwijting Finale kwijting is een voorwaarde voor vergoedingen die het IMG verstrekt en houdt in datbehoudens schade door aardbevingen met een bepaald effect of nieuwe indirecte schade door diepe bodemdaling - geen nieuwe schadevergoeding wordt uitgekeerd. Dit geldt ook voor de maatregel daadwerkelijk herstel. Wij vinden dat finale kwijting geen voorwaarde mag zijn bij schadevergoedingen, niet bij de uitvoering van de maatregel daadwerkelijk herstel en ook niet bij andere vormen van schadevergoeding. Het IMG moet zich bij de schadeafhandeling houden aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het BW volgt simpelweg dat onrechtmatig toegebrachte schade vergoed moet worden. Dus als er na een schadevergoeding nieuwe schade ontstaat of al vergoedde schade verergert, ontstaat er opnieuw een aanspraak op schadevergoeding. Er is geen enkele reden om als voorwaarde te stellen dat er behoudens enkele uitzonderingen één keer schade geclaimd kan worden. Bovendien weet niemand welke seismiciteit nog optreedt en wat eventuele na-ijleffecten zijn.
Wij wijzen u bijvoorbeeld op de meest recente uitkomsten van de Seismische Dreigings- en Risico Analyses in het kader van de laatste gasbesluiten. Tegen alle verwachting in kwamen daar nog steeds gebouwen uit die mogelijk niet voldoen aan de veiligheidsnorm en die nog niet in het versterkingsprogramma waren opgenomen. Dan kunnen er ook nog onverwachte negatieve effecten zijn op schade aan gebouwen. Naarmate gebouwen dichter in de zogenaamde kern van het gebied staan, is het effect naar ons inzicht steeds onvoorspelbaarder en mag niet van inwoners gevraagd worden dat zij afzien van verdere schadevergoeding. Dit klemt des te meer omdat daadwerkelijk herstel losstaat van duurzaam herstel. Zolang schadeafhandeling uitgaat van cosmetisch herstel - en dat doet het - ontstaat er nieuwe schade. Door de eis van finale kwijting kunnen inwoners schade niet opnieuw melden waardoor het einddoel dat wordt nagestreefd met daadwerkelijk herstel dan juist niet gerealiseerd wordt. Er ontstaat dan namelijk geen schadevrij huis. Wij vinden dat u het IMG de instructie moet geven om de voorwaarde van finale kwijting niet meer op te leggen, ook niet bij andere schadevergoedingen. Mocht er worden vastgehouden aan de finale kwijting dan vinden wij dat bij de toepassing ervan aangesloten moet worden bij artikel lüoa Besluit Tijdelijke wet Groningen.
In dat artikel is het effectgebied van het bewijsvermoeden begrensd op basis van twee gegevens: trillingssnelheid en ligging ten opzichte van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk. De trillingssnelheid die hier is gebruikt is minimaal 2 millimeter per seconde.5 De voorwaarde bij de finale kwijting is dat er een aardbeving van minimaal 5 millimeter per seconden moet zijn geweest na de schadeafhandeling of dat het moet gaan om schade door indirecte diepe bodemdaling. Dit is niet gemotiveerd, is zeker niet wetenschappelijk onderbouwd en houdt een verzwakking in van het wettelijk bewijsvermoeden.
5 Er is onterecht geen rekening gehouden met de trillingssnelheid die gehanteerd moet worden bij 'kwetsbare panden', namelijk 1,6 millimeter per seconde.
16
2.6 De grondslag voor de heffing op NAM aanpassen
Door het wetsvoorstel krijgt het IMG een nieuwe taak die wordt vastgelegd in artikel 2, eerste lid in een nieuw onderdeel c. De overige bepalingen vernummeren. Artikel 15 van de wet is de heffingsgrondslag, maar deze wijzigt niet mee met het nieuwe artikel 2. Wij denken dat artikel 15, eerste lid onder book aangepast moet worden zodat de heffingsgrondslag behouden blijft. 2.7 Onderdeel opschorten beslistermijn
Het wetsvoorstel regelt dat de beslistermijn voor het IMG in verschillende situaties wordt opgeschort. We vinden dat u een objectief moment moet vaststellen als begin- of eind moment van de opschorting. In plaats van het moment dat een rapport is uitgebracht of een keuze is gemaakt, kunt u naar onze mening beter vastleggen dat het gaat om het moment dat een rapport of een keuze door het Instituut is ontvangen. In het nieuwe artikel 13, lid 4 van de TwG wordt de termijn opgeschort zodat aanvragers kunnen reageren op 'documenten' van het IMG. Wij vinden dat u moet concretiseren waar het precies om gaat (een informatiefolder van het IMG is immers ook een document). Tot slot geven wij u in het algemeen mee om in de procedure onderscheid te maken in het reageren op deskundigenrapporten - waar het gaat om feitelijke onjuistheden - en het indienen van zienswijzen tegen voorgenomen besluiten - waar de aanvrager ziet hoe het IMG wil omgaan met het rapport en kan aangeven dat er een ander besluit nodig is - zoals de Awb dat bedoelt. 3. Onderdeel koste-wat-kost
Het wetsvoorstel voorziet erin dat er voldoende financiële middelen zijn voor schadeafhandeling en versterking. Koste-wat-kost is echter beperkt tot de taken die wettelijk zijn vastgelegd in de Wet Groningen. We missen daardoor het koste-wat-kost-commitment op de zaken die wij als gevolgschade zien - zoals het bestrijden van de negatieve effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering of omzetschade die zij derven, nadelige gevolgen voor (het behoud van) erfgoed, combineren van schadeherstel met verduurzamen zoals de commissie Van Geel adviseert - en maatregel 1 t/rn 33 van Nij Begun. We vinden dat u dit wettelijk moet borgen. 4. Tot slot: redactionele controle op wetsvoorstel en Memorie van Toelichting
We adviseren u tot slot om het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting redactioneel nog eens goed door te lopen. In de inleiding van de Memorie van Toelichting wordt bijvoorbeeld door de redactie gesuggereerd dat de vijftig kabinetsmaatregelen verbonden zijn aan één aanbeveling uit 'Groningers boven gas' -terwijl het een reactie is op alle aanbevelingen - en dat het wetsvoorstel de wettelijke verankering is van alle maatregelen die een wettelijke grondslag nodig hebben - terwijl bijvoorbeeld maatregel 2 (duidelijkheid over het gebied waar schade wordt vergoed) al een wettelijke grondslag heeft gekregen. Ook vragen we uw aandacht voor het consequent benoemen van (inwoners van) NoordDrenthe waar dat relevant is, bijvoorbeeld in de Memorie van Toelichting op bladzijde 7 over het monitoren van de brede welvaart. Hoogachtend, Bijlage 1 Wijzigingsvoorstel zorgplichten en uitvoeringsplan
Hierna volgt ons wijzigingsvoorstel op het wetsvoorstel. 1.1. Wijzigingsvoorstel zorgplichten Artikel 130 Zorgplicht brede welvaart
17
Onze Minister bereikt, in samenwerking met Onze Ministers die het mede aangaat, dat het niveau van brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo, uiterlijk in 2055 in elk van deze gemeenten op ten minste het landelijk gemiddelde niveau is gebracht. Artikel 13p Zorgplicht aardgasvrij gereed maken Onze Minister bereikt, in samenwerking met Onze Ministers die het mede aangaat, dat alle woningen in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de [standaard voor woningisolatie] en uiterlijk in 2055 gereed zijn gemaakt voor aardgasvrij gebruik.
1.2. Wijzigingsvoorstel zorgplichten als niet wordt gekozen voor het wetsvoorstel onder 1.1 Artikel 130 Zorgplicht brede welvaart l. Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen van de ontwikkeling van de brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo. 2. Onze Minister neemt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, passende maatregelen om te waarborgen dat het niveau van brede welvaart in het in het eerste lid genoemde gebied, zich voortdurend zodanig ontwikkelt, dat uiterlijk in 2055 in elk van de in het eerste lid genoemde gemeenten op ten minste het landelijke gemiddelde niveau is gebracht. Artikel 13p Zorgplicht aardgasvrij gereed maken l. Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen dat woningen in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo, aardgasvrij gereed worden gemaakt. 2. Onze Minister neemt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, passende maatregelen om te waarborgen dat alle woningen in het in het eerste lid genoemde gebied, uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de [Standaard voor woningisolatie] en uiterlijk in 2055 gereed zijn gemaakt voor aardgasvrij gebruik.
2. Wijzigingsvoorstel uitvoeringsplan Artikel 13q Afspraken met de regio enj!itvoeringsplan l. Onze Minister maakt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, afspraken met gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincie Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, en het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa's over: a) een nadere invulling van de relevante aspecten van brede welvaart en b)
aardgasvrij gereed maken, bedoeld in de artikelen 130 en 13p; de tussentijdse doelen en streefwaarden met het oog op het realiseren van het
c)
in onderdeel a bepaalde; de voorgenomen maatregelen met het oog op het realiseren van het in de
d)
onderdelen a en b; en, de samenhang met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 5 en artikel 13n. 2. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde afspraken, ten minste elke vijf jaar een uitvoeringsplan vast. 3. Het uitvoeringsplan bevat tenminste:
18
a.
de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde, door de Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, te treffen maatregelen;
b.
de wijze waarop de Minister de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde samenhang waarborgt.
4. Ten behoeve van het opstellen van het uitvoeringsplan wordt ten minste een vertegenwoordiging van de relevante maatschappelijke organisaties en de bewoners uit de gemeenten, genoemd in het eerste lid, gehoord.
19