05-06-03 Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2020
Tekst van het document
30
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
3.4.3
Bepalen functionaliteitszone
Voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen (zowel jaarrond in gebruik als tijdelijk in gebruik) geldt als uitgangspunt het behouden en functioneel houden van de rust- en voortplantingsplaats. Het betreft de noodzakelijke behoeften binnen de soortspecifieke actieradius, dit noemen we de functionaliteitszone. Een ecologisch deskundige bepaalt deze. Voorbeelden zijn:
•
In- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld deel van het water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s).
•
Een constant leefklimaat in en nabij de rust- en voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld plek met bezonning van de oever met kikkerdril.
•
Beschikbaarheid van noodzakelijke bouwstoffen voor het maken en onderhouden van de voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute.
•
Beschikbaarheid van voedsel voor het continue voeden van de jongen. Bijvoorbeeld voor vleermuizen bestaat de zone uit de kraamkamer, de foerageerlocatie en de route tussen beide locaties.
Voor tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen is deze bepaling alleen noodzakelijk indien er binnen de gebruiksperiode van de rust- en voortplantingsplaats wordt gewerkt. Op basis van de soort en de bestaande situatie wordt door een ecologische deskundige (zie § 2.3) per rust- en voortplantingsplaats de omvang van de functionaliteitszone bepaald. Indien er beschermde soorten op of nabij de werklocatie leven, zonder aanwijsbare rust- en voortplantingsplaatsen, is er alleen sprake van een leefgebied (bv. vissen in het grachtenstelsel). Ten behoeve van het behoud van deze soorten dient het leefgebied op of nabij de werklocatie in kaart te worden gebracht. Dit betreft de begrenzing van het leefgebied, eventueel opgedeeld in biotopen per kwetsbare periode (bv. overwinteringsbiotoop en voortplantingsbiotoop). Binnen het leefgebied kan schade voorkomen of beperkt worden door te faseren en/of te geleiden (met tijdelijke voorzieningen) met behoud van de functionaliteit van de werklocatie als leefgebied. Dit is nader uitgewerkt in de maatregelencatalogus.
3.4.4
Opstellen ecologisch werkprotocol
Het ecologisch werkprotocol vormt de projectspecifieke uitwerking van de gedragscode. Het ecologisch werkprotocol wordt opgesteld aan de hand van het format uit checklist III.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
31
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Gedurende de planvorming en werkvoorbereiding wordt er naar een volledig ecologisch werkprotocol toegewerkt. Het betreft in eerste instantie een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen op basis van voorgaande paragrafen. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt het ecologisch werkprotocol verder uitgewerkt met technische specificaties voor de realisatie. Hoofdstuk 4 biedt hiervoor de basis.
32
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
RO-checklist III - Format ecologisch werkprotocol 1. Algemene werkbeschrijving Omschrijving van het project waar dit ecologisch werkprotocol bij hoort.
2. Risicoanalyse Projectinformatie • Werklocatie en werkgrens (bestaande situatie). • Werkzaamheden. • Wettelijk belang(en). • Planning. • Soortinformatie. Risicoanalyse Welke flora en fauna risico’s gelden op basis van te verrichten werkzaamheden, locatie, soortinformatie en planning? • Welke verboden kunnen overtreden worden? • Conclusie: Is het werk uitvoerbaar middels voorkomen of beperken?
3. Risicomanagement Deskundig handelen • Inzet deskundig personeel (aantoonbaar). • Wanneer werkinstructies: overdracht informatie en werkwijze. Zorgvuldig handelen • Algemeen zorgvuldig handelen: o Controle informatie in het veld. o Planning. o Werkwijze: Werkrichting/werktechniek/fasering. o Geluid, trilling en licht. o Vernatting, verdroging. o Menselijke aanwezigheid. o Omgang met vrijkomende materialen. •
Specifiek zorgvuldig handelen: Omgang met individuen, rust- en voortplantingsplaatsen en leefgebied: uitwerken voorkomen en/of beperken o.b.v. maatregelencatalogus.
4. Verzamelen en uitwisselen gegevens • • •
Aanpak controle actualiteit soortgegevens. Format voor overdracht soortgegevens. Overdrachtsmomenten.
5. Communicatie • • •
Taakverdeling: wie communiceert over wat aan wie. Overlegmomenten, bijwoonpunten en veldcontroles. (Eind)evaluatie.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
33
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
3.5
Zorgvuldig realiseren
De realisatie dient aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol plaats te vinden. Hiervoor gelden de volgende aandachtspunten:
•
Deze gedragscode en het bijbehorende ecologisch werkprotocol inclusief bijlagen zijn aanwezig op de werklocatie (opnemen in het projectdossier).
•
Er wordt aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol gewerkt, medewerkers krijgen een werkinstructie op basis van het ecologisch werkprotocol. Het ecologisch werkprotocol is actueel: mutaties in de aanpak worden verwerkt in het ecologisch werkprotocol (op basis van overleg tussen betrokken partijen).
•
Na afronding van de werkzaamheden worden tijdelijke voorzieningen zoals markeringen en eventuele tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen verwijderd.
• •
Na afronding wordt het ecologisch werkprotocol geëvalueerd. Het projectdossier wordt minimaal vijf jaar gearchiveerd.
In bepaalde situaties is het noodzakelijk om ruim voor de start van het project eerst maatregelen ter bescherming van flora en fauna uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn:
•
Aanbrengen van tijdelijke faunageleidende voorzieningen om werkzaamheden te zoneren of te faseren (bv. plaatsen van schermen voor hagedissen).
•
Plaatsen van tijdelijke vervangende rust- en voorplantingsplaatsen (bv. in het voorjaar ophangen van vleermuiskasten t.b.v. paarverblijven voor ruige dwergvleermuis).
Ook dergelijke maatregelen maken deel uit van het ecologisch werkprotocol.
3.6
Omgaan met calamiteiten
Een calamiteit betreft een onvoorziene gebeurtenis die actie vereist vanwege een acuut risico voor de volksgezondheid of openbare veiligheid. Voorbeelden van situaties zijn acute of dreigende wateroverlast, overstroming, droogte of waterverontreiniging of de noodzakelijke inzet van een waterberging. In die gevallen kunnen de voorschriften uit deze gedragscode mogelijk niet worden opgevolgd. Dergelijk calamiteiten vallen buiten de vrijstelling van de gedragscode. In minder acute situaties – er is nog wel sprake van een calamiteit maar het acute gevaar is geweken en er is tijd voor afstemming en het treffen van maatregelen – waarbij niettemin de veiligheid van mensen, gebouwen, installaties of kunstwerken in gevaar is, wordt onmiddellijk met een ecologisch deskundige overlegd
34
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
over de werkwijze die in die situatie het meeste recht doet aan de bescherming van aanwezige juridisch beschermde soort(en). Vervolgens vindt er een afweging plaats van het advies in de context van het incident en wordt op basis daarvan gehandeld. Het advies, de genomen maatregelen en de eventuele effecten op beschermde soorten worden in het projectdossier gedocumenteerd. Voor zover mogelijk wordt de calamiteit, de gevolgen voor rust- en voorplantingsplaatsen en de werkwijze met beelden vastgelegd zodat het zorgvuldig handelen kan worden aangetoond.
VOORBEELD 1, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING Vervangen van het brugdek van een houten fietsbrug 1.
Werkzaamheden: Het brugdek wordt losgekoppeld van de draagconstructie vanaf een ponton in het water. Het brugdek wordt met een kraan van de draagconstructie getild en met een vrachtwagen afgevoerd. Het plaatsen van het nieuwe brugdek verloopt in omgekeerde volgorde. Het verkeer wordt tijdens de werkzaamheden omgeleid. Er is een werkruimte rondom de brug nodig van 10m. Op basis van deze gegevens is er soortinformatie nodig in een straal van 100m rondom de brug.
2.
Situatie: brug, water, oever met gras en een rietkraag. De fietsbrug is verlicht met 2 lichtmasten.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
35
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
36
3.
Planning: mei-juni met een doorlooptijd van 1 week.
4.
Belang: Het brugdek is verrot en niet meer veilig. De fietsbrug is onderdeel van een fietsnetwerk voor woon-werkverkeer in de openbare ruimte. Het alternatief is 15km omrijden. Er is sprake van het wettelijk belang ‘openbare veiligheid’.
5.
Aangetroffen rust- en voortplantingsplaatsen in een straal van 100m rond de brug zijn: • Onder de brug, in de draagconstructie nestelt een merel (nest tijdelijk in gebruik). • In de rietkraag, langs het water, broedt een meerkoet (nest tijdelijk in gebruik) op 15m afstand van de brug. • In de oever zit een beverburcht (jaarrond in gebruik) op 25m afstand van de brug.
6.
Gebruik en functionaliteitszones zijn: • Merel: broedperiode maart tot en met augustus, functionaliteit: brugconstructie + vrije aanvliegroute. • Meerkoet: broedperiode maart tot en met augustus, functionaliteit: rietkraag + voedsel uit water. • Beverburcht: burcht jaarrond in gebruik, de kraamperiode mei tot en met augustus is de kwetsbare periode, functionaliteit: rietkraag + water (ingang) + zwemroute naar nabijgelegen wilgenbos op 30m afstand (onder de brug door).
7.
Mogelijke risico’s zijn: doden van beschermde soorten, beschadigen rust- en voortplantingsplaats van vogels en bever en verstoren vogels en bever. Door buiten de broedperiode van de merel en meerkoet te werken, is overtreding van de verboden te voorkomen (gebruik nesten monitoren of realisatie verschuiven naar september). Voor de beverburcht zijn jaarrond maatregelen nodig om schade te voorkomen door het hanteren van een beschermingszone. Verstoren wordt voorkomen door te werken buiten de kraamperiode en afstand te houden.
8.
De verstoringsvrije afstand rondom de burcht is op basis van bijlage 5 bepaald op 20 m. De afstand is bepaald op basis van de verstoringsgevoeligheid van de bever, het bestaande gebruik van de locatie en de werktechniek bij de vervanging van de brug. Aanwezigheid van mensen onder de brug en de inzet van de kraan met bijbehorende geluiden en trillingen zijn daarin bepalend.
9.
Uitwerken zorgvuldig handelen: • Realisatie in september (dus opschuiven planning). • Werken bij daglicht. • Geen bouwverlichting gebruiken. • Bij burcht beschermingszone hanteren: bouwhek op grens werklocatie (20m van burcht), niet werken buiten de werklocatie. • Voorkomen van trilling en zetting bij burcht: kraan op wielen inzetten en zover als mogelijk van de burcht vandaan opstellen (minimaal 20m). • Werken met elektrisch gereedschap. • De zwemroute van de bever tussen burcht en voedsellocatie is ’s avonds vrij van obstakels (bv. werkponton verplaatsen). • Behoud waterpeil en waterkwaliteit (bv. spoelwater van reinigen van machines niet naar water laten weglopen).
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.
MAATREGELEN Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting
4.1
Gebruik maatregelencatalogus
Per categorie en soortgroep zijn in § 4.3 tot en met § 4.7 maatregelen uitgewerkt om zorgvuldig om te gaan met aanwezige beschermde flora en fauna. De maatregelencatalogus bestaat uit de volgende categorieën:
1.
Gebouwen en werken, zie § 4.3.
2.
Houtige begroeiingen, § 4.4.
3.
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein, zie § 4.5.
4.
(Half)verhardingen en terreinmeubilair, zie § 4.6.
5.
Wateren en oevers, zie § 4.7.
Op basis van hoofdstuk 3 is al een groot deel van het zorgvuldig handelen uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol, het betreft de volgende onderdelen: A. B. C. D.
Uit te voeren werkzaamheden. Omvang van de werklocatie: werkgrens. Uitvoeringsperiode en planning. Wettelijk belang en mogelijkheden voor andere bevredigende oplossing. E. Aanwezigheid rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied op de werklocatie en binnen invloedzone van de werkzaamheden F. Gebruik en functionaliteitszone per rust- en voorplantingsplaats. G. Verstoringsvrije afstand tussen werkzaamheden en rust- en voortplantingsplaatsen, werkwijze en werktechniek. H. Voorkomen van mogelijke overtredingen door het aanpassen van de werkwijze en/of planning waardoor buiten de kwetsbare locaties en/of kwetsbare periode(n) wordt gewerkt. Voorafgaand aan de realisatie wordt het ecologisch werkprotocol op technisch detailniveau uitgewerkt:
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
37
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
I.
J.
4.2
Bepaal uit welke categorie(en) uit de maatregelencatalogus de werklocatie bestaat. De focus ligt op categorieën met rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied. LET OP: het kan ook gaan om categorieën die buiten de werklocatie vallen en binnen de invloedzone liggen, zie ook ‘Voorbeeld 1, Ruimtelijke Ontwikkeling’. Vul het ecologisch werkprotocol aan met algemene en specifieke werkwijzen op basis van de bij de categorie en soortgroep beschreven aanpak uit de catalogus.
Type maatregelen in de catalogus
In de maatregelencatalogus (zie § 4.3 tot en met § 4.7) is per categorie en per soortgroep invulling gegeven aan vier typen maatregelen: A, B, C en D. Bij de maatregelen A, B en C is sprake van voorkomen van overtreding. Bij maatregel D is sprake van beperkt overtreden onder de vrijstelling van de gedragscode. Dit beperkt overtreden kan alleen als er geen alternatieven voorhanden zijn, als er sprake is van een in de wet genoemd belang (zie tekst kader bij 2.2.1 en 2.2.2) en kan voor ruimtelijke ontwikkelingen alleen voor een beperkt aantal soorten (zie soorten met status ‘beperken’ in bijlage 2). De maatregelen staan in volgorde van (afnemende) prioriteit. Waar nodig zijn specifieke soorten uitgelicht. A. Markeren van een beschermingszone op basis van de essentiële onderdelen van het leefgebied van de soort, de verstoringsgevoeligheid van de soort en de invloed van de uit te voeren werkzaamheden. Alleen werken buiten deze zone en voorkomen van negatieve effecten binnen deze zone. B. Binnen de beschermingszone buiten de kwetsbare periode van de soort werken. Geen aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied en voorkomen van verstoren door het treffen van maatregelen. C. Binnen de beschermingszone binnen de kwetsbare periode van de soort werken. Voorkomen van aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied en van verstoren door het treffen van maatregelen. D.
Binnen de beschermingszone werken met een geringe (tijdelijke) aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied. Het werk faseren waarbij een deel van het essentiële leefgebied tijdelijk niet beschikbaar is. Er worden maatregelen getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. In de laatste plaats kunnen essentiële delen van het leefgebied opgeheven worden indien er (tijdelijke) alternatieven beschikbaar zijn en duurzame alternatieven op termijn beschikbaar komen.
38
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
De maatregelen zijn ingedeeld in soortgroepen voor zover deze binnen een categorie voorkomen. De kleur geeft weer bij welke categorie de maatregelen horen. Ze komen dus in vijf verschillende kleuren voor.
Vogels
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Amfibieën
Reptielen
Vlinders
Libellen
Kevers
Weekdieren
Planten
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
39
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.3
Gebouwen en werken
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het (ver)bouwen/renoveren, aanbouwen en (gedeeltelijk) verwijderen van gebouwen, (civieltechnische) werken en bovengrondse nutsvoorzieningen. Voorbeelden zijn: huizen, bruggen, stuwen, kade- en grachtenmuren en fietstunnels. Voor het bouwrijp maken van een terrein, zie categorieën Kruidige begroeiing en (Half)verharding. Wanneer werkzaamheden vanaf het water worden uitgevoerd met negatieve effecten op watergebonden soorten zie ook categorie Water en oevers.
4.3.1 Vogels In gebouwen zal de aanwezigheid van beschermde vogelsoorten vooral de aanwezigheid van nesten betreffen onder (zoals huismus) of op dakconstructies (zoals visdief, scholekster of slechtvalk), in de spouw (zoals gierzwaluw) of in (nabijgelegen) schuren (zoals kerkuil). Bij civieltechnische werken kunnen nesten aanwezig zijn van bijvoorbeeld duiven, huiszwaluw of grote gele kwikstaart.
Alle soorten A
Bij gebouwen en werken met rust of voortplantingsplaatsen van beschermde vogelsoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden deze delen gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen dient te worden voorkomen of er dienen maatregelen getroffen worden om dat te voorkomen door bijvoorbeeld het aanbrengen van een beschermingszone.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode. Voor nesten die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies behouden moeten blijven.
Voor de volgende soorten gelden specifieke maatregelen en zijn er onder voorwaarden soms beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) mogelijk.
Kerkuil, steenuil, slechtvalk en grote gele kwikstaart B
40
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode. Dit betreft een indicatieve periode van februari tot en met juli voor steenuil en tot en met
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
augustus voor kerkuil, februari tot en met april voor slechtvalk en maart tot en met half juli voor grote gele kwikstaart. -
In- en uitvliegmogelijkheden blijven behouden. De constructie met de rust- en voortplantingsplaats blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn, zie ook bijlage 5.
Huismus en gierzwaluw B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode. De broedperiode betreft een indicatieve periode van maart tot en met augustus voor huismus en voor gierzwaluw half april tot en met half augustus. Voor huismus worden vorstperioden ook aangemerkt als kwetsbare periode. -
D
In- en uitvliegmogelijkheden blijven behouden. De constructie met de rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn, zie ook bijlage 5. Aanwezige muurbegroeiing die wordt gebruikt door huismus, dient zoveel mogelijk behouden te blijven.
Werkzaamheden worden uitgevoerd met herstel van de aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen op dezelfde locatie (bv. bij renovatie van daken). De werkzaamheden worden bij voorkeur buiten de kwetsbare periode uitgevoerd. De kwetsbare periode betreft een indicatieve periode van maart tot en met augustus voor huismus en voor gierzwaluw van half april tot en met half augustus. Voor huismus worden vorstperioden ook aangemerkt als kwetsbare perioden. In geval van noodzaak kunnen werkzaamheden worden uitgevoerd in de kwetsbare broedperiode (aantonen vanuit welk belang en waarom moet het op dit moment, op deze plek en met deze werkwijze). De werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd waarbij minimaal 75% van de aanwezige rusten voortplantingsplaatsen binnen de werklocatie beschikbaar zijn. Voor de overige 25% rust- en voortplantingsplaatsen dienen alternatieve rust- en voortplantingsplaatsen op de werklocatie of in de directe omgeving beschikbaar te zijn (conform de kennisdocumenten). -
-
Bij de locaties die tijdelijk niet beschikbaar zijn worden tijdelijk werende voorzieningen aangebracht voorafgaand aan de broedperiode. Er wordt voorkomen dat vogels worden ingesloten. In- en uitvliegmogelijkheden en de constructie met rust- en voortplantingsplaatsen worden zo snel mogelijk hersteld. Uiteindelijk is 100% van de aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen weer beschikbaar.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
41
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
D
Rust- en voortplantingsplaatsen kunnen worden opgeheven buiten de kwetsbare periode (bv. bij sloop), mits de noodzaak hiervan kan worden onderbouwd en de hiervoor beschreven werkwijzen niet mogelijk zijn. -
-
Er worden werende voorzieningen aangebracht een week voorafgaand aan sloopwerkzaamheden. Er wordt voorkomen dat vogels worden ingesloten. Er dienen per nestlocatie, 2 nieuwe duurzame voorzieningen voor huismus en 5 voor gierzwaluw te worden gerealiseerd in de buitenschil van de nieuwbouw op de betreffende locatie, zoals omschreven in het kennisdocument van de betreffende soort. De voorzieningen dienen qua karakteristieken en locatie zoveel mogelijk overeen te komen met de oorspronkelijke nestlocatie. Voor huismus is daarbij van belang dat voorzieningen geclusterd worden gerealiseerd. De voorzieningen moeten minimaal 1 maand voor de broedperiode beschikbaar zijn. Om de broedperiode gedurende de sloop en nieuwbouw te overbruggen worden tijdelijk binnen 100-200m van het projectgebied, geschikte nestkasten voor de betreffende soort opgehangen, zoals omschreven in het kennisdocument. Hierbij een gewenningsperiode van 3 maanden aanhouden.
Ringmus, boerenzwaluw, huiszwaluw, stormmeeuw, zilvermeeuw, geelpootmeeuw, kleine mantelmeeuw, visdief A
Bij gebouwen en werken met rust- en/of voortplantingsplaatsen van deze soorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden delen met rustof voortplantingsplaatsen gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen dienen voorkomen te worden of dienen maatregelen getroffen worden om dat te voorkomen.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode waarbij: -
In- en uitvliegmogelijkheden, indien relevant, behouden blijven. De constructie met voortplantingsplaatsen behouden blijft. Constructie is 1 maand voor de broedperiode beschikbaar.
Ooievaar A
42
Bestaande nesten jaarrond behouden. Indien soorten ook buiten de broedperiode gebruik maken van het nest als rustlocatie, dient geluids- en visuele verstoring door uitvoering van werkzaamheden te worden voorkomen.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.3.2 Vleermuizen Diverse soorten vleermuizen in Nederland maken gebruik van bouwwerken om overdag te rusten, hun jongen groot te brengen of te overwinteren. In gebouwen kan het gaan om spouwconstructies, zolders, ruimtes onder het dak, boeiborden en allerlei andere nauwe en holle ruimtes in de buitenschil van een gebouw, maar ook schuren, bunkers etc. worden benut. Ook zijn er soorten die onder bruggen, in oude gemetselde riolen, duikers en overkluisde watergangen verblijven. Bruggen en tunnels kunnen voor vleermuizen ook onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute. Voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis zijn beperkte negatieve effecten mogelijk ten aanzien van paar- en zomerrustplaatsen. Voor overige functies en soorten geldt dat negatieve effecten (Dmaatregelen) worden voorkomen.
Rust- en voortplantingsplaatsen alle soorten A
Werkzaamheden uitvoeren buiten de beschermingszone. Verstoring van vleermuizen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen voorkomen.
B
Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, binnen de beschermingszone: -
-
Op locaties met kraam- en/of winterverblijven werken buiten de kwetsbare periode. De kwetsbare perioden zijn de kraamperiode van mei tot en met juli en winterrustperiode van november tot en met maart. In- en uitvliegmogelijkheden blijven toegankelijk. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn, zie ook bijlage 5. Wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn, alleen werken bij daglicht.
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis D
Het is mogelijk renovatiewerkzaamheden beschermingszone op de volgende wijze: -
uit
te
voeren
binnen
de
Werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd, zodat altijd 50% van de aanwezige zomer- en paarverblijven op de projectlocatie beschikbaar zijn. Bij de tijdelijk niet beschikbare locaties worden
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
43
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
-
D
tijdelijk werende voorzieningen aangebracht voorafgaand aan de gebruiksperiode (bv. vleermuis exclosure flaps). In- en uitvliegopeningen en de constructie met zomer- en paarverblijven worden zo snel mogelijk hersteld zodat 100% van de locaties weer beschikbaar komt. De locaties met kraam- en of winterverblijven blijven behouden.
Het is mogelijk buiten de kwetsbare periode zomer- en paarverblijven op te heffen (bv. bij sloop). Dit kan worden ingeleid door het aanbrengen van tochtgaten en/of het gebruik van exclosure flaps. Per bestaand verblijf dienen 4 nieuwe permanente voorzieningen voor gewone dwergvleermuis en/of gewone grootoorvleermuis te worden gerealiseerd in de buitenschil van de nieuwbouw op de betreffende locatie, zoals omschreven in het kennisdocument van de betreffende soort. -
-
Het is daarbij van belang dat de voorzieningen duurzaam zijn, qua karakteristieken zoveel mogelijk overeenkomen met de oorspronkelijke locatie en waarbij minimaal 1 maand gewenningstijd wordt geboden. Om de periode van sloop en nieuwbouw te overbruggen worden binnen 100-200m van de werklocatie geschikte (tijdelijke) kasten voor betreffende soort en functie opgehangen, zoals omschreven in het kennisdocument. Hierbij een gewenningsperiode van 3 maanden aanhouden.
Vliegroutes alle vleermuissoorten B
Bij aanwezigheid van essentiële vliegroutes van vleermuizen door tunnels of onder bruggen wordt in de periode van november tot en met maart gewerkt. Dit is buiten de gebruiksperiode.
C
Werkzaamheden aan bruggen of tunnels met essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen in de actieve periode van deze soortgroep worden uitgevoerd wanneer: -
-
44
In de avond/nacht een obstakelvrije doorgang (omvang door een ecologisch deskundige te bepalen), onder het plafond/brugdek toegankelijk blijft voor vleermuizen. Werkzaamheden uitsluitend bij daglicht uitvoeren. Aanwezige begeleidende begroeiing, richting tunnel of brug behouden. Eventuele verlichting mag de functionaliteit van de essentiële vliegroute niet beperken.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.3.3 Overige zoogdieren De overige zoogdieren die in of direct bij gebouwen en werken voorkomen zijn steenmarters of boommarters. Zij kunnen gebruik maken van zolders, kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen of schuurtjes om te rusten of hun jongen groot te brengen. In veel mindere mate kan het voorkomen dat eikelmuizen in stallen of schuurtjes overwinteren. Voor steenmarter, zijn beperkte negatieve effecten (Dmaatregelen) mogelijk.
Alle soorten A
Bij gebouwen met rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter, boommarter of eikelmuis worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden delen van een gebouw met rust- of voortplantingsplaatsen van deze soorten gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Bij beide opties dient verstoring door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen voorkomen te worden.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode van boommarter en/of steenmarter is van maart tot en met augustus en de winterrustperiode van eikelmuis is van oktober tot en met maart. Pas nadat is vastgesteld dat rust- en voortplantingsplaatsen verlaten zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Bij uitvoering van werkzaamheden moet de constructie van de rust- en voortplantingsplaatsen intact en toegankelijk worden gehouden.
Steenmarter D
Buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (de voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus) kunnen toegangen tot een rust- en voortplantingsplaats worden afgesloten en/of de rust- en voortplantingsplaats ongeschikt worden gemaakt. Hiermee kan de aanwezigheid van de steenmarter bij werkzaamheden worden voorkomen. Voorafgaand aan het afsluiten van de toegangen of ongeschikt maken, dient de afwezigheid door een ecologisch deskundige te worden bevestigd. Als er sprake is van een kraamlocatie dient een alternatief verblijf te worden aangeboden in het functionele leefgebied, dit bijvoorbeeld in de vorm van een grote takkenhoop van snoeihout op een rustige plek, eventueel in combinatie met een steenmarterkast.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
45
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.3.4 Amfibieën en reptielen Amfibieën en reptielen (ringslang) kunnen overwinteren in vorstvrije en veelal vochtige gebouwen, zoals kelders. Voor rugstreeppad, gewone pad, kleine watersalamander, alpenwatersalamander, vinpootsalamander en ringslang zijn beperkte negatieve effecten mogelijk.
Alle soorten A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd op overwinterings- of voortplantingsplaatsen van amfibieën of reptielen. Deze delen worden gemarkeerd door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
B
Bij (delen van) gebouwen waar overwintering plaatsvindt, worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Werkzaamheden mogen niet leiden tot veranderingen in het interne klimaat en toegangen tot de ruimte waar soorten gebruik van maken mogen niet worden dicht gezet.
4.3.5 Planten Voor deze categorie zijn vooral muurflora zoals beschermde varens (schubvaren, groensteelvaren en blaasvaren) en muurbloem relevant. Voor alle soorten moeten negatieve effecten worden voorkomen. A
46
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde (muur)planten markeren en abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water, de samenstelling van de voegen of bodem handhaven.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.4
Houtige begroeiingen
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het (gedeeltelijk) vellen of rooien van houtige begroeiingen. Voorbeelden zijn: lanen, houtwallen, singels en (park)bossen. Bij deze categorie hoort tevens het aanleggen of verwijderen van ondergrondse (nuts)voorzieningen in houtige begroeiingen.
4.4.1 Algemeen zorgvuldig handelen -
-
De werkrichting is richting een rustige/natuurlijke locatie zodat dieren daarheen kunnen vluchten. Zorg dat voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn in de richting en op de locatie waar dieren langs/naar moeten vluchten. Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen.
4.4.2 Vogels Bomen en struiken vormen een sleutelfunctie voor een groot aantal vogelsoorten: zangvogels, roofvogels, uilen, spechten, duiven, kraaien en eksters. Nestgelegenheid is aanwezig hoog in de kroon (roofvogels), in (te creëren) holtes (uilen, spechten, zangvogels) of op tal van grotere en kleinere takken. Voedsel is aanwezig in de vorm van vliegende insecten, kevers en larven, vruchten en noten. Ook bieden bomen en struiken beschutting, schuil- en slaapplaatsen. Voor vogels dienen negatieve effecten voorkomen te worden.
Alle soorten A
Bomen en struiken met nestlocaties en/of vaste rustplaatsen van vogels, en de directe leefomgeving die rust en beschutting biedt, worden gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen dient voorkomen te worden.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode(n). Houtige begroeiingen met tijdelijke nesten van soorten die niet op de Rode lijst staan (zie bijlage 2) mogen buiten de broedperiode worden verwijderd wanneer er alternatieve (broed)mogelijkheden in de directe omgeving beschikbaar zijn.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
47
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Nestkolonies, roofvogels en uilen exclusief bodembroedende soorten zoals kiekendieven en velduil Voor nesten die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies niet mogen worden aangetast. Het gaat om nestkolonies van o.a. reigerachtigen en roek en nesten en rustlocaties van roofvogels en uilen die gebruik maken van houtige begroeiingen. A
Nestbomen en de directe omgeving markeren zodat deze locatie zijn functie als broed- en rustlocatie behoud. Voor ransuilen geldt het behoud van roestplaatsen in de winterperiode.
Huismus en ringmus A
Hagen, muurbegroeiingen (bv. klimop) en struiken die worden gebruikt als vaste rust- en schuillocatie en daarmee een essentieel onderdeel vormen van het leefgebied, markeren en behouden.
Schaarse of zeldzame vogelsoorten A
Voor vogelsoorten die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren of specifieke eisen stellen aan hun broedlocaties, geldt dat groenelementen die een essentiële functie (tijdelijke broed- en rustgelegenheid, voedsel en dekking) vervullen en waarvoor geen alternatief in de omgeving beschikbaar is, behouden moeten blijven. Dit betreft bijvoorbeeld dikke loofbomen in gebruik als nestgelegenheid door zwarte specht. De elementen die behouden moeten blijven dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
4.4.3 Vleermuizen Voor alle Nederlandse vleermuissoorten zijn bomen van belang in hun leefgebied. Sommige soorten gebruiken bomen als rustplaats (holtes en loshangend schors) of om hun jongen groot te brengen (holtes). Met name eik en beuk worden hiervoor gebruikt. Ook voor voedsel zijn vleermuizen afhankelijk van bomen omdat in de buurt van bomen veel vliegende insecten aanwezig zijn. Bomen zorgen ook voor beschutting tegen de wind waardoor kleinere soorten via de luwte van de bomen de voedselgebieden kunnen bereiken (vliegroutes). Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis. Voorkomen geldt voor andere functies en alle andere soorten.
48
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Alle soorten A
Bomen met geschikte holtes of spleten voor vleermuizen en bomen in de directe omgeving hiervan, worden gemarkeerd en behouden. Dit geldt ook voor een houtige begroeiingen die als essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute wordt gebruikt.
B
Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de gebruiksperioden. De beste werkperiode is globaal van half augustus tot en met oktober. De exacte periode te bepalen door een ecologisch deskundige. Hierbij blijven bomen met paar-, kraam- en/of winterverblijven en bomen in de directe omgeving van deze verblijven behouden. Indien houtige begroeiingen bij een plas of watergang met essentiële foerageerfunctie of essentiële vliegroute voor vleermuizen, van belang is voor beschutting tegen wind of instraling tegen licht op het water, dan dient na verwijdering direct herplant plaats te vinden van houtige begroeiingen van minimaal 2m hoogte. De beschutting tegen de wind kan tijdelijk worden gerealiseerd door het plaatsen van schermen van 2m hoog (zie kennisdocument gewone dwergvleermuis). Werkzaamheden nabij kraam-, winter-, zomer- of paarverblijf, essentiële vlieg- of migratieroutes en foerageergebied worden tijdens de actieve periode uitgevoerd bij daglicht. De actieve periode is globaal van maart tot en met oktober. Kappen van een lijnvormige begroeiing die een essentiële vliegroute vormt voor vleermuizen dient gefaseerd te worden uitgevoerd, waarbij geen gaten groter dan 7 meter kunnen ontstaan. Kap kan pas plaatsvinden wanneer de nieuwe aanplant een minimale kroonbreedte heeft van 2,5 meter en de bomen minimaal 5 meter hoog zijn.
Als tijdelijk alternatief voor het functioneren van de vliegroute kunnen schermen worden geplaatst. Zoals beschreven in het kennisdocument gewone dwergvleermuis.
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis D
Kap van een individuele boom met een paar- of zomerverblijf van ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis of rosse vleermuis is mogelijk buiten de gebruiksperiode. Voorafgaand aan de kap vindt controle plaats op aanwezigheid van vleermuizen. Indien er in de directe omgeving geen alternatieve verblijfplaatsen zijn, dienen per verblijf minimaal 4 vleermuisverblijven te worden bevestigd met een vergelijkbare functie als het op te heffen verblijf. Dit dient te worden uitgevoerd op de wijze zoals omschreven in het kennisdocument van de betreffende soort.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
49
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.4.4 Overige zoogdieren Een groot aantal soorten zoogdieren maakt gebruik van houtige begroeiing als onderdeel van hun leefgebied (o.a. hertachtigen en zwijnen). Het gaat om rust- en voortplantingsplaatsen in de vorm van holen in de grond (muizen, das), holtes in bomen (marterachtigen), nesten in bomen (eekhoorns) of struiken (eikelmuis/hazelmuis) of hopen van takken en stammen en/of kruidig materiaal (bever). Houtige begroeiing biedt ook beschutting en genereert voedsel. Beperkt negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, wezel en steenmarter.
Bever, das en otter A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien. Naast burchten en holen waar dieren verblijven gaat het hier om vaste routes die worden gebruikt en belangrijke foerageergebieden. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Voor de rust- en voortplantingsplaatsen dient door een ecologisch deskundige een beschermingszone te worden bepaald op basis van de verstoringsvrije afstand, voorkomen van instortingsgevaar en functionaliteit, zie bijlage 5.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De kwetsbare periode van otter is april tot en met augustus, die van bever van mei tot en met augustus en van de das van december tot en met juni. De voortplantingsplaats blijft behouden door het aanbrengen van een beschermingszone op basis van de verstoringsvrije afstand en binnen deze zone specifiek zorgvuldig handelen (o.a. velrichting is van de burcht/hol afgewend). Rondom de voortplantingsplaats blijven bomen en struiken zoveel mogelijk staan. Wissels en ingangen van de voortplantingsplaatse blijven toegankelijk. Het verwijderen van enkele bomen in essentieel leefgebied van deze soorten is toegestaan, mits voldoende dekking en voedsel aanwezig blijft.
Boommarter, bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, en wezel A
50
Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden ontzien. Dit betreft bomen met holtes en de directe omgeving van deze bomen, holen in de grond en houtige begroeiing die als schuilplaats,
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
verbindingszone of foerageergebied dient. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Daarnaast dient een verstoringsvrije afstand te worden gehanteerd, van de werkzaamheden tot de rust- en voortplantingsplaats van de marterachtige. De exacte afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5. B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus. Bomen met geschikte holen voor deze soorten worden gespaard, evenals bomen in de directe omgeving hiervan. Takkenrillen, heggen, houtwallen, mantelzoomvegetaties worden alleen weggehaald indien er voldoende essentieel leefgebied voor deze soorten aanwezig blijft. Voor egel is daarnaast van belang dat in de winterrustperiode van november tot en met maart, mogelijke overwinteringslocaties niet worden aangetast.
D
Het is mogelijk enkele rustplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis aan te tasten buiten de voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode is globaal van maart tot en met augustus. Per situatie dient door een ecologisch deskundige te worden beoordeeld of het nodig is nieuwe schuilmogelijkheden te creëren door bijvoorbeeld de aanleg van takkenrillen. Eventueel aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen voor de werkzaamheden weg te kunnen vluchten.
Eekhoorn A
Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden ontzien. Dit betreft bomen met eekhoornnesten en belangrijke voedselbomen. De beschermingszone wordt bepaald op basis van functionaliteit en verstoringsvrije afstand.
B
Werkzaamheden in de buurt van eekhoornnesten worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van eekhoorn. De voortplantingsperiode is van januari tot en met augustus. Nesten blijven behouden. Binnen de verstoringsvrije afstand wordt specifiek zorgvuldig gehandeld (bv. inzet 1 persoon met geluidsarm gereedschap met een beperkte aanwezigheid).
D
Reservenesten van eekhoorn mogen alleen worden verwijderd wanneer door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat het nest niet in gebruik is en in de omgeving voldoende alternatieve nestbomen beschikbaar zijn. Binnen het leefgebied van de eekhoorn (enkele hectares) mag maximaal 25% van de voedselbomen worden verwijderd. Door het verwijderen van voedselbomen mogen geen voedseltekorten ontstaan. Een ecologisch deskundige dient dit te bepalen.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
51
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Eikelmuis en hazelmuis A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in leefgebied van hazelmuis en eikelmuis. Houtige begroeiing die voor deze soorten van essentieel belang is, wordt gemarkeerd en ontzien. In leefgebied van deze soorten zijn alleen beheerwerkzaamheden toegestaan zoals verwoord in de catalogus BO.
Hertachtigen en zwijnen A
Geen werkzaamheden uitvoeren in essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties en voor ree ook de vaste rustlocaties (daginstanden). Deze onderdelen markeren door gebruik te maken van een beschermingszone op basis van functionaliteit en de verstoringsvrije afstand (bv. op basis van bestaande zonering van rustgebieden).
B
Werken buiten de kwetsbare periode (paar- en kraamperiode) nabij rust- en voortplantingsplaatsen. De paarperiode van ree is in juli en augustus, van edelhert in september en oktober en van damhert in oktober en november. De kraamperiode van ree is in mei en juni, van edelhert en damhert in mei en juni en van wild zwijn in maart en april). In essentiële onderdelen van het leefgebied (zie A) werken met behoud van de functionaliteit van deze locaties. Er wordt uitsluitend bij daglicht gewerkt.
4.4.5 Amfibieën en reptielen Het leefgebied van amfibieën bevindt zich rondom geschikt voortplantingswater. Heggen, bosjes, houtwallen bieden schuilmogelijkheden, voedsel en overwinteringsmogelijkheden. Voor reptielen is houtige begroeiing met name van belang in combinatie met open zonnige terreinen. Opslag en struiken bieden een veilig onderkomen tijdens het zonnen op open plekken en zijn tevens van belang voor de voedselvoorziening. Ook worden ruimtes tussen de wortels van bomen en struiken gebruikt als overwinteringslocatie. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor: alpenwatersalamander, vinpootsalamander, rugstreeppad, heikikker, poelkikker, ringslang, levendbarende hagedis, hazelworm en zandhagedis.
Alle soorten A
In houtige begroeiing vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van amfibieën en reptielen. Een ecologisch deskundige bepaalt de beschermingszone van deze leefgebieden, zie bijlage 5.
B
Werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september of het begin van de voortplanting. De voortplantingsperiode is in april en mei.
52
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Als het geen houtige begroeiing langs het voortplantingswater betreft en de soort op de betreffende werklocatie afwezig is, mag voor amfibieën ook gewerkt worden in de voortplantingsperiode van de betrokken soort. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Het gaat hierbij enkel om het verwijderen van enkele bomen of struiken in leefgebied van amfibieën en reptielen mits voldoende dekking, schuilmogelijkheden en overwinteringsmogelijkheden voor soorten behouden blijven. C
Op essentiële winterrustlocaties in het leefgebied van beschermde amfibieën en reptielen moet in de winterrustperiode (oktober tot en met maart) de bodem intact gelaten te worden (geen beroering, bodemverdichting of stobben uitfrezen) en dienen houtrillen boomstronken en bladhopen te worden ontzien. Deze elementen dienen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige te worden gemarkeerd.
Ringslang A
Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard. Ook de bomen in de directe omgeving van broeihopen dienen niet te worden gekapt, om beschutting, dekking en voedsel voor jonge ringslangen te behouden. Ook de verbinding met overig leefgebied dient in stand te worden gehouden.
D
Opheffen van een broeihoop is enkel toegestaan buiten de periode dat deze voor voortplanting of overwintering gebruikt wordt. De beste maanden voor het opheffen zijn half april tot en met half juni. Voorafgaand aan de aantasting, dienen minimaal 2 nieuwe broeihopen te worden gerealiseerd in het leefgebied. De hoop bestaat bijvoorbeeld uit bladeren, takken en paardenmest. De broeihopen liggen altijd in de buurt van water, in of naast struweel of ruigte en een deel van de dag in de zon. De hoop is 2-3 m breed en minimaal 1 m hoog en is luchtig en vochtig.
Boomkikker A
In leefgebied van boomkikker worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
Alpenwatersalamander, vinpootsalamander, rugstreeppad, heikikker, poelkikker, ringslang, levendbarende hagedis, hazelworm en zandhagedis D
Het is mogelijk werkzaamheden uit te voeren in essentieel leefgebied van deze soorten, mits hier sprake is van een tijdelijke aantasting waarbij 10% van het leefgebied (met een maximum van 1000 m2) ter plaatse gedurende maximaal 2 maanden niet beschikbaar is voor de soort en daarnaast aan onderstaande wordt voldaan:
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
53
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
-
-
-
4.4.6
Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantings- en winterrustperiode. Bij voorkeur werken in de periode half augustus tot en met september. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden aanwezige dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige gevangen en verplaatst naar geschikt leefgebied in de directe omgeving maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Voorkomen wordt dat dieren de werklocatie betreden. Na uitvoering van de werkzaamheden wordt het leefgebied herstelt met eventuele herplant van oorspronkelijk aanwezige vegetatie.
Vlinders
Voor veel vlindersoorten zijn bosschages en bosranden deel van het leefgebied, veelal vanwege windluwte en temperatuurbuffering, maar soms ook vanwege waardplanten (bv. eik, iep, sleedoorn) en nectarplanten. Voor sleedoornpage, eikenpage, iepenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, zijn bomen en struiken essentieel voor het voortbestaan. Eitjes worden afgezet op takken of bladeren en de rupsen voeden zich met de bladeren van de waardplant. De bijbehorende strooisellaag kan door poppen worden benut. Teunisbloempijlstaart komt voor op kruidige vegetatie in open plekken bos en wordt bij kruidige vegetatie behandeld. Negatieve effecten op vlinders dienen te worden voorkomen. A
Bij waardplanten (bomen, struiken) met poppen, rupsen of eitjes en essentiële voedselplanten van beschermde vlinders geen werkzaamheden uitvoeren. De beschermingszone dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Ook omliggende houtige vegetatie die voor windluwte en temperatuurbuffering zorgt, dient te worden gespaard.
4.4.7 Libellen Bomen en struiken bieden beschutting en jachtgebied (kleinere insecten). Dit kan gaan om bomen en struiken vlak bij de oever, maar ook op grotere afstand daarvan. Bomen en struiken kunnen ook een slaapfunctie voor soorten als speerwaterjuffer en bosbeekjuffer. Daarnaast kunnen wortels in de oeverzone van belang zijn als voortplantingsplek met eiafzet, of als opgroeigebied van de larven. Onder de gedragscode zijn alleen maatregelen voor het voorkomen van effecten mogelijk.
54
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
A
In leefgebied van libellensoorten worden geen essentiële locaties gekapt zoals begroeiing langs voortplantingswater, belangrijke foerageerlocaties of slaapplaatsen. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke elementen dit zijn.
B
Kap van enkele bomen of struiken is toegestaan, mits voldoende schuil- en voedselmogelijkheid aanwezig blijven en de karakteristieken van het voortplantingswater behouden blijven. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden in de periode oktober tot en met april, dit is buiten het vliegseizoen van libellen.
4.4.8 Kevers Het gaat hierbij om het vliegend hert en de vermiljoenkever. Vliegend hert komt veelal voor op eiken met witrot aan de randen of open plekken in het bos en in houtwallen. De vermiljoenkever komt voor onder de schors van veelal afstervende populieren. Beide soorten zijn jaarrond aanwezig doordat de larven meerdere jaren in het hout verblijven. A
Behoud van (dode) bomen, takkenrillen en dood hout waar de vermiljoenkever en het vliegend hert gebruik van maken. Een ecologisch deskundige bepaalt de beschermingszone, zie bijlage 5.
C
Staand dood hout dat om veiligheidsredenen wordt verwijderd, blijft ter plekke liggen of wordt getransporteerd naar een nabije locatie. De stam blijft functioneel voor de kevers.
4.4.9 Planten Beschermde planten die voorkomen in houtopstanden zijn uiterst zeldzaam en komen alleen op enkele plekken in Nederland voor. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn bosdravik, bosboterbloem, wolfskers, dennenorchis, geelgroene wespenorchis, peperboompje, steenbraam, stofzaad. Onder de gedragscode zijn alleen maatregelen voor het voorkomen van effecten mogelijk. A
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en behoud van abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water, de samenstelling van de bodem.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
55
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.5
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het veranderen of verwijderen van kruidige begroeiingen en ruigtes op droge (grasbermen, grasland, vaste planten) en natte locaties (plas-dras zones) en het omvormen van onbegroeid terrein, inclusief het verwijderen of omvormen van gronddepots en grondlichamen. Tevens behoort bij deze categorie het bouwrijp maken van terreinen en het aanleggen of verwijderen van ondergrondse (nuts)voorzieningen in kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein.
4.5.1 Algemeen zorgvuldig handelen -
-
-
Voorkomen van vestiging van soorten door bijvoorbeeld zeer regelmatig kort te maaien, het ophangen van linten, zakken, ultrasoon geluid. Werk rustig in één richting zodat dieren de werklocatie kunnen verlaten naar een locatie waar voldoende dekking aanwezig is en alternatief leefgebied beschikbaar is. Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt enkel de werkplek verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen.
4.5.2 Vogels Bij kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein gaat het om nestgelegenheid van grondbroeders en vogels die laag in de vegetatie broeden: zoals veldleeuwerik, graspieper en kleine plevier, akkervogels, weidevogels, watervogels, steltlopers, hoenderachtigen, meeuwen of sterns, velduil. Daarnaast biedt een kruidige begroeiing foerageermogelijkheden voor een groot aantal soorten door de aanwezigheid van o.a. muizen, zaden en insecten. Voor vogels dienen negatieve effecten te worden voorkomen.
Alle soorten A
56
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij nesten, rustplaatsen en essentieel foerageergebied van vogels. Bij werkzaamheden in de omgeving hiervan dient verstoring te worden voorkomen door het aanbrengen van
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
beschermingszone op basis van verstoringsvrije afstand. Verstoring kan deels worden voorkomen voor afschermen van licht, beweging of geluid. B
Werkzaamheden uitvoeren buiten de soortspecifieke broedperiode. Locaties met tijdelijke nesten van algemene soorten, mogen buiten de broedperiode worden omgevormd wanneer er alternatieve (broed) mogelijkheden in de directe omgeving beschikbaar zijn.
Schaarse en zeldzame vogelsoorten A
Voor vogelsoorten die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren of specifieke eisen stellen aan hun broedlocatie geldt dat kruidige begroeiingen met voortplantingsplaatsen van deze soorten behouden blijven. Dit dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Voorbeelden zijn eidereend, tapuit en velduil.
Ooievaar en koloniebroedende vogels zoals meeuwen en sterns A
Voor nesten die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies het hele jaar niet mogen worden aangetast.
4.5.3 Vleermuizen Voor vleermuizen kan kruidige begroeiingen een belangrijk foerageergebied zijn. A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd essentieel foerageergebied van vleermuizen.
in
B
Er worden alleen (tijdelijk) werkzaamheden verricht buiten de gebruiksperiode (bv. werken in de winterperiode en overdag). Na de werkzaamheden is het gebied weer beschikbaar als foerageergebied.
4.5.4 Overige zoogdieren Kruidige (oever)begroeiingen vormt het leefgebied van kleine zoogdieren als (woel)muizen, (water)spitsmuizen, marterachtigen als hermelijn, wezel, steen- en boommarter, otter, das maar ook van grote zoogdieren als bever, hertachtigen en zwijn. Verblijven betreffen onder meer muizenholen en burchten van dassen en bevers. Onder onbegroeid terrein valt onder meer het strand met ligplaatsen van zeehonden.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
57
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Beperkt negatieve effecten (D-maatregel) zijn mogelijk voor bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis en wezel.
Alle soorten A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien door het hanteren van een beschermingszone. Naast burchten en holen waar dieren verblijven, gaat het hier om routes die worden gebruikt en belangrijke foerageergebieden. De essentiële onderdelen, en beschermingszone op basis van functionaliteit en de verstoringsvrije afstand dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
Bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis en wezel D
Opheffen van een enkele rust- en of voortplantingsplaats is mogelijk buiten de kwetsbare voortplantingsperiode indien in de omgeving alternatieven beschikbaar zijn.
Hertachtigen en zwijnen A
Geen werkzaamheden uitvoeren in essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties en voor ree ook de vaste rustlocaties (daginstanden). Deze onderdelen markeren door gebruik te maken van een beschermingszone op basis van functionaliteit en de verstoringsvrije afstand (bv. op basis van bestaande zonering van rustgebieden).
B
Werken buiten de kwetsbare periode (paar- en kraamperiode) nabij rust- en voortplantingsplaatsen. De paarperiode van ree is in juli en augustus, van edelhert in september en oktober en van damhert in oktober en november. De kraamperiode is van ree is in mei en juni, van edelhert en damhert in mei en juni en van wild zwijn in maart en april). In essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties) werken met behoud van functionaliteit van deze locaties. Er wordt uitsluitend bij daglicht gewerkt.
C
Voorafgaand aan de werkzaamheden aanwezige dieren op de werklocatie verontrusten zodat ze de werklocatie tijdelijk verlaten. Dit kan bijvoorbeeld door het ophangen van linten, zakken en ultrasoon geluid. Eventueel in combinatie met het lokaliseren van dieren met een drone en verplaatsen naar buiten het te bewerken areaal (bv. reekalveren).
Grijze- en gewone zeehond A
58
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in de omgeving van ligplaatsen van zeehonden. De verstoringsvrije afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.5.5 Amfibieën Voor amfibieën is met name kruidige begroeiing rondom voortplantingswater van belang. Het biedt beschutting tijdens het zonnen of foerageren. Afhankelijk van de soort, het landschap en de beschikbare habitat kan kruidige begroeiing ook op grotere afstand van het voortplantingswater amfibieën een schuilplaats bieden. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor: rugstreeppad, heikikker, poelkikker, vinpootsalamander, alpenwatersalamander.
Alle soorten A
Er vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van amfibieën. Een ecologisch deskundige dient dit areaal te bepalen en de leefgebieden worden door of op zijn aanwijzing gemarkeerd. Versnippering van het leefgebied en barrièrewerking dienen te worden voorkomen.
Rugstreeppad, heikikker, poelkikker, vinpootsalamander, alpenwatersalamander D
Het is mogelijk werkzaamheden uit te voeren op essentiële locaties in leefgebied, mits er sprake is van een tijdelijke aantasting (faseren) waarbij 10% (met een maximum van 1000 m2) ter plaatse gedurende maximaal 2 maanden niet beschikbaar is voor de soort en daarnaast aan het onderstaande wordt voldaan: -
-
-
Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantings- en winterrustperiode. Bij voorkeur werken in de periode half augustus tot en met september. Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode: dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Na de werkzaamheden is het terrein weer 100% beschikbaar en geschikt.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
59
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.5.6 Reptielen Voor reptielen gaat het om kruidige begroeiingen in de vorm van heide, schraal graslanden, pitrus en pijpenstrovegetatie in combinatie met open, zonnige terreinen. De kruidige vegetatie is van belang voor de voedselvoorziening, het zonnen op open plekken en is ook onderdeel van de voortplantings- en overwinteringsplaatsen. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor: zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang.
Alle soorten A
In kruidige begroeiingen vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van reptielen. Een ecologisch deskundige dient het leefgebied te bepalen.
Zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm D