CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

05-04 zienswijze op Notitie Reikwijdte en Detailniveau windturbinebepalingen leefomgeving

Gemeenteraad 29 maart 2022, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen9.094 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

V

gemeente Veendam

Uw kenmerk:

Aan de raad van de gemeente Veendam

Zaaknummer:

Postbus 20004

Start zaak:

9640 PA Veendam

Behandeld door: E-mail adres:

2022-008708

22 februari2022 H.A. Birza info @veendam.nl

Tel.Nummer: 0598-652222 Datum: 22februari2022 Bijlagen:

Verzenddatum:

1

2 8 FEB 2022

Betreft: zienswijzeop Notitie Reikwijdteen Detailniveauwindturbinebepalingen leefomgeving Geachte raad,

Zoalsbekend heeft de Raadvan State de milieubepalingenvoor windturbineparken zoalsdie in het Activiteitenbesluit en de – regelingmilieubeheer staan, buiten toepassinggesteld. De reden hiervoor is dat ten aanzien van de normen in deze bepalingen geen voorafgaande milieubeoordeling heeft plaatsgevonden.Om de normen nu weI te beoordelen gaat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een onderzoek doen naar de milieueffecten van de normen en de eventuele wenselijke aanpassingen uitbreiding daarvan. Hiervoor is een onderzoeksopdracht in de vorm van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau opgesteld. Op de notitie konden tot en met 16 februari zienswijzen worden ingediend.

De omgevingsdienstenvoor Groningenen Drenthe (ODGen RUDD)hebben op verzoekvan en in overleg met enkele betrokken gemeenten een advies opgesteld voor een zienswijze. In het advies wordt een aantal aanpassingenen uitbreidingen voor de onderzoeksopdracht voorgesteld. Dat advies heeft het college overgenomen en als zienswijze vastgesteld. De zienswijze is tijdig ingezonden.

Het ministerie zal de vanuit het land ontvangen zienswijzen beoordelen en verwerken in een reactienota (naarverwachting medio april). Medio mei zou dan het ontwerp van de nieuwe

windturbinebepalingen en het daarvoor opgestelde milieueffectrapport verwacht mogenworden. Het college zal het vervolg met aandacht volgen. De ingediende zienswijze ontvangt u hierbij ter kennisneming Hoogachtend BurgerneestFr e

n Veendam

Se%etaris

fheer bffM. Link

De heer A. Castelein

Gemeente Veendam Postbus 20004, 9640 PA Veendam Raadhuisplein 5, 9641 AW Veendam

telefoon 0598 652222 fax 0598 652250

e-mail info@veendam.nl website www.veendam.nl

pag. 1 van 1 bank nr. NL64BNGH0285008676

V

gemeente Veendam

Zienswijze van het college van burgemeester en wethouders van Veendam op (het voornemen tot) de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving.

Inleiding Tot 16 februari 2022 ligt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau(NRD)voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgevingter inzag. Gedurendedeze periode kunnen zienswijzen

worden ingediend. De Omgevingsdienst Groningen en de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe hebben geadviseerd over de Notitie NRD en het college heeft dit advies tot haar zienswijze gemaakt. Onderstaande zienswijze bevat aandachtspunten die naar onze mening niet of onvoldoende belicht

worden in de NRDzoalsze thans is opgesteld. Bij het opstellen is gebruikgemaaktvan de ruime ewaring met vergunningverlening,toezicht en handhavingdoor de OmgevingsdienstGroningen in relatie tot windturbines en alle daarbij voorkomende onduidelijkhedenen omissiesin de regelgeving zoals we die kennen in het Activiteitenbesluit en –regeling milieubeheer sinds 2011.

Deze zienswijze behandelt in 6 hoofdstukken opmerkingen op de NRD zoals ze ter inzage is gelegd, 1. Algemeen 2. Referentiesituatie 3. Geluid 4. Slagschaduw

5. Lichthinder 6. Externeveiligheid Daarnaastbevat de zienswijzeeen uitgebreide bijlage waarin achtergrondinformatie is opgenomen met betrekking tot de zienswijzen.De nummering van de zienswijzenis daarbij aangehouden

1. ALGEMEEN 1.1. Raadpleqinq

In de uitgebreide procedure moet er gelegenheidzijn om zienswijzenin te dienen voordat het milieueffectrapport is geschreven.Belanghebbendenkunnen dan aangevenwat er volgens hen in het milieueffectrapport onderzocht moet worden. Zowel overheids-,adviesorganenen belangengroeperingenworden geraadpleegdover de te onderzoekenalternatieven en milieueffecten. In dit gevalis daarvoor een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD)opgesteld. 1.2. Opstellen planMER

De reactiesop de NRD,de zienswijzen,kunnen van invloed zijn op de te onderzoeken alternatieven en milleueffecten. Wanneer die zijn bepaald,wordt het milieueffectrapport opgesteld. 1.3. Breder dan aIleen een normkader voor milieu De NRD beperkt zich tot met name de technische aspecten en normstelling. De Wet milieubeheer beoogt in Hoofdstuk 7 'Activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu'

met een m.e.rinzichtelijk te maken. Dlt gaat verder dan hetgeen in de NRDzoals ze nu voorligt is beschreven. Windenergie op land levert vaak discussieop en kent voorstanders en tegenstanders. BB

het heroverwegen van het normstetsetvan rijksregelsvoor geluid, slagschaduw,lichtschittering en externe veiligheid verdient het aanbevelingom deze niet aIleen technischte benaderenmaarjuist aandacht te bieden aan de sociale effecten op de bevolking. Dit gaat verder dan, de genoemde

gezondheidseffecten vangeluid. In andere landen is het gebruikelijk om deze effecten mee te nemen in een milieu- (en sociale-)

effectenrapport. Wij verzoeken dan ook om het socialeaspect van windturbines op land mee te nemen in de NRD en m.e.r. (zie ook 3.4. Gezondheid op de eerste plaats en de bijlage onder 1.3.)

In paragraaf6.3 onder ’stand van kennis'wordt op bIz.40 een relatie gelegd tussen persoonlijke en 'contextuele' factoren bij (geluid)hinderbeleving.Het is ons niet duidelijk waarom ze juist hier worden benoemd. In 2008 heeft TNO gerapporteerddat de hinderbeleving aanzienlijk minder zou zijn wanneer er een (financieel) voordeel voor de omwonende te behalen is. Dit is bij herhaling als argument gebruikt in procedures bij vergunningenvoor windturbines. Nieuw onderzoek hierna is ons niet bekend, en wordt ook in de NRDniet aangehaald.Wij zijn van mening dat dit aspect weI van belang is, omdat dit inzicht kan verschaffen in het draagvlakvoor het plaatsenvan windturbines op land. Wij verzoeken dan ook om dit uit te werken in de sociale paragraafdie nu nog ontbreekt in de NRD

2. REFERENTIESITUATIE Art. 7.7 Wet milieubeheer beschrijft wat er in een milieueffectrapport (MER).tenminste aan informatie moet worden opgenomen. Het betreft onder meer en enerzijds:"een beschrijvingvan de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing

dienen te warden genomen, en de motivering van de keuzevoor de in beschouwinggenomen

alternatieven". Anderzijds moet er inzicht worden gegeven door: “een beschrijving van de bestaande toesta nd van

het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschrevenalternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch

de alternatieven wordenondernomen" deel te laten uitmaken van het plan-m.e.r.

In de NRDzien we dat de in paragraaf4genoemde beschrijvingvan de 'bestaandetoestand van het milieu' mede betrekking heeft op de situatie 2021waarbij bestaandewindparken, die zonder een adequaat plan-m.e.r.-beoordelingsproces zijn opgericht, zijn meegenomen.

Dat bestaandewindparken over onherroepelijke vergunningen beschikkenwil niet zeggendat ze daarmee in de context van deze plan-m.e.r.tot de bestaandetoestand van het milieu zijn gaan behoren. De gedachteis immers dat het plan-m.e.r.66k betrekking heeft op de activiteiten voor bestaandewindturbines en windparken. In de systematiekvan een plan-m.e.r. kan de onderzochte activiteit niet tevens behoren tot de bestaandetoestand (zie ook bijlage onder 2 Referentiesituatie).

Wij zijn van mening dat het meenemen van de vergunde windparken die tussen 2011 en 2021 een

vergunning hebben gekregen (inrichtingen met 3 of meer windturbines) bij het vaststellen van de

bestaandetoestand in strijd met wat artikel 7.7 Wm beoogt. Hierdoor ontstaat direct aan het begin van het plan-m.e.r.-proces met de bestaande toestand zoals nu beschreven in de NDR een risico waardoor de normering op een later moment mogelijk opnieuw door de rechter buRen toepassing zal worden verklaard. Wij verzoeken u om de situatie van voor de regels in het Activiteitenbesluit en -regeling (stand van zaken 2011) als bestaande toestand van het milieu vast te stellen.

AIs u van mening bent dat dtt niet het gevaI is dan dient de bestaandetoestand in paragraaf4beter

gemotiveerdte worden.

3. GELUID 3.1. Alternatief ongewljzigde regelsvoor L,I,nen L„lgbt In paragraaf 5.3 Alternatief ongewijzigde regels, wordt de tot nu toe gehanteerde geluidbelasting van Ld,„ 47 dB en L„igh,41 dB aangehouden. Hierbij wordt geadviseerd om de ervaringen van de afgelopen 10 jaar met deze geluidbelasting daarbij te betrekken en evalueren.

Bij vergunningverleningis deze norm regelmatig teruggekomen in zienswijzenen beroepsprocedures by de Raadvan State. Tot de uitspraakvan Delfzijl Uitbreiding Zuid in juni 2021 kon men niet anders dan hieraan toetsen. Ook bij toezicht en handhavingzien we dat de systematiekom uit te gaanvan een jaargemiddeld geluidniveaumet Ld,„en L„ight de burger, niet op het moment dat er hinder wordt ervaren, beschermingbiedt (zie ook de bijlage onder 3.1. en de zienswijze3.5 met betrekking tot

handhavinggeluidnormen).

3.2. Differentiatie van de qeluidnormerinq In paragraaf 5.4 Varianten geluid is voorgesteld om een strengere geluidnorm van 45 dB Ld,„te onderzoeken. Het onderzoeken van een variant met een andere geluidsnorm wordt ondersteund.

WeI zijn we van mening dat het aIleen onderzoekenof een 45 dB Ld,.te beperkt is. Wij zien hier liever een variant die rekening houdt met de omgeving waarin de windturbine wordt geplaatst. Daarbij zou net als bij overige vergunningverlening'het referentieniveau van het omgevingsgeluid’ een plaats moeten krijgen in de toetsing. Op die manier wordt het gezondheidsaspectgekoppeld aan een goede ruimtelijke ordening, waarin de aandacht voor een goed woon- en leefklimaat ook voor het gezondheidsaspecteen belangrijke roI is weggelegd. In de bijlagewordt onder 3.2 deze zienswijze nader toegelicht.

3.3. Afstandsnormen voor windturbines In de NRD wordt in paragraaf 5.8 gesproken over een lopend onderzoek naar de effecten van verschillende afstandsnormen op de gezondheid en leefkwaliteit. Wij willen wijzen op een belangrijk nadeel of risico van vaste afstandsnormen,

Wanneer er een minimale afstand moet worden aangehouden,neemt dit de prikkel om windturbines steeds stiller te maken en om andere geluidreducerende maatregelen toe te passen weg. De

afgelopenjaren hebben we gezien dat de windturbines steeds groter worden, waarbij nieuwe technische ontwikkelingen ervoor hebben gezorgddat deze grotere windturbines naar verhouding minder luidruchtig zijn. Eenvoorbeeld van innovatie die het geluidniveau met bOnade helft heeft weten te reduceren zijn de serrated trading edges(STE)of 'uilen-vleugels'.Dit is een 'kartelrand' aan de achterzijde van turbinebladen die het geluidniveauhebben weten te reducerenmet enkele dB's. Daarom moet naaronze mening de regelgevingeen innovatieve prikkel blijven bevatten om

windturbinessteedsstiller te maken.

We wijzen er hierbij nog op dat volgens Bijlage I., Onderdeel C. Categorie 20.1. sub a. onderl' jo 20.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) de regelgeving van toepassing is op elke windturbine met een

rotordiameter vanaf 2 meter. Eenas-hoogteafhankelijke afstandsnorm zal opnieuw arbitrair worden en leiden tot discussie. Wij verzoeken om bovenstaande mee te nemen in de NRD.

3.4. Gezondheid op de eerste plaats

De aanbevelingen van de WHO, waarbij aangegevenwordt dat een Ld„ 45 dB als grenswaarde te hanteren, zien wij als een stap in de goede richting. WeI zijn we van mening dat daarnaast het referentieniveau van de omgeving (zie ook 3.2.) ook moet worden meegewogen omdat de ervaring

(onder meer de MERvan windpark De DrentseMonden - Oostermoer) ons leert dat het heersende geluidniveau vaak nog lager is dan Ld,.45 dB.

Wanneer er gekekenwordt naar een verscherpingvan de Ld,„ norm hoort daar ook een wel overwogen aanpassingvoor de L„igh,bij. Hieroverzien we niets terug in de NRD.De ewaring heeft ons geleerd dat juist in de nachtperiode bij grote windturbines hinder wordt ewaren door de grotere

windsnelheid op as-hoogte.Wij verzoekenom ook het geluidniveau in de nachtperiode mee te nemen in de NRD.

3.5. Handhavinq qeluidnormen In de NRD is niets opgenomen over het onderdeel handhaving van normen. In de provincie Groningen en Drenthe zijn van inwoners geluidsklachten ontvangen over de windturbines. Hoewel de systematiek van het bepalen van de Ld,„ en L.eh,duidelijk is, en de houder van de inrichting een verplichting kent om de gegevens langdurig (5 jaar) te bewa ren, is er een aantal nadelen te benoemen aan de manier hoe de geluidbelasting in Ld,„en L„ightzijn verwoord. Hieronder wordt op de nadelen ingegaan.

3.5.1. Toetsinq per kalenderjaar

Het Ld,. en L„ight betreft een jaargemiddeld geluidniveau.Op basisvan artikel 3.14e onder a. van de huidige tekst van de Activiteitenregeling moet de drijver van de inrichting de emissieterm LE,bedoeld in onderdeel 3.4.1 van bijlage 4, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar registreren.

Door deze wijze van registreren kan pas aan het einde van een kalenderjaar worden beoordeeld of er sprake is van een overschrijding van de geluidnorm voor dat (kalender)jaar. Hierbij moet dan een complexe berekening worden uitgevoerd om van het LEterug te rekenen naar de Ld,„en L„igh. Wanneer er een klacht over geluidhinder wordt ontvangen biedt deze systematiek geen tussentijds toetsingskader om te kunnen bepalen of er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden.

Wij zijn van mening dat op elk moment een beoordeling van de tot dan toe geproduceerde geluidbelasting Inzichtelijk gemaakt moet kunnen worden. De v66r 2011 bedachte systematiek is in onze ogen achterhaald.

De meeste windturbines kunnenop elk willekeurig moment dezegegevensgenereren.Wij zouden dan ook graag zien dat deze mogelijkheid, welke aI door commerciele partijen wordt aangeboden,

een verplichting wordt en wordt vastgelegd in eenduidigeregelsof voorschriften om hiermee het bevoegdegezagde mogelijkheid in handen te geven voor controle op het naleefgedrag.

In het Activiteitenbesluit wordt verwezen naar de definitie van Ld,. en L„ightin de EuropeseRichtlijn omgevingslawaai(artikel 3 onder fen i van richtlijn nr. 2002/49/EGvan het EuropeesParlementen de Raadvan de EuropeseUnie van 25juni 2002). Daarin staat dat het Ld,„een geluidsbelastingsindicatorvoor de hinder tijdens de etmaalperiode is, en wordt ze over een lange termijn van een jaar vastgesteld,zoals nader gedefinieerd in bijlage I van deze Richtlijn. De invulling in het Activiteitenbesluit met 'kalenderjaar' komt hier niet mee overeen.

Wij stellen voor om ten behoeve van de handhaving een beoordeling met een glijdende tijdschaal,

waarbij op elk moment de geluidbelasting vanaf dat moment en het jaar daaraan voorafgaandin beeld wordt gebracht op te nemen. Wij verzoeken u om dit aspect mee te nemen in de NRD en uit te werken in de m.e.r.

3.5.2. Handhavingsinstrument Lam,, In de huidige praktijk komt het erop neer dat bevoegdegezagenklachten registreren en pasaan het einde van het jaar de balansopmaken of er sprake is van een overschrijding van de geluidnormen. Op het moment dat er hinder wordt ervaren kan er met de huidige systematiek niet ingegrepen worden of op het geluidniveauworden gestuurd. Omdat een normenkaderhiervoor ontbreekt. Bij geluidsklachten staat het bevoegdgezagnu met lege handen en moet het verwijzen naar het jaargemiddelde, terwijl er weI degelijk sprake kan zijn van serieuste nemen klachten op het moment dat ze worden gemeld. Naar onze mening zou een plafond aan de geluidimmissie in de vorm van een maximaal geluidniveau en/of piekgeluid (een LAm„)een zinvolle aanvulling op de normstelling zijn, om geluidsklachten te kunnen beoordelen. Een maximale geluidbelasting (LAm,*)voor windturbines geeft in de handhaving een instrument voor sturing. Wij verzoeken u om dit aspect in de NRD en het verdere verloop van deze m.e.r.-procedure aandacht te schenken aan dtt aspect met als doel om een handvat voor de handhaving te creeren naast de handhaving van het jaargemiddelde (zie ook de zienswijze bij 3.7.2 piekgeluid).

3.5.3. LaaqFrequentqeluid{LFg) Hoewel een aantal kenmerken van LFgin de NRDworden benoemd, beperkt ze zichinhoudelijk tot het benoemen van de 'Deensenorm' die betrekking heeft op geluidniveausbinnenshuisen het opstellen van een gevoeligheidsanalyse.Daarnaastwordt gesteld dat een goede meet- en rekenmethodiek ontbreekt. Wij zijn van meningdat er binnen de bestaandeen beproefde meettechnieken mogelijkhedenzijn om LFgeen prominentere plaats te geven bij de beoordeling van het geluid van windturbines.

Voor grotere industriele activiteiten of by muziekgeluid(van live evenementen)wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de C-weging(zie figuur in de bijlage onder 3.5.3.). Bij de C-wegingworden de lagetonen veel minder sterk gecorrigeerd. Hiermeewordt een meer realistischerbijdrage van het geluid op grotere afstand berekend.

Nu het bestaande normstelsel onderdeel uitmaakt van het onderzoek in verband met de m.e.r.procedure stellen wij voor om naast de Ld,.en L„igh,normen die A-gewogen zijn, onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een C-gewogen norm op te nemen voor wat betreft de geluidbelasting

van windturbines en dit te betrekken aIs variant op het onderzoekenvan een binnenniveau-norm (in

de bijlagewordt dit nadertoegelicht onder3.5.3).

3.6. Cumulatie (met andere windturbines) Het onderdeel cumulatie, L,.m is in de notitie aIleen meegenomen in de beschrijving van de huidige situatie leefomgeving, paragraaf 4.2 maar niet in de hoofdstukken 5 en 6. Het gaat daarbij aIleen om

de cumulatie met anderegeluidbronnen. In de regelsvan het Activiteitenbesluit wordt het begrip L,.mook gebruikt in artikel 3.14 Abm lid 2. Hierin staat dat: "Onverminderdhet eerstelid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als

gevolg van een anderewindturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellenten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines'’. Eenuitwerking van de manier waaraan een dergelijk maatwerkvoorschrift moet voldoen of op welke manier geluidruimte kan of moet worden verdeeld ontbreekt daarbij. Dit verplicht tot het maken van

maatwerk waarbij de drijver van de inrichting afhankelijk is van het bevoegdgezag.Dit kan niet de bedoeling zijn van landelijke normen. Eenverduidelijking van deze regel is dan ook zeer gewenst en verdient in plek in de NRDen de uitwerking daarvan (in de bijlage wordt dit nader toegelicht onder 3.6)

3.7. Bijzondere situaties In het huidige meet- en rekenvoorschrift voor windturbines wordt gesteld dat het voorschrift

uitsluitend is gericht op equivalent geluid; piekgeluidenzouden bij windturbines niet relevant zijn. De regeling biedt verder geen mogelijkheden om een toeslag toe te kennen voor tonaal of impulsachtig

geluid. Het karakteristiekegeluid van windturbines is immers meegenomenbij de normstelling. Deewaringen van de afgelopenjaren leert dat deze passagevan onterechte aannamesuitgaat.

3.7.1. Tonaliteit

Tonaliteit is niet meegenomenbij het bepalen van het bronniveau van windturbines. In de meeste gevallen is op de meetlocatie ook geen sprake van een waarneembaar tonaal karakter omdat ze gemaskeerd wordt door andere geluiden van de windturbines. De systematiek van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai geeft aan dat de beoordeling ter plaatse van de ontvanger moet

worden uitgevoerd. Doordat het geluid van de windturbines zich over een aanzienlijkeafstand verspreid doet de situatie zich voor dat een deel van het geluidspectrum (met name de hogere tonen) de ontvanger niet bereiken. Hierdoor kan zichin het gedeelte van het spectrum dat de ontvanger wel bereikt (de lageretonen, niet noodzakelijkerwijs LFg)weI degelijkeen toon significant luider (duidelijker) aanwezigzijn dan op grond van het bronniveau zou worden verwacht. In de praktijk wordt die ook vastgesteld, in de vorm van een meetbare en waarneembare bromtoon. Er

wordt sterk aanbevolenom te onderzoekenof het meet en rekenvoorschrift op dit punt moet worden heroverwogen en of er een correctie voor tonaal geluid moet worden opgenomen.

3.7.2. Piekqeluid

In de systematiekvan het jaargemiddelde geluidniveauvan Ld,„en L„eh,zullen kortstondige piekgeluiden volledig worden uitgemiddeld. Er zijn echter omstandighedente bedenkenwaarbij de geluidemissievan de windturbine afwijkt van de berekende geluidbelasting. Inmiddelshebben we ewaring opgedaanmet fluittonen of toon vibratie als gevolg van niet direct herleidbare veranderingen of mankementen. Het opnemen van een norm voor het maximalegeluidniveau(als eerder onder 3.5.2. voorgesteld) geeft de uitvoerende instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhavingeen instrument om direct te handhavenzonder eerst een berekeningvan het jaargemiddelde geluidniveau af te wachten waarbij de pieken zijn uitgemiddeld over de tijd. EenLm,* norm geeft een instrument om kordaat in te grijpen en bij overschrijding de winturbine stil te laten zetten totdat er een oplossingvoor het probleem is gevonden. Wij verzoekenom in de NRD nadrukkelijk aandachtte besteden naar onderzoek van de maximale geluidbelastingen de mogelijkheid om het handhavingsinstrumentariumuit te breiden met meer mogelijkhedenom op

geluidhinderte kunnenhandhaven.

3.7.3. Amplitudemodulatie

AIs de windsnelheid varieert zal daarmee ook de hoeveelheid geluid varieren. Het gewone weerbericht is daarbij niet bruikbaar om hier een voorspelling over te doen, want dat geldt niet op de hoogte waarop de rotor draait. AIs ’s avonds de wind gaat liggen, kan de windsnelheidop rotorhoogte juist omhooggaan.(Pilot KennisplatformWindenergie, KENNISBERICHT Geluidvan windturbines, Versie 1.0, Juni 2015). Met het hoger en groter worden van de windturbines is er een situatie ontstaan waarbij de windturbine in twee verschillende windsnelheidsgebiedenterecht komt. Hierdoor wordt een ritmisch geluid ontwikkeld dat qua timing aan muziekgeluid doet denkenen naar onze mening ook zo moet worden beoordeeld wanneer ze bij een gevoelig object of -terrein waarneembaar is. WU verzoekenom in het meet- en rekenvoorschrift dan weI in de regels mogelijkheden op te nemen voor een dergelijke correctie (in de bijlage wordt dit toegelicht onder 3.7.3)

3.7.4. Koelsystemen vanwindturbines Bij het opwekken van elektriciteit komt op as-hoogte in de nacelle (gondel) van de windturbines, waar de generator de windenergie omzet in elektriciteit, een aanzienlijke hoeveelheidwarmte vrij.

Om deze warmte te kunnenafvoeren zijn veel windturbines voorzien van een koelsysteem dat te vergelijken is met dat van een auto. Eenkoelvloeistof loopt langsde generator en neemt de warmte mee naar een (vaak)buiten geplaatsteradiator waar ze afkoelt om daarna terug te vloeien naar de generator. Net aIs bUeen auto zijn deze radiatoren uitgerust met een 'fan', een ventilator die bij weinig wind en hogetemperaturen zorgt voor extra koeling.Juist op warme dagen heeft dtt extra geluid geleid tot klachtenvan omwonenden. Bij het onderzoekenvan deze klachten is geconstateerd

dat dit geluid niet is meegenomenin de bepalingvan het bronniveauvan windturbines. We zien de afgelopenjaren een trend in het toenemen van het aantal warme dagen. Hiermeezal ook vaker de (geforceerde) koeling in werklng treden. Tenzij op die momenten ervoor wordt gekozenom de windturbine stil te zetten. In de huidige regelgevingzal ook het bronvermogen van de turbine hoger worden. Hiermee wordt de werkelijke geluidbelasting waaraan omwonenden worden blootgesteld hoger dan waarmee tot nu toe is gerekend. Juist op deze warme dagen waarbij de

windturbine niet ondervollast draait door de lagewindsnelheid en het geluidniveau eigenlijk onder het gemiddelde geluidniveauzou moeten zitten is dtt geluid maatgevend.Om omwonende te beschermenis het zeer wenselijkom in de berekeningen normering van het geluid van windturbines ook deze geluidbron mee te wegen bij het opstellen van de beoordelingssystematiek.In de NRD

wordt dit aspectonterechtbuiten beschouwinggelaten.

3.7.5. Geen reqels mbt testfase.

Nadat een windturbine is gebouwd en opgericht worden er testen gedaanen worden de instellingen gecontroleerd voordat de windturbines definitief in exploitatie gaan. Eengevolg daan/an is dat juist in deze testfase er klachten zijn over geluidhinder en hinder van slagschaduw.Het Activiteitenbesluit zoalsze tot voorkort gold, voorzag niet in regels hoe in de testfase het beoordelingskaderis van de geluidnormen en de normenvan slagschaduw.Verder is niet duidelijk of er ook in de testfase handhavend kan worden opgetreden. Wij verzoeken om meer duidelijkheid inzake de regelgeving

voor windturbines in de testfasevooruitlopend op de exploitatiefase.

3.8. Zonerinq Bij de komst van een windturbine of een windpark wordt getoetst of voldaan kan worden aan de normen bij de ontvanger. Eenwindturbine is, zeker in een landelijke omgeving een grote geluidbron.

In berekeningen zijn bronniveausvan meer dan 100 dB(A) meer regel dan uitzondering. Een dergelijke permanente (24/7) geluidemissie legt een significant ruimtebeslag op een groot gebied

rondom deze windturbines.Ter beschermingvan een onbelemmerde exploitatie van een vergunde windturbine of windpark is het wenselijk om een dergelijke 'hinderzone' of aandachtsgebied op te nemen in bijvoorbeeld het bestemmingsplan. Hiermee kan worden geborgd dat bij nieuwe

ontwikkelingen binnen dit aandachtsgebiedde rechten van de windturbines over het hoofd worden gezlen Wij verzoeken u om in de NRD en bij de op te stellen m.e.r te onderzoeken wat de effecten hiervan zijn voor andere ontwikkelingen binnen een dergelijke zone en hoe zich dit verhoudt tot de regelgeving in de Omgevingswet.

4. SLAGSCHADUW In paragraaf5.6 van de NRDwordt onderkend dat er onduidelijkheid is over de toepassingvan de windturbinebepalingen. De norm van gemiddeld 17 dagen meer dan 20 minuten is bij de invoering niet gemotiveerd. Verder ontbeert ze eenduidigheid en een goede (technisch heldere) meet- en

rekenopzet. In tegenstelling tot een uitgebreide meet en rekenvoorschrift voor geluid alsopgenomen in Bijlage 4 van de huidige Activiteitenregeling is er voor het berekenen voor slagschaduw niets geregeld.

De mening dat dit opgelost kan worden met een verduidelijking van de methodiek en dat het onderzoeken van varianten geen toegevoegde waarde heeft, wordt niet zondermeer gedeeld.

4.1. 'nuI-uren' norm De huidige stand der techniek maakt het mogelijk om windturbines direct te laten reagerenop de aanwezigheidvan zonneschijnwanneer er sprakeis van potentieel te verwachten slagschaduwhinder.Zelfs bij wisselvalligweer zien we windturbines (vrijwel)direct stilstaan aIs de zon achter een wolk vandaan komt en weer opstarten aIsde zon achter een wolk verdwijnt. Hiermee wordt de 'netto' tijd dat een windturbine stilgezet moet worden aanzienlijk verkort. We van mening zijn dat hiermee een veel betere bescherming voor de omgeving wordt gerealiseerd zonder dat

hierbij sprakezal zijn van significante verliezenvan de energieopbrengst. Wellicht ten ovewloede nog opgemerkt dat in situaties waarbij dit wel het geval zou zijn de gekozenlocatie kennelijkniet geschikt is voor de plaatsingvan een windturbine. Wij zien de variant 'nuI-uren slagschaduw' aIs variant van de huidige norm en het onderzoeken van deze variant graag in de NRD en plan-m.e.r. terug.

4.2. Motiverinq huidiqe norm slaqschaduw Bij het vaststellen van het voorschrift in de Activiteitenregeling (Arm) in 2011 is geen onderzoek gedaan naar de (gezondheid)effecten en hinder van slagschaduw. Het voorschrift is an op 66n

overgenomen u it het Besluit installaties en voorzieningenmilieubeheer dat van 2001tot 2011 slagschaduwhindervan windturbines regelde. Maar ook bij het opnernen van deze regelsin 2001 is

geen onderzoekgedaan. De huidige regelszijn ontleend aan een uitspraakvan de Raadvan State uit 1996. (E03.951961, 24 oktober 1996) en het bij die zaak aangeleverde onderzoeksrapport van Wind Service Holland te

Utrecht, gedateerd 26 september 1995. Het meest opvallende blj deze uitspraak is dat er in het geheel niet gesproken wordt over 20 minuten gedurende 17 dagen perjaar. Op pagina7 van de uitspraak wordt geoordeeld dat de begrippen 'langdurig' en 'hinderlijke' niet gedefinieerd zijn, waardoor het voorschrift omtrent slagschaduwvernietigd wordt. (bron: notitie van DPACaubergHuygen, 31 maart 2018, reactie op ontwerp Rijksinpassingsplan WP DDM-OM, beoordeling Slagschaduw).Wij verzoeken om in de NRDtenminste een deugdelijke motivering op te nemen. Hiervoor dragenwe de volgende argumenten ter verbetering aan

4.2.1. 20 minuten per dag De norm van 20 minuten gedurende 17 dagen perjaar geeft aIleenbeschermingin situaties dat slagschaduwdaadwerkelijkmeer dan 17 dagen langerdan 20 minuten zal optreden. Ze biedt geen bescherming voor situaties waarbij een blootstelling van 365 dagen19 minuten kan plaatsvinden.

Daarnaast zien we dat bij veel onderzoek deze norm wordt vervangen door een toetsingskader van

17 x 20 min = 5:40 uur of (afgerond) 6 uur. Hoewel dit een strengere beoordeling is, omdat ook

dagenmet minder dan 20 minuten slagschaduwworden meegewogen,komt ze niet overeen met de voorgeschreven normering.We zien zelfs situaties waarbij er 0 dagende 20 minuten norm wordt overschreden terwijl er in totaal 7 uur slagschaduw per jaar wordt berekend. Wij verzoeken om

hiervoor in de NRDtenminste een oplossingaan te dragen,waarbij onze voorkeur uitgaat naar een 'nuI-uren' normering. (in de bijlage wordt dit nader toegelicht onder 4.2.).

4.2.2. 17 daqenperjaar Ook Het onderdeel 'gemiddeld meer dan 17 dagen perjaar' is in strijd met het rechtszekerheidsbeginselen is daardoor in de praktijk niet te handhaven.Gemiddeld betekent dat er jaren mogen zijn met meer dan 17 dagenslagschaduwmits daarvoldoende jaren tegenover staan waarin minder dan 17 dagenslagschaduwvoorkomt. Wij verzoekenom hiervoor in de NRD tenminste een oplossingaan te dragen, waarbij onze voorkeur uitgaat naar een 'nuI-uren' normering. (in de bijlage wordt dit nader toegelicht onder 4.2.). 4.2.3.

12 maat de ashooqte

Het aanwezig hebbenvan een stiIstandvoorziening is volgen artikel 3.12 Arm aIleen nodig: "voorzover zich in de door de slagschaduwgetroffen uitwendige scheidirIgsconstructievan gevoeligegebouwen of woonwagensramen bevinden. De afstandgeldt van een punt op ashoogtevan de windturbine tot de gevel van het gevoeligeobject". Uitgangspunt is een niet nader gemotiveerd beoordelingsgebiedvan 12 maal de rotordiameter. Wij verzoeken om bij de NRDen MER zorgvuldig aandacht te besteden aan het onderzoeksgebied, waarbij voor de beoordeling van slagschaduw wordt aangesloten aan het in de bijlage genoemde Duitse onderzoek en dit als voorkeursvariant op te nemen. (in de bijlage wordt dit nader toegelicht onder 4.2.3.).

4.3. Rekenparameters slagschaduwberekening

Om een goede inschatting te maken van slagschaduw zijn naast het hierboven genoemde

beoordelingsgebiedook andere parameters die om eenduidigheid vragen. Om te beginnen is voor het bepalen of de rotor van de windturbine in de baantussen de zon en de ontvanger staat een goede astronomische kalender die op een correcte wijze de hoek van de zon berekend nodig. 4.3.1. Elevatiehoek

Daarnaast is de elevatiehoek van belang om rond zonsopgang en ondergang te bepalen wanneer de

berekening moet beginnen/eindigen.Wij zijn van mening dat hierbij aansluitinggezocht moet worden bij internationaal vastgestelde norm van 3' aIs de elevatiehoek waarbij ongestoorde 'sunshine duration' (SD) metingen mogelijk zijn. (TECO-2012, BRUSSELS, BELGIUM, 16-18 OCTOBER 2012, UPDATING AND DEVELOPMENT OF METHODS FOR WORLDWIDE ACCURATE MEASUREMENTS

OFSUNSHINEDURATION.- Vuerich, E., Morel, J.P.,Mevel, S., Olivi6ri, J.) DeWorld Metrological Organization (WMO) geeft aan dat zonneschijndetectors zodaniggeplaatst dienen te worden dat ze

vanaf 3' boven de horizon ongehinderd hun werk moeten kunnen doen. (Guide to Meteorological

Instruments and Methods of Observation,WMO-No. 8, 2006, Chapter8 –Measurements of Sunshine Duration). Er mag dus van uitgegaan worden dat vanaf 3' betrouwbare metlngen beschikbaar zijn voor een langere periode.

4.3.2. Definitiezonneschijn Er is eenduidigheid vereist over wat we onder het 'schijnen' van de zonverstaan. In overeenstemming met de WMO- definitie is er sprake van zonneschijnaIs de flux van de directe kortgolvige straling meer dan 120 W/m2 is (W = J/s). (Flux:dichtheid van de energiestroom).Directe (zon)stralingis de kortgolvige straling welke ongehinderd vanaf de zon door de atmosfeer doordringt en het aardoppervlak bereikt. De straling kanworden gemeten met behulp van een pyranometer of ('zonneschijnmeter').

Voor de bepalingvan het schijnen van de zon en de noodzaak om de windturbine stil te zetten kan de astronomischekalender worden aangevuldmet de registratie (ter plaatse)van het al dan niet aanwezigzijn van zonneschijn. Hiewoor dient de windturbine of een meetlocatie nabij de windturbine uitgerust te worden met een systeem die dit kan meten. Eenzonneschijnmeter of pyranometer of een vergelijkbaar instrument.

Over al deze parameters dient een goede methodiek voor slagschaduwberekeningen uitsluitsel te

geven.Wij verzoeken u om in de NRDen bij het opstellen van het MERhier een eenduidige wijze

invutlingte geven.

5. Obstakelverlichting In paragraaf5.1 van de NRDwordt onder de aspecten die mogelijk aan de orde komen in windturbine bepalingenaangegevendat obstakelverlichting mogelijk aan de orde kan I<omen.

Hieroverhet volgende: Het voeren van obstakelverlichting is geen eis vanuit het milieuhygienischoogpunt om gevaar, schadeen/of hinder naar de omgeving te voorkomen of te beperken. Het is een vanuit de luchtvaartveiligheid opgelegdevereiste. Hierop kan geen directe invloed worden uitgeoefend in het

milieuspoor.

WeI kanvanuit de zorg voor de fysieke leefomgevingge6ist worden dat er geen onnodige of overbodige lichtemissie naar de omgeving wordt uitgestraald. Of dit een normatief karakter dient te hebben is echter de vraag. Naar verwachting zal de lichtsterkte en luminantie van de obstakelverlichting lager zijn dan de gehanteerdegrenswaarden van de Richtlijn Lichthindervan de NSVV

Op dR moment worden experimenten uitgevoerd met het inschakelenvan de verlichting met transpondersignalering.Verder is het al mogelijk de verlichting te dimmen bij helder zicht. Hoewel

het primaatvan dezeverlichting bij de luchtvaartveiligheidligt, behorende genoemdetechnische innovaties bij te dragen aan minder het verminderen van lichthinder. Wij verzoekenu dit te betrekkenin de NRD

6. ExterneVeiligheid Vanuit het vakgebied Externe veiligheid zijn geen aanvullingen op de NRD

Bijlage bij zienswijze In deze bijlage is achtergrondinformatie opgenomen welke gebruikt is om de zienswijzen te formuleren. Ze bevat historische informatie zoals bijvoorbeeld hoe eerdere regelgeving was

vormgegeven en een aanzet voor de manier hoe zouden kunnen worden toegepast in verbeterde regelgeving.

Bii 1.3. Breder dan aIleen een normkadervoor milieu

Ook socialeeffecten op de bevolking,zoalsgezondheidseffectenen socialeverdeeldheid kunnen hier onderdeel van uitmaken. In andere landen is het gebruikelijk om deze effecten mee te nemen in een milieu- en sociale-effectenrapport. In Nederlandzijn hier de eerste stappen in gezet

Plannenof projecten kunnen socialeeffecten veroorzaken omdat er veranderingenoptreden in processen,systemen, milieu en socialewaarden van de maatschappij.Socialeeffecten spelen bijvoorbeeld in gezondheid,welzijn, milieu (water, lucht, etc.), persoonlijke rechten, eigendomsrechten,levenswijze,cultuur en politieke systemen. Denk bijvoorbeeld aan gevolgen voor de omgeving op het gebied van: socialeveiligheid; toegankelijkheid, gevarieerdheiden betaalbaarheidvan publieke ruimte, en voorzieningen,en sociaaleconomischeverschillen.

Door de sociale effecten van een plan vroegtijdig in beeld te brengen, kunnen ze een volwaardige plek krijgen in de besluitvorming. Met inzicht in de sociale effecten kun je maatschappelijk draagvlak cre6ren en behouden. Daarnaast kunnen maatregelen worden genomen om negatieve sociale effecten te verminderen en positieve sociale effecten te ontwikkelen of te vergroten.

Socialeeffecten in beeld krijgen is vooral een procesvan participatie: belanghebbendenactief betrekken bij het plan en de besluitvorming. Tijdens dit procesworden samenmet belanghebbenden de risico’s en effecten vastgesteld en daarna de bijbehorende maatregelen.Het uitgangspunt is dat de ervaringvan omwonenden net zo waardevol is aIs de kennisvan experts. De socialeeffecten worden geanalyseerden gemonitord, om uiteindelijk te komen tot betere uitkomsten voor de belanghebbenden in de directe omgeving. Het is een democratisch proces, doordat een zo representatief mogelijke afspiegeling van de omgeving erbij wordt betrokken.

Let weI, het gaat bij participeren om meer dan aIleen meer de bevolkingde mend te gunnen. Bron: https ://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/sociale-effecten-in-milieueffectrapportage

Bii 2. Referentiesituatie

Mr. dr. R.H.W.Frins & prof. mr. A.G.A.Nijmeijer M en R 2021/120

Vooropgesteld moet worden dat het buiten toepassing laten van algemene regelsvanwege strijd met het Unierecht verstrekkende gevolgen kan hebben, omdat – in ieder geval

gedurende de tijd die gepaardgaat met het op alternatieve wijze vastleggenvan hetgeen in die algemene regels staat – geen normen gelden. Er ontstaat anders gezegd een soort van

regelvacuOm.Dat roept de vraagop in hoeverre de gevolgenvan het buRentoepassing laten van algemene regels kunnenworden weggenomenof mogen worden uitgesteld. Om die vraag te kunnen beantwoorden is een analysevan de rechtspraakvan het Hof van belang. In de eerste plaats gaat het hierbij om een analysevan het Nevele-arrestzelf. Daarin heeft het Hof geoordeeld dat aangeziende SMB-richtlijn geen bepalingenbevat betreffende de gevolgen die moeten worden verbonden aan een schending van de daarin vastgestelde

procedurele bepalingen,de lidstaten in het kader van hun bevoegdhedenalle noodzakelijke algemene en bijzonderemaatregelen moeten treffen om te verzekerendat alle 'plannen’ of 'programma’s’ die 'aanzienlijkemilieueffecten’ in de zin van deze richtlijn kunnen hebben, worden onderworpen aan een milieubeoordeling overeenkomstigde in de richtlijn vastgestelde procedurevoorschriften en criteria.44 In dtt verband wees het Hof tevens op het beginsel van loyale samenwerking {artikel 4, derde lid, Verdrag betreffende de Europese Unie). Volgens dit beginsel zijn de lidstaten

verplicht de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaante maken. Oftewel: de bevoegde nationale autoriteiten, inclusief de nationale rechterlijke instanties waarbij beroep is ingesteld tegen een nationale handeling die in strijd met het Unierecht is vastgesteld, zijn verplicht om in het kader van hun bevoegdhedenalle noodzakelijke maatregelen te treffen om het verzuim van een plan.MERte herstellen. Dit kan er, voor een 'plan’ of 'programma’ dat is vastgesteldzonder rekeningte houden met de verplichting een plan-MER op te stellen, bijvoorbeeld in bestaan dat maatregelen tot opschorting of

nietigverklaring van dit 'plan’ of 'programma’ worden vastgestelden dat een reedsverleende vergunning wordt ingetrokken of opgeschort teneinde een dergelijk plan-MER alsnog op te stellen, aldus het Hof.45 Wat hiervan ook zij, het Hof wees in het Nevele-arrest tevens op zijn eerdere rechtspraak

met betrekking tot de mogelijkhedenvoor een nationale rechter om in het kader van een bij hem aanhangiggeding de gevolgenvan een in strijd met de SMB-richtlijn vastgesteld 'plan’ of 'programma’ 6n de op basisdaarvanverleende vergunningen bij uitzondering tijdelijk in stand te laten.46 Aantekeningverdient echter dat van deze uitzonderingsmogelijkheld slechts onder bepaaldevoorwaarden gebruik kan worden gemaakt. Kort gezegdmoet dan worden aangetoonddat 1) met het in stand laten van de regetsen vergunningen een dwingende reden is gemoeid, en 2) het in stand laten niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is om het benodigde plan-MERop te stellen.

Met betrekking tot het criterium 'dwingende reden’ verwijst het Hof in het Nevele-arrestnaar zijn eerdere rechtspraak.Zo heeft het Hof een tijdelijk in stand laten aanvaard,als daarmee wordt voorkomen dat er met betrekking tot de uitvoering van het Unierecht inzakemilieubeschermingeen voor het milieu nadeliger rechtsvacuOmontstaat.47 Verder heeft het Hof geoordeeld dat ook het voorkomen van aanzienlijkegevolgen voor de elektriciteitsvoorziening in een lidstaat onder omstandigheden alseen 'dwingende reden’ kan worden aangemerkt.48Wij denken dat aan deze criteria voor het makenvan een uitzondering in relatie tot de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet is voldaan zolang de focus ligt op een enkel windturbinepark.49 Als echter alle Nederlandsewindturbineparken buiten bedrijf zouden moeten worden gesteldomdat de daaraanten grondslagliggende publiekrechtelijke

titels (tijdelijk) hun gelding hebben verloren, dan heeft dat aanzienlijkegevolgenvoor de duurzame eIektriciteitsvoorziening in Nederland.

Bii 3.1. Alternatief ongewijzigd Ld,.en L„ight Eenvan de veel gehoorde argumenten, zeker na de uitspraak van juni 2021 bij WP Delfzijl Zuid Uitbreiding is dat het invoeren van de Ld,„ en L„ightals een jaargemiddelde geluidnorm voor

windturbines dat dit een verplichting zou zijn die is opgelegdvanuit 'Europa'. Dit is niet juist.

Hieronderwordt uitgelegdwaarom.

Bij het in Europees verband opstellen van geluidsniveaukaarten voor verkeerslawaai liep men tegen het probleem van de verschillende rekenmethodieken aan die elk van de lidstaten tot dan toe hanteerde. Om tot een uniforme rekenmethodiek te komen heeft men op 25 juni 2002 de Richtlijn: 'Directive 2002/49/EC - relating to the assessment and management of environmental noise' vastgesteld. Primair doel van deze richtlijn was dus een harmonisering van geluidberekeningen ten

behoevevan verkeer. In Nederland is de Wet geluidhinder (en daaraan gekoppeldewetgeving) in 2007 hierop aangepast waarbij de geluidnormen voor berekeningen van (spoor)wegverkeerslawaai

zijn 'geharmoniseerd'aan de Ld,„en L„ight systematiek. Dit alles in het licht van de op te stellen geluidniveaukaarten voor verkeer.

Er is geen (Europese)verplichting om ook voor industridle geluidbronnen,waaronder windturbines een geluidnormeringsystematiekte hanteren op basis van jaargemiddeldegeluidniveaus.Het is echter ook niet verboden.

Bij 3.2. Differentiatie van de qeluidnormerinq Opvallend bij de in 2011 vastgestelde waarden Ld,.en L„ight,is dat er geen rekening is gehouden met het heersende geluidniveau van het omgevingsgeluid. Er is een vaste norm van 47 dB Ld,.

(gemiddeldevan de dag, avond en nacht over lange duur) en 41 dB L„igh, (gemiddeldegeluidniveau over alle nachten in een jaar). Het doel van de regelgeving voor geluid, waaronder

windturbinegeluid, is om te zorgen dat omwonenden niet te veel worden belast. Bij het bereiken van deze doelstelling heeft men gedacht om de blootstelling te beperken tot een niveau dat maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Daarbij zijn verschillende belangen (zoals bescherming

van omwonenden en ruimte voor windenergie) tegen elkaar afgewogen. Bij het vaststellen van de norm van Ld,„ = 47 dB lijken andere belangen dan gezondheid een roI te hebben gespeeld.

Uit het onderzoekvan RIVMuit 2009, Rapport 680300007/2009E. Verheijen I J.Jabben I E. Schreurs I T. Koeman I R. van Po111 B. du Pon, 2009, zal bij een geluidsniveau van 47 dB Ld,.ca. 10 procent

van de omwonenden ernstige geluidhinder ondervinden. Bij een lageregeluidnorm, bijvoorbeeld 45 dB als voorgesteld door de WHO, zal de beschikbare ruimte voor windenergie op land een stuk kleiner zijn. Wanneer de geluidsnorm aIleen bedoeld was om ernstige geluidshinder en

slaapverstoring bij omwonenden te voorkomen, zou de norm op ongeveer 40 dB Ld,. moeten worden

vastgesteld.Dit blijkt uit hierboven genoemdeonderzoek van het RIVM.Bij een dergelijk geluidniveau is gebleken dat er nauwelijksernstige hinder of slaapverstoringte verwachten is. Hiervoor is indertijd niet gekozenen heeft men zich laten leiden door het percentagegehinderden dat bij 47 dB nog 8% bedroeg (bij 50 dB was dat 15%en bU45 dB nog 'maar' 5%). Hiermee is gelijktijdig meer ruimte voor windenergie op landgecreeerd (van 7000 MW bij 40 dB naar 25000MW

bij 45 dB).

Voor het geluid van windturbines is met het vaststellenvan 66n vaste geluidnorm voor alle gebieden voorbijgegaan aan de heersende geluidniveaus of 'het referentieniveau van het omgevingsgeluid' (Voor een definitie van het referentieniveau wordt verwezen naar de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening' van 1998 (bIz. 23 e.v.)). Juist door het loslaten van de heersende geluidniveaus wordt de toename van het geluid in landelijke omgevingen als vele malen hinderlijker ewaren dan in gebieden waar door andere ge;uidsbronnen, als verkeer of andere activiteiten een hoger geluidniveau aanwezig is.

In tegenstelling tot hetgeen we kennen van andere geluidnormen, is er voor windturbinegeluid geen differentiatie in een voorkeurswaarde en een maximaal toelaatbare waarde. Hieronder staan het percentage ernstig gehinderden per type geluidbron vermeld:

Snelwegen ! Spoorwegen I Industrieterreinen I Luchtvaart I Windturbines Voorkeurswaarde

4%

4%

2&

30%

Maximaal toelaatbare waarde

14%

16%

9%

54%

9%

(Bron: Brief Min. Huizinga (VROM) aan 2e Kamen 21-09-2010).

Zoals uit bovenstaandetabel blijkt is, net aIs bUde vaststelting van de L„m„I zoalsgehanteerd in de Handreikingindustrielawaai en vergunningverlening,bij de normering uitgegaanvan het accepteren van ca. 10% ernstig gehinderden. Bij Industrielawaai gaat het, volgens de 'Handreiking

industrietawaal en vergunningverlening'van 1998 (bIz. 17, tabel 3), om een L,tm„Ivan 40 -50 dB(A).

Derichtwaarden (voorkeurswaarde)zijn afhankelijk van de aard van het gebied en het activiteitenniveau. In landelijke gebieden streeft men naar lagerewaarden dan in drukke stadscentra. De richtwaarden zijn in woongebieden en landelijke gebieden veelal lager dan de grenswaarde van

50 dB(A). Boven de grenswaardevan 50 dB(A) zalin toenemende mate hinder optreden.

Daar waar de 'Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening'de mogelijk bied om bij vergunningverleningaansluitingte zoekenbij de omgeving, kent de geluidnormering van 93.2.3van het Activiteitenbesluit milieubeheer (HiernaAbm) deze differentiatie niet. De in artikel 3.14a lid 3

Abm genoemde afwijking in verband met bijzondere lokale omstandighedenis aIleen mogelijk indien het bevoegdegezagdergelijke situaties op voorhand (in het ruimtelijk spoor) heeft vastgelegd (bijvoorbeeld aangewezenstilte gebieden).Dezebenaderingsluit niet aan bij de wijze waarop het ActiviteitenbesIuit in artikel 2.20 het bevoegdgezagde ruimte geeft om lokale omstandigheden(het heersendegeluidniveau) mee te laten wegen en middels maatwerkvoorschriften af te wijken van de 'standaard' geluidnormen van artikel 2.17, 2.17a, 2.19 dan weI 2.19a Abm. Hieruit vloeit het verzoek voort voor een betere inpassing van windturbines in de omgeving waarin ze geplaatst gaat worden.

Bii 3.4 Gezondheid op de eerste plaats

Mogelijkgaat een verscherpingvan de normering ten koste van het halen van de erIergiedoeIstellingen maar de keuzes die voor 2011 zijn gemaakt hebben juist de bewoners die vaak zeer bewust voor een stillere (landelijke) woonomgeving hebben gekozen opgezadeld met een extra

geluidbelastingenkel en aIleen doordat er in de normstelling geen rekening is gehouden met het heersendegeluidniveauter plaatse. Hierdoor zijn windturbines veel dichter bij woningen gerealiseerddan dat andere bedrijfsmatige activiteiten hadden kunnenkomen. Het halen van de energiedoeIstellingenkan mogelijk plaatsvindenmet andere duurzameenergiebronnen als

bijvoorbeeldzonnepanelenop daken. Bij 3.5.3. Laaqfrequent qeluid (LFq) Bij de vergunningverlening hebben we gezien dat een deel van de ingebrachte zienswijzen en bezwaren betrekking hebben op de vrees van geluidhinder door lage (brom)tonen afkomstig van

windturbines. Tot nu toe werden deze opmerkingen gepareerd door te stellen dat er geen 'eigen' norm is voor LFg en/of dat deze lage frequenties (onder de 100-125Hz) worden meegenomen in het gehele spectrum

van het geluid van de windturbines.

Uit onderzoek (M. Reedijk, I. van I<amp,J. Hin, juli 2021: Factsheet gezondheidseffecten van

windturbinegeluid, RIVM) blijkt dat het aandeel laagfrequent geluid in de totale geluidemissievan windturbines niet anders is dan bij andere alledaagsegeluidbronnen. Hoewel de uitkomsten van dit onderzoek niet worden bestreden wordt opgemerkt dat de geluidimmissiewel degelijk een significant groter aandeel aan LFg kan bevatten.

Uit ervaring met LFg-klachtenvan zowel windturbines als andere geluidbronnen zien we een aantal terugkerende punten. Zo komen de klachten uit een groot gebied rondom de bron. Vermoedelijke oorzaak hiervan is het gegeven dat de lagetonen van geluid verder dragen dan de hoge en middelhoge tonen. Daarnaastgeven de klachten ook het beeld dat de hinder in huis wordt ervaren. De huidige systematiekvan milieu gerelateerde geluidnormering in Nederland is voornamelijk gebaseerdop het imrnissieniveauop de geveltenzij het om aanpandigewoningen gaat.

In de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit kennenwe weI de beschermingvan het blnnenniveau. Maar daarbij zien we dat in de berekeningenvan de gelutdwering aIleen gebruik wordt gemaakt van

de octaafbanden van 125, 250, 500, 1000 en 2000 Hz. Lagerefrequenties worden niet meegenomen. Hierdoor blijft het onduidelijk in hoeverre LFgwordt tegengehoudendoor de karakteristieke geluidwering van gevelsen daken.

De Ld,„ en L.eh,wordt uitgedrukt in dB. In feite gaat het om een A-gewogen geluidniveau. Dit is

weegfilter op het lineairegeluiddrukniveauzoalsdoor een geluidmeterwordt geregistreerden waarop een correctie voor het menselijk gehoor wordt toegepast (De zogenaamde A-weging. Bij deze

A-weging is de correctie voor lagetonen veel groter omdat het menselijk oor minder gevoelig is voor de lage tonen (zie figuur). Hierdoor zal ook bij een behoorlijk aandeelaan lagetonen in een geluidspectrum er niet snel sprake zijn van een overschrijding van de norm.

1000

lewD

100000

Fr•quentl8 IHl]

Voorgrotere industri61e activiteiten of bij muziekgeluid (van live evenementen) wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de C-weging (zie figuur). Bij de C-weging worden de lage tonen veel minder sterk gecorrigeerd. Hiermee wordt een meer realistischer bijdrage van het geluid op grotere afstand berekend. Bii 3.6. Cumulatie (met andere windturbines)

Het ontbreken van eenduidigheidgeeft veel onduidelijkheid. Zowel bUde initiatiefnemers en eigenaren van windturbines als ook bij de bevoegde gezagen die hieraan een invulling moeten geven.

Zo kent de provincie Groningen in het gebied van de structuuwisie Eemshaven-Delfzijleen voorwaarde dat elk windpark, ongeacht het aantal inrichtingen waaruit ze bestaat niet meer dan Ld,. 47 dB mag veroorzaken.Maar ook hier is geen uitwerking gegevenover de verdeling.

De Omgevingsdienst Groningen adviseert aan gemeenten om de berekende geluidbelasting van

kleine windturbines (ashoogte tot 15 meter) als maatwerkvoorschrift vast te leggen. Dit om te voorkomen dat er door cumulatie een overschrijding van de geluidnorm Ld,„ = 47 dB en/of L„ight= 41 dB

ontstaat

Dit dient zodanig te gebeu ren dat alle inrichtingen in elkaars nabijheid gezamenlijkweer voldoen aan Ld,. = 47 dB en/of L„igh,= 41 dB. De geluidimmissie per inrichting kan men relateren aan het aantal

inrichtingen met windturbines welke in de omgeving (of binnen een Windpark) aanwezigzijn. Dit kan door de Ld,. (dan weI L„ight) te corrigeren voor het aantal inrichtingen middelsde formule:

Lden47 dB – (10 Log WTn) Waarbij WT„ voor het aantal inrichtingen met windturbines staat.

Voorbeeld: Men komt dan tot de volgende norm by 13 inrichtingen: Ld,. 47 dB - (10 Log 13) = 47 - 11 = Ld,„,m„tw„k = 36 dB per inrichting. Opgeteld wordt dit dan weer gelijk aan de norm van artikel 3.14a Abm. Indien wenselijk of noodzaketijk kan op deze wijze voor elke inrichting (binnen een windpark) een evenredig

deel van de "geluidstaart" toebedeeld worden. Wanneer een inrichting uit dit voorbeeld uit meer dan 66n windturbine bestaat dan mogen deze windturbines gezamenlijk niet meer dan Ld,„,m„tw„k= 36 dB veroorzaken.

Bii 3.7.3.Amplitudemodulatie Al in 2015 is dit fenomeen onderkend (Pilot Kennisplatform Windenergie, KENNISBERICHT Geluid van windturbines, Versie 1.0, Juni 2015) en deelsverklaard. Zo kan aan de onderzijde van de rotor, vaak als gevolg van een hogere ruwheidslengteter plaatse,thermiek of het doorsnijden van een inversielaag,de windsnelheid lager zijn dan aan de bovenzijdevan de rotor. De wieken komen dan tijdens hun rondgang verschillende windsnelheden tegen waarbij de hoeveelheid opgewekt geluid

ook verschilt. Bij amplitudemodulatie varieert de sterkte van het geluid met het tempo waarmee een wiek de mast passeert.Dit is bij de meestewindturbines met 3 wieken cius3 maal hoger dan het toerental. Hoe sterk dit ritmisch geluid is, is afhankelijk van de weersomstandigheden.Door de ontwikkelaars van windturbines is sinds 2015 nog maar weinig progressie geboekt in het tegengaan

van dit onderdeel van de geluidbelasting. Het is vooral op grotere afstand van een windturbine te horen (M. Reedijk,I. van I<amp,J. Hin, juli 2021: Factsheetgezondheidseffectenvan windturbinegeluid, RIVM).Dicht bij een windturbine is ritmisch geluid altijd te horen. Dit komt doordat een wiek naarvoren (in draairichting) meer geluid produceert. Het lijkt erop dat amplitudemodulatie vooral ’s avondsen ’s nachts (aIsde zon onder is) voorkomt. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het veranderen van de windsnelheidaIs de grond afkoelt: dan neemt de windsnelheid bij de grond af maar op grotere hoogte juist toe. Dat dit ritmisch geluid zo opvallend is, komt doordat mensen gevoelig zijn voor ritme; het ritme in muziek is qua timing vergelijkbaar. Wanneer er daadwerkelijk sprake is van een herkenbaar waarneembaar

'ritmisch geluid' bij de ontvanger, zou gelijk aan muziekgeluid een straffactor gepast zijn.

Bii 3.8. Zonering

Desystematiek van de milieuregelsgaat uit van de beschermingvan omwonenden. Hiervoor wordt getoetst aan de gevel van woningen of andere geluidgevoeligegebouwen of op de grensvan geluidgevoeligeterreinen. De definitie hien/an is herleid aan de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Hiermeewordt bij de komst van een windturbine of een windpark getoetst of voldaan

kan worden aan de normen. Met een bronvermogen van vaak meer dan 100 - 110 dB(A) welke vrijwel permanent 24/7 aanwezig is, zou men bij een industriele activiteit dit als een 'grote lawaaimaker'aanmerken.

Voor 'grote lawaaimakers'kennenwe al heel langde verplichting om in het ruimtelijk spoor maatregelen te nemen die enerzijds de omgeving beschermd en anderzijds de activiteit

rechtszekerheid biedt dat ze niet wordt belemmerd door (nieuwe) activiteiten binnen de invloedsfeer (zone). Door gebieden (gezoneerdeindustrieterreinen) aan te wijzen en daaromheen een geluidzonevast te leggenin het ruimtelijk spoor (bestemmingplannen).ook voor het geluid van (spoor)wegen kent men aandachtsgebieden en vaak worden deze in de verbeelding van bestemmingsplannen als een contour opgenomen.

Analoog hieraan wordt bij de vestiglng van een windturbine of windpark onderzocht of voldaan wordt aan de vastgestelde geluidnorm. Dit laat zich vertalen in een geluidbelastingcontour. Ten behoeve van de rechtszekerheid voor het onbelemmerd exploiteren en om bij nieuwe ontwikkelingen de hinderzone goed in beeld te hebben zou een dergelijk aandachtsgebied vastgelegd moeten worden.

Hoewel dit in eerste opzicht een aspect lijkt dat buiten de scoop van de regelsvan het Activiteitenbesluit valt, verwijzen we naar andere AMvB's welke voortvloeien uit de Wet milieubeheer (artikel 8.40 - 8.44 Wm) waarin al een koppeling is tussen het milieu- en ruimtelijk spoor. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan vinden we in het Besluit Externe Veiligheid voor

Inrichtingen(BEVI).

Bii 4.2. Slagschaduw 20 minuten gemiddeld 17 dagen per jaar (3.2.1 en3.2.3).

Met het onderdeel meer dan 20 minuten per dag in artikel 3.12 Arm, wordt aangegevendat slagschaduw korter dan 20 minuten als aanvaardbaar wordt beschouwd. Zoals aangegeven is

hiervoor noch in 2011 noch in 2001 een onderbouwing gegeven bij de vaststelling van deze norm.

Pasveel later heeft men in verweer getracht deze norm te staven zoalsbij de zaakvan Windpark De Drentse Monden - Oostermoer (ECLI:NL:RVS:2018:616). In deze zaakDaarin heeft de minister van Economische zaken in haar verweer met recentere onderzoeken inzichtelijk willen maken dat deze

20 minuten aanvaardbaaris: "uit onderzoek dat in 1999 in Duitslond is verricht, dot omwonenden van windturbines die een netto slogschaduwduur van meer dan 15 uur perjaar ewaren een hogere mate van dogelijkse hinder ewaren irl hun leefomgeving. Noor aonleiding van dat onderzoek is in 2000 laboratoriumonderzoek verricht. Volgensdat laboratoriumonderzoek kan in de eerste 20 minuten dat horde slagschaduw optreedt een jysieke reactie worden veroorzaakt, die bij longere blootstelling daama door het lichaam wordt gecompenseerd. Deonderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatle kost, zo is in het verweerschrift toegelicht". De Raad van State heeft in zijn uitspraak in het midden gelaten of dit een afdoende motivering is geweest. H ij geeft

aan dat:

"het can het regelgevend gezog is de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die by de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn tegen elkoar af te wegen".

We zien dat in de NRD ditzelfde ondeaoek uit 1999 wordt aangehaald voor de motivering en er geen verder onderzoek wordt gedaan naar de gezondheidseffecten in retatie tot de blootstellingsduur.

De huidige stand der techniek van de windturbines is inmiddelszover ontwikkeld dat elke windturbine direct kan reagerenop het al dan niet aanwezigzijn van zonneschijn(en dus slagschaduw)Hierdoor is de netto tijdsduur dat een windturbine daadwerkelijkstil staat omdat ze slagschaduw veroorzaakt gemakkelijk te beperken tot de feitelijke slagschaduwval op de

ramen. Hiermeezijn de productieverliezen tot een minimum te reducerenwat ruimte biedt voor

de 'nuI-uren'variant.

Bii 4.2.3 12 maal de rotordiameter

Bij de beoordeling van de afstand gaat het niet om de horizontale afstand, maarom de diagonaal ontvanger - as-hoogte. In slagschaduwonderzoeken wordt gemakshatve vrijwel altijd

de horizontale afstandgenomen. Bij een as-hoogtevan 145 meter en een rotordiameter van 131 meter is het verschil (1572 - 1565 =) 7 meter. Op de totale afstandis dat niet zo veel, maar daar waar het 'kritisch' wordt kan het tot discussieleiden, of er weI of geen stiIstandsvoorziening

ingeregeldmoet worden.

De as-hoogte is een gegeven, maar de hoogte van de ramen bij gevoeligeobjecten kan vari6ren. Zo kan zicheen situatie voordoen waarbij op de beganegrond wordt voldaan aan de afstand, maar op een dakkapel of zolderraam niet. Dit maakt dat bUde beoordeling elke woning ter

plaatse moet worden beoordeeld. In de praktijk wordt vrijwel altijd een meer praktische en daarmee ook worst-case benaderring gehanteerd waarbij wordt uitgegaanvan de horizontale afstand en een gevel als een kas (greenhouse) wordt benaderd.

Over de reikwijdte van het hinderlijke effect van slagschaduwis in Duitsland effectonderzoek gedaan (Ergebnisprotokoll des 3. Fachgesprachsvom 19.11.1999 Uber Umwelteinwirkungen von Wind energieanlagen, Schleswig). Hier is onderzoek gedaan naar een verband tussen de grote

van de afdekking(breedte van het blad van een wiek) en de afstandwaarbij nog sprake is van slagschaduw.Wanneer de afdekking van de zon door een wiek van een windturbine meer dan 20% van het oppewlak beslaat kan slagschaduwhinderaan de orde zijn (zie figuur hieronder).

Afbeelding Bron: "Onderzoek milieunormen windenergie Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding", Gemeente Eemsdelta, 716113 1va.5 13/08/2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11309639/1