06-02 Warmtevisie 2022 gemeente Veendam def
Tekst van het document
6 Rolverdeling — 33
BIJLAGEN
6 Rolverdeling — 34
BIJLAGE 1 TECHNISCHE EN FINANCIËLE ANALYSE WTCG
Actielijn 1: Analyse Verrijking technisch-economische analyse Transitievisie Warmte Rapportage gemeente Veendam Oplevering: 1 oktober 2021
Opgesteld door: Warmte Transitiecentrum Groningen (WTCG)
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 35
Inhoudsopgave
Inleiding 1.1
2.1
Startanalyse en VESTA-MAIS ........................................................................................... 5
2.2
Verrijking.......................................................................................................................... 7
2.3
Validatie ........................................................................................................................... 8
2.4
Buurtverdieping ............................................................................................................... 8
3.1.
Woningen ...................................................................................................................... 11
3.2
Utiliteitsbouw ................................................................................................................. 20
3.3
Infrastructuur ................................................................................................................. 24
3.4
Aanbod hernieuwbare warmtebronnen .......................................................................... 26
3.5
Conclusie ........................................................................................................................ 32
4.1
Rekenstappen en uitkomstmaten ................................................................................... 34
4.2
Overzicht per buurt ........................................................................................................ 35
4.3
Alternatieven.................................................................................................................. 41
4.4
Validatie modeluitkomsten ............................................................................................ 45
5.1
Homogeniteit ................................................................................................................. 49
5.2
Aardgasverbruik per woning ........................................................................................... 49
5.3
Bijstand .......................................................................................................................... 50
5.4
Corporatiebezit .............................................................................................................. 51
5.5
Energiequote .................................................................................................................. 51
5.6
Leeftijd ........................................................................................................................... 52
5.7
Zonnepanelen op dak ..................................................................................................... 53
6.1
Conclusie rapportage...................................................................................................... 54
6.2
Vervolgstappen voor gemeente...................................................................................... 59
Aanleiding
In het Klimaatakkoord (2019) is afgesproken dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49% gedaald moet zijn ten opzichte van 1990. Daarvoor zijn afspraken gemaakt aan vijf Klimaattafels: Elektriciteit, Gebouwde Omgeving, Industrie, Landbouw & Landgebruik en Mobiliteit. Onderdeel van de opgave in de Gebouwde Omgeving is het verduurzamen van anderhalf miljoen bestaande woningen en het extra reduceren van de CO2-emissies in de utiliteitsbouw. Gemeenten hebben een regierol om deze doelen te realiseren en vullen deze in met de Transitievisie Warmte. In de Transitievisie wordt de stapsgewijze aanpak per wijk uitgestippeld, waarbij voor wijken die voor 2030 verduurzaamd kunnen worden ook een alternatief voor aardgas wordt aangewezen. Om hierin een goede afweging te maken, dient op wijk- of buurtniveau inzichtelijk gemaakt te worden welke maatschappelijke kosten zijn verbonden aan verschillende alternatieven voor aardgas in de warmtevoorziening van huizen en gebouwen. De Transitievisies zijn daarbij geen eindpunt, maar een startpunt: richting 2030 worden de plannen verder uitgewerkt in wijkuitvoeringsplannen en vervolgens in concrete projecten. De Transitievisie wordt ook periodiek van een actualisatie voorzien. In Groningen werken alle gemeenten samen in het Warmte Transitiecentrum Groningen (WTCG).
Elke gemeente levert een Transitievisie Warmte op en elke gemeente moet daarvoor analyses uitvoeren. Het WTCG is ondersteunend: de verantwoordelijkheid voor de beleidsmatige keuzes in de warmtetransitie blijft bij de gemeenten.
1.2 Afbakening Dit rapport is een achtergronddocument voor de Transitievisie Warmte. Het biedt een technischeconomische analyse van de gebouwvoorraad van de gemeente, op basis van openbaar beschikbare informatie en informatie aangeleverd door de gemeente en andere partners. In dit rapport worden geen inhoudelijke of beleidsmatige keuzes gemaakt over de warmtetransitie. De uitkomsten van de analyse kunnen wel door de gemeente worden gebruikt om keuzes te maken in de prioritering van buurten en in de keuze voor alternatieven voor aardgas. In een gezamenlijk traject is in opdracht van vijf gemeenten tegelijkertijd een modelstudie uitgevoerd en zijn verdiepende gegevens per buurt inzichtelijk gemaakt. Dit rapport is daarvan het resultaat voor de gemeente Veendam. Het rapport is opgesteld door het WTCG, in samenspraak met de gemeente, netbeheerder Enexis, de Regionale Energie Strategie Groningen en Groningse woningcorporaties. Voor dit rapport zijn daarnaast contacten gelegd met enkele potentiële warmteleveranciers. In de context van dit rapport is nog geen afstemming geweest met aangrenzende gemeenten over het eventuele gebruik van warmtebronnen.
8.1
Overzicht strategieën Startanalyse................................................................................. 63
8.2
Vergelijking VESTA-MAIS, ETM en CEGOIA ................................................................... 64
De keuze voor wenselijkheid van verschillende alternatieven voor aardgas, of voor het wel of niet beginnen met het proces richting aardgasvrij wonen in een bepaalde buurt, is aan de gemeente. Het rapport is een belangrijke bouwsteen met technische inzichten, maar biedt geen specifieke inzichten in andere belangrijke aspecten die meer kwalitatief van aard zijn. Daarbij kan gedacht worden aan maatschappelijk initiatief in een buurt, gemeentelijke ambities of geplande werkzaamheden in een buurt. Deze aspecten zijn samen met de in dit rapport uitgewerkte aspecten cruciaal om tot goede keuzes te komen.
1
2
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 36
1.3
Doel
1.5
Dit rapport heeft tot doel om de Transitievisie Warmte van de gemeente Veendam van kwantitatieve onderbouwing te voorzien op technisch-economisch vlak. Daarbij levert het twee concrete resultaten op: • Inzicht in de huidige warmtebehoefte van de gemeente, potentiële lokale warmtebronnen en de haalbaarheid van diverse aardgasvrije opties. Hiervoor is het door Planbureau voor de Leefomgeving ontwikkelde VESTA-MAIS-model verrijkt met aanvullende gegevens en gevalideerd met aanvullende technische analyses; • Verdiepende informatie per buurt, om een eerste beeld te vormen van de sociale karakteristieken van buurten binnen de gemeente. Hiervoor zijn openbare bronnen op buurtniveau inzichtelijk gemaakt.
Leeswijzer
Dit rapport begint met een beschrijving van de gehanteerde methoden en afbakening (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 is een beschrijving van de huidige situatie in de gebouwde omgeving in de gemeente gegeven. Hoofdstuk 4 biedt de resultaten van de technisch-economische analyse van alternatieven voor aardgas. Hoofdstuk 5 presenteert de uitkomsten van de buurtverdieping. In hoofdstuk 6 worden conclusies geschetst en worden aanknopingspunten geschetst om aan de hand van dit rapport de Transitievisie Warmte op gemeenteniveau verder vorm te geven. Hoofdstuk 7 bevat de bronnenlijst, hoofdstuk 8 de bijlagen. In hoofdstuk 9 is aanvullende informatie over het WTCG opgenomen.
1.4 Geografie en buurtindeling In dit rapport wordt veelal informatie op kaarten gepresenteerd, om zo een inzicht te geven van de karakteristieken van de verschillende buurten (CBS, 2019) in de gemeente Veendam. Figuur 1 presenteert daarom de buurtnamen in Veendam volgens de gehanteerde buurtindeling. Figuur 1: CBS-buurtindeling 2019
3
4
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 37
•
Methode en afbakening In dit hoofdstuk zijn de uitgevoerde stappen om tot de verrijking van het VESTA-MAIS-model en de buurtverdieping te komen uitgewerkt. Voor de modelverrijking is aanvullende data verzameld op basis van bestaande onderzoeken en informatie van stakeholders. Voor de verdieping op buurtniveau zijn relevante indicatoren voor de warmtetransitie gekozen, gecategoriseerd en gepresenteerd. Daarbij is gebruik gemaakt van bestaande informatie, zoals de Wijkpaspoorten van het Kadaster en de VNG en CBS-cijfers op buurtniveau. In het kort • De analyse is uitgevoerd met het VESTA-MAIS-model dat de nationale meerkosten van vijf strategieën als alternatief voor verwarming met aardgas uitrekent. Hernieuwbare gassen zoals groengas en waterstof zijn als optie meegenomen in het model, maar zullen zeker niet voor 2030 grootschalig beschikbaar zijn. • Het model is verrijkt met aanvullende lokale data over de beschikbaarheid en capaciteit van warmtebronnen, de plannen van woningcorporaties en de gebouwvoorraad. • Het model is gevalideerd aan de hand van een vergelijking met twee vergelijkbare technische analyses. • Op buurtniveau is een aantal relevante indicatoren inzichtelijk gemaakt, om een eerste verdieping te geven op de technische uitkomsten van de modelstudie.
2.1.2 Hernieuwbare gassen in de Startanalyse Niet alle alternatieven voor aardgas die in de Startanalyse worden meegenomen, zijn in dezelfde mate beschikbaar in 2030. Vooral voor hernieuwbare gassen als groengas en waterstof geldt dat er grote onzekerheden zijn over hun beschikbaarheid voor de gebouwde omgeving voor en na 2030. Tot 2030 hebben naar verwachting strategie 1 t/m 3 de meeste kans op realisatie. Dit is voor gemeenten belangrijk om mee te nemen bij de te maken keuzes in de warmtetransitie. •
•
2.1 Startanalyse en VESTA-MAIS VESTA-MAIS is een open source model, ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Met het model kunnen effecten van keuzes binnen de warmtetransitie in de gebouwde omgeving doorgerekend worden. De Startanalyse is een specifieke run van het model, waarin op CBSbuurtniveau vijf alternatieven voor verwarming met aardgas vergeleken worden. PBL biedt de Startanalyse openbaar aan, waarbij gebruik gemaakt is van een gevalideerde set van landelijke kentallen, bijvoorbeeld als het gaat om energieprijzen en diverse ruimtelijke data.
2.1.1
•
Alternatieven voor aardgas
In de Startanalyse worden vijf strategieën om aardgasvrij te verwarmen met elkaar vergeleken. Hieruit kan de strategie gekozen worden die de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Elke strategie kent ook sub-strategieën, die staan voor specifieke uitwerkingen van de strategie. Het Expertisecentrum Warmte (ECW) heeft voor elke strategie een uitgebreide uitleg uitgewerkt. Door op de hyperlink te klikken navigeer je naar deze uitleg. • Strategie 1 is een individuele elektrische warmtepomp, met twee sub-strategieën: een bodemwarmtepomp of een luchtwarmtepomp. • Strategie 2 is een midden- of hoge temperatuurwarmtenet, met zes sub-strategieën. Het verschil tussen de sub-strategieën zit hierbij met name in de warmtebron waar het warmtenet mee gevoed wordt. Bij deze strategie worden alle woningen in een buurt aangesloten op het warmtenet. • Strategie 3 is een lage temperatuurwarmtenet, met zes sub-strategieën. Deze verschillen in de warmtebron en in de aflevertemperatuur van de warmte in de woning of het gebouw (afhankelijk van het isolatieniveau). Bij deze strategie wordt vaak een deel van de woningen aangesloten op het warmtenet. In deze studie is strategie 3 daarom vanaf 50% aansluitingen in een buurt beschouwd als alternatief voor aardgas.
5
Strategie 4 is groengas, waarbij vier sub-strategieën onderscheiden zijn. De variatie zit in de isolatieniveaus van woningen en gebouwen (en dus hun warmtevraag), en in de installatie in huis (ofwel een HR-ketel ofwel een elektrische warmtepomp gecombineerd met een HR-ketel). Strategie 5 is waterstof, waarbij dezelfde sub-strategieën zijn geïdentificeerd als bij groengas.
Voor waterstof geldt dat er geen rol voor wordt verwacht voor 2030 en dat ook op lange termijn de rol onzeker is. Dit heeft met name te maken met de beperkte beschikbaarheid en betaalbaarheid van CO2-vrije waterstof op korte termijn. Daarnaast is er vraag naar waterstof in andere sectoren waar geen alternatieven beschikbaar zijn, zoals de chemische industrie. Op dit moment is het verbruik van waterstof in de gebouwde omgeving verwaarloosbaar. In sectie 3.4.5 wordt verder ingegaan op de rol van waterstof in de warmtetransitie. Voor groengas geldt dat de huidige productie nog zeer beperkt is: 0,1 miljard m3 in 2018 ten opzichte van een totaalverbruik van aardgas van 11 tot 12 miljard m3. Er zijn in de groengassector ambities om in 2030 naar een productie van 2 miljard m3 te gaan, maar daarvoor is een belangrijke innovatieslag nodig. Een deel hiervan kan worden ingezet in de gebouwde omgeving. Er is echter ook vraag naar groengas uit andere sectoren en lokale biomassastromen worden vaak al benut voor sectoren anders dan de gebouwde omgeving. In sectie 3.4.4 wordt verder ingegaan op de rol van groengas in de warmtetransitie.
Groengas en waterstof zullen dus in 2030 een zeer beperkte rol spelen in de verwarming van huizen en gebouwen. In de vergelijking van nationale kosten van alternatieven voor aardgas is groengas wel meegenomen, vooral om aan te tonen in welke buurten alternatieven schaars zijn. Er is dan aanleiding om in te zetten op isolatie in combinatie met een hybride warmtepomp, anticiperend op de verhoging van het aandeel hernieuwbaar gas in het landelijke gasnet. Het gebruik van groene waterstof in de gebouwde omgeving is voor 2030 zeer onwaarschijnlijk. Daarom is waterstof niet meegenomen in het bepalen van kosteneffectieve alternatieven voor aardgas.
6
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 38
2.2 Verrijking
2.3 Validatie
De Startanalyse rekent op basis van landelijke kentallen. Deze zijn soms niet geheel representatief voor de lokale situatie in een buurt of wijk. In deze studie is daarom een verrijking van de landelijke kentallen uitgevoerd, op die gegevens die de meeste impact hebben op de modeluitkomsten. Deze worden hieronder behandeld.
De Startanalyse levert op CBS-buurtniveau resultaten op. Modellen verschillen onderling van elkaar in de gehanteerde rekenstappen en aannames. Daarom zijn de uitkomsten van de studie ook gevalideerd door ze te vergelijken met twee andere analyses van de verschillende buurten in de gemeente Veendam.
2.2.1
2.3.1
Investeringskosten infrastructuur
In de Startanalyse zijn parameters opgenomen voor de kosten van aanpassingen aan de energieinfrastructuur. Daarbij gaat het om verzwaring van het elektriciteitsnet, of het verwijderen van gasleidingen. Alternatieven voor aardgas kunnen meer of minder van een energiedrager vragen, waardoor de infrastructuur voor deze energiedrager hieraan moet worden aangepast. Dit is van invloed op de kosten van het alternatief. Lokaal kan het sterk verschillen welke kosten gemoeid zijn met ingrepen aan de energie-infrastructuur. Om die reden is contact gezocht met Enexis, om de inputdata uit de Startanalyse te valideren. Geconcludeerd is dat in dit geval de inputdata voldoende nauwkeurig is en aansluit op de informatie die Enexis zelf heeft verstrekt voor de Startanalyse. Dit heeft daarom verder geen impact op de gebruikte data voor de technisch-economische analyses. In het vervolgproces, bijvoorbeeld bij wijkuitvoeringsplannen, kan Enexis wel gedetailleerdere berekeningen aanleveren.
2.2.2 Beschikbaarheid warmtebronnen In de inputdata voor de Startanalyse zijn landelijke gegevens over warmtebronnen opgenomen. Daarbij gaat het om de locatie van de warmtebron, het (thermisch) vermogen en de temperatuur van de geleverde warmte. De beschikbaarheid van een warmtebron werkt door in de nationale kosten van warmtenetten (S2 en S3), ten opzichte van andere strategieën. Op lokaal niveau kunnen de gegevens afwijken van de feitelijke situatie. In deze studie is daarom gezocht naar studies en rapporten over de beschikbaarheid en temperatuur van warmtebronnen in Groningen. In het kader van de RES Groningen is al een uitgebreid modelmatig onderzoek uitgevoerd naar warmte in de provincie. Hiervoor zijn ook al verrijkingen op de genoemde landelijke Startanalyse-data uitgevoerd. In overleg met de RES Groningen zijn deze verrijkte gegevens beschikbaar gesteld voor WTCG-actielijn 1. Daarnaast is contact opgenomen met enkele belangrijke warmtebronhouders uit de gemeente Veendam om ontbrekende gegevens aan te vullen.
RES-modelstudies
In het kader van de RES Groningen zijn analyses gemaakt ten behoeve van de warmtetransitie in de gehele provincie. Daarbij is gebruikt gemaakt van het Energy Transition Model (ETM) en het CEGOIAmodel. Deze modellen rekenen ook met data over warmtebronnen en hetzelfde studiegebied richting een voorkeursalternatief voor aardgas. Wanneer verschillende modellen eenzelfde uitkomst aanduiden, vergroot dit de robuustheid van de uitkomsten. Daarom is in hoofdstuk 4.4 de output van de verrijkte VESTA-MAIS-analyse vergeleken met de twee genoemde modelstudies.
2.3.2 Analyse temperatuurniveaus en warmtedichtheid Om het regionale overzicht van buurten in Groningen te bevorderen, heeft het WTCG een analyse op basis van vier kwadranten ontwikkeld. Hierbij wordt enerzijds gekeken naar de warmtedichtheid van een buurt (op basis van de energievraag per hectare) om te kijken of een individueel of collectief systeem de voorkeur verdient. Bij een hoge warmtedichtheid is een warmtenet immers haalbaar, maar bij een lage warmtedichtheid niet. Anderzijds wordt gekeken naar de benodigde temperatuur van de warmte in kWh/m2. Dit levert een indeling op van buurten in kwadranten waarin mogelijke warmtesystemen passend zijn. Ook hieruit is in deze rapportage een validatie van de modelresultaten gehaald.
Midden- of hoogtemperatuur warmtevraag
Hybride warmtepomp
lucht + groengas of waterstof
MT of HTwarmtenet
Individuele oplossing
restwarmte geothermie aquathermie
Collectieve oplossing
2.2.3 Energielabels en planning verduurzaming corporatiewoningen Lokale woningcorporaties hebben vaak al plannen als het gaat om het verduurzamen van hun woningvoorraad. Bijvoorbeeld door het isoleren van huurwoningen of het plaatsen van (hybride) warmtepompen. Dit kan ervoor zorgen dat het verduurzamen van een buurt met corporatiebezit aantrekkelijker wordt, bijvoorbeeld omdat beter geïsoleerde woningen met minder extra kosten kunnen worden aangesloten op een midden- of lage temperatuur warmtesysteem. In het kader van deze studie is contact opgenomen met woningcorporatie Acantus en zijn de bekende verduurzamingsplannen van de corporatie verwerkt in de inputdata van de modelstudie. Daarnaast zijn de meest recente BAG-gegevens (2021) meegenomen, waardoor de informatie over gebouwen geactualiseerd is.
7
Individuele warmtepomp
lucht bodem
LT-warmtenet
lucht bodem aquathermie
Laagtemperatuur warmtevraag
2.4 Buurtverdieping De verrijking van het VESTA-MAIS-model geeft een overzicht van techno-economische parameters per buurt, zoals de nationale kosten bij verschillende alternatieven voor aardgas. Naast deze invalshoek, zijn diverse andere onderwerpen van belang bij het analyseren van buurten en om te 8
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 39
komen tot een prioritering. Dit is een extra analyse bovenop de technisch-economische inzichten uit de modelverrijking. In de buurtverdieping is vanuit bestaande informatie een selectie gemaakt van de indicatoren die de meeste zeggingskracht hebben over relevante karakteristieken van buurten (Tabel 1). Om te komen tot een keuze over welke wijken voor 2030 van het aardgas afgaan, is uiteraard ook kwalitatieve en meer lokale informatie nodig (zie ook hoofdstuk 6.2). Gemeenten kunnen deze informatie toevoegen aan de inzichten uit dit rapport en zo tot een prioritering komen. Tabel 1: Overzicht indicatoren buurtverdieping Indicator
Zeggingskracht
Geeft aan in welke mate een buurt homogeen is in haar gebouwvoorraad. In homogene buurten is veelal een meer uniforme aanpak van de gebouwde omgeving mogelijk. Geeft aan in welke buurten het meeste Gemiddeld aardgasverbruik per aardgasverbruik gereduceerd kan worden, of waar woning in m3 het aardgasverbruik al laag is. Percentage inwoners met bijstand Geeft aan in welke buurten mensen met bijstandsuitkeringen wonen. Geeft aan in welke buurten relatief snel geschakeld Aandeel corporatiebezit in kan worden door afspraken met de woningen woningcorporatie. Geeft aan in welke buurten mensen mogelijk Aandeel buurtbevolking met een energierekening die 8% of meer van moeite hebben met het betalen van de energierekening. het maandelijks inkomen omvat Mate van variatie in bouwjaar van huizen en gebouwen in een buurt
Bron Kadaster, 2021, bewerking WTCG CBS, 2019 CBS, 2020, bewerking WTCG CBS, 2019 CBS, 2021a
Aandeel buurtbevolking boven de 65 jaar
Geeft aan in welke buurten veel mensen op leeftijd wonen.
CBS, 2020
Aandeel woningen met geregistreerde zonnepanelen1
Geeft aan in welke buurten geregistreerde zonnepanelen op woningen liggen.
Klimaatmonitor, 2021
Stand van zaken | Gebouwde omgeving Veendam Dit hoofdstuk biedt een algemeen overzicht van de stand van zaken in de gemeente Veendam. De warmtevraag in de gebouwde omgeving kan opgedeeld worden in twee onderdelen: woningen (3.1) en utiliteit (3.20). Deze vraag kan op verschillende wijzen ingevuld worden, waarbij energiedragers met infrastructuur (3.3) vervoerd zullen moeten worden. De invulling van de vraag kan onder meer met lokale warmtebronnen (3.4). •
Industriële proceswarmtevraag maakt geen onderdeel uit van de Klimaattafel Gebouwde Omgeving en dus niet van de Transitievisie Warmte. Dat geldt wel voor de verwarming van ruimten in panden die deels een industriefunctie hebben (naast bijvoorbeeld een kantoorfunctie). Bij gebruik van industriële restwarmte voor de verwarming van huizen kan de industrie uiteraard wel een rol spelen in de warmtevoorziening van de Gebouwde Omgeving. In het kort • In de gemeente Veendam wordt gemiddeld per woning meer aardgas verbruikt dan landelijk en provinciaal. De woningen in de stad Veendam, waar nieuwere en oudere woningen elkaar afwisselen met een redelijke mate van concentratie, verschillen duidelijk van de veelal vrijstaande, verspreide en relatief oude woningen in het buitengebied. Utiliteitsbouw concentreert zich in de stad Veendam en kent relatief goede energielabels. • De energie-infrastructuur zal veranderen door de warmtetransitie. De precieze impact van de warmtetransitie op de elektriciteitsnetten zal in afstemming met de netbeheerder duidelijk worden als de uitvoering dichterbij komt. • Lokale warmtebronnen kunnen een deel van de oplossing zijn om aardgas te vervangen. Er is theoretisch potentieel om restwarmte te benutten in de gemeente, warmte uit open water te benutten en biomassa op te werken tot groengas of te verbranden.
Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager, en zal zeker voor 2030 niet beschikbaar zijn voor de gebouwde omgeving. • De lokale haalbaarheid en wenselijkheid van het benutten van de genoemde bronnen zijn geen onderdeel van dit rapport. Deze keuzes zijn aan de gemeente zelf.
De buurtverdieping geeft inzicht in de manier waarop de hierboven genoemde indicatoren binnen een gemeente scoren. Dat wil zeggen dat er gekeken wordt naar hoe een buurt ten opzichte van de andere buurten in dezelfde gemeenten scoort. Gemeenten maken in de Transitievisie Warmte immers een afweging over de buurten binnen hun eigen gemeente. Daardoor kan een buurt waar de inkomens relatief laag liggen, nog steeds hoog scoren op de categorie inkomen als in de gemeente alle buurten lage inkomens hebben. De scores zijn toegekend aan de hand van kwartielen. Deze zijn berekend aan de hand van de buurten binnen een gemeente met beschikbare datapunten. Bevindt de score van een buurt zich in de hoogste 25% van de waarden in een gemeente, dan is deze ingedeeld in de categorie ‘hoog’. Voor de categorie ‘laag’ geldt dat hier de 25% laagste waarden in een gemeente vallen. Aan de 50% die overblijft is de categorie ‘midden’ toegekend. Met het oog op de leesbaarheid van dit rapport is per indicator een verdiepende analyse gemaakt voor buurten die hoog of laag scoren op de verschillende indicatoren (zie hoofdstuk 5). Separaat aan dit rapport is ook een Excelfile geleverd waar alle buurten in zijn opgenomen en gescoord. 1
Deze indicator kan laag uitvallen voor buurten waar veel zonnepanelen liggen die niet geregistreerd zijn.
9
10
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 40
3.1
Woningen
3.1.1
Woningvoorraad en -bezit
Wildervank en Ommelanderwijk relatief weinig. Bareveld is hierop een uitzondering met 44% corporatiewoningen.
De gemeente Veendam had in 2019 een totale woningvoorraad van 12.894 woningen2. Bijna driekwart van de woningen in de gemeente staat in Veendam. Het overige kwart staat in Wildervank en het buitengebied rondom Veendam. De meest voorkomende woningtypen in de gemeente zijn vrijstaande woningen, tussenwoningen en appartementen. Met name in Veendam-Zuid, -Sorghvliet en -Oude Ae zijn veel rijtjeshuizen gebouwd. Vrijstaande huizen zien we met name in het buitengebied, appartementen in het centrum van Veendam en tussenwoningen in de wijken eromheen. Figuur 2: Woningtypen gemeente Veendam (bron: BAG, VESTA-MAIS)
3.1.2
Bouwjaren en energielabels
De woningen in Veendam kennen een bepaalde energievraag, afhankelijk van bijvoorbeeld hun bouwjaar en hun isolatieniveau. • • •
Het grootste deel van de woningen in Veendam is gebouwd in de periode tussen 1965 en 1984 en deze groep is ook oververtegenwoordigd ten opzichte van de provincie en landelijk (Figuur 3 Figuur 3). Veendam heeft relatief gezien een kleiner aandeel woningen in haar woningvoorraad van na 2005 dan landelijk en provinciaal het geval is. Dat maakt de woningen in de gemeente Veendam ten opzichte van het landelijke beeld overwegend ouder in bouwjaar.
Figuur 3: Bouwjaren in de woningvoorraad: gemeente, provincie en landelijk 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% Voor 1945
1945-1964
1965-1984
Nederland
Provincie Groningen
1985-2004
2005-heden
Veendam
De bouwjaren van de woningen zijn in Figuur 4 weergegeven op kaart.
Toelichting kaart: Een overzicht van de woningtypen in de gemeente is te zien in Figuur 2. Van de totale woningvoorraad van 2019 was 77% in het bezit van particulieren en 23% is in bezit van woningcorporaties. •
•
2 3
Het corporatiebezit is met name geclusterd in het centrum van Veendam: buurten als VeendamCentrum, -Oude-Ae, -Industriegebied en -Zuid hebben tussen de 43 en 50% corporatiebezit3. De buurt Buitenwoel is hierop een duidelijke uitzondering, met 8% corporatiebezit. Buiten Veendam staan met name woningen onder particulier eigenaarschap. Bijvoorbeeld Borgercompagnie, Zuidwending, Wildervanksterdallen hebben geen corporatiebezit; Boven-
•
Vooral in het centrum van Veendam, maar ook langs het Oosterdiep, de Ommelanderwijk, Zuidwending, en Borgercompagnie staan veel vooroorlogse woningen. Voor deze woningen kan het mogelijk kostbaar zijn om verregaande isolatiemaatregelen toe te passen.
•
Nieuwere buurten zijn vooral in en rond Veendam zelf te vinden, de naoorlogse buurten lijken redelijk homogeen (wat bouwjaar betreft). Dat kan voordelig zijn, bijvoorbeeld voor een aanpak waarbij buurtbewoners met gelijksoortige woningen collectief kunnen investeren in verduurzamingsmaatregelen. Aan deze mate van homogeniteit in een buurt wordt in hoofdstuk 5.1 meer aandacht besteed.
VNG/Kadaster (2021) CBS (2019), zie ook hoofdstuk 5.
11
12
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 41
Toelichting kaart: hieronder is een overzicht opgenomen van de bouwjaren van woningen in Veendam. Figuur 4: Bouwjaren woningen Veendam (bron: BAG, VESTA-MAIS)
Toelichting kaart: Figuur 6 toont de energielabels van woningen in de gemeente Veendam, gebaseerd op data voor vastgestelde labels aangevuld met voorlopige labels die geschat zijn op basis van bouwjaar en woningtype voor woningen waarvoor nog geen label bekend is. Figuur 6: Energielabels woningen gemeente Veendam (bron: BAG, VESTA-MAIS)
De bouwjaren zijn van invloed op de energielabels van woningen. Over het algemeen hebben woningen die ouder zijn een hogere warmtevraag, al is daar met isolatiemaatregelen wel iets aan te doen. Die warmtevraag kan worden uitgedrukt in de hoeveelheid gevraagde energie per vierkante meter vloeroppervlak. Energielabels bevatten een categorisering van deze maat (Figuur 5). In de gemeente Veendam is de warmtevraag van woningen met een geldig energielabel gemiddeld hoger dan in de provincie Groningen en landelijk: het aandeel hoge energielabels (B en hoger) ligt lager in Veendam (Figuur 5)4. Het aandeel lage energielabels (E en lager) is wel vergelijkbaar met het landelijke en provinciale beeld.
Van veel woningen is het energielabel nog niet vastgesteld, maar het aantal geregistreerde energielabels stijgt snel. In Veendam hadden in 2020 zo’n 6.865 woningen (53%) een geldig energielabel5. •
Figuur 5: Aandeel energielabels in de woningvoorraad (2019)
• Veendam
33%
48%
19%
Provincie Groningen
37%
44%
19%
Nederland
39%
43%
18%
Labels A-B Labels C-D Labels E-G
0%
4
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
In de kaart wordt duidelijk dat met name in de lintvormige bebouwing buiten het centrum van Veendam energielabels E t/m G geconcentreerd zijn, bijvoorbeeld in Wildervank en Borgercompagnie. Veendam-Sorghvliet, Buitenwoel en een deel van het buitengebied van Wildervank vallen op door hun relatief goede energielabels. Buurten als Veendam-Centrum, -Zuid en -Oude Ae hebben weer slechtere energielabels. Woningen die ouder zijn hebben veelal een lagere isolatiegraad en dus een hogere warmtevraag. Dat betekent ook dat de geleverde warmte door een alternatief voor aardgas ook van een hogere temperatuur zal moeten zijn om de woning comfortabel te verwarmen. Dit betekent bij de oudere woningen dat vaak ook met een isolatiesprong nog midden- of hoge temperatuur warmte nodig zal zijn, waardoor opties met lage temperatuurwarmte, zoals all-electricsystemen of aquathermie, vaak niet toepasbaar zijn.
100%
5
Klimaatmonitor Rijkswaterstaat (2021)
13
Klimaatmonitor Rijkswaterstaat (2021)
14
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 42
3.1.3
Energieverbruik
Het totale jaarlijkse energieverbruik in de gebouwde omgeving in Veendam bedraagt 1.098 terajoule (TJ, 2019)6. 71,2% van dit verbruik is aan woningen toe te rekenen. Binnen het energieverbruik van woningen zit 661 TJ aan verbruik van aardgas en 121 TJ aan elektriciteitsverbruik. Het genoemde aardgasverbruik vertaalt zich in 20,9 miljoen m3 aardgas per jaar7. • •
Gemiddeld per woning is in Veendam een verbruik van 1.560 m3/jaar toe te rekenen. Dat is fors hoger dan het landelijk gemiddelde (1.180 m3) en het provinciale gemiddelde (1.390 m3). Het hoge gemiddelde verbruik betekent ook dat er in de gemeente een groot besparingspotentieel ligt. Figuur 7 toont dat de gemiddelde aardgaslevering het hoogst is buiten het centrum van Veendam, bijvoorbeeld in Zuidwending, Ommelanderwijk en (Boven) Wildervank.
Toelichting kaart: In Figuur 8 is gebaseerd op het bouwjaar, energielabel en woningtype van woningen een inschatting gemaakt van het benodigde temperatuurniveau om een woning comfortabel te verwarmen. Dit is van invloed op de kosteneffectiviteit en haalbaarheid van alternatieve warmtesystemen. In de gebieden waar de energielabels relatief slecht zijn is de benodigde warmtetemperatuur het hoogst. Figuur 8 Temperatuurniveau verwarming woningen Veendam, voor isolatie (bron: VESTA-MAIS, bewerking WTCG)
Toelichting kaart: hieronder is een overzicht opgenomen van de gemiddelde aardgaslevering per woning per postcode-6-gebied. Op basis daarvan is een kleur toegekend per gebied. Figuur 7 Gaslevering per woning (m3 per jaar), gemiddeld per postcode-6)
Opvallend is dat met name ten zuidwesten en ten noordwesten van Veendam clusters ontstaan waar midden- of lage temperatuurwarmte gevraagd wordt. Dit kunnen kansrijke gebieden zijn voor warmtesystemen als all-electric warmtepompen (LT) die relatief lage temperatuur warmte leveren. Uiteraard kan de benodigde warmtetemperatuur worden verlaagd door het treffen van isolerende maatregelen aan de woning.
6
7
Klimaatmonitor Rijkswaterstaat (2021) Een m3 aardgas bevat 31,65 MJ (= 8,8 kWh) aan energie (calorische onderwaarde)
15
16
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 43
Toelichting kaart: In Figuur 9 is gebaseerd op het bouwjaar, woningtype en energielabel van woningen een inschatting gemaakt van het benodigde temperatuurniveau om een woning comfortabel te verwarmen, na isolatie tot minimaal energielabel B. Het temperatuurniveau is van invloed op de kosteneffectiviteit en haalbaarheid van alternatieve warmtesystemen.
Toelichting kaart: op onderstaande kaart is de warmtedichtheid in GJ/ha opgenomen, oftewel de mate waarin de vraag naar warmte geconcentreerd zit in een bepaald gebied. Hoe hoger de warmtedichtheid, hoe meer warmtevraag geconcentreerd zit in de gebieden die overeenkomen met de bolletjes.
Figuur 9: Temperatuurniveau verwarming woningen Veendam na isolatie tot minimaal energielabel B (bron: VESTA-MAIS, bewerking WTCG)
Figuur 10: Warmtedichtheid huidige stand van zaken gebouwde omgeving Veendam (woningen en utiliteit). (bron: VESTA-MAIS)
Bijna de gehele gebouwde omgeving kan na isolatie tot minimaal energielabel B comfortabel verwarmd worden met lage of midden- temperatuur warmte. Gebieden die al deels midden-of lage temperatuur warmtevraag hebben in de huidige situatie (figuur 8), kunnen nu bijna volledig met lage temperatuur warmte bediend worden. De resterende gebouwen met hoge temperatuur zijn mogelijk gebouwen met kleine oppervlakte, of met ongunstige huidige energielabels. Volgens VESTA MAIS leveren deze factoren een lagere energiereductie op.
Voor de haalbaarheid van warmtenetten is ook de warmtedichtheid (Figuur 10) belangrijk: in gebieden waar veel warmtevraag geconcentreerd zit is een warmtenet sneller kosteneffectief. •
•
17
Met name in het centrum van Veendam zien we in de huidige situatie clusters waar veel warmtevraag dicht bij elkaar zit. In Buitenwoel, Oude Ae en Sorghvliet ontstaan deze clusters in gebieden waar ook relatief lage temperatuur warmte gevraagd wordt. De realisatie van een warmtenet is naast de concentratie van warmtevraag uiteraard ook afhankelijk van de lokale beschikbaarheid van warmtebronnen om deze vraag mee in te vullen. Door isolatie daalt de warmtevraag per woning en daarmee de hoeveelheid warmtevraag die in een gebied geclusterd is. Met de isolatiemaatregelen die richting 2030 en 2050 toegepast zullen moeten worden, zal de warmtedichtheid naar verwachting dus afnemen. Figuur 11 geeft een beeld van deze afname. o In de buitengebieden verandert er weinig: doordat woningen verspreid liggen over een relatief groot gebied is de warmtedichtheid in de huidige situatie al zeer laag. o In de stad Veendam zien we dat de bestaande warmteclusters in de situatie na isolatie minder warmtedichtheid kennen. De clusters blijven wel zichtbaar, maar de warmtedichtheid is over het algemeen lager. o In de technische analyse van hoofdstuk 4 is per buurt gerekend met isolatiemaatregelen en zijn warmtenetten mogelijke oplossingen als alternatief voor aardgas. De 18
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 44
haalbaarheid van warmtenetten hangt onder meer af van de warmtedichtheid die in een buurt bestaat na het toepassen van isolatiemaatregelen. Toelichting kaart: Op onderstaande kaart is de warmtedichtheid in GJ/ha opgenomen, oftewel de mate waarin de vraag naar warmte geconcentreerd zit in een bepaald gebied. In deze versie van de kaart is de warmtedichtheid weergegeven wanneer alle woningen zijn geïsoleerd tot minimaal label B. Hoe hoger de warmtedichtheid, hoe meer warmtevraag geconcentreerd zit in de gebieden die overeenkomen met de bolletjes. Figuur 11: Warmtedichtheid na isolatie tot label B (bron: VESTA-MAIS, bewerking WTCG)
3.2 Utiliteitsbouw 3.2.1
Gebouwvoorraad
Naast woningen vormt ook utiliteitsbouw onderdeel van de Transitievisie Warmte. In Veendam staan honderden gebouwen met een utiliteitsfunctie die ook een warmtevraag kennen. Deze zijn in Figuur 12 weergegeven. Panden die onder utiliteit vallen in Veendam zijn voornamelijk in gebruik voor het midden- en kleinbedrijf of de publieke sector. Gebruiksdoelen zijn bijvoorbeeld op volgorde van voorkomendheid industrie, kantoren, zorg, bijeenkomsten, schoolgebouwen, sportaccommodaties en logies. Verder zijn er nog 1.121 gebouwen met een overige functie. Ook vastgoed in bezit van de gemeente maakt onderdeel uit van de utiliteitsbouw. In buurten waar utiliteit een relatief groot aandeel uitmaakt van de totale gebouwvoorraad kunnen modeluitkomsten vertekenen als de kosten voor woningen en utiliteit sterk uiteenlopen. Hiermee wordt rekening gehouden in de duiding van de resultaten. Er zijn daarnaast enkele uitzonderlijk grote utiliteitsgebouwen (meer dan 10.000 m2) in de scope van de Transitievisie Warmte in Veendam waarvoor geldt dat de met kentallen benaderde warmtevraag mogelijk geen goede schatting is van het werkelijke verbruik. Onder andere gebouwen van Winkler Prins en Zwembad Tropiqua vallen hier onder. Toelichting kaart: Figuur 12 toont de gebruiksfuncties van utiliteit in Veendam en de ligging van enkele bedrijventerreinen in de gemeente, ten zuiden en oosten van Veendam.
Industriegebouwen die ook een andere functie hebben (zoals kantoorpand) zijn onderdeel van de Transitievisie Warmte en zijn met geel aangeduid. Industriële panden die geen andere functie ernaast hebben, vormen geen onderdeel van de Transitievisie Warmte en zijn met lichtgrijs aangegeven. Figuur 12: Gebruiksdoel utiliteiten, IBIS-bedrijventerreinen in Veendam (bron: BAG, VESTA-MAIS)
19
20
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 45
Toelichting kaart: op de onderstaande kaart is een overzicht gegeven van bouwjaren van utiliteitsgebouwen in Veendam. De kleuren geven aan in welke categorie een gebouw valt. Figuur 13: Bouwjaren utiliteit in Veendam (bron: BAG, VESTA-MAIS)
Toelichting kaart: onderstaande kaart toont de energielabels van utiliteitsbouw in de gemeente Veendam, gebaseerd op data voor vastgestelde labels aangevuld met voorlopige labels die geschat zijn op basis van bouwjaar en woningtype voor woningen waarvoor nog geen label bekend is. Figuur 15: Energielabels utiliteit Veendam (bron: RVO, VESTA-MAIS)
De utiliteitsbouw in de gemeente Veendam varieert ook in bouwjaar (Figuur 13). Uit de kaart op de volgende pagina wordt duidelijk dat de utiliteiten in Veendam zelf van verschillende bouwjaren zijn. De periode tussen 1992 en 2004 is veelvoorkomend in dit deel van de gemeente. Buiten Veendam zijn de ligging en bouwjaren van utiliteitsbouw meer versnipperd.
3.2.2 Energielabels In de utiliteitsbouw zijn de labels in de gemeente Veendam iets zuiniger dan landelijk. Een groter aandeel van de panden heeft een hoog energielabel en een lager aandeel heeft een gemiddeld energielabel. De relatief veelvoorkomende bouwjaarcategorie 1992-2004 kan hier een verklaring voor zijn. Figuur 14: Energielabels woningen Veendam (bron: Klimaatmonitor)
Veendam
62%
Provincie Groningen
55%
Nederland
59%
18%
20%
23%
Labels A-B
22%
Labels C-D Labels E-G
0%
10%
20%
30%
22% 40%
50%
60%
70%
19% 80%
90%
Kijkend naar Figuur 15 valt op dat de energielabels van utiliteiten verschillen met de woningen. Waar woningen nog relatief vaak een (geschat) label F of G hebben, wordt de meeste utiliteit energiezuiniger ingeschat. Dit hangt waarschijnlijk samen met de recentere bouwjaren van de utiliteit.
3.2.3
Energieverbruik
Het totale energieverbruik in de gebouwde omgeving in Veendam bedraagt 1.098 terajoule (TJ, 2019). In de utiliteitsbouw zit 316 TJ, ofwel 28,7% van het verbruik. Daarvan zit het grootste deel in de commerciële dienstverlening (187 TJ, 17,0%), de rest (129 TJ, 11,7%) is publieke dienstverlening. 61% van het totale verbruik in de utiliteit is warmtevraag die ingevuld wordt met aardgas, 39% is elektriciteitsverbruik. De warmtevraag van de commerciële en publieke dienstverlening komt bij elkaar overeen met ruim 4,3 miljoen m3 aardgasverbruik per jaar, of 137 TJ. Het jaarlijkse energieverbruik is ook afhankelijk van de sectorstructuur van een gemeente. De gasvraag in de utiliteitsbouw zit voor Veendam met name in de sectoren handel, openbaar bestuur, gezondheids- en welzijnszorg en specialistische zakelijke diensten. Uit Figuur 16 blijkt dat de gemiddelde aardgaslevering aan utiliteitsgebouwen in de meeste gevallen niet erg hoog is. Op de bedrijventerreinen in Veendam zijn wel enkele clusters gesitueerd waar grotere hoeveelheden aardgas verbruikt worden dan in de rest van de gemeente.
100%
21
22
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 46
3.3 Toelichting kaart: hieronder is een overzicht opgenomen van de gemiddelde aardgaslevering per utiliteitsgebouw per postcode-6-gebied. Op basis daarvan is een kleur toegekend per gebied.
3.3.1
Figuur 16: Gemiddelde aardgaslevering aan bedrijven per postcode 6-gebied in Veendam (bron: RVO, VESTA-MAIS)
Infrastructuur
Deze sectie beschrijft kort de bestaande infrastructuren in de gemeente zoals het aardgasnet en eventuele warmtenetten.
Gas
De afschrijvingstermijn van het bestaande aardgasnetwerk kan meespelen in de afweging om een buurt eerder of later van het aardgas af te koppelen. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het bijvoorbeeld onwenselijk om infrastructuren te vervangen die nog niet (economisch, technisch) zijn afgeschreven. Enexis geeft aan dat bepaalde materiaalsoorten wel vervangen zullen worden in de toekomst. Voor grijs-gietijzer en asbestcement-leidingen zijn er afspraken gemaakt deze te vervangen voor 2024. In Figuur 17 is inzichtelijk gemaakt welk deel van het net in Veendam uit deze materialen bestaat. Zoals te zien op bovenstaande kaart zijn er (op basis van de materiaalsoort) geen gasleidingen in de gemeente die voor 2024 vervangen zullen worden. Figuur 17: Vervangingsplannen aardgasnet netbeheerder Enexis (bron: open data Enexis)
3.3.2
Elektriciteit
Over de elektriciteitsnetten is bekend dat deze waarschijnlijk niet opgewassen zullen zijn tegen een verregaande elektrificatie van warmtevoorziening en mobiliteit. Op dit moment geeft Enexis8 aan dat het grootste gedeelte van de gemeente Veendam op rood staat: er is geen transportcapaciteit beschikbaar, ook niet als congestiemanagement wordt toegepast. Het hoogspanningsstation Veendam kampt dan ook met structurele congestie. Netverzwaringen zijn in de VESTA-MAIS-analyse
8
23
Enexis (2021)
24
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 47
meegenomen in de vorm van brondata van netbeheerders op buurtniveau en algemene kentallen voor aanlegkosten. De netbeheerder prioriteert investeringen in de elektriciteitsnetten onder meer op basis van de plannen uit de Transitievisies Warmte. Er is dan ook goede afstemming nodig met Enexis in het vervolgtraject, bijvoorbeeld bij het opstellen van wijkuitvoeringsplannen. De algemene strategie van Enexis om met netcongestie om te gaan is als volgt: •
•
•
•
Het laagspanningsnet (230/400 V) is berekend op kleinverbruikers, met een lage gelijktijdigheid en vooral afname van energie, terwijl ook steeds meer teruglevering ontstaat. Dit leidt tot overbelasting, het oplopen van de spanning, spanningsklachten en pendelgedrag bij inverters. Dit wordt opgelost door kabels en/of de transformatoren te verzwaren. Kleinverbruiksaansluitingen worden tot nu toe ontzien en mogen gewoon terugleveren, maar kunnen tijdelijk problemen ondervinden. Meestal duurt een oplossing maximaal enkele maanden. Het middenspanningsdistributienet (10 kV en 20 kV) waarop netstations en distributieklanten zijn aangesloten in een lange ketting van kabels, wordt berekend op maximale belasting. Door meer zonopwek (bijvoorbeeld daken van logistieke gebouwen) in dit netvlak ontstaan knelpunten, zowel door belasting van de kabels als in de spanningshuishouding. Deze knelpunten worden opgelost met meer of zwaardere middenspanningskabels en uitbreiding in transportverdeelstations. Dit duurt enkele maanden tot ca. 1 jaar. Het middenspanningstransportnet, (10 kV en 20 kV) waartoe de transportverdeelstations, transportkabels en onderstations behoren krijgen steeds meer opwek van zonneparken en windmolens te verwerken. Ook dit leidt tot meer of zwaardere kabels in het middenspanningstransportnet en verzwaring van transformatoren in onderstations.
Vóór 2030 worden ongeveer alle onderstations van Enexis verzwaard. Transformatoren verzwaren of nieuwe erbij plaatsen kan enkele jaren duren. Hoogspanningsnet (110 kV, 220 kV en 380 kV) waarop alle opgewekte energie uiteindelijk samenkomt in de onderstations waar Enexis via transformatoren verbonden is met het lokale hoogspanningsnet van TenneT. Hier treedt momenteel de meeste congestie op. Daarom werkt Enexis ook intensief samen om te prioriteren aan de hand van de RES’en. Deze infrastructuur gaan de komende jaren ook flink op de schop. Deze netten brengen de energie naar de koppelstations waar TenneT het kan transformeren naar het landelijke of Europese koppelnet (380 kV). Meeden is zo’n koppelstation. Netuitbreidingen bij TenneT duren ca. 5 – 10 jaar.
3.4 Aanbod hernieuwbare warmtebronnen In een gemeente kunnen verschillende warmtebronnen aanwezig zijn. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om restwarmte van industriële processen, bodemwarmte, warmte uit de diepe ondergrond (geothermie) en warmte uit oppervlakte-, riool- of drinkwater (aquathermie). De aanwezigheid en de energetische potentie van verschillende warmtebronnen beïnvloedt de kosteneffectiviteit van verschillende alternatieven voor aardgas en dus de voorkeursoptie per buurt. Toelichting kaart: hieronder is een kaart opgenomen van de in de gemeente Veendam aanwezige potentiële warmtebronnen (Figuur 18). Deze zijn gebaseerd op landelijke gegevens uit het VESTAMAIS-model, aangevuld met de uitgangspunten vanuit de RES Groningen en contacten met warmtebronhouders in de gemeente Veendam. Voor een aantal warmtebronnen loopt nog onderzoek naar de capaciteit en is een inschatting gemaakt. Figuur 18: Restwarmtebronnen rond Veendam (bron: VESTA-MAIS, RES-uitgangspunten)
Figuur 18 toont naast de verschillende categorieën (restwarmte-)bronnen ook de capaciteit die vanuit verschillende bronnen toegeschreven worden aan de bron. Data vanuit de Startanalyse is daarbij naast de uitgangspunten uit het RES-proces gelegd. Vanuit de RES is alleen de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) als potentiële restwarmtebron in de gemeente meegenomen. De Startanalyse heeft veel meer potentiële bronnen meegenomen, zowel voor lage temperatuur (LT) als voor middentemperatuur (MT).
3.4.1
Industriële restwarmte
Er zijn twee potentiële bronnen voor restwarmte van middentemperatuur in de gemeente, dicht bij de gebouwde omgeving. Deze soort restwarmte is interessant voor woningen die moeilijker te isoleren zijn, waarvoor warmte van hogere temperatuur geleverd dient te worden. Met name de bedrijven Kisuma Chemicals en NedMag hebben mogelijk potentie om restwarmte te leveren aan de 25
26
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 48
gebouwde omgeving. Er loopt nog onderzoek naar de precieze getalsmatige potentie. De economische haalbaarheid en wenselijkheid van het benutten van deze bronnen is uiteraard een aanvullend vraagstuk, net als het maken van afspraken met partijen die restwarmte zouden kunnen leveren.
Toelichting kaart: op onderstaande kaart is de bekende potentie voor geothermie in Veendam weergegeven. Figuur 20: Potentie geothermie in Veendam (bron: ThermoGIS 2019)
3.4.2 Bodemenergie: warmte-koudeopslag en geothermie Bodemenergie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de warmtetransitie, zowel in de vorm van winning van warmte uit de ondergrond (geothermie) als de opslag van (laag of midden temperatuur) warmte uit duurzame bronnen in aquifers (warmte- koudeopslag of WKO). Opslag van warmte in de ondergrond kan een gunstige invloed hebben op de potentie van bijvoorbeeld aquathermie en zonthermie. Toelichting kaart: Figuur 19 toont de geschiktheid van de ondergrond voor warmte- koudeopslag (WKO): zowel de potentie voor opslag als eventuele uitsluitingsgebieden zijn weergegeven. Figuur 19: Potentie warmte- koudeopslag (WKO) en aandachts- en restrictiegebieden in Veendam (bron: RVO, WarmteAtlas)
Over de lokale potentie en toepasbaarheid voor geothermie in Veendam is relatief weinig bekend. De toepasbaarheid van geothermie is afhankelijk van de bodemsamenstelling en -gesteldheid in een gebied. Er is op dit moment nog veel onzekerheid over het gebruik van geothermische warmte in Groningen, vanwege de nabijheid van het Groninger gasveld in relatie tot aardbevingsrisico’s. Vanuit het ministerie van EZK is daarom recent toegezegd om aanvullend onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden van geothermie in de regio, mede naar aanleiding van de gezamenlijke inzet in het kader van de RES Groningen9.
De ondergrond onder Veendam lijkt redelijk geschikt voor de toepassing van warmte-koudeopslag, met waarden van tussen de 500 en 2500 GJ/ha/jaar. Er zijn geen uitsluitingsgebieden, wel enkele aandachtsgebieden met aardkundige en archeologische waarden. Hier kunnen plaatselijk strengere regels gelden t.a.v. de realisatie van bodemenergiesystemen.
Omdat de potentie voor geothermie niet bekend is in het grootste deel van de gemeente dienen modeluitkomsten voor warmtenetten met geothermie in Veendam nog nader gewogen te worden. In de VESTA-MAIS-analyse zijn uitkomsten berekend zowel met een haalbaarheidscontour als zonder (varianten s2c en s2f).
3.4.3
9
27
Aquathermie
Aquathermie betreft het winnen van warmte uit oppervlaktewater, drinkwater of afvalwater, waarmee bijvoorbeeld gebouwen via een warmtenet kunnen worden verwarmd. Door warmte uit met name oppervlaktewater te winnen, kunnen zowel positieve als negatieve effecten ontstaan, bijvoorbeeld op de waterkwaliteit, algenboei of hittestress. Er loopt verdiepend onderzoek naar ecologische gevolgen van aquathermie.
Regionale Energiestrategie Groningen, 2021. RES 1.0 Groningen.
28
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 49
Met name de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Veendam heeft een significant technisch potentieel voor levering van (laagtemperatuur) restwarmte. De influentleiding van de RWZI is niet opgenomen in de RES-bronnen en de VESTA-doorrekening, maar heeft een potentieel vergelijkbaar met de RWZI zelf. Omdat het effluent van de RWZI al is opgenomen als potentiële bron, is de influentleiding niet meegenomen in de VESTA-MAIS-analyse. Aandachtspunt bij de eventuele beschouwing van modeluitkomsten is dat de RWZI vanuit Veendam gezien aan de overzijde van een kanaal ligt. Dit kan consequenties hebben voor de aanlegkosten voor infrastructuur, bijvoorbeeld een warmtenet. Overige potentiële bronnen zoals (riool-)gemalen in de gemeente hebben een zeer beperkt potentieel, dat verwaarloosbaar kan worden beschouwd ten opzichte van de verwachte vraag. Deze zijn daarom niet meegenomen in de VESTA-MAIS-analyse. Qua oppervlaktewater is er in de gemeente wat potentieel in de vaarten en kanalen, en in de open plassen in het zuidwesten van de gemeente. Deze potentie is meegenomen in de VESTAdoorrekening in de vorm van een potentiecontour. Toelichting kaart: Potentiële bronnen voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA) in de gemeente Veendam zijn weergegeven in Figuur 21. De getallen in GJ/jaar betreffen theoretische potentie.
Figuur 21: Potentie aquathermie (TEO, TEA) in Veendam (bron: STOWA)
3.4.4 Potentie groengas Tabel 3 en Tabel 4 beschrijven de lokale potentie voor biogas en houtige biomassa in Veendam10. Natte biomassa kan via vergisting worden omgezet in biogas. Dit kan direct verbrand worden of opgewerkt worden naar aardgaskwaliteit. In het laatste geval wordt van groengas gesproken. Dankzij het relatief grote buitengebied en agrarische activiteit is de biogaspotentie relatief hoog vergeleken met meer stedelijke gemeenten. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de gemeente niet automatisch aanspraak maakt op biogrondstoffen die in de gemeente gesitueerd zijn: deze hebben vaak gebruiksdoeleinden buiten de gemeente en ook in andere sectoren dan de gebouwde omgeving. Over het algemeen wordt, zoals in hoofdstuk 2.1.2 aangegeven, geen grote rol voor groengas verwacht in de warmtetransitie tot 2030. De inzet ervan zal dus beperkt moeten worden tot die gebieden waar geen of weinig alternatieven voorhanden zijn. Zoals de tabellen hieronder aangeven zal biomassa geproduceerd en verwerkt moeten worden voor het gebruikt kan worden als bio-energie. De lokale haalbaarheid en wenselijkheid van biomassavergisting of -verbranding is een afweging van de gemeente zelf. Tabel 3: Potentieel biogas Veendam (bron: RVO, WarmteAtlas)
Potentieel Biogas Veendam
Waarde
Eenheid
Biogas uit Akkerbouw Reststromen
343
TJ
Biogas uit Gras en Groenvoerdergewassen Reststromen
80,9
TJ
Biogas uit Mest
0,035
TJ
Biogas uit groen fruit en tuin afval
9,07
TJ
Biogas Totaal
433
TJ
Biomassaverbranding (Tabel 4) is een andere wijze om biomassa in te zetten voor energiedoeleinden, bijvoorbeeld in de industrie of de gebouwde omgeving. Zo kan biomassa verbrand worden en kan de warmte als bron worden gebruikt voor een warmtenet. Tabel 4: Potentieel biomassa Veendam (bron: RVO, WarmteAtlas)
De potentie voor thermische energie uit afvalwater in de buurt van bebouwing is relatief beperkt, met ca 12,1 TJ per jaar. Een optelling van waterdelen met potentie in de buurt van bebouwing levert een theoretische maximale potentie van 371 TJ per jaar op. De financiële en technische haalbaarheid van aquathermie hangt van diverse factoren af, waardoor de theoretische potentie veelal niet volledig benut zal kunnen worden.
Potentieel Biomassa Veendam
Waarde
Eenheid
Houtachtige Biomassa Snoeiafaval
28,2
TJ
Houtachtige Biomassa Bos Reststromen
0,545
TJ
Houtachtige Biomassa Totaal
28,8
TJ
10
29
RVO (2018)
30
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 50
3.4.5
Waterstof
3.5
Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Er zijn verschillende manieren om waterstof te produceren, met verschillende maten van duurzaamheid, beschikbaarheid en kosteneffectiviteit: •
•
Op dit moment wordt waterstof met name geproduceerd door het reformen van aardgas met stoom (steam methane reforming), waarbij ook CO2 vrijkomt. Hierbij komt zo’n 9 kg CO2/kg H2 vrij. Bijna al deze waterstof wordt in Nederland op dit moment verbruikt in de chemische industrie, bijvoorbeeld bij aardolieraffinage of kunstmestproductie11. Bij het opslaan of hergebruiken van de vrijgekomen CO2 spreken we van blauwe waterstof. Een alternatief hiervoor is het omzetten van hernieuwbare elektriciteit in waterstof via elektrolyse. Wanneer waterstof op deze wijze geproduceerd wordt, is het CO2-vrij en spreken we van groene waterstof. Het huidige verbruik van (groene) waterstof is zeer beperkt. Groene waterstof is door de hoge kosten van elektrolyse en de prijsverschillen tussen elektriciteit en aardgas op dit moment niet concurrerend met grijze waterstof.
Het huidige verbruik van (grijze) waterstof in Nederland bedraagt zo’n 175 PJ/jaar. Dit verbruik zit bijna uitsluitend in de chemische industrie, waar waterstof als grondstof wordt gebruikt bij bijvoorbeeld kunstmest- en staalproductie. Bij een forse toename van de productie van groene waterstof is het in de komende periode in de eerste plaats nodig voor het verduurzamen van het bestaande waterstofverbruik in de chemische industrie en in andere sectoren waar weinig alternatieven zijn. Daarnaast is het vanuit energetisch oogpunt beter om duurzame elektriciteit direct te verbruiken in bijvoorbeeld elektrische auto’s of warmtepompen, omdat bij de omzetting van elektriciteit in waterstof energie verloren gaat. Waterstof zou in de gebouwde omgeving als energiedrager voor de verwarming van huizen en gebouwen ingezet kunnen worden. Dat vraagt wel aanpassing van gasleidingen en apparatuur, in tegenstelling tot het gebruik van groengas. Het huidige verbruik in de gebouwde omgeving is verwaarloosbaar. Kijkend naar de kosten, de vraag in andere sectoren en het energetisch rendement is waterstof in de gebouwde omgeving tot 2030 niet grootschalig inzetbaar en is de inzet richting 2050 ook onzeker te noemen12.
11 12
•
•
•
•
Conclusie Warmtevraag | De gebouwvoorraad in Veendam verbruikt gemiddeld per woning meer aardgas dan landelijk en provinciaal het geval is. Dat heeft meerdere oorzaken, waaronder een relatief hoger aandeel oudere woningen in de gemeente en veel vrijstaande woningen. Er zijn belangrijke verschillen in bebouwingstype, corporatiebezit en energieverbruik tussen Veendam-kern en de buitengebieden. In Veendam wisselen nieuwere en oudere woningen elkaar af en zijn er verschillen in bouwjaren per buurt. Buiten Veendam staan met name vrijstaande woningen die relatief oud zijn en een hoge warmtevraag hebben. Warmtevraag | De utiliteitsbouw concentreert zich in Veendam, met name op bedrijventerreinen (industrie en kantoren) en in het centrum (winkels). De energielabels en bouwjaren zijn relatief goed in de gemeente, maar verschillen wel per gebied en gebruiksdoel. Op bedrijventerreinen zijn enkele clusters van bedrijven met relatief hoge gasleveringen te vinden. Buiten Veendam is alleen sprake van versnipperde utiliteitsbouw en zijn geen clusters aanwezig. Transport | De energie-infrastructuur zal veranderen door de warmtetransitie. In Veendam staan nu enkele tracés op de planning om vervangen te worden, uit veiligheidsoverwegingen ten aanzien van grondroeringsgevoeligheid.
Zowel de gas- als elektriciteitsinfrastructuur zal aangepast moeten worden bij een overgang naar klimaatneutrale warmtevoorziening in de gebouwde omgeving. Warmte-aanbod | In de toekomst zal de warmtevraag ingevuld moeten worden met hernieuwbare bronnen. Kijkend naar de lokale potentie van diverse hernieuwbare warmtebronnen in Veendam valt een aantal zaken op. Er is een relatief hoog potentieel voor bioenergie en restwarmte in de gemeente, waarbij rekening gehouden dient te worden met de in dit hoofdstuk geschetste kanttekeningen. Aquathermie heeft enig potentieel uit open water in de gemeente en de RWZI. Warmte-koude opslag in de bodem is goed mogelijk in de gemeente en over geothermie is nog weinig bekend.
Zie bijvoorbeeld Gasunie (2019). Zie bijvoorbeeld Stedin (2020).
31
32
Bijlage 1 Technische en financiële analyse WTCG — 51
4.1 Rekenstappen en uitkomstmaten
Resultaten | Technische analyse In hoofdstuk 3 is geschetst hoe de gebouwde omgeving in Veendam er op hoofdlijnen uitziet in de huidige situatie. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de technische analyse gepresenteerd. Sectie 4.1 schetst op hoofdlijnen hoe de modelstudie rekent en hoe uitkomsten gepresenteerd worden. Sectie 4.2 laat zien welke warmtesystemen per buurt in Veendam het beste uit de analyse komen. In sectie 4.3 wordt vervolgens gekeken naar welke alternatieve warmtesystemen nog meer wenselijk kunnen zijn afhankelijk van bepaalde uitgangspunten. Sectie 4.4 bevat ten slotte een validatie van de resultaten op basis van twee andere analysetools. In het kort • Het model rekent de jaarlijkse nationale meerkosten in 2030 van een alternatief voor aardgas per woningequivalent uit. Dat is nadrukkelijk niet hetzelfde als de kosten die door woningeigenaren of huurders gedragen moeten worden. Op basis van deze analyse kunnen dan ook geen uitspraken gedaan worden over het deel van de kosten en baten die individuele woningeigenaren of huurders zullen dragen. • De eerste stap om tot aardgasvrije woningen te komen, is altijd isolatie. Dit brengt de gasvraag en daarmee samenhangende CO2-emissies terug. Het model rekent isolatie naar minimaal label D of label B door, afhankelijk van wat het meest kosteneffectief is.