CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

08-02-c Zuidwending 8 Veendam Toelichting

Gemeenteraad 20 december 2021, gemeente VeendamBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Zuidwending 8 Veendam'.13.502 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan

Zuidwending 8, Veendam

November 2021

Status: Vastgesteld

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam”

Bestemmingsplan: IDN: Status: Datum:

Zuidwending 8, Veendam NL.IMRO.0047.01BPZuidwending8-0401 Vastgesteld November 2021

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ......................................................................................5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

AANLEIDING .........................................................................................................................................5 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ..................................................................................................................5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ........................................................................................................5 HUIDIGE PLANOLOGISCHE REGIME ..............................................................................................................6 LEESWIJZER ..........................................................................................................................................7

HOOFDSTUK 2 DE HUIDIGE SITUATIE ........................................................................8 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................ 10 3.1 3.2

GEWENSTE ONTWIKKELING ..................................................................................................................... 10 VERKEER EN PARKEREN .......................................................................................................................... 10

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER .............................................................................. 11 4.1 4.2 4.3

RIJKSBELEID ........................................................................................................................................ 11 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................................. 14 GEMEENTELIJK BELEID ........................................................................................................................... 16

HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN..................................................... 19 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

GELUID ............................................................................................................................................. 19 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................................ 19 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 20 EXTERNE VEILIGHEID ............................................................................................................................. 21 MILIEUZONERING ................................................................................................................................ 24 GEUR................................................................................................................................................ 26 ECOLOGIE .......................................................................................................................................... 27 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE ......................................................................................................... 28 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE.......................................................................................................... 29

HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN........................................................................... 31 6.1 6.2

VIGEREND BELEID ................................................................................................................................. 31 WATERPARAGRAAF .............................................................................................................................. 32

HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING ............................... 33 7.1 7.2 7.3

INLEIDING .......................................................................................................................................... 33 OPZET VAN DE REGELS ........................................................................................................................... 33 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .......................................................................................................... 34

HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ..................................................... 36 HOOFDSTUK 9 VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ......................................... 37 9.1 9.2 9.3

VOOROVERLEG .................................................................................................................................... 37 INSPRAAK .......................................................................................................................................... 37 ZIENSWIJZEN ...................................................................................................................................... 37

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING .................................................................................. 38 BIJLAGE 1

WATERTOETSRESULTAAT ................................................................................................................ 39

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel aan de Zuidwending 8 in Veendam (hierna: het plangebied). Op deze locatie, gelegen in het buitengebied, is de bebouwing van een voormalig erotisch massagesalon met een bijbehorende bedrijfswoning aanwezig. Het gaat om één groot hoofdgebouw. De bedrijfsmatige activiteiten op het perceel zijn al enige tijd beëindigd en de bebouwing staat sindsdien leeg. De locatie geeft een verpauperde indruk. Om in de toekomst leegstand en verpaupering in het buitengebied te voorkomen bestaat de wens om het plangebied aan te wenden ten behoeve van reguliere woondoeleinden. Het regulier bewonen van de bebouwing als burgerwoning past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De huidige bestemming ‘cultuur en ontspanning’ moet worden omgezet naar een woonbestemming. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin, waarin wordt aangetoond dat de gewenste ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied aan de Zuidwending 8 ligt ten oosten van de stad Veendam en in het buitengebied van de gemeente Veendam. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Veendam, sectie N, nummer 381. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Veendam en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.

1.3

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” bestaat uit de volgende stukken: • •

verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0047.01BPZuidwending8-0401) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

1.4

Huidige planologische regime

1.4.1

Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Veendam 2019”. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Veendam op 28 oktober 2019. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Veendam 2019” opgenomen. Het plangebied wordt hierop aangeduid met de rode omlijning.

1.4.2

Beschrijving bestemmingen

Het plangebied heeft op basis van het “Veegplan Buitengebied Veendam 2019” de enkelbestemming ‘Cultuur en ontspanning’. Daarnaast geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Verder geldt voor de zuidoostelijke hoek van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – buisleidingenstraat’. Hierna wordt nader op de geldende bestemmingen en de gebiedsaanduiding ingegaan. Cultuur en ontspanning De voor ‘Cultuur en ontspanning’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een seksinrichting en het wonen ten behoeve van het bedrijf, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, met de daarbij behorende gebouwen, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, wegen en paden, water, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het bedrijf geldt onder andere dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten hoogste de bestaande oppervlakte aan gebouwen mag bedragen. De

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld goot- en bouwhoogte mag ten hoogste respectievelijk 5 m en 9 m bedragen. Voor het bouwen van bedrijfswoningen geldt dat het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan één per bedrijf. Leiding - Hoogspanningsverbinding De voor ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmeringenstrook en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde – Archeologie 2 De voor gebieden van archeologisch belang ('Waarde - Archeologie 2') aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.

Waarde – Archeologie 3 De voor gebieden van archeologisch belang ('Waarde - Archeologie 3') aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. Vrijwaringszone – buisleidingenstraat De voor 'Vrijwaringszone - buisleidingenstraat' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede aangewezen voor een voorkeurstracé voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang zoals bedoeld in titel 2.9 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). 1.4.3

Strijdigheid

Het gebruiken van het plangebied voor reguliere woondoeleinden past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De huidige bestemming ‘cultuur en ontspanning’ moet worden omgezet naar een woonbestemming. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Er zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en de omgeving gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het gewenste plan. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Groningen en de gemeente Veendam beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 9 gaat in op de vooroverleg en inspraak.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

HOOFDSTUK 2

DE HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied aan de Zuidwending 8 ligt in het overgangsgebied van de stad Veendam naar het buitengebied. Ten westen van het plangebied bevinden sportvelden- en accommodaties en op grotere afstand de bebouwde kom van Veendam. Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing aan de Zuidwending. Deze lintbebouwing strekt zich uit in oostelijke richting. Binnen dit bebouwingslint bevinden zich woonpercelen en enkele agrarische bedrijven. Verder wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt door een overzichtelijke structuur met uitgestrekte landbouwgronden. De belangrijkste ruimtelijke structuurdrager in de nabije omgeving is de Zuidwending. Het plangebied omvat bebouwing van een voormalige erotische massagesalon en omliggende gronden. De bebouwing bestaat uit een groot woonhuis aan de voorzijde en aaneengebouwde voormalige bedrijfsruimtes. Achter de bebouwing bevindt zich enkele bijgebouwen en een tuin met een zwembad. Het overige terrein rondom de bebouwing is ingericht als parkeervoorziening. Het perceel wordt met een in- en uitrit ontsloten op de Zuidwending. In afbeelding 2.1 en afbeelding 2.2 is met een luchtfoto en een straatbeeld de bestaande situatie in het plangebied weergegeven. Het plangebied is op de luchtfoto aangeduid met de rode omlijning.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

Afbeelding 2.2

Straatbeeld plangebied (Bron: initiatiefnemer)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

HOOFDSTUK 3 3.1

PLANBESCHRIJVING

Gewenste ontwikkeling

Het voornemen is om het plangebied aan te wenden ten behoeve van reguliere woondoeleinden. Hiertoe dient de huidige bestemming te worden omgezet naar een reguliere woonbestemming. Het hoofdgebouw met daarin de bedrijfswoning wordt volledig omgezet naar een reguliere burgerwoning. Het gaat om een functiewijziging. Er is geen sprake van het oprichten van nieuwe gebouwen. In dit geval is er slechts sprake van inpandige werkzaamheden om alle bestaande bebouwing (bedrijfswoning en bedrijfsruimten) te kunnen gebruiken als een ruime woning. De voormalige (inpandige) sauna blijft bijvoorbeeld behouden als een onderdeel van de woning. De gronden rondom de bebouwing worden in gebruik genomen als tuin. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestemming ‘cultuur en ontspanning’ verwijderd. De bedrijfsactiviteiten van de erotische massagesalon worden daarmee permanent beëindigd. Een woonfunctie is qua gebruik passend binnen het bebouwingslint aan de Zuidwending. Het plangebied wordt daarmee voorzien van een duurzame vervolgfunctie, die qua karakter goed past in de directe omgeving en in het buitengebied van de gemeente Veendam.

3.2

Verkeer en parkeren

3.2.1

Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaan door een nieuwe ontwikkeling. 3.2.2

Situatie plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestemming ‘cultuur en ontspanning’ omgezet naar een woonbestemming. De bebouwing, waaronder de bestaande bedrijfswoning, wordt daarbij in gebruik genomen als een reguliere burgerwoning. Aangezien het aantal woningen niet toeneemt, is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft juist een positieve invloed op de bestaande verkeersituatie, aangezien de voormalige functie een hoger aantal verkeersbewegingen met zich mee brengt dan een regulier woonperceel. De ontsluiting op de Zuidwending wijzigt niet en blijft via de bestaande in- en uitrit op een verkeersveilige en overzichtelijke wijze plaatsvinden. Op het perceel is voldoende parkeerruimte aanwezig om op eigen terrein in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. 3.2.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

HOOFDSTUK 4

BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

2.

Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

3.

Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd.

4.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.

Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconstateerd is dat de woonfunctie de meest logische vervolgfunctie voor het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Regeling Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Rarro) 4.1.2.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. In de voorloper van de NOVI, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau gegeven. In het Barro zijn de verschillende nationale belangen vastgelegd die doorwerking moeten krijgen bij lagere overheden.

In het SVIR is bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat om de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen, project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Ecologische Hoofdstructuur, erfgoederen van universele waarden, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld 4.1.2.2 Besluit Regeling Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Rarro) Per 1 oktober 2012 zijn onder meer voor het hoofdwegennet (HWN), de (Wijziging van) Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro/Rarro) van kracht geworden. Deze stellen vanuit nationaal perspectief grenzen aan de toelaatbaarheid van wijzigingen in nieuwe bestemmingsplannen ten opzichte van de plannen die golden op het moment van inwerkingtreding. De exacte geografische plaatsbepaling van de geldende reserveringszones is opgenomen in het Rarro. Zolang er geen Tracébesluit (TB) is voor de uitbreiding van infrastructuur hebben deze reserveringen een verplichtend karakter. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). 4.1.2.1 Toetsing van het initiatief aan het Barro en de Rarro Wat betreft Besluit het Regeling Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Rarro). In paragraaf 4 ‘Voorkeurstracés buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen’ van de Rarro is opgenomen in artikel 4.1 (aanwijzing voorkeurstracés): Als voorkeurstracés met aan weerszijden daarvan een zoekgebied als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, van het besluit, worden aangewezen de tracés en zoekgebieden die zijn opgenomen in bijlage 19.

De geometrische plaatsbepaling van de voorkeurstracés en zoekgebieden is vastgelegd in een GML-bestand bij deze regeling. In voorliggend geval ligt het plangebied binnen de begrenzing van een voorkeurstracé voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening'. In artikel 2.9.4. van het Barro is opgenomen: Artikel 2.9.4. (belemmerende activiteiten): Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé laat, ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat voorkeurstracé geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Voorliggend bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van bestaande bebouwing. Er is geen sprake van een belemmerende activiteit. Geconcludeerd wordt er geen nationale belangen worden geschaad zoals vervat in het Barro en de Rarro. 4.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.1.2.1 Algemeen In de voorloper van de NOVI, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Om de ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In het Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld 4.1.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder De Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing, aangezien er geen woning wordt toegevoegd en er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het gaat uitsluitend om een functiewijziging zonder toename van bebouwingsmogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het rijksbeleid. 4.1.3

Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het initiatief is in overeenstemming met het rijksbeleid.

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid van de provincie Groningen is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie provincie Groningen en de Omgevingsverordening provincie Groningen. 4.2.1

Omgevingsvisie provincie Groningen

4.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie provincie Groningen is op 1 juni 2016 vastgesteld. Sindsdien is de visie een aantal keer gewijzigd en geactualiseerd. De meeste recente actualisatie is van februari 2021. De visie bevat een integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Belangrijke onderwerpen in de Omgevingsvisie zijn het zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, het benutten van ontwikkelingsmogelijkheden, het beschermen van karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen en het bieden van ruimte voor ondernemerschap. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om samenhang te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Om dit te doen is al het provinciaal beleid in vijf thema’s en elf provinciale ‘belangen’ geordend. De thema’s en belangen zijn: Ruimte 1. Ruimtelijke kwaliteit 2. Aantrekkelijk vestigingsklimaat 3. Ruimte voor duurzame energie 4. Vitale landbouw Natuur landschap 5. Beschermen landschap en cultureel erfgoed 6. Vergroten biodiversiteit Water 7. Waterveiligheid 8. Schoon en voldoende water Mobiliteit 9. Bereikbaarheid Milieu 10. Tegengaan milieuhinder 11. Gebruik van de ondergrond Met de Omgevingsvisie wil de provincie Groningen aansluiting vinden bij maatschappelijke ontwikkelingen en hier samen met anderen aan werken.

De provincie ziet drie dominante ontwikkelingen, namelijk bevolkingsontwikkeling, de digitale revolutie en de energietransitie. De ontwikkeling besloten in dit bestemmingsplan heeft binnen de zojuist benoemde thema’s en belangen het meeste raakvlak met het thema ‘Ruimte’ en het belang ‘ruimtelijke kwaliteit’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld 4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit De provincie Groningen streeft naar een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn. Een hoge ruimtelijke kwaliteit is van belang de provincie aantrekkelijk te laten blijven om te wonen, werken en recreëren. Het omgevingsbeleid wordt zoveel mogelijk gericht op het bieden van kansen die zich voordoen in lokale en regionale situaties. Stedelijk gebied Onder stedelijk gebied wordt verstaan een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en water en infrastructuur. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, omdat de provincie het grote contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, dat zo bepalend is voor de identiteit van de provincie, wil behouden en versterken.

Dit in lijn met de 'ladder voor duurzame verstedelijking', die bij nieuwe stedelijke ontwikkeling vraagt om motivering en afweging van de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Dit vraagt extra zorgvuldigheid bij ingrepen in het stedelijk gebied die een effect hebben op het buitengebied. Woningvoorraad Een hoge woonkwaliteit kan worden bereikt door het woningaanbod optimaal te laten aansluiten bij de wens van de inwoners. Het is mogelijk om kleine kernen kleinschalig uit te breiden. Hiervoor worden primair de inbreidingsmogelijkheden benut. Buiten de stad Groningen staat het beleid op het gebied van wonen primair in het teken van de vernieuwing van de bestaande woningvoorraad. De provincie wil met gemeenten komen tot op de reële woningbehoefte afgestemde plannen voor nieuwbouw en sloop. Hiervoor dienen gemeenten in regionaal verband een visie op te stellen. Bestemmingsplannen moeten met de visie in overeenstemming zijn. Bij voorkeur maakt de visie deel uit van een regionale integrale visie over wonen, bedrijventerreinen en detailhandel. 4.2.1.4 Toetsing aan de omgevingsvisie De locatie van het plangebied wordt in de provinciale omgevingsvisie aangemerkt als ‘stedelijk gebied’. Dit bestemmingsplan voorziet dan ook in een functiewijziging van bestaande leegstaande bebouwing binnen het bestaand stedelijk gebied.

De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het buitengebied. Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, niet aangetast. De bestaande bebouwing, inclusief bestaande bedrijfswoning, wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Verder is er geen sprake van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Met het voornemen wordt verpaupering en leegstand voorkomen en daarmee een bijdrage geleverd aan de (ruimtelijke) kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het exploiteren van een erotische massagesalon permanent beëindigd. Gelet op de ligging van het plangebied en de ruimtelijke impact van een woonfunctie wordt geconcludeerd dat er sprake is van een inpassing van een passende en logische ruimtelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie van de Provincie Groningen. 4.2.2

Provinciale Omgevingsverordening

Tegelijkertijd met de Omgevingsvisie is de bijbehorende Omgevingsverordening provincie Groningen vastgesteld in 2016. Sindsdien is de omgevingsverordening is partieel gewijzigd danwel geactualiseerd. De meeste recente actualisatie is van februari 2021. In de verordening is aangegeven waarmee gemeenten bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden. Voor het voorliggende bestemmingsplan is het artikel 2.15.1 van de Omgevingsverordening relevant. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld Artikel 2.15.1: Woningbouw 1.

2. 3.

Onverminderd artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan alleen voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale woonvisie die rekening houdt met regionale woningbehoefteprognoses die de provincie elke twee jaar uitbrengt, of met nadere regels als bedoeld in het tweede lid. Wanneer niet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een regionale woonvisie is vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de betrokken gemeenten nadere regels over de nieuwbouwruimte vaststellen. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan - onverminderd artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening - voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal in overeenstemming zijn met: a. een woonvisie of een woon- en leefbaarheidsplan waarover ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening overeenstemming bestaat met de gemeenten in het regionaal samenwerkingsverband waar de betreffende gemeente deel van uitmaakt, of bij het ontbreken van een dergelijk samenwerkingsverband, met de Groninger buurgemeenten van de betreffende gemeente; of b. de in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw.

4.2.2.1 Toetsing aan de omgevingsverordening Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van bestaande bebouwing. Het hoofdgebouw op de locatie met daarin de bedrijfswoning wordt volledig omgezet naar een reguliere burgerwoning. Het gaat om een functiewijziging. Er is geen sprake van het oprichten van nieuwe gebouwen. Er is geen sprake van het toevoegen van een woning aan de woonvoorraad. De bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied worden niet aangetast. Met dit plan krijgt een leegstaand pand een duurzame en passende vervolgfunctie. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening van de Provincie Groningen. 4.2.4

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de Provincie Groningen.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie gemeente Veendam

4.3.1.1 Algemeen De gemeente Veendam heeft op 16 februari 2015 de Structuurvisie Veendam vastgesteld. De structuurvisie geeft een ruimtelijk overzicht van bestaande visies en plannen om zo in de toekomst op samenhangende en integrale wijze de ruimtelijke ontwikkeling van Veendam te kunnen sturen. Een uitvoeringsparagraaf is opgenomen waarin aangegeven wordt hoe ontwikkelingen verwezenlijkt kunnen worden. Het samenhangend en integraal toekomstbeeld is verder uitgewerkt een visiekaart. Op basis van deze kaart ligt het plangebied binnen een lintstructuur, waarbij wordt gestreefd naar verdichting van deze lintbebouwing. Hierna wordt dan ook nader op dit thema ingegaan. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van het de visiekaart opgenomen. Het plangebied is hierop aangeduid met een gele ster. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

4.3.1.2 Verdichting linten De lintstructuren zijn beeldbepalend in de identiteit onder andere de Zuidwending. Voor een belangrijk deel ligt de structuur door de functie wonen vast. Bewoners mogen ondergeschikte veranderingen doorvoeren in de vorm van aanbouwen en bijgebouwen, maar deze veranderingen dienen aan de voorzijde bij te dragen aan het herkenbaar houden van deze linten als identiteitsdragers van de stedenbouwkundige hoofdstructuur. Op andere plekken in de linten is sprake van (voormalige) bedrijfsbebouwing, zijn er open plekken of kan sprake zijn van woninguitbreiding. Vervangende nieuwbouw blijft mogelijk. Er wordt niet op voorhand gesteld dat verdichting niet mogelijk is. Zo kan startende bedrijvigheid aan huis worden toegelaten om de levendigheid in de linten te versterken. Wel moet worden voorkomen dat het lint ‘dichtslibt’. Dit om de leefbaarheid op peil te houden en gelijktijdig de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Randvoorwaarde is wel dat deze ontwikkeling geen belemmeringen voor de landbouw oplevert. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie gemeente Veendam In dit geval is er sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing in het bebouwingslint van de Zuidwending. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, waardoor de openheid van het lint op de locatie van het plangebied behouden blijft.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het exploiteren van een erotische massagesalon permanent beëindigd. De vervolgfunctie, een reguliere burgerwoning, past qua aard en omvang beter in het bebouwinglint dan een dergelijke salon. De leefbaarheid wordt hiermee verbeterd. Er is daarnaast geen sprake van belemmeringen voor de landbouw. Hiervoor wordt ook verwezen naar paragraaf 5.5 ‘milieuzonering’ en paragraaf 5.6 ‘geur’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld 4.3.2

Woonvisie 2019-2023 gemeente Veendam

4.3.2.1 Algemeen In de Woonvisie 2019-2023 gemeente Veendam verwoordt het gemeentebestuur zijn visie op het toekomstbestendig houden van de bestaande woningvoorraad en de voornamelijk kwalitatieve nieuwbouw die als afgeleide daarvan nodig is. De gemeente wil door middel van nieuwbouw inspelen op de veranderende bevolkingssamenstelling. Centraal staat hierin de uitspraak in het Coalitieakkoord “Iedereen in Veendam moet geschikte woonruimte kunnen vinden die aansluit bij de eigen behoefte”. In de Woonvisie 2019-2023 gemeente Veendam is de woningbehoefte die naar voren komt uit de regionale huishoudensprognose 2016 en het regionaal woningmarktonderzoek 2017, als uitgangspunt genomen. Dit is in lijn met de afspraken die in de regio met provincie woningcorporaties en gemeenten in Oost-Groningen zijn gemaakt en vastgelegd in het Regionaal prestatiekader 2018-2023. Voor de periode van 2019-2023 gaat de gemeente uit van een minimale toevoeging van 105 woningen aan de bestaande woningvoorraad in de gemeente om de huishoudensgroei te faciliteren, want dit correspondeert met de verwachte huishoudensgroei volgens de prognose en volgens het woningmarktonderzoek. 4.3.2.2 Bestaande woningvoorraad In de komende jaren ligt een belangrijke opgave in het toekomstbestendig maken van onze bestaande woningvoorraad.

Het gaat hierbij om het verduurzamen van de voorraad, de opgave die het langer zelfstandig wonen met zich meebrengt en het tegengaan van verkrotting van de voorraad. 4.3.2.3 Tegengaan verkrotting en omzetten leegstand winkelpanden tot woningen De gemeente constateert dat de kwaliteit van bepaalde delen van onze voorraad onder druk staat. Een (beperkt) deel van de woningvoorraad staat structureel leeg en bij een aantal van deze woningen is er sprake van zeer gebrekkig onderhoud. Dit kan leiden tot verkrotting en verpaupering van woningen, hetgeen een negatief effect heeft op het aangezicht van de straat of buurt. Deze ‘rotte kiezen’ willen de gemeente tegengaan, omdat de leefbaarheid hier zeer onder te lijden heeft. Met name het particulier bezit is in dit verband het aandachtspunt. Dit vraagt vaak om creatieve oplossingen. De gemeente gaat in overleg met de eigenaren van leegstaande winkelpanden in de periferie van het centrale winkelgebied teneinde deze (qua bestemming) om te zetten in woningen. 4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie 2019-2023 gemeente Veendam In dit geval wordt de leegstaande bebouwing (met daarin de bedrijfswoning) van een erotische massagesalon omgezet naar een reguliere burgerwoning. Het perceel krijgt een woonbestemming waarbij de bestaande bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als een reguliere burgerwoning.

Er is geen sprake van het toevoegen van een woning aan de woonvoorraad. Tot slot wordt met de functiewijziging leegstand voorkomen en wordt de leefbaarheid in het plangebied en omgeving versterkt. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het woonbeleid van gemeente Veendam.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de herbestemming van het plangebied van ‘cultuur en ontspanning’ naar wonen. In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de gehanteerde (grens)waarden. Hieronder valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. De aspecten rail-, wegverkeers- en industrielawaai kunnen daarom buiten beschouwing worden gelaten. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering in het kader van voorliggende ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij het vaststellen van bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving (bijv. bouwverordening) gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: 1. 2.

Als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; Als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld 3. 4.

5.2.2

Als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd); Als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II (bouwverordening). Situatie plangebied

In dit geval is punt 1 van toepassing. Het ‘niet wederrechtelijke gebruik’ wordt in dit geval gehandhaafd. De functie van de gebouwen, de functie ‘wonen/verblijf’, wijzigt immers niet. Bovendien is er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bodemingrepen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is gezien het vorenstaande dan ook niet noodzakelijk. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen/Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer De luchtkwaliteitsregels zijn in de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen in Titel 5.2. De kern van titel 5.2 Wm bestaat uit luchtkwaliteitsnormen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen door Europese richtlijnen, namelijk: het beoordelen van luchtkwaliteit, rapportage en maatregelen. De maatregelen worden in Nederland vooral in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgelegd. In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag gebruik maken van de bevoegdheden, die zijn opgesomd in artikel 5.16 lid 2, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Projecten die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-NIBM zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van NIBM. Enkele voorbeelden zijn:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In dit geval is geen sprake een toevoeging en/of slopen van de bebouwing, maar het herinrichten en herbestemmen van een bestaande bebouwing. Daarnaast komt bij deze herbestemming een groot deel van het voormalige bestemmingsverkeer (massagesalon) te vervallen, waardoor er per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit optreedt. Hierdoor wordt voldaan aan één van de gronden van toetsingscriteria uit artikel 5.16 lid 1 voor de uitoefening van de bevoegdheid uit 5.16 lid 2. Verder kan er worden gesteld dat bij deze herbestemming niet hoeft worden aangemerkt als gevoelige bestemming als bedoelt in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in het plangebied

5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is aangegeven met de blauwe omlijning.

Buisleidingen Nederlandse Gasunie B.V. Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, ligt het plangebied nabij gasleidingen van de Nederlandse Gasunie B.V. Deze buisleidingen hebben een maximale uitwendige diameter van 1.219 mm en een werkdruk van maximaal 79,90 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 100% letaliteitsgrens op 220 meter. Het plangebied ligt binnen deze afstand. In dit geval is er echter sprake uitsluitend sprake een functiewijziging waarbij sprake is van een afname van de populatiedichtheid in het plangebied. De bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als een reguliere burgerwoning en de bedrijfsactiviteiten van de erotische massagesalon worden permanent beëindigd. De voorgenomen functiewijziging voorziet per saldo dan ook in een afname van het aantal personen dat ter plaatse verblijft. Daarmee is er sprake van een afname van het groepsrisico. De oriëntatiewaarde kan immers niet stijgen nu er planologisch gezien sprake is van een afname van de personendichtheid. Een nader onderzoek in het kader van externe veiligheid wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Overigens is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten en in meerdere richtingen te ontvluchten, mocht er zich een calamiteit voordoen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld Hoogspanningslijn Over een deel van het plangebied loopt een hoogspanningslijn. Het gaat om de hoogspanningslijn met lijncode FE030 met een spanning van 110 kV. In dit geval is uitsluitend sprake een functiewijziging waarbij sprake is van een afname van de populatiedichtheid in het plangebied. Bovendien bevindt de lijn zich niet direct boven het gebouw, maar in de noordoostzijde van de achtertuin. De belangrijkste verblijfvertrekken in de woning bevinden zich hoofdzakelijk aan de voorzijde van het pand. In afbeelding 5.2 is de ligging van de hoogspanningslijn weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met een gele omlijning.

In dit geval wordt de geldende dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming waarborgt dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding. Daarnaast is in deze bestemming onder meer opgenomen dat op deze gronden uitsluitend mag worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en bouwhoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is (buisleiding Gasunie); niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.1

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam” Vastgesteld Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Veendam, in een gebied waar geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Gelet op het vorenstaand wordt gesteld dat het gebied is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10908040/1