05-06 Buitenwoel Dijkeneiland Veendam Toelichting
Tekst van het document
28
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
4.9
Verkeer en parkeren
Wettelijk kader Voor een ruimtelijk initiatief geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (2018) van CROW zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Bij de beoordeling of voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De publicatie heeft voor verschillende variabelen parkeerkencijfers. Onderzoek Het plan voorziet in het mogelijk maken van maximaal 65 woningen. Ten opzichte van de huidige planologische situatie is het ruimtelijk voornemen meer milieubelastend en zullen naar verwachting circa 533 extra verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Ook zijn er extra parkeerplaatsen nodig. De gemeente Veendam hanteert als parkeerkencijfer het gemiddelde van het in de voornoemde CROW publicatie aangegeven minimum en maximum. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een aantal gebieden, te weten 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied'. De gemeente Veendam valt m.b.t.
de stedelijkheidsgraad in de categorie ‘matig stedelijk’. Het Dijkeneiland valt in het gebied “schil centrum”. Voor vrijstaande woningen geldt in dit gebied zodoende een parkeerkencijfer van 1,9. Voor twee-onder-één-kappers is dit 1,8. De parkeerbehoefte wordt op het eigen erf opgelost. De weg waarop het plangebied is ontsloten, de Golflaan, heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersgeneratie aan te kunnen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Toetsing 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
29
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
De eerste vraag bij de Laddertoets is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 van het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Voorliggend wijzigingsplan betreft het realiseren van maximaal 65 woningen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Buitenwoel herziening' (vastgesteld 14 december 2020). Voor het gebied geldt de bestemming 'Agrarisch'. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt met onderhavig plan meer bebouwing mogelijk gemaakt. Er is aldus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting van het ruimtelijk plan een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Verhuisbewegingen geven hiervoor een goede indicatie. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is in onderhavig plan beperkt tot de gemeente Veendam. Het gros van de verhuisbewegingen vindt namelijk binnen de eigen gemeente plaats. Uit CBS-cijfers blijkt dat veel meer dan de helft van de verhuisbewegingen in 2020 binnen de gemeentegrens plaatsvond. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het projectgebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
In paragraaf 3.4.3 is reeds aandacht besteed aan de behoefte. Uit deze paragraaf volgt dat in de gemeente Veendam behoefte bestaat aan nieuwe woningbouw. 5. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Veendam. De directe omgeving bestaat uit bebouwing, bestaande uit woningen en infrastructuur (wegen en parkeervoorzieningen). Geconcludeerd kan worden dat het plangebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied. Bovendien heeft de provincie Groningen in haar Omgevingsverordening het bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Het plangebied maakt daar deel van uit. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het woningbouwplan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking.
30
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
Het plan voorziet in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.
4.11 MER-beoordelingsplicht Wettelijk kader Op grond van het Besluit milieueffectrapportage is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig voor activiteiten die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage (kolom 1 van de D-lijst), maar onder de daar genoemde drempelwaarden liggen. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat omschreven in het Besluit onder D 11.2. De voorgenomen ontwikkeling blijft weliswaar ruim onder de aangegeven drempelwaarden (100 ha, 2.000 woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 ), maar op grond van de nieuwe wetgeving is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dat kader is een vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt, waarin in principe voor alle milieuaspecten moet worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen. In het navolgende is de vormvrije m.e.r.-beoordeling behandeld. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (kolom 4). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r.
is (op één onderdeel na) in werking getreden op 7 juli 2017, maar geldt vanaf 16 mei 2017 voor alle lopende vergunningaanvragen en bestemmingsplannen waarover nog geen besluit is genomen. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldingsnotitie. Dit is geregeld in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. Indien de gemeente initiatiefnemer is, zoals in onderhavig geval, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. Toetsing en conclusie In onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. is voor stedelijke ontwikkelingsprojecten als grenswaarde een aantal van 2.000 woningen opgenomen. Het voornemen voorziet in het realiseren van maximaal 65 woningen. Het project is daarmee dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat het ruimschoots onder de drempelwaarden voor ontwikkelingen blijft, zoals die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het voornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Het college heeft op 19 juli 2022 besloten geen milieueffectrapportage (m.e.r.) op te laten stellen voor het plan.
31
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
32
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit wijzigingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het wijzigingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het wijzigingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een wijzigingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het wijzigingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen en wijzigingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmings- en wijzigingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het wijzigingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit wijzigingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het wijzigingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het wijzigingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.
5.1
Toelichting op de regels
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. 5.1.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'wijzigingsplan'. 5.1.2
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een aantal bestemmingen: 1. 2. 3.
Groen; Groen - Oeverstrook; Verkeer - Verblijf;
33
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
4. 5.
Woongebied - 2; Woongebied - 3.
De navolgende tekst bespreekt de bestemmingen afzonderlijk. Wel wordt hier alvast opgemerkt dat alle woonbestemmingen dezelfde gebruiksregels kennen. Dat betekent dat bij alle twee de woonbestemmingen bepaald is dat het strijdig is met de bestemming om bijbouwvolume voor bewoning te gebruiken. Verder is het onder een aantal voorwaarden toegestaan om een aan huis verbonden beroep in de woning uit te oefenen. Voor een aan huis verbonden bedrijf geldt dat daar een omgevingsvergunning voor kan worden aangevraagd en dat aan dat gebruik voorwaarden zijn verbonden. 'Groen' Deze bestemming biedt ruimte voor groenvoorzieningen, water en openbare nutsvoorzieningen. Deze bestemming laat geen gebouwen toe en de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,00 m. Voor terreinafscheidingen geldt een maximale bouwhoogte van 2,00 m. Ook is ruimte voor onder andere speelplaatsen, wijkontmoetingsplekken en fiets- en voetpaden. Er wordt in ieder geval een fietspad aangelegd ter plaatse van de aanduidingen 'langzaam verkeer'. 'Groen - Oeverstrook' Deze bestemming voorziet in de groenstroken rondom de woonbestemming in het plangebied, daar waar water aanwezig is. Deze stroken mogen om die reden ook alleen worden gebruikt voor oeverstroken en voet- en fietspaden.
De bouwregels schrijven voor dat gebouwen niet zijn toegestaan en dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een beperkte bouwhoogte zijn toegestaan. Er wordt in ieder geval een steiger aangelegd ter plaatse van de aanduidingen 'steiger'. 'Verkeer - Verblijf' Deze bestemming bevindt zich op de wegen die de woningen met de Golflaan verbinden en kennen zodoende een kleinschalig karakter. De bestemmingsomschrijving schrijft om die reden voor dat toegestaan zijn "wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met daarbij inbegrepen voet- en fietspaden, bermen, bruggen, bushaltes en dergelijke". Gebouwen zijn in deze verkeersbestemming wel toegestaan, mits een bouwhoogte van niet meer dan 3,00 m en een inhoud van niet meer dan 30 m3 . Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn beperkt mogelijk. 'Woongebied - 2' Deze bestemming is bestemd voor woningen. De woningen mogen alleen vrijstaand gebouwd worden. Er zijn bouwregels geformuleerd voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In een aantal gevallen kan het bevoegd gezag hier bij omgevingsvergunning van afwijken. Het gezamenlijke aantal wooneenheden in de bestemmingen 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - 3' is maximaal 65. 'Woongebied - 3' Deze bestemming is bestemd voor woningen. De woningen mogen alleen vrijstaand óf twee-aaneen (tweekappers) gebouwd worden.
Er zijn bouwregels geformuleerd voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In een aantal gevallen kan het bevoegd gezag hier bij omgevingsvergunning van afwijken. Het gezamenlijke aantal wooneenheden in de bestemmingen 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - 3' is maximaal 65. 5.1.3
Algemene regels
De algemene regels bestaan uit een drietal regels: 1.
Anti-dubbeltelregel;
34
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
2. 3.
Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels.
De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het doel van de anti-dubbeltelregel is om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. De Algemene gebruiksregels bevatten regels wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt begrepen. De Algemene afwijkingsregels geven het bevoegd gezag de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning onder voorwaarden af te wijken van een aantal zaken. 5.1.4
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van het wijzigingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe wijzigingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Tot slot bevat hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het wijzigingsplan kan worden aangehaald.
35
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
36
Buitenwoel Dijkeneiland Veendam
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor het plangebied is een exploitatieopzet opgesteld met een sluitend eindresultaat voor dit planonderdeel. De kosten voor de realisatie van dit gebied worden derhalve gedekt uit de verkoopopbrengsten van de bouwgrond. De gemeente heeft alle gronden in eigendom waarop volgens artikel 6.2.1 van het Besluit Ruimtelijke ordening aangewezen bouwplan wordt gerealiseerd. Het kostenverhaal is hiermee verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is niet nodig. Ook voor gronden die door de gemeente worden verkocht aan projectontwikkelaars is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig, omdat door middel van een overeenkomst het kostenverhaal is verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Inspraak en overleg
Dit wijzigingsplan is voor de duur van zes weken ter inzage gelegd en ter beoordeling voorgelegd aan de 'overlegpartners' (artikel 3.1.1 van het Bro). Tijdens deze periode is een reactie van de Omgevingsdienst Groningen, de provincie Groningen en het waterschap Hunze en Aa's binnen gekomen. De overlegreacties zijn geanonimiseerd en als bijlage 6 opgenomen. Waar nodig zijn de reacties van de verschillende partijen nader onderbouwd of verwerkt in het wijzigingsplan. 6.2.2
Zienswijzen
Na de fase van Overleg volgt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde formele wijzigingsplanprocedure. Tijdens het ter visie liggen van het plan kan een ieder zijn zienswijze kenbaar maken.
37