08-01-02 Ontwerp Bestemmingsplan Zuidwending 8 BJZ.nu augustus 2021
Tekst van het document
gebied
10 m 30 m 50 m
am
100 m 200 m 300 m 500 m 700 m
4.1 4.2 5.1 5.2 5.3
1.000 m 1.500 m
6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige
woonwijk
10 m 30 m 50 m 100 m
200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving
waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerdworden. Hierbij spelen twee vragen een roI: 1.
past de nieuwe functie in de omgeving?(externe werking);
2.
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externewerking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefkltmaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen’ betreft geen milieubelastende functie. Er is geen sprakevan aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Daarnaastwordt opgemerkt dat middelsvoorliggend bestemmingsplan de huidige bestemming 'cultuur en ontspanning’ wordt verwijderd, waardoor de bijbehorende milieubelastende activiteiten permanent komen te vervallen. Er is daardoor zelfs sprakevan een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
5.5.3.3 Internewerking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrljfsvoering of antwikkeIingsmogelijkhedenvan
omliggendebedrijven aantasten, In dit geval wordt de woning binnen het plangebied aangemerkt als een milieugevoeligefunctie. In de omgevingvan het plangebied komen naast woonfuncties hoofdzakelijk agrarische(bedrijfs)bestemmingen voor (Zuidwending 14 en Zuidwending 20). Verder bevindt zich ten noordwesten van het plangebiedeen sportbestemming (Zuidwending 2 A t/m 2 B). Op basisvan het geldende planologischeregime zijn binnen de agrarische-en sportbestemmingen milieubelastende functies toegestaan. Sportbestemming (Zuidwending 2 A t/m 2 B) Op basisvan het geldende planologische regime zijn op deze locatie sportvelden toegestaan. In dtt geval gaat het om het sportpark Ommelanderwijk Zuidwendlng met een voetbalclub, een wielerbaan en een schaatsvereniging.Een dergelijke toegestane functie sluit voor wat betreft de VNG-uitgavehet beste aan bij de BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp functie 'Veldsportcomplex (met verlichting)’. Dezefunctie wordt aangemerkt als milieucategorie 3.1, waarbij voor een rustige woonwijk een grootste richtafstand geldt van 50 meter voor het aspect 'geluid’. In dit geval bedraagt de afstand tussen de grens van de sportbestemming en de uiterlijke situering van de gevel van de woning in het plangebied circa 25 meter. Strikt genomen wordt niet aan de richtafstand wordt voldaan. In dit geval is een kleinere richtafstand te verantwoorden. Het gaat in dit geval een kleinschalig sportpark zonder grote parkeerterreinen en tribunes. Het plangebiedgrenst aan dat deel van het sportpark dat in de huidige situatie in wordt gebruikt als een wielerbaan. De schaatsverenigingen de voetbalclub (met doorgaans hogere geluidsbelasting) bevinden zich op een veel grotere afstand van respectievelijk 250 en 370 meter. Gelet op de logische bestaandeindeling van het sportpark is het niet aannemelijk dat in de nabije toekomst de indeling van dit sportpark zal veranderen.
Tenslotte wordt opgemerkt dat in de VNG-uitgavewordt uitgegaan van een sportpark met verlichting. Daar is in dit geval geen sprake van. In de avonduren zal de geluidsbelasting dus tot een minimum beperkt blijven. Gelet op het vorenstaande wordt gecondudeerd dat voor wat betreft de sportbestemming ter plaatse van het plangebiedsprake is van een aanvaardbaarwoon- en leefklimaat. Agrarische bedrijven Zuidwending 14 en Zuidwending 20 In de omgeving van het plangebiedzijn twee agrarischebedrijven aanwezig.Concreet gaat het om de Intensieveveehouderijen aan de Zuidwending 14 en de Zuidwending 20. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarischebedrijven zijn echter niet de adviesafstanden,maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekendegeuremissiecontouren voor vergunningsplichtigeveebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 (geur) nader op ingegaan.tndien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. In dit geval bedraagt de afstand tussen de grens van de agrarische bouwvlakken en de uiterlijke situering van de gevel van de waning tenminste 150 meter. Aan de richtafstand
wordt ruimschootsvoldaan. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerddat ter plaatse van het plangebiedsprake is van een aanvaardbaarwoon- en leefklimaat. Omgekeerdworden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt, temeer omdat er geen sprake is van nieuwe milieugevoelige functies op een kortere afstand dan nu
het geval is. 5.5.4
Conclusie
Het aspect 'milieuzonering’ vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtigeveehouderijen, aIs het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtigeveehouderijbedrijven is het beoordelingskadervoor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt 66n landsdekkendbeoordelingskadermet een indeling in twee categorieen.Voor diercategorieen waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld,wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieen is die waarde een wettelijke vastgesteldeafstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategoriedn waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteldgeldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde korn niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragendan 8 odeur units per kubieke meter lucht.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan“Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategoriednwaarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoeligobject de volgende afstanden aangehoudente worden: • • 5.6.2
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde korn is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buRende bebouwde korn is gelegen. Situatie plangebied
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het mogelljk makenvan een geurgevoeligefunctie, namelijk een reguliere burgerwoning. In de nabijheid van het plangebied llggentwee intensieve veehouderijen. Voor deze veehouderijen gelden geen vaste afstanden, maar geuremissiecontouren. In dit geval bedraagt de afstand tussen het plangebied en de veehouderij aan de Zuidenwending 14 circa 150 meter. De intensieve veehouderij aan de Zuidwending 20 bevindt zich op circa 290 meter afstand. Gezien deze afstand tussen de veehouderijen en het plangebiedwordt verwacht dat in ter plekke van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerdwordt dtt agrarischebedrijf niet beperkt, aangeziener in het plangebiedreeds sprake is van een gevoelige functie (de bedrijfswoning). Dit temeer omdat in alle gevallen reeds aanwezigegeurgevoeligefuncties (o.a. wonen) van derden dichter op de aanwezigeveehouderijen zijn gelegenen hiermee maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van de veehouderijen. Bovendienwordt de bestaandebedrijfswoning in het plangebiedreeds beschermd tegen agrarischebedrijven, met de voorgenomen functiewijziging verandert dit niet. Gelet op het vorenstaande kan redelijkerwijs worden gesteld dat en aanzien van het aspect geur sprake is van een aanvaardbaarwoon- en leefklimaat tn het plangebied. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.7
Ecologie
Beschermingin het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te deten in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de
Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbeschermingheeft men te makenmet de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland.Soortenbescherminggaat uit van de beschermingvan dier- en plantensoorten. 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is een samenhangendnetwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezenin het kader van de EuropeseVogelrichtlijn (79/409/EEG)en gebieden die zijn aangemeld op grond van de EuropeseHabitatrichtlijn (92/43/EEG). Dezegebiedenworden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming(Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zuidlaardermeergebied’bevindtzich op circa 15 kilometer afstand. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging van bestaandebebouwing. Er is in voorliggend in het uiterste geval sprakevan zeer tijdelijke inpandige werkzaamheden.Er is dan ook geen sprake van het inzetten van zware mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase. Ten aanzien van de gebruiksfase wordt
opgemerkt dat met de voorgenomen ontwikkeling de enkelbestemming 'cultuur en ontspanning’ wordt omgezet naar een woonbestemming. Hiermee is het in de toekomst enkel mogelijk het plangebted te gebrutken ten behoeve van het wonen, waarmee de mogelijkheden tot het exploiteren van een erotische massagesalonkomt te vervallen. Eendergelijke functie kent doorgaans een (veel) hogere verkeersgeneratie dan een woonfunctie. Het aantal verkeersbewegingenzat dan ook afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, wat tot een vermindering van de stikstofdepositie leidt. BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advtes
27
Bestemmingsplan“Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp De beoogde herontwikkeling heeft g66n negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoeIstellingenvan Natura 2000-gebieden. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland {NNN) is de kern van het Nederlandsenatuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijhetd van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaanals zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied
aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 9,7 kilometer afstand. Het onderzoeksgebiedbehoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren. Vanwege de lokale invtoedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebiedop enige afstand van het NNN,wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities
van het NNN. 5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbeschermingvan kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenalsde in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherminggenoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigenen vernielen van voartplantingsplaatsenof rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieveeffecten op de aanwezigenatuurwaarden. 5.7.2.1 Situatieplangebied Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het slopen van gebouwen, het dempen van watergangen of het verwijderen van groenstructuren. Van enige vorm van aantasting van beschermdeflora en fauna afsgevolg van de in dit bestemmingsplanbesloten ontwikkeling is geen sprake. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op aanwezigenatuurwaarden. Gelet op het vorenstaande wordt een natuurwaardenonderzoekniet noodzakelijkgeacht. Opgemerkt wordt dat te allen tijde rekening wordt gehouden met de zorgptlchtbepalinguit de Wet natuurbescherming.
5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmeringvoor de voorgenomen ontwtkkeling.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen
Initiatiefnemers hebben op basisvan de Erfgoedweteen archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoeknoodzakelijk: het archeologischvooronderzoek. AIs blijkt dat in het plangebied behoudenswaardigearcheologischevindplaatsen aanwezigzijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassingvan de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeolog}scheopgraving en publicatie van de resultaten.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan''Zuidwending8, Veendam” Ontwerp 5.8.1.2 Situatieplangebied De voorgenomen ontwikketing voorziet niet in bodemingrepen. Het gaat een functiewijzing van bestaande bebouwing. Eenarcheologisch onderzoekis dan oak niet noodzakelijk. De huidige dubbeIbestemmirtgerI 'Waarde – Archeologie 2’ en 'Waarde – Archeologie 3’ worden overgenomenin het voortiggende bestemmingsplan om in de toekomst het behoud van eventueel aanwezigearcheologischewaarden te
waarborgen. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belangzijn. Zij vertelten iets over de ontstaansgeschiedenisvan het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspectenen cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds I januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorischewaarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" cIIentte bevatten, 5.8.2.2 Situatieplangebied Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebiedis tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerdwordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieveinvloed heeft op de cultuurhistorische waarden.
5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve
effecten op de cuttuurhistorische waarden.
5.9
Besluit milieueffectra pportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Eenbestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in
aanrakingkomen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
•
Op basisvan Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdeten C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Beslutt milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Erontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4(besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplaneen bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 aIs in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplanin deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. AIs voor de activiteit eerst 66n of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprakevan 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan“Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp Eenbelangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezagmeer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvangvan de activiteit onder de drempelwaarde tag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu getdende regeling moet een motivering worden gegeven.Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-
beoordelinggehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebiedHet dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zuidlaardermeergebied’ bevindt zich op circa 15 kilometer afstand. Gelet de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het feit dat het middels voorliggend bestemmingsplanuitsluitend toegestaan wordt om in het plangebiedte wonen en de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden is er geen sprake van een negatief effecten op de instandhoudingsdoelenvan Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming,ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.9.2.2 Drempelwaarden Besluitm.e.r, Voor wat betreft het gehele plangebiedwordt voorzien in een directe eindbestemmingenwaardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beaordelingspItchtigplan. In het voorllggende geval is geen sprakevan activiteiten die op grond van onderdeel C van het Bestuit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. WeI is sprakevan een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezienhier sprakevan is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrljden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengeslotengebied en 2.000 ofmeer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvtaeroppervIakte van 200.000 m2 of meer. Geziende drempelwaarden wordt geconcludeerddat voor dit bestemmingsptangeen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, client ook wanneer ontwikkelingen onder
drempelwaarden blijven, het bevoegd gezagzich er van te vergewissenof activiteiten geen aanzien}ijke
milieugevolgenkunnenhebben. Gelet op de aard en omvangvan de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkeIingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Best+uitmilieueffectrapportage. Uit jurlsprudentie (ABRvS15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten aIsde aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijkenegatievegevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In voorliggend gevat is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingstraject. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling
is niet noadzakelijk. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevenszijn geen nadelige milieugevolgente verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp HOOFDSTUK 6
WATERASPECrEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europeesbeleid
De EuropeseKaderrichtlijn Water (2000/60/EG)is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europesewateren de waterkwaliteit chemischen ecologischverder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgevingter beschermingvan het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen warden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannerIstaan de ambities en maatregelen beschrevenvoor de verschiltende(deel)stroomgebieden.Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleidop het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP)2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraangerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingenen enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overhedenis geregeld tn de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het BestuursakkoordWater (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Beleid provincie Groningen
In Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten en wordt een aantal doelen nagestreefd. Er wordt onderscheidgemaakt tussen de aspecten 'bescherming tegen
overstroming en wateroverlast' en de zorg voor 'voldoende schoon drinkwater'. Beideaspecten worden als essentieel gezien om een schone,gezonde en veilige leefomgeving te cre6ren binnen de provincie. Beschermingtegen overstroming van grate delen van de provincie Groningen welke liggenonder de zeewaterspiegelis een belangrijke pijler. Door de klimaatveranderlng zal de zeespiegelin de toekomst verder gaan stijgen en door aardgaswinningin de provincie zal de bodem in delen van de provincie verder gaan dalen. Verder heeft het veranderde klimaat ook gevolgenvoor de neerslag. Door toename van de neerslagwordt er meer aandacht gevraagd voor de bescherming van laaggelegen delen van de provincie tegen wateroverlast. Om een optimale bescherming tegen overstromingen en wateroverlast te kunnen garanderen en om dit te kunnen bereiken zijn een aantal concrete uitgangspunten geformuleerd: •
Klimaatadaptatie
•
Kustverdediging
•
Wateroverlast uit boezemsystemen
•
•
•
6.1.4
Regionalewateroverlast Bodemdaling door delfstoffenwinning Overstromingsrisico's
Beleid waterschap Hunze en Aa’s
Het beleid van het Waterschap Hurtzeen Aa's staat beschreven in het beheerprogramma 2016-2021. In het beheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende en schoonwater oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water,
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan“Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoalsin voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21' eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemenmet minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichttng op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslaggedaanvan de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatte (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. DezewaterhuishoudkundIge doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaanverdroging) aIs de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Hunze en Aa’s is ge-informeerdover het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen waterschapsbelangts. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage I bij deze toelichting. De procedure in het kader van de
watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Hunzeen Aa’s geeft een positief wateradvies.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp HOOFDSTUK 7
7.1
JURIDISCHE ASPECrENEN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaanop het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten.De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzeste maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan:de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaanop de opzet van dit juridische deel. Daarnaastwordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzesop de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegevenwaarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverpHchUng geldt vanaf I januari 2010. In de ministeri61eRegelingstandaarden ruimtelijke ordening is vastgelegddat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen(SVBP)de norm is voor de vergeltjkbaarheidvan bestemmingsplannen. Naast de SVBPzijn ook het Informatiemodel RuimtelijkeOrdening en de StandaardToegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggenen beschikbaarstellen van bestemmingsplannen De SVBPgeeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan.Dit bestemmingsplan is opgesteldconform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplanbestaat uit planregelsen bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven.Dezeverbeelding kan zowel digitaal als analoogworden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3.
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemeneregels (o.a. afwijkingsregels);
4.
Overgangs-enslotregels.
7.2.2
Inleidenderegels
Hoofdstuk I bevat de inleidende regels. Dezeregels gelden voor het gehele plangebieden bevatten:
•
Begrippen(Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regelsgebruikte begrippenopgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijzevan meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingenwaar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegevenbouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regets bevat de juridische vertaling van de in het plangebiedvoorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld tn o.a.: •
BestemmIngsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
•
Bouwregels:eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte,etc.). BJZ.nu
Ruimtelijkeptannenen advies
33
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam”
Ontwerp 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels.Dezeregels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is
opgebouwduit: •
Anti-dubbeltelregel(Artikel 7) Dezeregel is opgenomen om een ongewensteverdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan 66n keer betrokken wordt bij de berekeningvan een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemenebouwregels(Artikel 8) Dit artikel is opgenomen om bestaandemaatvoeringen en afstanden als planologisch toegestaan te beschouwen. Dit vanwegehet feit dat er in dit geval sprake is van bestaande (te verbouwen)
bebouwingin het plangebied. •
Algemenegebruiksregels(Artikel 9) In dit artikel zijn de algemeneregels voor een aan huis verbonden beroep, een Bedand breakfast voorziening en strijdig gebruik opgenomen.
•
Algemeneaanduidingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de regelsbehorende bij de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – buisleidingenstraat’ geregeld. Dezegronden zijn mede aangewezenvoor een voorkeurstrac6 voor de aanlegvan buisleidingen van nationaal belang.
•
Algemeneajwijkingsregels(Artikel ll) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregelsbeschreven.Dezeregels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmtngsplanaf te wijken.
•
AFgemene wijzigingsregels(Artikel 12) In dit artikel worden de algemenewijzigingsregelsbeschreven.Dezeregels maken het mogelijk om een vervangende woningbouw te realiseren.
•
Overigeregels(Artikel 13) In dit artikel zijn afstemmingsregelsten aanzienvan de welstandstoets en het parkeren.
7.2.5
Overgangs-en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de
juridische consequentieszijn van bestaandesituaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van
toelatingsplanologie. Eenbestemmingsplangeeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag warden opgericht. Bij het opstellen van dtt bestemmingsplanzijn keuzesgemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekekenwetke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplaneen compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkhedenbinnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplanis het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologischesituatie
voor het plangebiedis. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde
volgorde aIs in de regels worden behandeld.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam"
Ontwerp Qua systematiek van de regels is aangesloten bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan
“Veegplan Buitengebied Veendam 2019”
Wonen (Artikel 3) In voorliggend geval is ter plaatse van plangebiedde enkelbestemming 'Wonen’ toegekend. De voor 'Wonen' aangewezengronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan hutsverbonden beroep, bed and breakfast voorzieningen met de daarbij behorende gebouwen en overkappingen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tutnen en ewen, parkeervoorzieningen,wegen en paden, water, groenvoorzieningen, waterhuishDudkundigevoorzieningen, nutsvoorzieningen. Het aantal woningen per bestemmingsvlakmag niet meer bedragendan 66n. De woning mag uitsluitend vrijstaand worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mag ten hoogsterespectievelijk 3,5 m en 8 m bedragen, dan weI de bestaandegoot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen. Leiding - Hoogspanningsverbinding (Artikel 4) De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'aangewezengronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse hoogspanningsverbinding. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel
v66r de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Voor het bouwen van bouwwerken geldt dat op de gronden uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de
hoogspanningsverbinding mogenworden gebouwd. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels- uttsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en bouwhoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaandefundering. Waarde - Archeologie 2 (Artikel 5) De voor gebieden van archeologisch belang aangewezengronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologischewaarden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunningvoor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgetegd. Waarde - Archeologie 3 (Artikel 6) De voor gebieden van archeologischbelang aangewezengronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologischewaarden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunningvoor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Zuidwending 8, Veendam"
Ontwerp HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraadgelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan.Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt
vastgesteld tndien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszinsis verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorltggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Veendam. Hierin wordt tevens het risico van planschadeopgenomen zodat het kostenverhaalvoor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exptoitatieplan achterwege
kan blijven.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advles
36
Bestemmingsplan“Zuidwending8, Veendam” Ontwerp HOOFDSTUK 9
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit atgemeneregels ruimtelljke ordening (Barro) zijn de nationale belangendie juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangenin gemeentelijke bestemmingsplannen.Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangenschaadt. Daarom is afgezienvan het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Groningen
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt vooroverleg met de provincie Groningen niet noodzakelijk geacht. In hoofdstuk 4 is reeds aangetoond dat het initiatief pas binnen de beleidskader van de provincie.
9.1.3
Waterschap Hunzeen Aa’s
Het waterschap Hunzeen Aa’s is ge-informeerdover het plan door gebruik te makenvan de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen waterschapsbelangis. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage I bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaanzelf besluiten of inspraakwordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen
voorontwerpbestemmingsplanter inzagegelegd.
9.3
Zienswijzen
Deze paragraaf zal worden ingevuld na afloop van de ter inzage ligging van het ontwerpbestemmingsplan.
BiZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
37
Be5temmingsplan“Zuidwending 8, Veendam” Ontwerp BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan“Zuidwending8, Veendam" Ontwerp
Bijlage I
Watertoetsresultaat
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
39