CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

06-04 ontwerp-bp Wildervanksterdallen 59 toelichting

Commissie Fysiek 4 september 2023, gemeente VeendamBij agendapunt: Raadsvoorstel: Bestemmingsplan Wildervanksterdallen 5914.582 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

35

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Veendam, in een gebied waar geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Gelet op het vorenstaand wordt gesteld dat het gebied is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’.

5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Daarnaast wordt opgemerkt dat middels voorliggend bestemmingsplan de huidige bestemming ‘recreatie' wordt verwijderd, waardoor de bijbehorende milieubelastende activiteiten permanent komen te vervallen. Er is daardoor zelfs sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval wordt de woning binnen het plangebied aangemerkt als een milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied komen naast woonfuncties hoofdzakelijk agrarische (bedrijfs)bestemmingen voor (Wildervanksterstallen 14 en Wildervanksterstallen 63). Op basis van het geldende planologische regime zijn binnen de agrarische bestemmingen milieubelastende functies toegestaan.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

36

Pluimveebedrijven Wildervanksterstallen 14 en Wildervanksterstallen 63 In de omgeving van het plangebied zijn twee intensieve veehouderijbedrijven aanwezig. Concreet gaat het om de Pluimveebedrijven Wildervanksterstallen 14 en Wildervanksterstallen 63. Voor intensieve veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 (geur) nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. In dit geval bedraagt de afstand tussen de grens van de agrarische bouwvlakken en de uiterlijke situering van de gevel van de woningen minder dan 50 meter. Aan de richtafstand wordt dus niets voldaan. Omdat op het perceel Wildervanksterweg 59 de functie 'wonen' vigeerde binnen de bestemming 'recreatie' is er sprake van een bestaande vergunde situatie. Een nader onderzoek naar het aspect geluid kan dan ook achterwege blijven. Er zit een verschil in de benadering vanuit het ruimtelijke spoor (de bestemming) en het milieu spoor (feitelijk gebruik).

Om te borgen dat de nieuwe appartementen geen belemmering zullen vormen voor de bestaande omliggende bedrijven is om een (milieu)onderzoek gevraagd. Hiermee kan duidelijkheid verkregen worden richting de omliggende bedrijven dat de bestemmingswijziging geen (nadelige) invloed op hun bedrijfsactiviteiten zal hebben. Zo wordt ook naar de toekomst toe een (geluid)saneringssituatie voorkomen. Daarom is Noorman Bouw- en milieu-advies gevraagd om de akoestische consequenties voor de omliggende pluimveebedrijven te beoordelen (zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt het volgende: De gevels c.q. de begrenzing van het pand Wildervanksterweg 59 worden niet uitgebreid. Het pand is zowel in de bestaande als toekomstige situatie in zijn geheel als geluidgevoelig aan te merken. Verder geldt voor beide pluimveebedrijven dat (bij een toekomstige beoordeling van de akoestische inpasbaarheid in geval van een vergunningaanvraag) het in beginsel niet uitmaakt of ter plaatse van het perceel Wildervanksterweg 59 sprake is van een bedrijfswoning (bestaande situatie) dan wel een reguliere woonbestemming (na planwijziging). Dit omdat de beoordelingscriteria hetzelfde zijn. De geluidvoorschriften als verbonden aan de vergunning van het pluimveebedrijf aan de Wildervanksterweg 14 hoeven naar aanleiding van de planwijziging niet te worden aangepast.

Voor de beschikbare geluidruimte vanwege het pluimveebedrijf aan de Wildervanksterweg 63 is en blijft de aangrenzende woning Wildervanksterweg 61 naar verwachting maatgevend. Eerder al is door de gemeente Veendam vastgesteld dat aanvullende maatwerkvoorschriften niet nodig zijn. Geconcludeerd wordt dat de planwijziging geen gevolgen heeft voor de bestaande en toekomstige geluidruimte van de omliggende pluimveebedrijven.

5.5.4 Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

37

5.6 Geur 5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

5.6.2 Situatie plangebied Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van een geurgevoelige functie, namelijk een reguliere burgerwoning. In de nabijheid van het plangebied, dat in het buitengebied ligt, bevinden zich twee puimveehouderijen, namelijk Wildervanksterdallen 14 en 63. Het is van belang om de cumulatie van geur van beide pluimveehouderijen op de drie woningen en het aspect fijnstof te beoordelen. Onderzocht moet worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of er een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Voor de toetsingskaders van beide pluimveehouderijen verandert er niets omdat de extra woningen binnen het bestaande pand worden gerealiseerd. Deze is al beoordeeld als een geurgevoelig object. De drie te realiseren woningen blijven binnen de grenzen van het huidige pand. De afstand van het geurgevoelig object tot de twee pluimveehouderijen wijzigt daardoor niet. De pluimveehouderijen worden niet in hun mogelijkheden beperkt t.o.v. de reeds geldende wet- en regelgeving. De Omgevingsdienst Groningen adviseert alsnog de cumulatie van geur en fijnstof in kaart te brengen. Het bureau Hoeve Advies heeft daarom een aantal berekeningen uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met behulp van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunningen.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

38

5.6.2.1 Individuele hinder 5.6.2.1.1 Voorgrondbelasting Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat bij gelijke belastingen de ervaren geurhinder als gevolg van de voorgrondbelasting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting. Geurhinder door voorgrondbelasting wordt als hinderlijker ervaren. De voorgrondbelasting vanuit de pluimveehouderij Wildervanksterstallen 14 t.o.v. de dichtstbijzijnde gevel van Wildervanksterdallen 59 bedraagt: •

•

ten hoogste 3,9 OUE/m³. Dit mag in de huidige situatie met 15.000 st. vergunde biologische kippen en 7.500 st. vergunde opfok kippen in het buitengebied 8 OUE/m³ zijn; ten hoogste 7.1 OUE/m³. Dit mag in de huidige situatie met 29.000 st. vergunde reguliere kippen en 7.500 st. vergunde opfok kippen in het buitengebied 8 OUE/m³ zijn.

De voorgrondbelasting vanuit de pluimveehouderij Wildervanksterstallen 63 t.o.v. de dichtstbijzijnde gevel van Wildervanksterdallen 59 bedraagt: •

ten hoogste 5,6 OUE/m³. Dit mag in de huidige situatie met 27.612 st. vergunde kippen in het buitengebied 8 OUE/m³ zijn.

5.6.2.2 Cumulatieve hinder 5.6.2.2.1 Achtergrondbelasting Voor het buitengebied hanteert de gemeente Veendam t.a.v. de voorgrondbelasting de wettelijke individuele geurnorm van 8,0 OUE/m³. Volgens tabel B van bijlage 6 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij komt een maximale voorgrondbelasting van 8,0 OUE/m³ in een niet-concentratiegebied overeen met een maximaal gehinderdenpercentage van 29%. Volgens tabel A van bijlage 6 van deze handreiking mag de achtergrondbelasting bij een maximaal gehinderdenpercentage van 29% maximaal 18 OUE/m³ bedragen. Dit zou dan ook als denkbeeldige streefwaarde voor dit gebied kunnen gelden. De cumulatieve hinder ofwel achtergrondbelasting veroorzaakt door de pluimveehouderijen Wildervanksterdallen 14 en Wildervanksterdallen 63 samen is ten hoogste 8,378 0 OUE/m³. Dat is ter plekke alleszins acceptabel gelet op de streefwaarde van ten hoogste 18 0 OUE/m³. 5.6.2.2.2 Leefklimaat Uit de berekeningen blijkt dat het leefklimaat in de omgeving van het plangebied tussen 'matig' en 'redelijk goed' is. Het leefklimaat wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie nu er één in plaats van drie woningen in deze voormalige school komen. De streefwaarde voor achtergrondbelasting in het buitengebied is 18 OUE/m³, gerelateerd aan de maximale 8,0 OUE/m³ voor voorgrondbelasting.

De feitelijke achtergrondbelasting is 6,3 tot 8,4 OUE/m³ en zit hier ver onder. Verschil in achtergrondbelasting a.g.v. de voorgenomen verandering van Wildervanksterstallen 59:

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

39

Geurgevoelig object

Huidige situatie kwalificatie RIVM

Mogelijke situatie kwalificatie RIVM

Wildervanksterdallen 59

6,293 Redelijk goed

8,378 Matig

Beoordeling leefklimaat volgens milieukwaliteitscriteria RIVM (Bijlage 6 en 7 Handreiking Wet geurhinder en veehouder, 1 mei 2007, Infomil / Ministerie van VROM) op basis van GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002).

5.6.2.3 Cumulatieve fijnstof 5.6.2.3.1 Achtergrondconcentratie Met het oog op de luchtkwaliteit en volksgezondheid vraagt de Omgevingsdienst Groningen om de cumulatie van fijnstof vanuit de beide pluimveehouderijen op het pand van Wildervanksterdallen 59 in kaart te brengen. De bijdrage vanuit de bedrijven t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De achtergrondconcentratie in de naaste omgeving is ca. 15,50 µg/m³. Zowel in de huidige situatie als in de situatie waarbij de vergunningen worst-case worden gebruikt voor het houden van reguliere kippen wordt (ruim) voldaan aan de door de Wet luchtkwaliteit gestelde voorwaarden en is de fijnstofconcentratie en het aantal dagen overschrijding (beduidend) lager dan wat is voorgeschreven. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving is voldoende gewaarborgd. Met het oog op het terugbrengen van de fijnstofconcentratie in het heel Nederland en in het bijzonder in de concentratiegebieden zal de overheid binnen afzienbare tijd pluimveehouders verplichten niet alleen in nieuw te bouwen stallen, maar ook in bestaande stallen de fijnstofuitstoot te reduceren. Op termijn zal de fijnstofuitstoot worden verminderd; overheid en sector zijn op dit moment hierover met elkaar in gesprek. 5.6.2.3 Paarden Er worden ook paarden gehouden bij de beide pluimveehouderijen, namelijk Wildervanksterdallen 14 en 63.

Hiervoor gelden de vaste afstanden 50 meter vanaf het emissiepunt van de stal tot een geurgevoelig object en 25 meter vanaf de buitengevel van de paardenstal tot de buitengevel van een geurgevoelig object. Gesteld kan worden dat de afstand van 50 meter van het emissiepunt tot aan de woningen van derden niet wordt gehaald en dat in één geval de gevel-gevelafstand van 25 meter ook niet wordt gehaald vanaf een paardenstal. Er is echter sprake van een bestaande situatie die op basis van de bestaande regels voort mag duren. Er mag echter geen uitbreiding plaatsvinden met paarden (of andere vaste afstandsdieren) die binnen deze afstanden zijn gelegen. Deze regels zijn en blijven gelijk, of er nu één of drie woningen in het pand aanwezig zijn. 5.6.3 Conclusie Zowel de voorgrondbelasting (individuele hinder) als achtergrondbelasting (cumulatieve hinder) is lager dat wat de wetgever verantwoord acht. De gemeente heeft geen specifiek beleid t.a.v. achtergrondbelasting en ook geen afwijkende geurnormen t.a.v. voorgrondbelasting. Er zijn geen stringentere voorwaarden dan het wettelijk landelijk kader van de Wgv.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

40

Het initiatief voldoet aan het landelijk en dus ook aan het gemeentelijk geurbeleid en er is wat betreft cumulatieve geurhinder geen sprake van een belangrijke verontreiniging. Uit de berekeningen blijkt dat het woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen in het pand Wildervanksterdallen 59 alleszins verantwoord is. De kwalificatie van de omgeving wijzigt niet en onderscheidt zich in positieve zin. Het woon- en leefklimaat is ondanks de aanwezigheid van twee pluimveehouderijen in de nabije omgeving beter dan wat de wetgever voorschrijft en verantwoord vindt. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving is voldoende gewaarborgd.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

41

Met betrekking tot de cumulatie van fijnstof wordt zowel in de huidige situatie als in de situatie waarbij de vergunningen worst-case worden gebruikt voor het houden van reguliere kippen wordt (ruim) voldaan aan de door de Wet luchtkwaliteit gestelde voorwaarden en is de fijnstofconcentratie en het aantal dagen overschrijding (beduidend) lager dan wat is voorgeschreven. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

42

5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied' bevindt zich op circa 15 kilometer afstand. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging van bestaande bebouwing. Er is in voorliggend in het uiterste geval sprake van zeer tijdelijke inpandige werkzaamheden. Er is dan ook geen sprake van het inzetten van zware mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase.

Ten aanzien van de gebruiksfase wordt opgemerkt dat met de voorgenomen ontwikkeling de enkelbestemming ‘recreatie' wordt omgezet naar een woonbestemming. Hiermee is het in de toekomst enkel mogelijk het plangebied te gebruiken ten behoeve van het wonen, waarmee de mogelijkheden tot het exploiteren van een sauna komt te vervallen. Een dergelijke functie kent doorgaans een (veel) hogere verkeersgeneratie dan een woonfunctie. Het aantal verkeersbewegingen zal dan ook afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, wat tot een vermindering van de stikstofdepositie leidt. De beoogde herontwikkeling heeft géén negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 9,7 kilometer afstand. Het onderzoeksgebied behoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren.

Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebied op enige afstand van het NNN, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

43

5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.2.2 Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het slopen van gebouwen, het dempen van watergangen of het verwijderen van groenstructuren. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en fauna als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is geen sprake. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden. Gelet op het vorenstaande wordt een natuurwaardenonderzoek niet noodzakelijk geacht. Opgemerkt wordt dat te allen tijde rekening wordt gehouden met de zorgplichtbepaling uit de Wet natuurbescherming. 5.7.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

44

5.8 Archeologie & Cultuurhistorie 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. 5.8.1.2 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in bodemingrepen. Het betreft een functiewijzing van bestaande bebouwing. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatieplangebied Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

45

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); er ontstaat een m.e.r.- plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); er ontstaat een m.e.r.- (beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. 5.9.2 Situatie plangebied 5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied' bevindt zich op circa 15 kilometer afstand. Gelet de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het feit dat het middels voorliggend bestemmingsplan uitsluitend toegestaan wordt om in het plangebied te wonen en de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000- gebieden is er geen sprake van een negatief effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

46

Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

In voorliggend geval is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingstraject. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. 5.9.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

47

6 Waterhuishoudingaspecten

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

48

6.1 Vigerend beleid 6.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3 Beleid provincie Groningen In Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten en wordt een aantal doelen nagestreefd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de aspecten 'bescherming tegen overstroming en wateroverlast' en de zorg voor 'voldoende schoon drinkwater'. Beide aspecten worden als essentieel gezien om een schone, gezonde en veilige leefomgeving te creëren binnen de provincie. Bescherming tegen overstroming van grote delen van de provincie Groningen welke liggen onder de zeewaterspiegel is een belangrijke pijler. Door de klimaatverandering zal de zeespiegel in de toekomst verder gaan stijgen en door aardgaswinning in de provincie zal de bodem in delen van de provincie verder gaan dalen. Verder heeft het veranderde klimaat ook gevolgen voor de neerslag. Door toename van de neerslag wordt er meer aandacht gevraagd voor de bescherming van laag gelegen delen van de provincie tegen wateroverlast. Om een optimale bescherming tegen overstromingen en wateroverlast te kunnen garanderen en om dit te kunnen bereiken zijn een aantal concrete uitgangspunten geformuleerd: • • • • • •

Klimaatadaptatie Kustverdediging Wateroverlast uit boezemsystemen Regionale wateroverlast Bodemdaling door delfstoffenwinning Overstromingsrisico's

6.1.4 Beleid waterschap Hunze en Aa's Het beleid van het Waterschap Hunze en Aa's staat beschreven in het beheerprogramma 2016-2021. In het beheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende en Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

49

schoon water oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat er geen waterschapsbelang is. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlagen bij toelichting bijlage 4.

De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Hunze en Aa’s geeft een positief wateradvies.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

50

7 Jurdische aspecten en planverantwoording

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

51

7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2. Opzet regels In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan.

Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

52

7.2.2 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • •

•

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt.

7.2.3 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, etc.).

7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

•

•

Anti-dubbeltelregel (Artikel 4) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 5) Dit artikel is opgenomen om bestaande maatvoeringen en afstanden als planologisch toegestaan te beschouwen. Dit vanwege het feit dat er in dit geval sprake is van bestaande (te verbouwen) bebouwing in het plangebied. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel zijn de algemene regels voor een aan huis verbonden beroep, een Bed and breakfast voorziening en strijdig gebruik opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om een vervangende woningbouw te realiseren. Overige regels (Artikel 9) In dit artikel zijn afstemmingsregels ten aanzien van de welstandstoets en het parkeren.

7.2.5 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

53

7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Qua systematiek van de regels is aangesloten bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied Veendam 2019'. Wonen (Artikel 3) In voorliggend geval is ter plaatse van plangebied de enkelbestemming ‘Wonen’ toegekend.

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, bed and breakfast voorzieningen met de daarbij behorende gebouwen en overkappingen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, wegen en paden, water, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen. Het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan drie. De goot- en bouwhoogte mag ten hoogste respectievelijk 3,5 m en 8 m bedragen, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

54

8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Veendam. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

55

9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

56

9.1 Vooroverleg 9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2 Provincie Groningen Van de provincie Groningen is een vooroverlegreactie ontvangen op het voorontwerpbestemmingsplan 'Wildervanksterdallen 59 te Wildervank'. De reactie van de provincie luit als volgt: Op grond van artikel 2.13.2 en 2.13.3 van de Omgevingsverordening dient - kort samengevat - het bestemmingsplan regels te stellen die erin voorzien dat de functie wonen in het hoofdgebouw plaatsvindt en mag vrijgekomen en vrijkomende bebouwing niet worden vergroot en mogen er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw (het vervangen van een op hetzelfde perceel aanwezig bestaand gebouw van gelijke aard, omvang en karakter). Anders dan wordt beoogd met het bestemmingsplan voorzien de planregels er echter niet in dat de woonfunctie in de vorm van 3 appartementen uitsluitend is toegestaan binnen de bestaande bebouwing en voorzien de bouwregels niet in bescherming van de bestaande hoofdvorm van de vrijgekomen bebouwing.

Ook ontbreekt op de verbeelding een specifieke aanduiding b.v. de aanduiding vrijgekomen gebouwen en/of de aanduiding 'karakteristiek'. Ten slotte voorzien de planregels in gebruiksmogelijkheden, zoals Bed and Breakfastvoorzieningen, paardrijbakken, groepskamperen etc. die wellicht ter plaatse bij de appartementen niet zijn beoogd. Het pand wordt volgens de toelichting en het advies van de Omgevingskamer door de gemeente tevens aangemerkt als een te behouden karakteristiek gebouw. In de algemene bouwregels is bepaald dat vrijgekomen en vrijkomende bebouwing niet mogen worden vergroot. Tevens mogen er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw. Ook is aan de voormalige school de aanduiding 'karakteristiek' toegevoegd. Hiermee blijft de bestaande verschijningsvorm en maatvoering van de bebouwing behouden, behoudens geringe uitwendige aanpassingen. De gebruiksmogelijkheden zoals Bed and Breakfastvoorzieningen, paardrijbakken, groepskamperen etc. zijn geschrapt uit de regels. 9.1.3 Waterschap Hunze en Aa's Het waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat er geen waterschapsbelang is. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding.

Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlagen bij toelichting bijlage 2. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

57

9.1.4 Veiligheidsregio Groningen De veiligheidsregio Groningen adviseert het volgende: •

De risicoafstanden van de relevante buisleiding te bepalen op 1% letaal, zoals wettelijk voorgeschreven;

•

Om gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzame personen uit te sluiten in de regels.

Beide adviezen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen.

9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen.

Toelichting bestemmingsplan Wildervanksterdallen 56 Wildervank

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13057764/1