CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

07.1 Bijlage 1 - GR Perspectief Groningen en Noord Drenthe

Gemeenteraad 18 mei 2026, gemeente VeendamBij agendapunt: GR Perspectief Groningen en Noord-Drenthe en ontwerp meerjarig uitvoeringsplan Groningen en Noord-Drenthe 2026 -202810.607 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bijlage 1 bij de toelichting gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en NoordDrenthe A. UITLEG CONCRETISERING - TOTSTANDKOMINGSGESCHEDENIS De Economische Agenda vloeit voort uit de ereschuld die het kabinet moet inlossen en valt onder de zorgplicht van de betrokken ministers. Het kabinet heeft in Nij Begun resultaten beloofd, zowel inhoudelijk als financieel. Daarbij waren echter twee zaken ook duidelijk: 1) het kabinet gaat niet zelfstandig bepalen wat de ontwikkeling in de regio moet zijn en werkt daarom samen met de regionale overheden bij het bepalen van de inhoud van de Economische Agenda en 2) de Economische Agenda zelf zal nader uitgewerkt moeten worden. “Het behalen van deze doelstellingen vraagt een gezamenlijke inzet van meerdere partijen. Zonder gemeenten en maatschappelijke partijen geen sociaal herstel, zonder bedrijven geen economische groei.”14 De zorgplicht van de minister(s) wordt daarom uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Rijk.15 De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel naar voren gebracht dat in de wet een resultaatsverplichting voor het kabinet moet worden vastgesteld. Uit het consultatieverslag blijkt dat het kabinet geen resultaatsverplichting wil vastleggen, maar dat het kabinet in het vijfjaarlijkse uitvoeringsprogramma Rijk de zorgplichten zal concretiseren.

“Het voorstel voor het opnemen van juridische resultaatsverplichtingen is niet overgenomen, omdat het kabinet voor zijn eigen bijdrage verantwoordelijkheid neemt, maar geen verplichtingen kan aangaan voor de inzet van andere partijen (zoals decentrale overheden) die noodzakelijk zijn voor het realiseren van doelen op het gebied van brede welvaart en verduurzaming. Dat neemt niet weg dat dit wetsvoorstel het kabinet wel verplicht om de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming in Groningen en Noord-Drenthe te concretiseren. Het wetsvoorstel verplicht de bewindspersoon om ten minste iedere vijf jaar in het uitvoeringsprogramma Rijk (voorheen: uitvoeringsplan) de tussentijdse doelen, streefwaarden, randvoorwaarden en de voorgenomen maatregelen voor brede welvaart en verduurzaming vast te leggen, en met de Staat van Groningen hierover jaarlijks verantwoording af te leggen aan het parlement. Naar aanleiding van de reacties uit de internetconsultatie is in het derde lid van het voorgestelde artikel 13s toegevoegd dat – indien 14 Zie de Toelichting op de consultatieversie van de Groningenwet, vindbaar op Overheid.nl |

Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire enquête aardgaswinning Groningen. 15 Artikel 13q in het wetsvoorstel Groningenwet, zie ook het kader in deze paragraaf.

de Staat van Groningen, danwel het gevoerde overleg met decentrale overheden, daartoe aanleiding geeft – het kabinet in de reactie op de Staat van Groningen moet aangeven welke maatregelen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna ‘de minister’) en de ministers die het aangaan nemen om de streefwaarden en doelen uit het uitvoeringsprogramma van het Rijk te bereiken”. “De precisering van het begrip brede welvaart zal worden gegeven in het uitvoeringsprogramma Rijk.”16 De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel Groningenwet aangegeven dat de ontwikkeling van brede welvaart verschillen binnen en tussen gemeenten niet moet verdiepen en er niet toe moet leiden dat goede resultaten slechte resultaten maskeren. In het consultatieverslag is aangegeven dat het wetsvoorstel wordt aangepast zodat onderscheid mogelijk is.

“Deze reacties zijn verwerkt door in artikel 13q een derde lid in te voegen, waarin wordt voorgesteld dat in het uitvoeringsprogramma Rijk zo nodig onderscheid kan worden gemaakt in de streefwaarden, doelen en maatregelen ten aanzien van individuele gemeenten of delen daarvan als het gaat om brede welvaart en verduurzaming.“ Het uitvoeringsprogramma Rijk bevat dus een concretisering van de Economische Agenda, waarbij zo nodig onderscheid kan worden gemaakt naar (delen van een) gemeente en van de doelen uit de Economische Agenda. Wanneer daartoe aanleiding is neemt het kabinet maatregelen op in de kabinetsreactie op de SvGND om ervoor te zorgen dat het uitvoeringsprogramma Rijk uitgevoerd kan worden: maatregelen om de maatregelen te realiseren. De regionale overheden wezen er in hun consultatiereactie ook op dat het wetsvoorstel lijkt te worstelen met de verantwoordelijkheid van de bevoegde minister, andere ministers en derden. In het consultatieverslag wordt hierop ingegaan. De regionale overheden moeten op verzoek van de minister van BZK vastleggen welke inspanningen zij verrichten. “Om die reden is verduidelijkt dat de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming weliswaar op de bevoegde minister rusten, maar dat de taken die uit deze zorgplichten voortvloeien in samenwerking met derden worden uitgevoerd.

Om meer duidelijkheid te creëren over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende overheden, is in de memorie van toelichting toegevoegd dat de minister de decentrale overheden zal verzoeken om de inspanningen die zij doen in verband met de uitvoering van de sociale en economische agenda’s (en daarmee de brede welvaartsontwikkeling) en de 16 Zie voor het consultatieverslag Overheid.nl | Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire

enquête aardgaswinning Groningen.

verduurzamingsaanpak ook vast te leggen.”

De Economische Agenda wordt dus gepreciseerd in het uitvoeringsprogramma Rijk, maar vraagt vervolgens nog duidelijkheid over wie welke inspanningen verricht. Of anders gezegd: welke partij waarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Het wetsvoorstel gaat uit van een ‘verdeling van taken en verantwoordelijkheden’ waarbij de regio zelf vastlegt welke inspanningen het zal verrichten. Het document waarin de regionale overheden hun inspanningen vastleggen wordt uitvoeringsprogramma regio genoemd. Voor de tekst van het wetsvoorstel, zie bijlage 1. Uit de Economische Agenda volgt hoe Rijk, regionale overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen tot de uitvoeringsprogramma’s komen, namelijk door samen eerst een meerjarig uitvoeringsplan op te stellen.17 “De hier genoemde thema’s werken we in 2025 met ondernemers, kennisinstellingen en overheden uit in een eerste uitvoeringsplan.” “Het uitvoeringsplan wordt in de toekomst herijkt onder leiding van de stichting in de uitvoeringsstructuur. Het openbaar lichaam neemt vervolgens besluiten over deze meerjarenprogramma's.”18 ONDERDEEL B – TAKEN VAN DE STICHTING VOOR DE ECONOMISCHE AGENDA De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en legt dit ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. Het meerjarig uitvoeringsplan moet ook een voorstel voor de benodigde financiering bevatten.

Om een voorstel voor het uitvoeringsplan te maken, moet de stichting - markt- en beleidsontwikkelingen monitoren - bedrijfsleven, kennisinstellingen, overheden, jongeren en maatschappelijke organisaties betrekken. Het algemeen bestuur en het kabinet stellen het meerjarig uitvoeringsplan vast. Het algemeen bestuur vraagt eerst advies van de adviescommissie van portefeuillehouders economie.

17 Hoofdstuk 10 Economische Agenda. In de Economische Agenda wordt het meerjarig

uitvoeringsplan ook wel uitvoeringsplan of meerjarenprogramma genoemd. 18 Hoofdstuk 10 Economische Agenda.

De stichting voert (onderdelen van) het meerjarig uitvoeringsplan uit voor zover het daartoe de opdracht krijgt. Het dagelijks bestuur kan de stichting de opdracht geven om het meerjarig uitvoeringsplan of onderdelen daarvan uit te voeren (na vaststelling en verdeling van taken en verantwoordelijkheden). Dat betekent in ieder geval dat de stichting het meerjarig uitvoeringsplan verder concretiseert naar jaarplannen. De jaarplannen worden vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. De stichting jaagt de ontwikkeling aan: coalities smeden, financieringsknelpunten inventariseren en voorstellen doen om die op te lossen, kennis ontwikkelen en benutten. De stichting doet voorstellen voor de instrumenten(mix): welke (mix) van financieringsinstrumenten het best ingezet kan worden, welke voorwaarden daarbij gesteld moeten worden, voorstellen voor subsidieregelingen of fondsen, enz. Indien de stichting dat gewenst vindt, kan de stichting voorstellen doen voor het oprichten van of deelnemen in een private organisatie. Het openbaar lichaam besluit daarover. De stichting kan, als daarvoor mandaat is verleend door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, besluiten tot subsidieverstrekking, beheer en besteding van middelen die aan de stichting beschikbaar zijn gesteld of derden de opdracht hiertoe geven.

De stichting kan, als daarvoor de opdracht wordt gegeven, aanvullende middelen verkrijgen, zoals verkrijgen van privaat kapitaal, Europese fondsen, enz. De stichting moet zich verantwoorden over de uitvoering van de jaarplannen en het meerjarig uitvoeringsplan. Het jaarverslag bevat financiële en beleidsmatige verantwoording, verantwoording over de bedrijfsvoering en over doelmatigheid en rechtmatigheid. De stichting levert gegevens ten behoeve van de (cyclus in het kader van de) Staat van Groningen en Noord-Drenthe. De stichting adviseert het algemeen bestuur van het openbaar lichaam gevraagd en ongevraagd. De stichting is werkgever voor het eigen personeel. ONDERDEEL C – TAKEN VOOR HET OPENBAAR LICHAAM Het openbaar lichaam krijgt algemene (of standaard)bevoegdheden. Het bestuur van het openbaar lichaam krijgt een aantal standaardbevoegdheden die volgen uit de Wgr. Zo is het dagelijks bestuur op grond van de Wgr bevoegd om regels te stellen voor de ambtelijke organisatie en is het algemeen bestuur bevoegd om de begroting van het openbaar lichaam

vast te stellen. Overeenkomstig hoofdstuk 7.1 van de Economische Agenda krijgt het openbaar lichaam de bevoegdheid om een stichting op te richten. Raden, provinciale staten en algemeen besturen krijgen het ontwerpbesluit en kunnen daarop wensen en bedenkingen indienen.19 Een belangrijke taak voor het openbaar lichaam is het vaststellen van meerjarig uitvoeringsplan en het uitvoeringsprogramma regio. De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en adviseert daarbij ook wat voor partij geschikt is om een maatregel of een onderdeel daarvan (bijvoorbeeld een subsidieregeling) uit te voeren of aan welke criteria een partij moet voldoen. Het openbaar lichaam is opdrachtgever van de stichting of verleent de stichting mandaat.20 Het meerjarig uitvoeringsplan is – na vaststelling daarvoor door het algemeen bestuur – de opdracht aan de stichting voor zover de stichting belast wordt met de uitvoering. De stichting voert het meerjarig uitvoeringsplan niet per definitie als geheel uit. Het kan namelijk ook zijn dat het openbaar lichaam zelf een taak uitvoert, zoals het opstellen en vaststellen van een subsidieregeling. De opdracht of het mandaat zien dus op de onderdelen waar de stichting ‘iets mee moet’. Mandaat kan, ook in een concreet geval, ingetrokken worden of samengaan met instructies waar de stichting zich aan moet houden.

Het bestuur van het openbaar lichaam blijft daarmee verantwoordelijk voor de genomen beslissingen. De stichting mag alleen binnen de vastgestelde kaders middelen toewijzen en moet daarover verantwoording afleggen aan het openbaar lichaam. Het openbaar lichaam voert zelf taken uit ter uitvoering van de Economische Agenda. Het gaat in ieder geval om het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Bijvoorbeeld het vaststellen van een subsidieregeling. Deze bevoegdheid kan niet worden overgedragen aan de stichting. Het kan ook zijn dat het openbaar lichaam andere taken uitvoert, bijvoorbeeld het uitvoeren van een subsidieregeling (aanvragen beoordelen en subsidies verlenen) of het adviseren over staatssteun. Het openbaar lichaam kan adviescommissies instellen. Er komt in ieder geval een adviescommissie bestaande uit portefeuillehouders Economie van de deelnemers. Het openbaar lichaam is werkgever voor het eigen personeel

19 Dit is voorgeschreven in de Wgr. 20 Mandaat zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van de Awb; het kan ook gaan om machtiging (feitelijke

handelingen) of volmacht (voor privaatrechtelijke rechtshandelingen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16898735/1