CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

06-05 Langebosch, Kuifreiger-Oost vastgesteld DEF

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente VeendamBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan “Langebosch, Kuifreiger-Oost”23.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Woningen worden op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch toevoegen van woningen. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van diverse wegen. Gelet hierop is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 bijgevoegd. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Resultaat en conclusie akoestisch onderzoek De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer van de Poststraat en Torenstraat bedragen, inclusief 5 dB reductie, hoogstens respectievelijk 26 dB en 37 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Gezien voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven. 5.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid (milieuzonering).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij het vaststellen van bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Door Klijn Bodemonderzoek is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodem-, waterbodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. 5.2.2

Situatie plangebied

Op basis van de onderzoeksresultaten van het bodemonderzoek bestaan er, vanuit milieuhygienisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten en de herinrichting van het terrein. Tevens kan worden vastgesteld dat ter plaatse van de gedempte sloot geen bodemvreemd materiaal aanwezig is en dat de demping is gerealiseerd met schone, vermoedelijk gebiedseigen, grond. Ter plaatse van de voormalige perceel Torenstraat 3 is een bijmenging met puin aanwezig in de boven- en ondergrond. Daarnaast zijn er geen beperking bij het uitvoeren van civiele werkzaamheden ter plaatse van de sloot. Het slib aanwezig in de sloot kan ingedeeld worden als verspreidbaar op aangrenzend perceel. 5.2.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het milieuaspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen/Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer De luchtkwaliteitsregels zijn in de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen in Titel 5.2. De kern van titel 5.2 Wm bestaat uit luchtkwaliteitsnormen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen door Europese richtlijnen, namelijk: het beoordelen van luchtkwaliteit, rapportage en maatregelen. De maatregelen worden in Nederland vooral in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgelegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag gebruik maken van de bevoegdheden, die zijn opgesomd in artikel 5.16 lid 2, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Projecten die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-NIBM zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van NIBM. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1 kan worden gesteld dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in het plangebied

5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen. Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.1

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Wildervank. Gelet op het vorenstaand wordt gesteld dat het gebied is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich diverse milieubelastende functies. Onderstaande tabel geeft een overzicht van deze functie, locaties, bijbehorende richtafstanden en afstand tot het plangebied. Adres Torenstraat 11 Wildervank Torenstraat 28 Wildervank Nijveenlaan 25 Wildervank

Functie Akkerbouwbedrijf

Richtafstand 30 meter

Afstand tot plangebied 33 meter

Maatschappelijke voorziening Maatschappelijke voorziening

10 meter

35 meter

10 meter

25 meter

Gelet op de vorenstaande tabel, bevinden omliggende milieubelastende functies zich op voldoende afstand van het plangebied. Hiermee is voldoende aangetoond dat ter plaatse van de te realiseren woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering geschaad. 5.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische veehouderijen gevestigd. Een nadere toetsing aan de Wgv is daarom niet noodzakelijk. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied’ bevindt zich op 11 kilometer afstand. Gezien de afstand tot dit Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling, kan een stikstofonderzoek achterwege blijven. Negatieve gevolgen zijn namelijk uit te sluiten, aangezien de woning gasloos gerealiseerd wordt. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 5 kilometer afstand.

Het plangebied ligt daarmee niet in of in de directe nabijheid van het NNN, waarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Door TAUW is in 2021 een second opinion van een eerder uitgevoerde QuickScan uitgevoerd. In 2023 heeft TAUW, om te bepalen of en welk aanvullend onderzoek nodig is, een veldbezoek uitgevoerd. Hieruit is een notitie ecologisch onderzoek opgesteld welke als bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van de notitie. 5.7.2.1 Resultaten onderzoek en notitie Tijdens het veldbezoek is duidelijk geworden dat het plangebied waarin ontwikkelingen plaatsvinden, geen functie heeft voor beschermde dier- of plantensoorten. Het plangebied kan wel als foerageergebied gebruikt worden door vleermuizen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief, is het plangebied echter niet essentieel als leefgebied voor vleermuizen. Na de ontwikkeling kan het plangebied ook weer gebruikt worden als foerageergebied. Vanwege de ruime opzet van het plan en de relatief grote tuinen, is de verwachting dat er min of meer dezelfde kwaliteit aan foerageergebied terugkomt.

Voor grote bosmuis geldt dat het plangebied daarvoor niet geschikt is. Enkel het erf aan de oostzijde (zie figuur 0.1) van het plangebied is geschikt als leefgebied. Hoewel de soort in het plangebied niet verwacht wordt, en verblijfplaatsen daar met zekerheid uitgesloten zijn, kan de soort wel sporadisch in het plangebied voorkomen op zoek naar voedsel. Tijdens de werkzaamheden dient, als zorgplichtmaatregel, rekening gehouden te

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld worden met grote bosmuis. Dat kan door de werkzaamheden langzaam richting de betreffende tuin uit te voeren. Hiermee krijgen individuen de tijd om te vluchten naar het leefgebied. Voor grote weerschijnvlinder en grote vos geldt dat aanwezigheid uitgesloten kan worden. Hoewel wilgen in het plangebied aanwezig zijn, staan deze solitair en zullen de boomtoppen te veel in de zon staan. Daardoor zijn deze boomtoppen te droog en warm om eieren op af te zetten. 5.7.2.2. Conclusie onderzoek en notitie Het is niet nodig om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Wel moet, om de zorgplicht na te leven, rekening gehouden worden met grote bosmuis. Dat kan door werkzaamheden in het plangebied langzaam en richting de tuin ten oosten van het plangebied uit te voeren. Zo heeft grote bosmuis de kans om terug naar zijn leefgebied te vluchten. Essentieel leefgebied en verblijfplaatsen van de soort in het plangebied zijn uitgesloten. Tot slot is het nodig om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en indien nodig een broedvogelcontrole uit te voeren. Het broedseizoen loopt globaal van maart t/m augustus, maar het is aan te bevelen om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog.

Sommige soorten kunnen immers vrijwel jaarrond tot broeden komen en in gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd. Zowel de tijd van het jaar als de weersomstandigheden kunnen vogels ertoe bewegen om tot broeden te komen. Een ecoloog kan voorafgaand aan de werkzaamheden bepalen of een broedvogelcontrole nodig is, of dat effecten op voorhand uit te sluiten zijn. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Veendam heeft de archeologische verwachtingswaarde vastgelegd in een ‘Beleidskaart archeologie Veendam 2022’. Daarnaast zijn de archeologische verwachtingswaarden doorvertaald in geldende bestemmingsplannen. Zoals aangegeven in paragraaf 1.4 lag, op grond van de oorspronkelijke beleidskaart archeologie, het plangebied binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Bij een latere actualisering is de hoge verwachtingswaarde voor dit deel van het plangebied komen te vervallen. Een beschermende bepaling in de regels is dan ook niet meer nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied’ bevindt zich op circa 11 kilometer afstand. Gelet de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is er geen sprake van een negatief effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling gaat uit van het realiseren van 28 woningen in de kern van Veendam. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat de ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 6.1.3

Beleid provincie Groningen

In Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten en wordt een aantal doelen nagestreefd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de aspecten 'bescherming tegen overstroming en wateroverlast' en de zorg voor 'voldoende schoon drinkwater'. Beide aspecten worden als essentieel gezien om een schone, gezonde en veilige leefomgeving te creëren binnen de provincie. Bescherming tegen overstroming van grote delen van de provincie Groningen welke liggen onder de zeewaterspiegel is een belangrijke pijler. Door de klimaatverandering zal de zeespiegel in de toekomst verder gaan stijgen en door aardgaswinning in de provincie zal de bodem in delen van de provincie verder gaan dalen. Verder heeft het veranderde klimaat ook gevolgen voor de neerslag. Door toename van de neerslag wordt er meer aandacht gevraagd voor de bescherming van laag gelegen delen van de provincie tegen wateroverlast. Om een optimale bescherming tegen overstromingen en wateroverlast te kunnen garanderen en om dit te kunnen bereiken zijn een aantal concrete uitgangspunten geformuleerd: • • • • • •

6.1.4

Klimaatadaptatie Kustverdediging Wateroverlast uit boezemsystemen Regionale wateroverlast Bodemdaling door delfstoffenwinning Overstromingsrisico's Beleid waterschap Hunze en Aa’s

Het beleid van het Waterschap Hunze en Aa's staat beschreven in het beheerprogramma 2022-2027. In het beheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende en schoon water oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Naar aanleiding van de watertoets heeft het waterschap een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt op de relevante wateraspecten uit de uitgangspuntennotitie ingegaan. Specifieke en aanvullende uitgangspunten Het plangebied voldoet aan de drooglegging, maar aan de noordzijde (percelen D en E) ligt het maaiveld lager dan de rest van het plangebied en voldoet de drooglegging niet. Deze lagere gronden, in combinatie met het dempen van de sloot, dienen in maaiveld te worden opgehoogd in combinatie met het aan te geven vloerpeil door de gemeente. Door het dempen van de sloot, zal de aangrenzende lager gelegen openbare groenstrook niet worden ontwaterd en zal op deze lage gronden bij veel neerslag wateroverlast gaan voorkomen. Dit kan zijn weerslag ook hebben op aangrenzende particuliere tuinen (percelen A t/m E en J), als deze niet in maaiveld worden verhoogd. Een aanname is gedaan voor de te realiseren 12 woningen. Toename verhard oppervlak minimaal ca. 200 m²/kavel = ca. 2.400 m². Totaal toename verhard oppervlak afgerond op ca. 4.500 m². Daarmee zou een compensatie nodig zijn van ca. 400 m³. Het HWA zal op het Langeboschemeer worden aangesloten, die voldoende ruimte biedt daarvoor.

Wordt de HWA niet op het meer aangesloten, maar op de vijver aan de noordzijde van het plangebied, dan dient er binnen het plangebied een vervangende berging voor hemelwater te worden gerealiseerd voor ca. 400 m³ aan extra ruimte. Aan de noordzijde van het plangebied worden de kavels opgehoogd naar ongeveer het gewenste peil om mogelijke ‘wateroverlast’ in de tuinen de beperken. Waterveiligheid Het plangebied ligt binnen een primaire en secundaire waterkering. Binnen de beschermingszone is voor het uitvoeren van de meeste werkzaamheden een watervergunning nodig op basis van de Keur van het waterschap. Waterkwantiteit Aan de noordkant is de bestaande groene strook tussen sloot en Nijveenlaan gehandhaafd. De sloot wordt gedempt. Watercompensatie is in de basis geregeld met het aansluiten van de HWA op het Langebosschemeer (aan de westzijde van de sluis, met een waterstand van 0.20m+/ 0.30m+). De voorgenomen ontwikkeling gaat gepaard met een toename aan oppervlakte verharding. Meer specifiek is met het stedenbouwkundig plan veel ruimte voor groen, tezamen met de lage bebouwingsdichtheid voor de nodige infiltratie in de bodem waarmee recht wordt gedaan aan de trits vasthouden – bergen - afvoeren. Daarbovenop wordt verharding tot het minimum beperkt dan wel doorlatend uitgevoerd.

Gesteld wordt dat het plangebied voldoende onverharde delen heeft om deze toename aan verharding op te vangen. Schoon hemelwater wordt in de bodem geïnfiltreerd en wordt afgevoerd naar het naastgelegen oppervlaktewater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld Vuilwater wordt via de bestaande gemeentelijke riolering naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie afgevoerd. Waterkwaliteit De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor vervuiling van oppervlaktewater. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats die kunnen zorgen voor vervuiling van schoon hemelwater. Aanvullende belangen waterschap Adaptatie op lokale bodemdaling Het beheergebied van het waterschap Hunze en Aa's wordt gekenmerkt door drie verschillende vormen van bodemdaling, namelijk; door gaswinning, door zoutwinning en door veenoxidatie. Bodemdaling door gaswinning heeft lokaal geen grote invloed op het functioneren van het watersysteem, maar regionaal dient het watersysteem hierop wel maatregelen te treffen. Bodemdaling door zoutwinning en veenoxidatie kunnen wel tot lokale maatregelen leiden in het watersysteem.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, etc.); Nadere eisen: opsomming van gevallen waarbij burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld • •

7.2.4

Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: afwijkingsregels waarin staat aangegeven van welke bouwen gebruiksregels (onder voorwaarden) mag worden afgeweken; Specifieke gebruiksregels: een nadere invulling van de gebruiksregels. Hierin staan met name de strijdige gebruiksregels opgesomd. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel zijn de algemene regels voor strijdig gebruik opgenomen.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Met deze regels kunnen omgevingsvergunningen verleend worden.

•

Overige regels (Artikel 8) In dit artikel is de uitsluiting van een seksinrichting opgenomen. Daarnaast zijn regels ten aanzien van parkeren opgenomen

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan “Wildervank”. Water (Artikel 3) In voorliggend geval is ter plaatse van de zuidoostzijde van het plangebied de enkelbestemming ‘Water’ opgenomen. De voor ‘Water’ aangegeven gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding en de (recreatie)scheepvaart en de berging van water. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Het bouwen van bouwwerken, anders dan het bouwen van kunstwerken, voorzieningen ten behoeve van de scheepvaart, recreatie en waterhuishouding is niet toegestaan. Ter plaatse van de bestemming 'Woongebied' is het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, beperkt tot steigers, indien in een strook van maximaal 10 m gerekend vanaf de bestemmingsgrens, wordt gebouwd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld Woongebied (Artikel 4) In voorliggend geval is ter plaatse van plangebied de enkelbestemming ‘Woongebied’ opgenomen. De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, verkeer en verblijf, openbare nutsvoorzieningen en groenvoorzieningen. Door middel van aanduiding is het maximaal te realiseren woningen per bouwvlak, alsmede de maximale gooten bouwhoogte vastgelegd. Verder is in de bouwregels bepaald dat ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – inpandig’ bij de twee vrijstaande woningen aan het water uitsluitend inpandige bijgebouwen zijn toegestaan. Op deze percelen is het wenselijk om ‘schuurwoningen’ te realiseren. Bij dergelijke woningen zijn geen (vrijstaande) bijgebouwen toegestaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Groningen

Er heeft vooroverleg met de provincie Groningen plaatsgevonden. De opmerkingen zijn verwerkt in het voorliggende plan. 9.1.3

Waterschap Hunze en Aa’s

Het waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is. De uitgangspuntennotitie water is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Voor omwonende is er een inloopavond geweest waar de plannen besproken zijn. Een kort verslag van deze inloopavond is opgenomen als Bijlage 7 bij deze toelichting.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een ieder voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen binnen gekomen. In verband met een kleine wijziging in het bouwplan is het bouwvlak ter plaatse gewijzigd. Het plan wordt zodoende gewijzigd vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 1

Ladderonderbouwing

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 3

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 4

Notitie ecologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 5

Watertoetsnotitie/resultaten

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 6

Beeldkwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost Vastgesteld

Bijlage 7

Verslag inloopavond

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost

54

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost

Bijlage bij toelichting

Bijlage bij toelichting (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Langebosch, Kuifreiger-Oost

Bijlage 1 Ladderonderbouwing

56

Bijlage bij toelichting (vastgesteld)

Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

Langebosch, Kuifreiger-Oost

Nov 2023

Status: Definitief

Langebosch, Kuifreiger-Oost Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Algemeen

De voorliggende notitie ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ heeft betrekking op de locatie (hierna: plangebied) tussen de Kuifreiger en de Nijveenlaan in de wijk Langebosch in het zuiden van de kern Wildervank. Door aanhoudende vraag naar woningbouw, heeft de gemeente Veendam het plan opgevat om ter plaatse van het plangebied woningbouw mogelijk te maken. Concreet ziet het voornemen op de realisatie van 12 vrijstaande woningen. Gelet op de waterrijke omgeving, wordt hier een kwalitatief hoogwaardig woongebied beoogd. De te realiseren woningen worden gerealiseerd in het hogere koopsegment. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door de gemeente Veendam een stedenbouwkundig plan opgesteld. In afbeelding 1.1 is de het stedenbouwkundig plan weergegeven.

Afbeelding 1.1

Stedenbouwkundig plan (Bron: Gemeente Veendam)

Voor de ontwikkeling is een herziening van het geldende bestemmingsplan benodigd. Vanuit het ruimtelijk spoor is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking benodigd. 1.2

Locatie projectgebied

Het plangebied ligt in het zuiden van de kern Wildervank, tussen de Nijveenlaan, het Westerdiep en de Kuifreiger. Het plangebied ligt daarnaast op steenworp afstand van het gemaal Wildervank. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Wildervank, sectie N, nummer 777 (gedeeltelijk). Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Nijveenlaan. Aan de oost- en zuidzijde vormen een woonperceel en oppervlaktewater (Westerdiep) de begrenzing. Aan de westzijde is het planbied begrensd door de Kuifreiger. In afbeelding 1.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Wildervank en Veendam en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. De rode ster en de rode omlijning geven respectievelijk de locatie en indicatieve begrenzing van het plangebied weer. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Langebosch, Kuifreiger-Oost Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

Afbeelding 1.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van Veendam en Wildervank en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Langebosch, Kuifreiger-Oost Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

HOOFDSTUK 2

WETTELIJK KADER

In de SVIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, voorloper van de Nationale Omgevingsvisie) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a sub 3 van de Wabo. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de Ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. • •

11 woningen: geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen: wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Het begrip “woningbouwlocatie” (zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip “stedelijke ontwikkeling” in artikel 1.1.1. Bro) is niet nader gedefinieerd. In de praktijk speelt daarom regelmatig de vraag, hoe bepaald moet worden wanneer woningen één woningbouwlocatie vormen. Er is sprake van één woningbouwlocatie als er tussen de te realiseren woningen, ruimtelijke en functionele samenhang bestaat. Uit de jurisprudentie volgt dat daarvoor onder meer betekenis toekomt aan de onderlinge afstand tussen de woningen. Zoals hiervoor beschreven wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een woningbouwontwikkeling van 11 woningen niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat de voorgenomen ontwikkeling uitgaat van de realisatie van 12 woningen is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). In het volgende hoofdstuk wordt aan de ladder getoetst.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Langebosch, Kuifreiger-Oost Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

HOOFDSTUK 3 3.1

TOETSING VAN HET VOORNEMEN AAN DE LADDER

Inleiding

Artikel 3.1.6 lid 2 van de Bro geeft aan dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden: a. b.

3.2

er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; indien het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ruimtelijk verzorgingsgebied

Wanneer sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, moet een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor woningbouwontwikkelingen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Verhuisbewegingen geven hiervoor een goede indicatie. De Ladder verplicht niet in alle gevallen tot regionale afstemming. Op basis van de aard en de omvang van het woningbouwplan moet bepaald worden of regionale afstemming nodig is. Bij kleinschalige ontwikkelingen die geen gemeentegrens overstijgend effect hebben, is bovengemeentelijke afstemming niet nodig. Het zwaartepunt van het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde ontwikkeling ligt op een lager schaalniveau en komt overeen met de gemeente Veendam. Het merendeel van de verhuisbewegingen vindt namelijk binnen de eigen gemeente plaats. Uit CBS-cijfers blijkt dat veel meer dan de helft van de verhuisbewegingen tussen 2020 en 2022 binnen de gemeentegrens plaatsvond. Daarnaast was tevens sprake van een positief migratiesaldo. Er verhuisden meer mensen naar de gemeente Veendam dan dat mensen uit Veendam naar omliggende gemeenten vetrokken.

3.3

Behoefte

3.3.1

Kwantitatief

Voor het bepalen van de ‘eigen woningbehoefte’ voor de gemeente Veendam gaat de gemeente uit van de meest recente regionale prognose uit 2020. In de meest recente prognose uit 2020 is de verwachte huishoudensontwikkeling in diverse scenario’s doorgerekend. Om rekening te houden met alle onzekerheden die zich binnen deze bandbreedte van verschillende scenario’s voordoen gaan we uit van het midden (trend)scenario. In dit scenario groeit het aantal huishoudens in de gemeente Veendam tot 2030 met +640 huishoudens. De verschuivingen in de prognoses worden veroorzaakt door veel positievere binnenlandse en buitenlandse migratie. Om voldoende ruimte te bieden aan de vernieuwingsopgave en rekening te houden met planuitval, accepteert de gemeente hier bovenop een overcapaciteit 20%. Hiermee komt de totale ‘eigen woningbehoefte’ tot 2030 uit op +770 woningen. Opgemerkt wordt dat in de regionale woondeal 2022-2030 regio Oost-Groningen de bruto nieuwbouwambitie voor de gemeente Veendam is bepaald op 739 woningen. Er bestaat in de gemeente Veendam dan ook een grote kwantitatieve behoefte aan nieuwe woningen. Het voornemen, dat voorziet in het realiseren van in totaal 12 woningen, levert een bijdrage aan de resterende kwantitatieve behoefte en is dan ook passend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14036719/1