CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

07-03 Overzicht met wijzigingen Algemene plaatselijke verordening Veendam 2024-25

Gemeenteraad 16 december 2024, gemeente VeendamBij agendapunt: Algemene Plaatselijke Verordening Veendam 20255.705 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht met wijzigingen Algemene plaatselijke verordening Veendam 2024 Hieronder vindt u een overzicht met wijzingen die zijn doorgevoerd in de Algemene plaatselijke verordening 2025. De APV Veendam 2024 is toe aan de jaarlijkse actualisatie naar aanleiding van advies van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Dit jaar zien de meeste wijzigingen op de aanpak van ondermijning in het kader van de gezamenlijke Groningse aanpak van ondermijnende criminaliteit. Elk artikel bevat een afzonderlijke toelichting. Tekst = toe te voegen Tekst = te verwijderen Was Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: • bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; • bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • college: het college van burgemeester en wethouders; • gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het besluit bouwwerken leefomgeving; • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; • openbaar

water: wateren die voor het publiek bevaarvaar of op andere wijze toegankelijk zijn; • openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

Wordt Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: • bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; • bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • college: het college van burgemeester en wethouders; • gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet I bij het besluit bouwwerken leefomgeving; • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; • openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarvaar of op andere wijze toegankelijk zijn; • openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

• weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

• weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Toelichting: Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, van de Omgevingswet. Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Artikel 2:1.1 Gebiedsontzeggingen Artikel 2:1.1 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet geven zich een tijdelijk verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of gemeente op een openbare plaats op te meer bepaalde delen van de gemeente op een houden. openbare plaats op te houden aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid 2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in verstorende handelingen verricht, een bevel dat lid en die binnen zes maanden na een geven zich gedurende ten hoogste acht weken eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten niet in een of meer bepaalde delen van de of openbare orde verstorende handelingen gemeente op een openbare plaats op te verricht, een bevel geven zich een tijdelijk houden. verbod opleggen om gedurende ten hoogste 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan acht weken niet in een of meer bepaalde delen slechts worden gegeven als het strafbare feit of van de gemeente op een openbare aanwezig te de openbare orde verstorende handeling zijn plaats op te houden. binnen zes maanden na het geven van een 3. Het is verboden te handelen in strijd met een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste krachtens het eerste of tweede lid opgelegd of tweede lid, plaatsvindt. verbod. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of 5.

Een bevel krachtens het tweede lid kan tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in slechts worden gegeven als het strafbare feit of verband met de persoonlijke omstandigheden de openbare orde verstorende handeling van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De binnen zes maanden na het geven van een burgemeester kan op aanvraag tijdelijk eerder bevel, gegeven op grond van het eerste ontheffing verlenen van een bevel. of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de het krachtens in het eerste of tweede lid opgelegde verbod gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op

aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod bevel. 5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. Toelichting: Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. De burgemeester kan een gebiedsontzegging opleggen aan personen die strafbare feiten of openbare ordeverstorende handelingen verrichten en veelal al eenmaal een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen. De tekst is gewijzigd van ‘bevel’ naar ‘tijdelijk verbod’. Derde lid De Commissie Feiten en Tarieven van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) is bereid om een feitcode aan overtreding van de gebiedsontzegging te koppelen als dat in dit artikel expliciet is geregeld. Door het nieuwe vierde lid in combinatie met strafbaarstelling in artikel 6:1 APV is het mogelijk om een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt. Voor het afdoen met een feitcode moet er in het proces-verbaal ook een kaart van het desbetreffende gebied worden meegestuurd.

Er zal namelijk getoetst moeten worden of de ontzegging in persoon is uitgereikt en of het gebied waarop de ontzegging ziet, duidelijk kenbaar is gemaakt. Vijfde lid Als iemand de openbare verstoort, kan er overlap ontstaan tussen de bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester om op grond

van deze bepaling met een gebiedsontzegging op te treden. Het vierde lid geeft voorrang aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan; in strijd is met het omgevingsplan; 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat oordeel moet worden aangenomen dat a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de exploitant of de leidinggevende in enig b.

de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een c. de exploitant of de leidinggevende minimaal openbare inrichting die zich bevindt in de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt indien er a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de geen alcoholhoudende dranken in de openbare Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van inrichting worden geschonken. de openbare inrichting een nevenactiviteit d. de exploitant of de leidinggevende minimaal vormen van de winkelactiviteit; de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt indien er b. een zorginstelling; alcoholhoudende dranken in de openbare c. een museum; of inrichting worden geschonken. d. een bedrijfskantine of –restaurant. e. de exploitant of de leidinggevende onder 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet curatele staat. bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij 4. Geen vergunning is vereist voor een niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de openbare inrichting die zich bevindt in aanvraag om een vergunning bedoeld in het a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de eerste lid. Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of –restaurant. 5.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid. Toelichting: De leeftijdseis en curatelestelling zijn toegevoegd aan de weigeringsgronden voor een exploitatievergunning. Deze gronden worden in de praktijk al getoetst en gelden voor

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister [gereserveerd]

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheden verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

de alcoholvergunning op grond van de Alcoholwet. Door de weigeringsgronden op te nemen in de APV kan hier nu ook op gehandhaafd worden voor exploitatievergunningen. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, achternaam, geboortedatum, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Toelichting: Op basis van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is iedereen die beroepsmatig overnachting aanbiedt, zoals een hotel, vakantiepark, (jacht)haven of een camping, verplicht om een nachtregister bij te houden. Bij bijvoorbeeld signalen van mensenhandel, arbeidsuitbuiting of illegale prostitutie in hotels of vakantieparken helpt een nachtregister om de anonimiteit weg te nemen. Dit vergemakkelijkt de opsporing. Voorgesteld wordt om in de APV ter aanvulling op deze landelijke wetgeving op te nemen dat gasten verplicht zijn om hun medewerking te verlenen en hun persoonsgegevens te verstrekken. Deze bepaling helpt ondernemers om te voldoen aan hun wettelijke verplichting. Bijkomend voordeel buiten het kader van de aanpak van ondermijning om is dat deze bepaling ook de brandweer helpt, mocht er brand uitbreken in bijvoorbeeld een hotel of pension. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.

In dit artikel wordt onder speelgelegenheden verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is. c. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: In onze gemeente zijn twee speelautomatenhallen toegestaan op grond van de Verordening speelautomatenhallen en speelautomaten.

De eis dat de beheerder en/of exploitant niet van slecht levensgedrag mag zijn, draagt bij aan het voorkomen dan wel tegengaan van overlast en criminaliteit door of vanuit deze ondernemingen. Artikel 2:50b Messen en andere voorwerpen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Toelichting: Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’.

Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in

een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt. Art. 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59 eerste lid. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. Op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. Het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. Het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan.

Toelichting: In artikel 2:59 is geregeld dat de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod kan opleggen als het gaat om gevaarlijke of hinderlijke honden. Dit is verder uitgewerkt in het Protocol bijtincidenten gemeente Veendam 2024. Artikel 2:59 ziet alleen op een aanlijngebod of muilkorfgebod voor openbaar gebied. Dit is niet altijd voldoende om bijtincidenten te voorkomen, omdat dit niet voorkomt dat mensen worden gebeten op privéterrein (postbezorgers bijvoorbeeld). Toevoegen van artikel 2:59a biedt hiervoor een oplossing. Artikel 2:65a Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van de Ligplaatsenverordening is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen. Toelichting: Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt daarom een verbod in aangewezen gebieden.

In andere gevallen –’s nachts in niet aangewezen gebieden en overdag – geldt het verbod voor zover het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast of hinder, gevaar voor de omgeving of aantasting van het woonen leefklimaat (lid 1, aanhef en onder b). Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen

Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang. Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig door aanbieders van een in de gemeente te houden evenement. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats met een vaartuig of woonboot (hieronder begrepen ook woonark en woonschip) (a) of voor woonwagens met een woonbestemming (b) bestaan afzonderlijke voorschriften. Ook is nachtverblijf toegestaan op daartoe bestemde kampeerterreinen (c) of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein (d). Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot de sluiting als omschreven in het eerste lid

Toelichting: Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig. Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf., of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

tevens bekend gemaakt door het aanbrengen van een afschrift van dat bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van de burgemeester voldoende aannemelijk is, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. De burgemeester kan zich ter beoordeling hiervan laten adviseren door de politie en/of een andere deskundig te achten instantie of persoon. 4. Het is een ieder verboden om, nadat de sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot de sluiting als omschreven in het eerste lid tevens bekend gemaakt door het aanbrengen van een afschrift van dat bevel op of nabij de toegang De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf., het perceel of perceelsgedeelte. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden om een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 3.

Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van de burgemeester voldoende aannemelijk is, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. De burgemeester kan zich ter beoordeling hiervan laten adviseren door de politie en/of een andere deskundig te achten instantie of persoon. 4. Het is een ieder verboden om, nadat de sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden. Toelichting: Op basis van dit artikel heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor publiek openstaande panden te sluiten ten behoeve van het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit deze panden. Dit artikel staat al in de APV, maar

wordt uitgebreid. De toevoegingen zijn conform model APV, namelijk dat de sluitingsbevoegdheid niet geldt voor situaties waarin al een grondslag bestaat op basis van de APV of artikel 13b Opiumwet en dat na sluiting het gebouw en/of erf mag worden betreden indien daarvoor toestemming door de burgemeester is gegeven. Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3.

Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. 6.

De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.

Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Veendam 2024.

Toelichting: Dit artikel maakt het mogelijk om een exploitatievergunningstelsel in te voeren voor andere branches of voor specifieke gebieden (bijvoorbeeld bedrijventerreinen, straten of bepaalde gebouwen). Waar de horeca, de prostitutiebranche en de gokbranche landelijk worden gezien als criminogene branches, kunnen andere branches of gebieden die kwetsbaar zijn voor ondermijnende criminaliteit per gemeente verschillen. Met een vergunningplicht beschikt de gemeente over een instrument voor het weren en tegengaan van malafide ondernemers in deze aanvullende branches. Zoals het voorgestelde artikel geformuleerd is, treedt een vergunningplicht pas in werking nadat een branche of gebied door de burgemeester wordt aangewezen voor een vergunningplicht. Het opnemen van dit artikel in de APV betekent dus niet dat er direct een vergunningplicht ingevoerd wordt. Aanbevolen wordt om deze bepaling alvast op te nemen in de APV, zodat de burgemeester over kan gaan tot invoering van een vergunningplicht zodra er ondermijningsproblematiek speelt en de daarmee de noodzaak tot invoering van een vergunningplicht voor de betreffende branche, gebied of gebouwen bestaat. Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Veendam 2024 2025.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14893794/1