CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

06-02-01a 2023B00483 Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V Toelichting

Commissie Fysiek 1 mei 2023, gemeente VeendamBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan “Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.”.12.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In overleg met de Veiligheidsregio Groningen is besloten om de mogelijkheden in het kader van externe veiligheid niet te verruimen. In de staat van bedrijven zijn derhalve alle bedrijfstypen met een gevaarafstand van meer dan 100 verwijderd. Vervoer van gevaarlijke stoffen In en nabij het plangebied liggen verscheidene transportroutes waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het gaat om de volgende transportroutes: Rijksweg N33; Provincialeweg N366 (N33 - Nieuwe Pekela – Duitse grens); Spoorlijn Zuidbroek - Veendam; Waterweg A.G. Wildervanckkanaal. Aan de oostelijke zijde van het plangebied is de N33 gelegen. Deze weg heeft een veiligheidszone (PR-max) van 20 m (gerekend vanuit het midden van de weg). Tevens beschikt deze weg over een zone van 30 m (gemeten vanaf de rand van de weg) waarbinnen de oprichting van objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen is uitgesloten. Tot slot ligt een klein deel van het plangebied binnen de 200 m zone van de weg (gemeten vanaf de rand van de weg). Op 18 februari 2011 is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma RBM II. Uit de berekening volgt dat de 10-6 -contour/jaar van het plaatsgebonden risico niet aanwezig is. Binnen 30 m vanaf de rand van de weg worden geen objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen mogelijk gemaakt.

Het groepsrisico is berekend op basis van de bestaande bedrijven en de nog niet ingevulde bestemmingsplancapaciteit. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico beneden de oriëntatiewaarde blijft. Bij de berekening is uitgegaan van de oude weg en niet de verdubbeling. Bij de verdubbeling, en dus gescheiden weghelften, wordt de kans op een ongeval kleiner en daarmee wordt het groepsrisico kleiner. Naast de N33 is aan de zuidzijde van het plangebied de N366 gelegen. Deze weg heeft geen veiligheidszone (PR-max), maar wel een 30 meter-zone aan weerszijden van de weg. Het invloedsgebied is daarnaast gesteld op 200 m. Het invloedsgebied van de Rijksweg N33 overlapt het invloedsgebied van de N366. Over de N366 vindt ter plaatse van de overlapping een gering aantal transporten met gevaarlijke stoffen plaats. Ten aanzien van deze weg wordt verwezen naar de groepsrisicoberekening van de N33 en de verantwoording van dit groepsrisico.

28

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

De spoorlijn Zuidbroek - Veendam ligt ten westen van het plangebied. Over deze spoorweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats tot aan het op- en overslagbedrijf Groningen Railport, waardoor ten zuiden van dit bedrijf geen belemmeringen optreden ten aanzien van dit onderwerp. Tenslotte ligt aan de oostzijde van het plangebied de waterweg A.G. Wildervanckkanaal. Hoewel deze waterweg is opgenomen in het Basisnet Water, is het vervoer van gevaarlijke stoffen hierover beperkt. Langs deze waterweg is zodoende geen plaatsgebonden risicocontour (10-6) en/of een PAG (25 m) aanwezig. Daarnaast hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord vanwege de nauwelijks merkbare effecten op het groepsrisico. Deze waterweg brengt derhalve geen ruimtelijke beperkingen met zich mee. Buisleidingen Ten noorden van het plangebied is een buisleiding naar Nedmag gelegen. De buisleiding heeft een diameter van 4 inch, een druk van 80 bar, een belemmeringenstrook van 5 meter en een 1% letaliteitszone van 65 meter. Binnen het invloedsgebied van deze leiding bevindt zich uitsluitend de installatie van Kisuma Chemicals B.V., waar zich weinig personen bevinden gedurende langere periode. Derhalve is er geen risicoberekening uitgevoerd. Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling zorgt niet voor significant meer personen die gedurende een lange periode in het plangebied aanwezig zijn.

Daarnaast levert de inrichting Kisuma Chemicals B.V geen extern veiligheidsrisico op voor de omgeving (met oog op zowel plaatsgebonden- als groepsrisico). Het onderhavig bestemmingsplan is voor het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.10 Ecologie Wettelijk kader Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Verkennend onderzoek Door Natuur Inclusief is een natuurtoets (rapportnummer: NIRP20200184, d.d. 16 december 2020) uitgevoerd. Voor de natuurtoets heeft op 1 december 2020 een veldbezoek plaatsgevonden. De natuurtoets is als bijlage 7 opgenomen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied’. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied.

Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Voor het initiatief is de depositie van stikstof ten gevolge van de aanleg en het gebruik berekend. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS. De volledige rapportage (inclusief berekeningen) is opgenomen als bijlage 8. Uit de berekeningen volgt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar indien met een aantal voorwaarden rekening wordt

29

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

gehouden. Deze voorwaarden zijn geborgd in de regels van het onderhavig bestemmingsplan. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan treedt er door de stikstofdepositie van de aanleg- en gebruiksfase geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot het NNN, natuur buiten het NNN, akkervogelleefgebied en de aard van het plan, zijn geen negatieve effecten op dergelijke gebieden te verwachten. Beschermde soorten De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter kan niet in het plangebied worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Nesten van kerkuil als jaarrond beschermde vogelsoort kunnen eveneens niet in het plangebied worden uitgesloten. De loods was tijdens het veldbezoek niet toegankelijk. Een sporenonderzoek (braakballen, uitwerpselen) in de loods kan daarom over de mogelijke aanwezigheid van een nest van kerkuil meer duidelijkheid verschaffen. Uit de resultaten van dit sporenonderzoek blijken de eventuele vervolgstappen. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende broedvogels niet worden uitgesloten. Het is dan ook van belang te allen tijde rekening te houden met het algemene broedseizoen van vogels.

Aanvullend onderzoek Door Natuur Inclusief is een nader ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter en nesten van kerkuil (rapportnummer: NIRP20210166, d.d. 27 oktober 2021) uitgevoerd. Voor het nader ecologisch onderzoek heeft op meerdere data een veldbezoek plaatsgevonden. Het nader ecologisch onderzoek is als bijlage 9 opgenomen. Uit het nader onderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen zijn. Ook zijn er geen essentiële vliegroutes of foerageergebied gevonden. Er zijn geen nesten, vaste rust- of verblijfplaatsen, essentieel leefgebied en sporen van kerkuil aangetroffen. De aanwezigheid van kerkuil kan in het plangebied worden uitgesloten. Wel is binnen het plangebied een vaste rust- of verblijfplaats van steenmarter aangetroffen. Tijdens het aanvullend onderzoek zijn er geen nesten van algemene broedvogels aangetroffen. Wel is het van belang ten allen tijde rekening te houden met kwetsbare perioden van vogels. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van een vaste voortplantings- of rustplaats van steenmarter wat een overtreding is van de Wet natuurbescherming. Deze overtreding kan niet worden voorkomen.

Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Groningen en zijn aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Deze ontheffing is door de provincie verleend en als bijlage 10 opgenomen. Conclusie Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldbezoek en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Een ontheffing van de Wnb voor steenmarter is nodig. Deze ontheffing is door de provincie verleend. Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig.

4.11 Verkeer en parkeren Wettelijk kader Voor een ruimtelijk initiatief geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid

30

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (2018) van CROW zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Bij de beoordeling of voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De publicatie heeft voor verschillende variabelen parkeerkencijfers. Met het voornemen wordt netto circa 4 ha aan gemengd bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Onderzoek Voor de verkeersgeneratie van een dergelijk bedrijventerrein is in de CROW-publicatie 381 een kental van 158 verkeersbewegingen per hectare per etmaal opgenomen. Deze 158 verkeersbewegingen zijn onder verdeeld in 128 verkeersbewegingen van een personenauto en 30 verkeersbewegingen van een vrachtauto. Dit betekent dat voor het onderhavig bestemmingsplan uit kan worden gegaan van 632 verkeersbewegingen per etmaal. De wegen waarop het plangebied is ontsloten, de N33, Lloydsweg en Geert Veenhuizenweg, hebben voldoende capaciteit om deze generatie aan te kunnen. Voor de parkeerbehoefte is niet specifiek een kental opgenomen. Overeenkomstig de huidige parkeerdruk van Kisuma Chemicals B.V. zal een parkeervoorziening aangelegd worden. Deze parkeerbehoefte zal op het eigen erf opgelost worden.

Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie in de omgeving van het plangebied en de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. Wat betreft verkeerseffecten wordt het planvoornemen dan ook uitvoerbaar geacht.

4.12 M.e.r.-(beoordelings)plicht Wettelijk kader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek In onderdeel D11.3 van het Besluit m.e.r. is voor industrieterreinen als grenswaarde een aantal van 75 hectare of meer opgenomen. Het planvoornemen voorziet in het wijzigen van een industrieterrein van circa 4 hectare. Het project is daarmee dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat het ruimschoots onder de drempelwaarden voor ontwikkelingen blijft, zoals die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het planvoornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Dit blijkt tevens uit de aanmeldnotitie. De aanmeldnotitie is als bijlage 11 opgenomen.

31

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

32

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wro bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Bro is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: 1.

2.

een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het op grond van artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend.

Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

5.2

Bestemmingsregels

In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. 5.2.1

Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast conform de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.2.2

Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bestaat uit een één set van bestemmingsregels: de bestemming 'Bedrijventerrein - Industrie'. Deze bestemming beslaat het gehele plangebied en biedt daarmee dus ook ruimte aan alle onderdelen van het bedrijf dat ter plaatse is gevestigd. De bestemming is overgenomen van het bestemmingsplan dat ter plaatse al gold.

33

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

Door middel van voorliggend bestemmingsplan wordt echter de toegestane bouwhoogte gewijzigd, wordt een afwijkingsbevoegdheid toegevoegd en wordt de geluidsruimte verruimd tot 65 dB (A)/m2 . Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat gebruik moet worden gemaakt van een elektrische bouwkraan en een elektrische betonstorter voor het bouwrijp maken en het bouwen. Kortom, deze moeten emissieloos zijn. Dit is opgenomen naar aanleiding van de AERIUS-berekening. Zie hiervoor paragraaf 4.10. Voor deze regel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Hier kan bij binnenplanse omgevingsvergunning worden afgeweken indien aantoonbaar op een andere manier kan worden bereikt dat het bouwrijp maken en het bouwen niet leidt tot een stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. In dat geval mag dus wel van niet-elektrische bouwkranen en niet-elektrische betonstorters gebruik worden gemaakt. Daarnaast is opgenomen dat het gebruiken (of laten gebruiken) van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de bedrijvigheid niet mag leiden tot significante gevolgen voor de dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden. Voor het overige blijft de bestemming gelijkluidend. 5.2.3

Algemene regels

De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. Verder bestaan de algemene regels ook uit de 'Algemene afwijkingsregels', 'Algemene wijzigingsregels' en de 'Overige regels'. Deze regels sluiten aan bij hetgeen ter plaatse al gold met daarbij enige toevoegingen ten aanzien van parkeren en kleinschalige windturbines. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden/ Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Tot slot bevat Hoofdstuk 4 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

34

Uitbreiding Kisuma Chemicals B.V.

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gepaard gaan met het voornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade. Schade, toegebracht door deze planologische wijziging, zal worden verhaald op de aanvrager van het (bouw)plan middels een gesloten planschadeovereenkomst tussen gemeente en aanvrager.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van participatie zijn de aangrenzende buren geïnformeerd over de ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij heeft meer specifiek overleg met SK Trading, KCBV, Omgevingsdienst Groningen en Nedmag plaatsgevonden. In deze overleggen is de ruimtelijke ontwikkeling toegelicht en zijn wensen met betrekking tot onder andere het recht van overpad kenbaar gemaakt. De aangrenzende buren zijn overwegend positief ten opzichte van de ontwikkeling. Dit bestemmingsplan wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd en ter beoordeling voorgelegd aan de 'overlegpartners' (artikel 3.1.1 van het Bro). Tijdens deze periode zijn is een reactie van de Omgevingsdienst Groningen, de provincie Groningen en het waterschap Hunze en Aa's binnen gekomen. De overlegreacties zijn geanonimiseerd en als bijlage 12 opgenomen. Waar nodig zijn de reacties van de verschillende partijen nader onderbouwd of verwerkt in het bestemmingsplan.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12642420/1