CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

05-06-04 TNO2021 R11125 Finalreport OPVIS 20 technisch rapport

Gemeenteraad 20 december 2021, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen36.938 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030 – 2050 Technische evaluatie van vraag en aanbod

TNO Rapport 2021 R11125

Juni 2021

TNO PUBLIEK

Princetonlaan 6 3584 CB Utrecht Postbus 80015 3508 TA Utrecht

TNO-rapport

www.tno.nl

TNO2021 R11125

T +31 88 866 42 56 F +31 88 866 44 75

Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030 – 2050: Technische evaluatie van vraag en aanbod

Datum

22 juni 2021

Auteur(s)

Serge van Gessel (TNO) Thijs Huijskes (EBN) Joaquim Juez-Larré (TNO) Rory Dalman (TNO)

Exemplaarnummer Oplage Aantal pagina's Aantal bijlagen Opdrachtgever Projectnaam Projectnummer

114 (incl. bijlagen) 2 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat OPVIS 2.0 060.43342/01.04.06

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van TNO. Indien dit rapport in opdracht werd uitgebracht, wordt voor de rechten en verplichtingen van opdrachtgever en opdrachtnemer verwezen naar de Algemene Voorwaarden voor opdrachten aan TNO, dan wel de betreffende terzake tussen de partijen gesloten overeenkomst. Het ter inzage geven van het TNO-rapport aan direct belanghebbenden is toegestaan. © 2021 TNO

TNO PUBLIEK

Managementuittreksel Titel : Auteur(s) :

Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030 – 2050 (I): Technische evaluatie van vraag en aanbod Serge van Gessel (TNO) Thijs Huijskes (EBN) Joaquim Juez-Larré (TNO) Rory Dalman (TNO)

Datum :

22 juni 2021

Opdrachtnr. :

AGE 19-10.036 en AGE 20-10.048 TNO2021 R11125

Rapportnr. :

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

3 / 114

Samenvatting Dit rapport omvat de technische analyse over toekomstige ondergrondse opslag van energie en geeft een verdieping en aanvulling op de eerste verkenning gepubliceerd in 2018. Aan de hand van recentelijk gepubliceerde energiescenario’s en eigen aanvullende analyses en wordt ingegaan op de volgende vragen: • Hoe ontwikkelt zich de toekomstige vraag naar grootschalige ondergrondse opslag (gespecificeerd naar energiedrager, technologie, omvang, timing, locatie) volgens verschillende energiescenario’s? • Hoe kan in verschillende scenario’s de vraag naar grootschalige ondergrondse opslag worden geaccommodeerd binnen het bekende potentieel en wat zijn hiervan de consequenties? Op basis van deze technische analyse worden mogelijke ontwikkelpaden voor ondergrondse energieopslag in Nederland tot 2050 beschreven met aanbevelingen voor beleid en regelgeving om een verantwoorde aanleg van grootschalige ondergrondse opslag mogelijk te maken. Deze ontwikkelpaden en aanbevelingen zijn beschreven in het bijbehorende rapport “Ondergrondse energieopslag in Nederlands 2030-2050: Ontwikkelpaden en Aanbevelingen”” Ondergrondse opslag van aardgas is op dit moment de belangrijkste en meest omvangrijke energieopslagtechnologie die wordt ingezet binnen Nederland en de rest van Europa.

In alle onderzochte energiescenario’s ligt de ondergrondse aardgasopslagcapaciteit die noodzakelijk is voor de Nederlandse vraag-aanbodbalans in 2030 (maximaal 37 TWh volgens II3050 scenario’s in het ETM-model1) ruim onder de huidige geïnstalleerde aardgasopslagcapaciteit (130 TWh). In 2050 ligt de verwachte benodigde opslagcapaciteit voor vraag-aanbodbalans tussen 2 en 39 TWh. Dit is afhankelijk van de rol die aardgas en/of groengas innemen binnen de energievoorziening en de aannames die worden gedaan omtrent extreme winters (warmtevraag). Optioneel kan de opslagcapaciteit voor aardgas en/of groengas worden uitgebreid met extra reserves om eventuele langdurige onderbreking van het aanbod op te vangen (bijvoorbeeld stilvallen van aanvoer uit buitenland bij grote importafhankelijkheid). Indicatieve schattingen van de totale opslagcapaciteit lopen daarmee in een enkel geval op tot maximaal de huidige geïnstalleerde opslagcapaciteit. Waterstofopslag komt in alle energiescenario’s naar voren als een belangrijke en noodzakelijke technologie die met name tussen 2030 en 2050 zal opschalen in Nederland. In 2030 hebben (het dan groeiende) aanbod en verbruik nog steeds een constant karakter. Dit zorgt ervoor dat de behoefte aan (ondergrondse) waterstofopslag voor de vraagaanbodbalans volgens alle scenario’s en modellen nog beperkt van omvang zal zijn.

Uit de onderzochte energiescenario’s voor 2030 volgt een benodigde opslagcapaciteit tussen 42 en 475 GWh, oftewel een werkvolume van ca. 14 – 160 miljoen m3. Voor dit volume zijn 1 – 4 zoutcavernes nodig welke theoretisch binnen de bestaande zoutwinningslocaties van Zuidwending en/of Heiligerlee passen. Hergebruik van huidige aardgasopslagcavernes is een optie indien de bestaande functie zou komen te vervallen. Haalbaarheid van aanleg van nieuwe cavernes dan wel ombouw van bestaande opslagcavernes dient met locatie-specifiek onderzoek te worden vastgesteld. Tussen 2030 en 2050 loopt de benodigde opslagcapaciteit voor waterstof in de verschillende onderzochte scenario’s sterk uiteen. Enerzijds hangt dit af van de veronderstelde herkomst

1

https://pro.energytransitionmodel.com/saved_scenarios/9436

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

4 / 114

en toepassing van waterstof, en anderzijds van de mate waarin de gebruikte energiesysteemmodellen de vrijheid hebben om inzet van flexibiliteitopties te optimaliseren. • Met inzet van alternatieve flexibiliteitopties (import/export van elektriciteit, powerto-heat in boilers, regelbare productie van synthetische brandstoffen) en enkele geïdealiseerde uitgangspunten (o.a. standaard weerjaar, perfect vooruitzicht, volledige verbondenheid Europees elektriciteitsnet), wordt de ondergrens voor benodigde opslagcapaciteit in 2050 ingeschat tussen 1,3 en 4,3 TWh (oftewel 0,43 – 1,5 miljard m3). Voor dit volume zouden ca. 17 – 34 zoutcavernes moeten worden aangelegd (afhankelijk van ontwerp en grootte). Theoretisch past dit binnen de bestaande zoutwinningslocaties van Zuidwending en/of Heiligerlee. Praktische (ruimtelijke) beperkingen, aansluiting op lokale vraag en/of de wens om concentratie van bodemdalingseffecten te voorkomen, kunnen aanleiding zijn voor een meer gespreide ontwikkeling over andere (niet geëxploiteerde) zoutstructuren of het in gebruik nemen van een gasveld (bijv. ombouw van een bestaande aardgasopslaglocatie of een andere uitgeproduceerde gasveld).

• Indien waterstofopslag de preferente optie wordt voor het bieden van grootschalige flexibiliteit (elektriciteit en warmte) en een normaal (standaard) weerjaar als uitgangspunt wordt genomen, dan wordt de bovengrens voor benodigde opslagcapaciteit in 2050 ingeschat tussen 15 en 26 TWh (oftewel 5,0 – 8,7 miljard m3). In een extreem weerjaar (zeer koude winter, lagere jaaropbrengst van waterstof uit zon en wind) kan dit oplopen tot 32,9 TWh (ca. 11 miljard m3). Voor dit volume zouden tientallen tot mogelijk >200 cavernes nodig zijn. Alhoewel dit aantal theoretisch past binnen de geëvalueerde technische capaciteit in onderzochte zoutstructuren op land, wordt om praktische redenen (o.a. bovengronds ruimtebeslag, bodemdalingseffecten, tijd nodig voor aanleg van cavernes, afvoer van pekel) uitgegaan van maximaal 60 mogelijk realiseerbare cavernes tussen 2030 en 2050 (maximaal ca. 15 TWh). Het is daarom zeer waarschijnlijk dat opslagcapaciteit in dit geval deels in uitgeproduceerde gasvelden dan wel omgebouwde aardgasopslagen zal moeten worden aangelegd (mogelijk tot 3 a 4, afhankelijk van de het berekende werkgasvolume per gasveld). • Deze studie presenteert diverse uitgangspunten die richting geven voor keuzes omtrent aanvullende ondergrondse opslag capaciteit (bijvoorbeeld als extra strategische reserve of voor het ondersteunen van handel in waterstof).

Indien de huidige praktijk voor aardgas en aardolie wordt gevolgd (totale opslagcapaciteit bedraagt ca. 25% van het totale jaarverbruik, zowel in Nederland als heel Europa), dan zal de geschatte totale opslagcapaciteit tussen ca. 18 en 51 TWh liggen. Indien deze capaciteit in Nederland moet worden aangelegd, dan is de inzet van gasvelden onvermijdelijk. Het aantal benodigde gasvelden kan oplopen tot 6, afhankelijk van het aantal te ontwikkelen zoutvcavernes en de omvang van het werkvolume per gasveld. Ondergrondse warmtebuffering kan een belangrijke rol gaan spelen bij een efficiëntere grootschalige inzet van constante en/of seizoensgebonden warmtebronnen (bijv. restwarmte, geothermie, zonthermie). De huidige studies met de bestaande modellen houden nog onvoldoende rekening met de meerwaarde van inzet van grootschalige warmtebuffering. In deze studie is daarvoor een aanvullende analyse uitgevoerd. • Op basis van de verschillende scenario’s kan warmteproductie uit de warmtebuffers in 2050 tussen ongeveer 0,5 en 4,5 TWh opleveren. Dit is gelijk aan de hoeveelheid secundaire warmtebronnen (bijv. gas, biomassa, elektriciteit) die bespaard worden. Door de scenario’s aan te passen ten aanzien van een betere aansluiting van basislast op warmtebuffering kan de omvang van de geleverde warmte uit buffers uitkomen op 6 tot 8 TWh. De besparing van

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

5 / 114

secundaire bronnen (t.o.v. het originele scenario) ligt hoger doordat de levering van gasboilers al vervangen is: ongeveer 11 tot 13 TWh. • Een soortgelijke observatie kan gedaan worden voor de bijdrage van grootschalige zonthermie. In combinatie met warmtebuffering kan dit een nuttige bijdrage leveren aan de warmtevoorziening door warmtenetten. Dit is conceptueel getest voor het scenario REG2050. De grootte van de geleverde warmte uit warmtebuffers is dan ongeveer 6 tot 8 TWh (in 2050). De besparing van secundaire bronnen zelfs iets hoger, doordat de inzet van zonthermie in de zonnige maanden de inzet van secundaire warmtebronnen al iets laat afnemen. Er zijn in Nederland meerdere formaties die potentieel geschikt zijn voor hogetemperatuuropslag in aquifers (HT-ATES). Grote delen van het westen van Nederland hebben een gunstige ligging voor HT-ATES. Van de potentieel interessante gebieden vereisen de meeste delen meer onderzoek om één of meerdere mogelijke barrières weg te kunnen nemen (of te bevestigen). Een klein gedeelte van Nederland, met name tegen de oostgrens, lijkt ongeschikt voor HT-ATES. Voor aanbod van basislastwarmte kan men o.a. denken aan restwarmte, geothermie, en warmte uit oppervlaktewater. De geschiktheid voor deze verschillende bronnen varieert over Nederland.

De gecombineerde aanwezigheid van warmtebronnen, en de potentie voor HT-ATES in combinatie met woongebieden varieert over verschillende gebieden in Nederland. Op het eerste oog valt vooral Zuid-Holland (bijv. de regio Rotterdam-Den Haag) op. Voor een gedetailleerde studie van een aantal specifieke gebieden kunnen de algemene WINDOW-studieresultaten worden geëvalueerd. Persluchtopslag (CAES) en ondergrondse pompaccumulatie (O-PAC) hebben in de onderzochte scenario’s en gebruikte modellen een ondergeschikte rol in de nationale energievoorziening. In het algemeen wordt geen directe noodzaak gezien voor aanleg van CAES en/of O-PAC om nationale leveringszekerheid te borgen. Andere flexibiliteitsopties krijgen in de modellen de voorkeur omdat ze vraag-aanbodbalans tegen lagere kosten en/of met betere efficiëntie kunnen leveren. Wel kunnen CAES en O-PAC diverse ondersteunende systeemdiensten op het elektriciteitsnet leveren die gericht zijn op korte tijdschalen en die aantrekkelijk zijn voor private initiatieven. Dit soort diensten zijn niet of beperkt meegenomen in de gebruikte energiesysteemmodellen. De aanleg van CAES zal mogelijk caverneruimte in beslag nemen die ook voor waterstofopslag nodig is.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

6 / 114

Inhoudsopgave Managementuittreksel ............................................................................................. 2 Samenvatting ........................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

Inleiding .................................................................................................................... 8 Introductie .................................................................................................................. 8 Korte toelichting op gebruikte technische termen en definities ................................. 8 Overzicht van gebruikte afkortingen .......................................................................... 9 Terugblik op “Ondergrondse Opslag in Nederland: Technische Verkenning (2018)” ................................................................................................................................. 10 Vraagstelling ............................................................................................................ 11 Rapportstructuur ...................................................................................................... 12

2 2.1 2.2 2.3

Achtergrond, aanpak, scope ................................................................................ 14 Flexibiliteit in een veranderend energiesysteem ..................................................... 14 Verwachte ontwikkeling van ondergrondse energieopslag ..................................... 15 Ondergrondse opslagtechnologieën en beschikbare ruimte ................................... 16

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Scenario’s en modellen ........................................................................................ 23 Vergelijking op hoofdlijnen ....................................................................................... 23 Studies ..................................................................................................................... 27 Scenario’s, varianten en gevoeligheden.................................................................. 29 Gebruikte modellen.................................................................................................. 32

4 4.1 4.2 4.3

Classificatie opslagbehoefte ................................................................................ 34 Nut en noodzaak ...................................................................................................... 34 Aanbodzekerheid of leveringszekerheid? ............................................................... 36 Samenvatting van opslagdoeleinden in deze studie ............................................... 38

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

Waterstofopslag ..................................................................................................... 39 Inleiding ................................................................................................................... 39 Opslag in het kader van leveringszekerheid ........................................................... 40 Opslag in het kader van aanbodzekerheid .............................................................. 50 Beschikbare opslagcapaciteit in gasvelden en zoutcavernes ................................. 54 Indicatie van praktisch realiseerbare opslagcapaciteit ............................................ 60 Inpassing van opslagcapaciteit ................................................................................ 62 Samenvatting ontwikkelpaden voor ondergrondse waterstofopslag ....................... 66 Belangrijkste conclusies en bevindingen ................................................................. 68

6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Warmtebuffering .................................................................................................... 70 Introductie ................................................................................................................ 70 Methodologie ........................................................................................................... 70 Input ......................................................................................................................... 72 Resultaten ................................................................................................................ 75 Praktische implicaties en ruimtelijke inpassing ....................................................... 83 Discussie ................................................................................................................. 90 Conclusies ............................................................................................................... 93

7

Overige vormen van opslag ................................................................................. 95

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

7 / 114

7.1 7.2

Opslag van (groen) aardgas .................................................................................... 95 CAES en ondergronds pompaccumulatiesysteem .................................................. 97

8 8.1

Conclusies .............................................................................................................. 99 Algemeen ................................................................................................................. 99

9

Handtekening ....................................................................................................... 104

Appendix ............................................................................................................................... 105 A.1 Methodiek HT-ATES-modellering .......................................................................... 105 A.2 Invloed revisie BK-scenario’s op warmtebuffering ................................................ 108

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

1

Inleiding

1.1

Introductie

8 / 114

De ondergrond draagt in belangrijke mate bij aan het zekerstellen van aanbod en levering van energie. In 2018 bedroeg het aandeel binnenlands geproduceerd aardgas en aardolie ca. 79% van de totale primaire binnenlandse energievraag. Voor alle fossiele bronnen is dit aandeel 88%. Ondergrondse aardgasopslagen vormen een cruciaal onderdeel van de bestaande hoofd energie-infrastructuur. Met een huidig werkvolume van ca. 12,5 miljard m3, wordt ca. 34% van het binnenlandse aardgasverbruik en 13% van de totale primaire energievraag gebufferd voor het bedienen van piekvraag, seizoen-afhankelijke vraag en internationale handel van aardgas 2. Met de sterke afname van aardgaswinning in Nederland en de verwachte ontwikkeling van hernieuwbare energie, deels variabele opwekking van energie tijdens de energietransitie, zal er ook een nieuw evenwicht moeten worden gezocht binnen het energiesysteem. Bovengrondse en ondergrondse flexibiliteitopties die bijdragen aan het gelijktrekken van vraag en aanbod van verschillende energiedragers (reguleren van energieaanbod en -vraag, interconnectiviteit, energieopslag en aanverwante technologieën) worden in toenemende mate belangrijk voor een efficiënte, zekere en betaalbare energievoorziening.

In deze studie wordt gekeken naar nut, noodzaak en mogelijkheden voor de aanleg van (grootschalige) ondergrondse opslag van drie verschillende energiedragers, te weten 1) gassen waaronder waterstof, aardgas/biomethaan, 2) hoge-temperatuur warmte in de vorm van warm water en 3) mechanische energie in de vorm van perslucht of pompaccumulatie (ingezet binnen het elektriciteitsnet).

1.2

Korte toelichting op gebruikte technische termen en definities

In dit rapport zal een groot aantal technische termen worden gebruikt. Dit is onvermijdelijk gezien de technische aard van het onderwerp, de gebruikte energiesysteemmodellen en de uitgevoerde analyses. Hieronder wordt een overzicht gegeven van een groot aantal van deze termen. Sommige termen of principes worden in de tekst zelf uitgebreid toegelicht. 1.2.1 Termen gerelateerd aan ondergrondse opslag m3: Kubieke meter (inhoud). In het geval van gasvolume wordt hiermee Normaal kubieke meter bedoeld (i.e. het gasvolume bij referentiecondities 0 °C en 101,325 kPa). Werkvolume of Werkgasvolume: Het (gas)volume in een (ondergrondse) opslag dat daadwerkelijk bijdraagt aan de opslagfunctie, oftewel het maximale volume dat tijdens een volledige opslagcyclus wordt geïnjecteerd en geproduceerd. Vaak wordt dit volume weergegeven in energie-inhoud (TWh, GWh, etc.). In dat geval betreft het de energiewaarde van de energiedrager in het werkvolume.

2

Kentallen zijn afgeleid van EBN 2019 infographic Energie in Nederland (https://www.energieinnederland.nl/feiten-en-cijfers/infographic) en TNO/EBN 2018: Ondergrondse opslag in Nederland: Technische verkenning (TNO, EBN 2018: https://www.nlog.nl/nieuws/publicatie-rapport-tbvtechnische-verkenning-voor-visie-ondergrondse-opslag)

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

9 / 114

Kussengasvolume: Dit betreft het aandeel van het opgeslagen volume dat niet meedoet aan de opslagcyclus. Dit volume is aanwezig om de minimale druk in de opslag te onderhouden die nodig is om de gevraagde productiesnelheid te realiseren. GIIP-volume: Deze term hangt specifiek samen met gasvelden en betreft het totale aardgasvolume dat voor aanvang van gasproductie in het veld aanwezig was. Dit volume is medebepalend voor de omvang van de opslagcapaciteit. Geometrisch cavernevolume: Dit is het volume van een lege (aangelegde) zoutcaverne. Het werkgasvolume is in de regel veel groter door de hoge druk en samendrukbaarheid van gassen. 1.2.2 Termen gerelateerd aan energiesysteemmodellen Baseload of basislast: Aanbod van energie die over het hele jaar volgens een min-of-meer constant vermogen of volume per tijdseenheid wordt geleverd. Power-to-Heat of P2H: De conversie van elektriciteit naar warmte, bijvoorbeeld met elektrische boilers, maar mogelijk ook als onderdeel van warmtepompsystemen (o.a. industrie, gebouwde omgeving). Power-to-Hydrogen of P2H2: De conversie van elektriciteit naar waterstof door middel van elektrolyse. Mogelijk onderdeel van Power-to-Fuels (zie onder). Power-to-Gas of P2G: De conversie van elektriciteit naar een gasvormige energiedrager (bijv. waterstof of methaan verkregen door methanisatie van waterstof). Wordt vaak gebruikt als synoniem voor P2H2.

Power-to-Fuels of P2Fuels: De conversie van elektriciteit naar synthetische brandstoffen. P2H2 is hierbij een tussenstap. De waterstof wordt vervolgens gecombineerd met CO2 om methaan of andere (vloeibare) brandstoffen te produceren. Power-to-X of P2X: De conversie van elektriciteit naar een willekeurige andere energiedrager (vaak een containerbegrip voor bovenstaande conversies). G2P, H2P, H22P: De conversie van bovengenoemde energiedragers naar elektriciteit (bijv. via een gascentrale of brandstofcel).

1.3

Overzicht van gebruikte afkortingen

In de tekst en figuren van dit rapport worden veelvuldig de volgende afkortingen gebruikt voor het aanduiden van studies, scenario’s en modeluitkomsten: BK: LSES: ETS: KA2030: CA2030: TR2030/40/50: AD2030/40/50:

TNO PUBLIEK

Bepaling volgens Berenschot en Kalavasta Bepaling volgens TKI – Large Scale Energy Storage Bepaling volgens TNO Energy Transition Studies Het 2030-scenario afgeleid v.h. Klimaatakkoord van BK Het 2030-scenario afgeleid v.h. Klimaatakkoord van LSES De 2030/2040/2050-scenario's “TRANSFORM” van ETS De 2030/2040/2050-scenario's “ADAPT” van ETS

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

REG2050:

Het 2050-scenario “Regionale Sturing” van BK

NAT2050: EU2050: INT2050: NM2050:

Het 2050-scenario “Nationale Sturing” van BK Het 2050-scenario “Europese CO2 –sturing" van BK Het 2050-scenario “Internationale Sturing” van BK Het 2050-scenario “National Management” van LSES (afgeleid van NAT2050)

LSES-CMP: LSES-OP: Standaard: Extreem: Base: Max Alle H2:

Scenarioberekening LSES volgens COMPETES-model Scenarioberekening LSES volgens OPERA-model Berekening volgens standaard weerjaarprofiel (2015) Berekening volgens extreem weerjaarprofiel (1987) Berekening volgens het referentiescenario Het maximum volgens berekende gevoeligheden Opslagvolume waterstof inclusief bovengrondse opslag in vaten/tanks Alleen ondergrondse opslag van waterstof

Ondergronds:

1.4

10 / 114

Terugblik op “Ondergrondse Opslag in Nederland: Technische Verkenning (2018)”

De eerdere technische verkenning van ondergrondse opslag door TNO en EBN in 20183 (hierna OPVIS-1) concludeert dat Nederlandse (lege) gasvelden, zoutstructuren en watervoerende lagen (aquifers) in theorie een groot potentieel herbergen voor de opslag van verschillende energievormen en CO2. Een analyse van energiescenario’s opgesteld door PBL4 en Gasunie5 liet zien dat er rond 2050 mogelijk een grote vraag zal zijn naar ondergrondse opslag van waterstof, aardgas of duurzaam geproduceerd methaangas, en hoge-temperatuurwarmte. Het geschatte technische potentieel voor ondergrondse opslag zou in principe voldoende moeten zijn voor het accommoderen van de opslagbehoefte, maar wel zullen er forse uitdagingen rond ruimtelijke en maatschappelijke inpassing kunnen zijn. De belangrijkste uitkomsten van de technische verkenning van 2018 worden hieronder kort samengevat: • In Nederland zijn 151 gasvelden op land en in het kustnabije zeegebied (inclusief de bestaande aardgasopslagen) geëvalueerd op hun geschiktheid om aardgas en waterstof op te slaan. In totaal voldoen 90 van deze velden aan technische selectiecriteria (i.e.

het veld is aangesloten op productie-infrastructuur, bevindt zich op een bepaalde minimale diepte, het reservoir heeft voldoende doorlatendheid en toont een goede productiviteit, bevat geen resterend corrosieve gassen, en het totale volume dat voor opslag beschikbaar is en de verhouding werkvolume/kussengasvolume ligt binnen gunstige ranges). Het totale geschatte technische werkvolume voor waterstof van deze 90 velden bedraagt 119 miljard m3 (354 TWh), waarvan 11 miljard m3 (33 TWh) in de al bestaande aardgasopslagen, 93 miljard m3 (277 TWh) in overige gasvelden op land en 15 miljard m3 (44 TWh) in kustnabije gasvelden op zee.

3

TNO, EBN 2018: https://www.nlog.nl/nieuws/publicatie-rapport-tbv-technische-verkenning-voor-visieondergrondse-opslag 4 Ros, J., Schure, K. (2016); Vormgeving van de energietransitie, Den Haag: PBL. PBLpublicatienummer: 1747 5 Gasunie 2018: Verkenning 2050

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

• •

•

•

11 / 114

Aanvullend voldoen 54 andere (ver weggelegen) gasvelden op zee aan de technische selectiecriteria (werkvolume waterstof 45 miljard m3, 134 TWh). Op basis van seismische gegevens en boorgatdata zijn 10 zoutstructuren aangemerkt als mogelijk technisch geschikt voor de aanleg van gasopslag in zoutcavernes. Indien deze zoutstructuren maximaal worden benut voor de aanleg van 321 cavernes (elke met een geometrisch volume van 600.000 m3), dan kan ca. 43 TWh aan waterstof worden opgeslagen in de gecreëerde cavernes. Indien dezelfde cavernes worden aangelegd voor de opslag van perslucht, dan zou een totale werkcapaciteit van 0,58 TWh kunnen worden gerealiseerd voor de buffering van elektriciteit6. Op basis van de analyse van de 13 toekomstige energiescenario’s4,5 is de te verwachten vraag naar waterstofopslag ingeschat op 3 - 30 TWh. Voor (groen) aardgas en/of biogas is dit 10 - 100 TWh. De schatting is bepaald met behulp van een vereenvoudigd balansmodel op basis van de daggemiddelde aanbod- en vraagprofielen die zijn afgeleid van de onderzochte scenario’s.

Bij de uitkomsten van de technische evaluatie van 2018 gelden de volgende kanttekeningen: • Het generieke balansmodel dat is opgesteld, is een sterke versimpeling van het energiesysteem en beschouwt alleen grootschalige opslag als flexibiliteitsmechanisme. • De gerapporteerde opslagpotenties zijn gebaseerd op wat technisch maximaal haalbaar is. Er wordt geen rekening gehouden met verdere restricties zoals uitsluitingsgebieden, lokaal toelaatbare effecten en impacts, en aantrekkelijkheid vanuit een business case perspectief. • De daadwerkelijke technische geschiktheid en economische basis (businessmodel) voor ontwikkeling van opslag in de geëvalueerde velden en zoutstructuren dient nog te worden vastgesteld door locatie-specifiek onderzoek. Dit geldt in het bijzonder voor de opslag van pure waterstof in lege gasvelden (o.a. afsluiting reservoir, geochemische en microbiologische omzetting van waterstof, stromingsgedrag, vermenging, terughaalbaarheid, geomechanisch gedrag)7.

1.5

Vraagstelling

Deze studie is een verdieping van de evaluatie uit 2018. De onderliggende vragen zijn: • Hoe ontwikkelt zich de toekomstige vraag naar grootschalige ondergrondse opslag (gespecificeerd naar energiedrager, technologie, omvang, timing, locatie) volgens verschillende energietransitie scenario’s? • Hoe kan in verschillende scenario’s de vraag naar grootschalige ondergrondse opslag worden geaccommodeerd, binnen het bekende potentieel en wat zijn hiervan de ruimtelijke consequenties? • Wat zijn de aanbevelingen voor beleid en regelgeving om een verantwoorde aanleg van grootschalige ondergrondse opslag mogelijk te maken? In afstemming met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is besloten om de volgende recente studies te gebruiken als basis voor de analyse in deze studie:

6

Uitgaande van ca. 1-3 GWh per caverne, zie ook TNO 2020: Techno-Economic Modelling of Large-Scale Energy Storage Systems (http://publications.tno.nl/publication/34637698/2VA30k/TNO-2020-R12004.pdf) 7 O.a. Heinemann et al. 2021: Enabling large-scale hydrogen storage in porous media – the scientific challenges: Energy and Environmental Science., 2021, 14, 853. doi: 10.1039/d0ee03536j

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

1.

2.

3.

12 / 114

Berenschot & Kalavasta, 20208: Klimaatneutrale energiescenario’s 2050 (hierna BK). Deze studie is uitgevoerd in het kader van de Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050 (II3050) en beschrijft de uitkomsten van vier scenario’s voor een klimaatneutrale energievoorziening in 2050 (met 2030 als tussenstation) gemodelleerd met het Quintel EnergieTransitieModel9. TNO, 202010: Towards a sustainable energy system for the Netherlands in 2050 (TNO Energy Transition Studies, hierna ETS). Deze studie is uitgevoerd in het kader van het interne TNO kennis-investeringsprogramma en verkent twee scenario’s voor een kosten-optimale inrichting van het energiesysteem in 2050, waarmee de nationale klimaatdoelen kunnen worden gerealiseerd. TNO, 202011: TKI – Large-Scale Energy Storage (hierna LSES). Deze studie is uitgevoerd in het kader van de TKI (Topconsortia voor Kennis en Innovatie) GeoEnergy en had als doel de rol van perslucht- en waterstofopslag in het toekomstige energiesysteem (2030-2050) en bijbehorende technische, economische en maatschappelijke uitdagingen te onderzoeken.

Hieronder worden de belangrijkste argumenten benoemd om deze studies als input voor deze studie te nemen: • Deze studies bieden inzicht in het toekomstige energiesysteem (2030-2050) volgens de meest recente scenario’s en doorrekeningen die aansluiten op de doelstellingen in het Nationale Klimaatakkoord (o.a. gestelde doelen voor reductie van CO2 uitstoot). Daarmee zijn de studies in lijn met voorgenomen en mogelijk toekomstig beleid. • Specifiek voor BK: Deze studie vormt mede de basis voor de bepaling van benodigde aanpassingen aan de energie-infrastructuur. Dit is een belangrijke leidraad voor netbeheerders en toekomstige partijen die mogelijk opslaglocaties zullen aanleggen. • De scenario’s en systeemmodellen bieden allemaal een integrale analyse van aanbod en vraag binnen alle sectoren van het energiesysteem. Daarmee kan de vraag naar energieopslag vanuit alle mogelijke perspectieven worden geëvalueerd. • De studies gebruiken verschillende modellen en scenariorandvoorwaarden waardoor ze een redelijke spreiding geven van de mogelijke ontwikkelingen voor energieopslag en andere flexibiliteitopties. • Specifiek voor BK en LSES: deze studies geven zelf al een concrete invulling van de mogelijke vraag naar opslag van waterstof en andere energiedragers.

• Specifiek voor BK en LSES: deze studies gebruiken een overeenkomstig scenario voor 2050 (“Nationale Sturing”/“National Management”, zie Hoofdstuk 3). Hiermee is het mogelijk om concrete verklaringen te bieden voor verschillen die voortkomen uit het verschil in modellering.

1.6

Rapportstructuur

Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de aanpak en een korte introductie op de opslagtechnologieën die centraal staan in deze studie. Hoofdstuk 3 geeft een beknopte samenvatting van de studies naar het toekomstige energiesysteem die gebruikt zijn als basis voor de bepaling van de behoefte naar ondergrondse energieopslag. 8

https://www.berenschot.nl/actueel/2020/april/nederland-klimaatneutraal-2050/ https://energytransitionmodel.com/ 10 https://energy.nl/en/publication/towards-a-sustainable-energy-system-for-the-netherlands-in-2050/ 11 https://publications.tno.nl/publication/34637699/Xi7BTQ/TNO-2020-P11106.pdf 9

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

13 / 114

Hoofdstuk 4 biedt een generieke beschouwing van nut en noodzaak van ondergrondse opslag en plaatst deze in de context van leveringszekerheid (flexibiliteit en vraag-aanbod balans) en aanbodzekerheid (strategische reserves). Hoofdstuk 5 evalueert de vraag naar grootschalige (ondergrondse) waterstofopslag op basis van de geëvalueerde modellen en scenario’s en analyseert de opties om dit ruimtelijk in te passen binnen de beschikbare opslagcapaciteit. Hoofdstuk 6 analyseert de mogelijkheden om constante en seizoensgebonden warmtebronnen efficiënter in te zetten met ondergrondse warmtebuffering en de ruimtelijke mogelijkheden om dit te realiseren in Nederland. Hoofdstuk 7 geeft een korte beschouwing van de vraag naar (groen) aardgasopslag en perslucht. Hoofdstuk 8 geeft een samenvatting van de belangrijkste bevindingen ten aanzien van ondergrondse energieopslag.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

2

Achtergrond, aanpak, scope

2.1

Flexibiliteit in een veranderend energiesysteem

14 / 114

Het energiesysteem zal in de komende decennia een aantal grote veranderingen ondergaan. Het aanbod van aardgas via binnenlandse winning zal sterk gaan teruglopen12. Dat leidt op de korte termijn tot een grotere afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas. Het langere termijnverloop van die afhankelijkheid zal o.a. afhangen van de mate waarin alternatieven worden ontwikkeld voor het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving, industrie en elektriciteitsvoorziening. Elektriciteit zal in toenemende mate geproduceerd worden uit variabele hernieuwbare bronnen (zon, wind). Deels wordt deze elektriciteit weer omgezet in andere vormen of dragers van energie (waterstof, warmte, synthetische brandstoffen). Duurzame warmte, waaronder aardwarmte zal naar verwachting een grotere rol gaan spelen binnen de gebouwde omgeving en glastuinbouw. Met deze veranderingen treden verschuivingen op in de productie- en consumptiepatronen. Energie wordt op andere locaties opgewekt (bijv. offshore, decentraal verdeeld over land) en is soms minder voorspelbaar (bijvoorbeeld door weersafhankelijkheid). Hiervoor zal nieuwe energie-infrastructuur moeten worden aangelegd om knelpunten in netwerken op te lossen (bijv.

capaciteit van elektriciteitshoofdnet) en nieuwe vormen van energie te transporteren naar gebruikers, bijvoorbeeld waterstof (zie ook Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie13 en het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat 14). Met al deze veranderingen zullen tevens nieuwe flexibiliteitopties moeten worden ontwikkeld om vraag en aanbod in iedere situatie te garanderen, maar ook om de efficiëntie en betaalbaarheid van het energiesysteem op peil te houden. De belangrijkste opties zijn: • Regulering van productie, bijvoorbeeld door het op- en afschakelen van regelbare energieopwekking (bijv. gascentrales) of het afschakelen van wind/zon (curtailment) bij overschotten. • Sturing van vraag, bijvoorbeeld door op- en afschakelen van industriële processen inclusief conversies (bijv. Power-to-X). • Import en export, waarbij overschotten en tekorten tussen landen en regio’s worden opgelost. • Energieopslag, door energie tijdelijk op te slaan en weer terug te leveren als er meer vraag dan aanbod is. Hierbij moet in sommige gevallen de energie in een andere energiedrager worden omgezet. In deze studie kijken we specifiek naar de verwachte toekomstige ontwikkeling van ondergrondse energieopslag naast andere flexibiliteitopties.

TNO 2020: Jaarverslag 2019 – Delfstoffen en Aardwarmte in Nederland. https://www.nlog.nl/sites/default/files/2020-11/jaarverslag_2019_delfstoffen_en_aardwarmte_nl_18-112020.pdf 13 TIKI: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2020/05/13/ adviesrapporttaskforce-infrastructuur-klimaatakkoord-industrie/2020+05+13+-+TIKI+adviesrapport.pdf 14 MIEK: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2020/04/15/ bijlage-rapporttaskforce-infrastructuur-klimaatakkoord-industrie/bijlage-rapport-taskforce-infrastructuur-klimaatakkoordindustrie.pdf 12

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

2.2

15 / 114

Verwachte ontwikkeling van ondergrondse energieopslag

Energieopslag is een dienst die m.n. wordt ingezet als onderdeel van de balans tussen energievraag en -aanbod. Daarmee concurreert deze technologie met andere flexibiliteitsopties die eveneens bijdragen aan deze balans. In de meeste gevallen wordt de afweging gemaakt op basis van kosten en baten. Ten opzichte van bovengrondse vormen van energieopslag (bijv. batterijen), onderscheiden technologieën voor ondergrondse energieopslag zich door een veel grotere opslagcapaciteit (en vermogen) die verbonden kunnen worden met gasnetten, waterstofnetten, warmtenetten en elektriciteitsnetten. Ondergrondse energieopslagen kunnen daardoor noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de gevraagde capaciteit en vermogens praktisch gezien niet of moeilijk te realiseren zijn met bovengrondse opslagtechnologieën en andere flexibiliteitopties. Typische voorbeelden zijn: • Verzekeren van levering en aanbod van energiedragers voor seizoensgebonden binnenlandse warmtevraag (typisch opslag van aardgas en mogelijk waterstof). • Bedienen van internationale energiehandel of grootschalige energiestromen tussen sectoren i.c.m. economisch benutten van prijsfluctuaties (typisch opslag van aardgas en mogelijk waterstof). • Aanleggen van strategische reserves voor evt. langdurige verstoring van energieaanbod dat we niet kunnen produceren uit eigen middelen (bijv. import van aardolie, waterstof, aardgas).

• Aanleggen van reserves om uitzonderlijke weerssituaties gedurende het jaar op te vangen zoals sterk tegenvallende productie uit wind en zon en grote warmtevraag tijdens extreme winters (typisch opslag van aardgas en mogelijk waterstof). • Balanceren van vraag en aanbod bij een groot aandeel variabele energiebronnen in de energiemix (mogelijk persluchtopslag, ondergrondse pompaccumulatie, waterstofopslag). • Efficiënter benutten van grootschalige aanbod van constante warmtebronnen (bijv. geothermie en industriële restwarmte) en seizoensgebonden warmtebronnen (bijv. zonthermie) binnen warmtenetten (mogelijk hoge-temperatuur warmteopslag in aquifers). De toekomstige vraag naar energieopslag zal door een groot aantal factoren worden gestuurd. Enkele belangrijke voorbeelden zijn: • De samenstelling, stuurbaarheid en continuïteit van het energieaanbod (primaire energiebronnen, import, weersafhankelijke opwek). • De samenstelling en aard van het eindverbruik (vraag naar finale energiedragers per sector, stuurbaarheid van vraag, afhankelijkheden tussen sectoren). • Wijze waarop aanbod en vraag met elkaar verbonden zijn (energienetten, conversies). • Ontwikkeling van technologie, energiemarkt en energie-/klimaatbeleid (innovaties, technologiekosten, energieprijzen, sturing, subsidies). • Externe invloeden zoals weer/klimaat, geopolitieke ontwikkelingen, maatschappelijke voorkeuren.

Bovenstaande factoren zijn onderzocht in een aantal recente studies (Hoofdstuk 3). In de kern onderzoeken deze studies aan de hand van scenario’s en modellen dezelfde vraag: Op welke wijze kan het toekomstige energiesysteem worden ingericht, zodanig dat i) de doelen voor de reductie van broeikasgasemissies worden gehaald, en ii) het aanbod van energie en de (finale) vraag naar energie binnen alle verschillende sectoren in balans is. De studies en de gebruikte modellen verschillen sterk in hun modelaanpak en uitkomsten, bijvoorbeeld:

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

• •

• •

16 / 114

De afbakening van technologieën, onderdelen van het energiesysteem of onderzochte tijdschalen en tijdstippen. De wijze waarop in het model keuzes worden gemaakt t.a.v. technologieën, energiedragers en samenstelling van eindverbruik (o.a. opgelegde keuzes en randvoorwaarden, kostenoptimalisatie, afbakening). De scenario’s en varianten/gevoeligheden die worden onderzocht. De wijze waarop uitkomsten worden gepresenteerd (bijv. wel of geen indicatie van vraag naar energieopslag, rapportage op jaar-, dag- of uurbasis).

In Hoofdstuk 3 worden allereerst de uitgangspunten en kenmerken van elke beschouwde energiesysteemstudie op een rij gezet. Hierbij wordt o.a. gekeken naar de vraag op welke punten de studies en modellen complementair zijn en waarin ze uniek dan wel verschillend zijn. In Hoofdstuk 5 – 7 wordt de vraag naar opslag voor verschillende energiedragers (waterstof, warmte, groen gas, omgezette elektriciteit, bijv. in de vorm van perslucht) beoordeeld op basis van deze energiesysteemstudies en op basis van eigen analyses. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen opslag die noodzakelijk is om vraag en aanbod in balans te houden en opslag die fungeert als strategische reserve voor het opvangen van eventuele verstoring van aanbod. Aansluitend worden verschillende opties besproken om aan deze vraag naar opslag tegemoet te komen vanuit het beschikbare potentieel voor ondergrondse opslag in Nederland. Dit potentieel betreft een herevaluatie van het potentieel dat door TNO en EBN is berekend in 20183. De ruimtelijke opties zijn ingedeeld naar regio en mate van technische beschikbaarheid. 2.2.1 Afbakening Dit rapport richt zich specifiek op ondergrondse opslag van energie die binnen het bereik van de Mijnbouwwet valt (m.n.

waterstof, aardgas/biogas en perslucht) en hoge temperatuur warmteopslag waarbij projecten vooralsnog boven het mijnbouw-wettelijke dieptebereik voor aardwarmte (500 m) worden ontwikkeld. Ondiepe of bovengrondse flexibiliteitopties worden wel beschouwd in de evaluatie (bijvoorbeeld ter vergelijking of als mogelijk alternatief) maar zullen niet verder worden uitgewerkt in de vraagbepaling en de koppeling met technisch en ruimtelijk potentieel. Een complicatie bij deze afbakening is echter wel dat warmteopslagprojecten zich rondom een diepte van 500 m zullen begeven. Dit rapport trekt geen conclusies over welke scenario’s voor toekomstige opslag het beste zijn. Wel wordt vergeleken hoe de beschikbare modellen en scenario’s tot een bepaling van de opslagvraag komen en welke uitgangspunten worden gebruikt. Deze inzichten worden gebruikt om een aantal ontwikkelpaden voor ondergrondse opslag te schetsen als basis voor beleidsaanbevelingen.

2.3

Ondergrondse opslagtechnologieën en beschikbare ruimte

In de volgende paragrafen wordt een korte samenvatting gegeven van bekende en technisch meest kansrijke opslagtechnologieën die in deze studie aan bod komen. Een uitgebreider overzicht wordt gegeven in het rapport “Ondergrondse opslag in Nederland” (TNO/EBN 20183, hierna OPVIS-1). Figuur 2.1 geeft een overzicht van de meest genoemde ondergrondse opslagtechnologieën en het soort ondergrondse ruimte dat theoretisch geschikt is. Figuur 2.2 geeft een overzicht van de belangrijkste opslagtechnologieën en hun rol in het energiesysteem.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

17 / 114

Figuur 2.1: Overzicht van opslagtechnologieën en de theoretische geschiktheid van ondergrondse ruimte. * = perslucht; ** = ondergrondse pompaccumulatie

Figuur 2.2: Rechts: Overzicht en vergelijk van energieopslagtechnologieën op basis van vermogen en leveringsduur. Links: Overzicht van gevraagde energiesysteemdiensten die binnen het bereik (vermogen, leveringsduur) van de energieopslagtechnologieën liggen.

2.3.1 Aardgasnet Ondergrondse opslag van aardgas / methaan is een zeer volwassen technologie die wereldwijd op honderden locaties wordt toegepast. Nederland kent vijf locaties waarvan één in een cluster van vijf zoutcavernes en vier andere in lege gasvelden. De totale energieinhoud (werkvolume) o.b.v. calorische waarde van aardgas varieert voor typische zoutcavernes tussen ca. 0,5 – 1,0 TWh (werkgasvolume van ca. 50 – 100 miljoen m3) en voor bestaande Europese15 opslagen in gasvelden tussen ca. 1 – 48 TWh (enkele miljoenen tot een paar miljard m3 werkgasvolume). Het productievermogen is o.a. afhankelijk van het aantal putten en kan in velden als Norg en Grijpskerk oplopen tot 740 GWh/dag (ca. 30 GW)16. De gasopslagen Norg, Grijpskerk en Bergermeer zijn aangelegd in aardgasvelden en 15 16

https://www.gie.eu/index.php/gie-publications/databases/storage-database www.gie.eu

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

18 / 114

ingericht om over een duur van meerdere maanden gas te leveren. In de piekopslagen (gasveld Alkmaar en zoutcavernes Zuidwending) wordt gedurende kortere perioden geleverd. Zuidwending wordt daarbij over meerdere opslagcycli per jaar ingezet (typisch voor zoutcavernes). Ondergrondse gasopslagen kunnen in de toekomst ook worden ingezet voor opslag van groen gas geproduceerd uit biomethaan, biomassa of synthetisch geproduceerd aardgas uit waterstof. Hiervoor zijn in principe geen bijzondere aanpassingen nodig. 2.3.2 Waterstofnet De aanleg van een waterstoftransportnet is één van de belangrijke onderdelen van de huidige plannen voor verduurzaming van het Nederlandse energiesysteem. Waterstof kan breed worden ingezet, voor warmtevoorziening (gebouwde omgeving en industrie), elektriciteitsproductie, transport en als industriële grondstof. Waterstof kan ook een belangrijke rol spelen bij het verbinden van verschillende sectoren. Voor het aanbod van waterstof worden in 2030 – 2050 verschillende opties voorzien: • Binnenlandse productie van blauwe waterstof uit aardgas met CCS (ter vervanging van huidige grijze waterstof zonder CCS). • Binnenlandse productie van groene waterstof uit hernieuwbare elektriciteit via elektrolyse. • Import van (duurzaam geproduceerde) waterstof uit andere landen via pijpleidingen (gasvormig) of schepen (vloeibaar of verbonden aan andere elementen).

Bij elk van de bovengenoemde opties is het waarschijnlijk dat grootschalige ondergrondse opslag van waterstof nodig zal zijn om vraag en aanbod op verschillende tijdschalen in balans te houden. Door de relatief hoge energie-inhoud en lange bewaartijd kan ondergronds opgeslagen waterstof ook een strategische functie hebben. Waterstof wordt momenteel op enkele plaatsen in de wereld opgeslagen voor industriële toepassingen in ondergrondse zoutcavernes17. Die locaties hebben een vergelijkbaar ontwerp als de cavernes waarin nu aardgas wordt opgeslagen. Opslag van waterstof in poreuze formaties (lege gasvelden) is nog in een experimentele fase. De eerste in-situ tests in Oostenrijk en Argentinië18 lijken erop te wijzen dat dit technisch en veilig kan. De belangrijkste aandachtspunten zijn: • Integriteit en afsluiting van het reservoirgesteente. • Mogelijke omzetting van waterstof in andere stoffen (door contact met het reservoirgesteente en formatiewater, of met micro-organismen). • Vermenging van waterstof met andere gassen in het reservoir. • Integriteit van putten en infrastructuur onder invloed van waterstof. • Prestatie van injectie en productie van waterstof in poreuze media. In de OPVIS1-studie zijn ca.

90 gasvelden en een tiental zoutstructuren mogelijk technische geschikt bevonden voor ondergrondse opslag van waterstof en is de verwachte opslagcapaciteit berekend (zie Paragraaf 1.4). 2.3.3 Flexibiliteit voor elektriciteitsnetten op basis van mechanische energieopslag Opslag van elektriciteit is ondergronds alleen mogelijk indien deze wordt omgezet in een daarvoor geschikte energiedrager. Naast conversie naar waterstof (P2G of P2H 2 genoemd), is de omzetting naar mechanische energie een bekende en beproefde optie. Hieronder 17

DBI-GUT 2017, The effects of hydrogen injection in natural gas networks for the Dutch underground storages. Final report 18 https://www.underground-sun-storage.at/; http://www.hychico.com.ar/

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

19 / 114

worden de twee meest besproken technologieën toegelicht. Deze leveren een vergelijkbare range aan systeemdiensten binnen het elektriciteitsnet en zijn te combineren (cascadering19) met andere vormen van bovengrondse flexibiliteit zoals bijvoorbeeld pompaccumulatie in valmeren (berggebieden), batterijen, vliegwielen en interconnectie met buurlanden. Persluchtopslag Deze technologie is gericht op grootschalige opslag van elektriciteit. Persluchtopslag in zoutcavernes (afgekort CAES, oftewel Compressed Air Energy Storage) wordt momenteel op twee locaties in de wereld toegepast en kan in de toekomst bijdragen aan het leveren van diensten die het elektriciteitsnet stabiel en in balans houden. Hierbij wordt elektriciteit gebruikt om lucht onder hoge druk te comprimeren. Een groot deel van de elektrische energie wordt tijdens compressie omgezet in hoge temperatuur warmte (ca. 600°C). Deze warmte moet worden afgevoerd om de compressie mogelijk te maken. De samengeperste lucht wordt vervolgens in een pekel-gevulde20 zoutcaverne geïnjecteerd op een diepte van ca. 700 1200 m en bij een druk van ca. 50 - 80 bar. Hier kan de energie voor een langere periode worden bewaard. Bij vraag naar elektriciteit kan de opgeslagen perslucht worden gebruikt om een turbine aan te drijven die elektriciteit genereert.

Tijdens de expansie van de lucht koelt deze sterk af, wat ten koste gaat van het vermogen en tevens tot schade kan leiden aan de installatie. Daarom moet tijdens deze fase weer warmte worden toegevoegd. CAES wordt typisch in ondergrondse zoutcavernes toegepast. Deze ruimtes zijn qua mechanische eigenschappen, productie-eigenschappen (capaciteit) en omvang uitermate geschikt. Het concept is reeds bewezen in de praktijk. Ervaringen en onderzoeken aan de hand van numerieke simulaties en laboratoriumanalyses laten zien dat er geen noemenswaardige problemen zijn m.b.t. de integriteit en stabiliteit van de ondergrondse installaties22. Er zijn alternatieven voorgesteld in verlaten mijngangen, poreuze formaties (aquifers) en aangelegde tunnels21. Deze worden echter allemaal gekenmerkt door praktische nadelen (o.a. afsluiting, technische performance en kosten) die de realisatie, althans op termijn van de komende jaren, onwaarschijnlijk maken. Bij de huidig ontwikkelde conventionele CAES-installaties wordt de compressiewarmte afgevoerd naar de omgeving. Bij de elektriciteitsproductie (expansie) wordt warmte toegevoegd door middel van de verbranding van aardgas. Daarom is deze vorm niet geheel duurzaam en niet vrij van CO2-uitstoot.

Bovendien gaat er veel energie verloren tijdens het gehele proces van opslag en ontlading (de totale efficiëntie inclusief inzet van aardgas ligt tussen 50-60%). Eén van de opties die wordt onderzocht, is de inzet van duurzaam geproduceerde (groene) waterstof om de lucht op te warmen. Alhoewel hiermee CO2 uitstoot wordt vermeden, blijft de technologie wel gekenmerkt door een lage efficiëntie. Tenslotte wordt de mogelijkheid onderzocht om de compressiewarmte tijdelijk op te slaan en weer te gebruiken bij elektriciteitsproductie. Deze zg. adiabatische variant is nog niet ontwikkeld maar conceptueel wel uitgewerkt. Pilotprojecten zijn mede om economische redenen gestopt. De belangrijkste uitdaging is de snelle overdracht van zeer hoge temperatuur warmte. Ideeën om dit ondergronds te doen zijn praktisch niet of moeilijk realiseerbaar gebleken. Bovengrondse opslag (in gesmolten zout of beton/basaltblokken) is wel mogelijk, maar daarbij is de houdbaarheid van warmte beperkt door geleidelijk weglekken 19

i.e. trapsgewijs inzetten van systeemdiensten tot een gezamenlijke oplossing voor de vraag naar flexibiliteit. Wanneer de caverne niet voor opslag wordt gebruikt, is deze gevuld met verzadigde pekel. 21 o.a. het Zwitserse project ALACAES (www.alacaes.com) 20

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

20 / 114

naar de omgeving. Dus wordt het van belang dat de CAES kort cyclisch is, zodat er weinig tijd is voor afkoeling van de opgeslagen warmte. In vergelijking met de grootste batterijsystemen (Tesla-Australië 100 MW, ca. 1,5 uur) levert CAES een beduidend hoger vermogen (typisch 100-500 MW) gedurende een langere periode (enkele uren tot ca. een dag) 22. Vermogen en duur zijn beide in principe schaalbaar met het aantal en de omvang van zoutcavernes die aan de installatie zijn verbonden. Toch is de opslagcapaciteit van CAES te beperkt om een praktische oplossing te bieden voor strategische reserves en het balanceren van grote vermogens aan wind en zon op nationale schaal. CAES kan een interessant verdienmodel bieden voor private ondernemers met de brede range aan verschillende diensten voor het elektriciteitsnet (o.a. intra-dag handel in elektriciteit, reguleren van netfrequentie, beschikbaarheid van reservevermogen, herstart van elektriciteitscentrales, volgen van elektriciteitsvraag en opvangen van inertie bij elektriciteitsproductie). Met het toenemende aandeel van hernieuwbare elektriciteit (wind, zon) en het veranderende en toenemende gebruik van elektriciteit, zullen deze diensten in de toekomst mogelijk vaker gevraagd worden. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat CAES veel concurrentie heeft van alternatieve bovengrondse flexibiliteitopties.

Ondergrondse pompaccumulatie Deze vorm van opslag is net als CAES direct verbonden met het elektriciteitsnet en levert vergelijkbare diensten en verdienmodellen. De voorgestelde technologie is een ondergrondse variant van de valmeren die in veel bergachtige gebieden zijn aangelegd. Bij overschot aan (hernieuwbare) elektriciteit wordt water vanuit de ondergrond naar een aan het oppervlak gelegen bassin gepompt (in dit geval vanaf op ca. 1,5 km diep gelegen tunnels.). Bij vraag naar elektriciteit laat men het water weer naar beneden stromen naar de tunnels waarbij turbines worden aangedreven voor elektriciteitsproductie. Het geleverde vermogen is hoger dan dat van CAES (ca. 1400 MW volgens een gepubliceerd concept23). De leveringsduur is met ca. 6-7 uur vergelijkbaar met CAES-systemen. De efficiëntie ligt met ca. 70-80% beduidend hoger. De technologie is volledig duurzaam. De mogelijkheid voor de aanleg van een ondergronds pompaccumulatiesysteem (O-PAC genaamd) wordt momenteel onderzocht in kalkgesteente (Onder Carboon – Dinantien) op een diepte van ~1,5 km in Limburg. Eerdere locatievoorstellen zijn afgewezen wegens de nabijheid van actieve breuksystemen. In theorie kunnen diepe ondergrondse tunnels ook elders worden aangelegd, maar hier is nog geen evaluatie voor uitgevoerd.

De aanleg van een installatie, zoals in het huidige voorstel, heeft echter hoge aanlegkosten en zal lange aanlooptijden hebben. De technologie voor de aanleg van de tunnels is in principe beschikbaar, maar dergelijke projecten vormen een forse uitdaging qua engineering. 2.3.4 Warmtenet Er is een breed spectrum aan technologieën die warmte en/of koude kunnen opslaan in de ondergrond. Daarbij is vaak de temperatuur en toepassing leidend in de keuze. De belangrijkste technologieën worden hieronder kort toegelicht: High Temperature Aquifer Thermal Energy Storage De termen warmtebuffering en High Temperature - Aquifer Thermal Energy Storage (HTATES) worden in dit rapport afwisselend gebruikt voor dezelfde toepassing, omdat

22

TKI-Large Scale Energy Storage, 2020: WP 2: Techno-Economic Modelling of Large-Scale Energy Storage Systems 23 Proefschrift Jan Huynen 2019: Blue battery for green energy

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

21 / 114

aangenomen is dat HT-ATES de enige grootschalige ondergrondse warmtebuffering is die relevant is voor deze studie. Met deze technologie wordt warm water (ca. 50 en 90°C) opgeslagen in aquifersystemen op een diepte van ca. 50 - 500 meter. De optimale diepte hangt af van de kosten van aanleg, de productiviteit en de toegestane temperatuur van het geïnjecteerde water. In theorie is aanleg tot een diepte van 1500 m technisch haalbaar, maar weinig aantrekkelijk vanwege de hoge kosten. Het verwachte vermogen ligt tussen 5 en 20 MWth waarmee op jaarbasis ergens tussen ca. 10 - 50 GWhth aan warmte kan worden gebufferd. Hoge-temperatuur warmteopslag wordt typisch ingezet in lokale en regionale warmtenetten voor een betere en meer efficiënte inzet van constante en seizoensgebonden warmtebronnen (geothermie, restwarmte, zonthermie). De buffersystemen worden typisch op seizoensbasis (winter en zomer) ingezet, maar kortere tijdschalen zijn eveneens mogelijk. In Nederland zijn enkele pilotprojecten ontwikkeld en nieuwe projecten zijn in aanbouw dan wel in de evaluatiefase. Volgens de meest recente evaluaties, is er een wijdverbreid potentieel over grote delen van Nederland24. De inzet van en vraag naar HT-ATES wordt uitgebreid geëvalueerd in Hoofdstuk 6. Er wordt in de praktijk onderscheid gemaakt tussen LT-ATES (0 - 25 °C), MT-ATES (25 - 50 °C) en HT-ATES (50 - 90 °C).

Rapport spreekt over warmtebuffering en HT-ATES, maar rekent met warmtehoeveelheden (in TWh) en houdt de operationele temperatuur buiten beschouwing. Warmte-Koude-opslag (WKO) WKO wordt al geruime tijd in duizenden projecten toegepast in Nederland in zowel ondiepe tot matig diepe aquifers (ca. 50 - 250m) en verlaten mijngangen onder Heerlen - Limburg. Het idee is dat zowel warmte als koude worden opgeslagen in een systeem met meerdere injectie- en productieputten. De technologie wordt typisch toegepast op individuele gebouwen en op wijkniveau (lokale warmtenetten). De technologie kan in principe op veel plaatsen worden toegepast maar loopt daarbij mogelijk ook tegen ondergrondse ruimtelijke begrenzingen aan. Bij grootschalige inzet in stedelijke gebieden treedt mogelijk interferentie (vermenging koud en warm waterbel) op waardoor de prestatie terugloopt. Verder kan er sprake zijn van interferentie met grondwaterlagen die voor andere doeleinden worden benut. Warmte-koude-opslag valt niet onder de mijnbouwwet of nationaal beleid en is derhalve buiten de scope van deze studie gehouden. Gesloten bodemwarmtesystemen Deze systemen worden meestal direct aangesloten op gebouwen of eindgebruikers voor het bedienen van seizoensgebonden warmtevraag.

Het betreft warm water (tussen 0 en 90°C) dat in ondiepe buizen (vlak onder maaiveld of boorgaten tot enkele tientallen meters diepte) wordt gepompt. Deze buizen geven de warmte af aan het omringend gesteente en vice versa. Het vermogen is schaalbaar en kan in de praktijk vergelijkbaar zijn met opslag in tanks. Gesloten bodemwarmtesystemen kunnen op uitgebreide schaal worden aangelegd. In Zweden zijn dat er al vele honderdduizenden.

24

Dinkelman, D., Bergen, F. van, Veldkamp, J., 2020: Geological model, shallow subsurface temperature model and potential maps for HT-ATES in the Netherlands. WINDOW research programme.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO2021 R11125

22 / 114

Deze technologie valt niet onder de mijnbouwwet of nationaal beleid en is derhalve buiten de scope van deze studie gehouden. Opslag in (begraven) tanks Deze technologie slaat warm water (ca. 10 - 90°C) op in bovengrondse tanks, of in grotere, goed geïsoleerde betonnen bassins die vlak onder maaiveld worden ingegraven 25. Deze technologie wordt typisch ingezet op wijkniveau en lokale warmtenetten voor seizoensgebonden warmtevraag maar kunnen ook bijdragen aan een meer efficiënte inzet van constante of seizoensgebonden warmtebronnen. Het vermogen varieert tussen ca. 1 en 30 MWth met schaalbare opslagvolumes tot ca. 5 GWhth. Deze technologie valt niet onder de mijnbouwwet of nationaal beleid en is derhalve buiten de scope van deze studie gehouden. Opslag in geïsoleerde bassins Deze technologie slaat warm water (10 - 90°C) op in gegraven bassins (pit storage), soms met een meebewegend (drijvend) dak. Deze technologie is volledig schaalbaar, maar kost relatief veel grondoppervlak. In Nederland wordt deze toepassing voor grootschalig gebruik daarom vaak niet overwogen, terwijl het (één van) de goedkoopste vorm van warmteopslag is. Opslag in pits hebben een vergelijkbaar opslagbereik als opslag in tanks. Deze technologie valt niet onder de mijnbouwwet of nationaal beleid en is derhalve buiten de scope van deze studie gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10908143/1