05-03-02-12 Bijlage integraal advies ODG
Tekst van het document
Integraal Advies Datum:
4 maart 2021
Aan
College van B&W Veendam
Zaaknummer
Z2021-000573
Opsteller
Ronald Oostra
Bevoegd Gezag
B&W Veendam
Collegiale toetser
Martin van Wensen
Kenmerk BG
--
Onderwerp
een ruimtelijke onderbouwing voor meerdere aspecten betreffende "Bestemmingsplan Wildervank, J. Kammingakade 8 Concept"
1. Inleiding De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe schuur te bouwen van circa 1800 m2 op een plaats waar op grond van het vigerende bestemmingsplan geen bouwvlak is gelegen. Voor het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied Veendam 2019, vastgesteld op 15 mei 2019. Het plangebied heeft onder het vigerende bestemmingsplan een enkelbestemming 'Agrarisch' en een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen het plangebied is een bouwvlak van 1 hectare gelegen. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe schuur te bouwen van circa 1800 m2 op een plaats waar gedeeltelijk geen bouwvlak is gelegen. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kent geen binnenplanse afwijkingsbepaling of wijzigingsbepaling om het initiatief te kunnen realiseren. Door middel van het "Bestemmingsplan Wildervank, J. Kammingakade 8 Concept, versie Januari 2021" worden de contouren van het bouwvlak gewijzigd waardoor de schuur op de beoogde locatie kan worden gerealiseerd. Omgevingsdienst Groningen is benaderd om de milieu- en omgevingsaspecten bodem, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuhinder en m.e.r.-beoordeling die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het "Bestemmingsplan Wildervank, J.
Kammingakade 8 Concept, versie Januari 2021" (hierna: ruimtelijke onderbouwing), opgesteld door adviesbureau Roobeek Advies in opdracht van het college van burgemeester en wethouders (hierna: B&W) van de gemeente Veendam, te beoordelen en te verwerken tot een integraal advies. Voor het " Bestemmingsplan Wildervank, J. Kammingakade 8 Concept, versie November 2019" is door de Omgevingsdienst Groningen reeds in februari 2020 een integraal advies uitgebracht onder zaaknummer Z2020-00000404. Naar aanleiding van dat advies zijn er een aantal punten aangepast. In voorliggend advies wordt de ruimtelijke onderbouwing van januari 2021 opnieuw getoetst. Dit advies heeft betrekking op de aspecten bodem, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuhinder en m.e.r-beoordeling die zijn opgenomen in respectievelijk paragraaf 4.2, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 van hoofdstuk 4 van de ruimtelijke onderbouwing. Deze aspecten zullen in de navolgende hoofdstukken worden besproken en beoordeeld.
2. Bodem 2.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect bodem zijn paragraaf 4.2 (Bodem) van de ruimtelijke onderbouwing en het verkennend bodemonderzoek van 5 januari 2021 (20-M9602) opgesteld door Sigma Bouw & Milieu beoordeeld. De bodemkwaliteit wordt in paragraaf 4.2 van de ruimtelijke onderbouwing voldoende verwoord. De bovengrond, ondergrond en het grondwater bevatten (lichte) verontreinigingen, die geen aanvullend onderzoek vereisen. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek is de locatie geschikt voor de beoogde functie: bedrijfslocatie (akkerbouwer). In het kader van het hergebruiken van grond hebben wij in paragraaf 2.3 van dit advies nog een aantal aanvullende opmerkingen geplaatst/ aanbevelingen gedaan.
2.2 Beoordeling Op onderstaande locatie is een bodemonderzoek uitgevoerd om te bepalen of de bodem geschikt is voor de beoogde functie. De beoogde functie voor onderhavig plan is het bouwen van een (agrarische) werktuigenloods. Om de plannen te kunnen realiseren is een bestemmingsplanwijziging nodig (uitbreiden bouwvlak). In het kader van ruimtelijke ontwikkeling is de hoofdvraag of het plan financieel goed onderbouwt is en daarmee realiseerbaar. De aanwezige bodem(kwaliteit) is een onderdeel dat in deze afweging moet worden meegenomen. De vraag is of de bodemkwaliteit past bij het (beoogde) gebruik van die bodem. Gelet op het uitgevoerde bodemonderzoek wordt voldaan aan de financiële paragraaf van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Er is geen ernstige verontreiniging geconstateerd. Hierdoor is er gelezen vanuit het bodemonderzoek geen sanering noodzakelijk en hoeven voor de milieu hygiënische bodemkwaliteit geen aanvullende kosten in beeld te worden gebracht. De bodemkwaliteit wordt in paragraaf 4.2 van de ruimtelijke onderbouwing voldoende verwoord. In het kader van het aspect bodem zou de (toekomstige) omgevingsvergunning (deel bouwen) kunnen worden verleend. Het bodemonderzoek bewijst voldoende dat er niet op ernstig verontreinigde grond wordt gebouwd. Voor het onderdeel milieu is het echter nog onduidelijk.
In het kader van milieu is nog geen situatie tekening bekend en daardoor is het nog onbekend of in de nieuw te bouwen loods bodembedreigende activiteiten zullen gaan plaatsvinden. De status van de bodemlocatie "GR004702531, VM, 9648, J. Kammingakade 8" blijft ongewijzigd: Vervolgactie (Wbb) : voldoende onderzocht, Vervolgactie (ander kader) : Uitvoeren onderzoek en/of sanering bij dynamiek op locatie. Voor de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) zijn er geen duidelijke aanwijzingen op een ernstige verontreiniging in het onderhavige onderzoeksgebied. Echter is nog niet de gehele bodemlocatie onderzocht. Bij nieuwe dynamiek zal daarom opnieuw bekeken moeten worden of er bodemonderzoek nodig is. Ook de status van de gedempte wijk "GR004702789, VM, 9648, gedempte wijk J. Kammingakade 8" blijft ongewijzigd: "Uitvoeren verkennend onderzoek". Door de aanvullende boringen en het historisch onderzoek is duidelijk dat het bouwplan in ieder geval niet plaatsvindt op de demping. Echter maakt het verkennend bodemonderzoek ook duidelijk dat er niet geboord is in de demping. Daarmee is nog steeds niet bekend waar het dempingsmateriaal uit bestaat en daardoor blijft de status voor de gedempte wijk ongewijzigd. Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 2/12
Onderhavig plan zou gelet op het aspect bodem kunnen plaatsvinden. Echter dient men terughoudend te zijn met een eventuele bronnering.
Figuur 1 onderzoekslocatie verkennend bodemonderzoek
2.3 Aanvullende opmerkingen/ aanbevelingen In het kader van het hergebruiken van grond dient, indien mogelijk, gewerkt te worden met een zogenaamde gesloten grondbalans (grond op eigen terrein hergebruiken). Als hergebruik op het perceel waar de grond is vrijgekomen niet mogelijk is dan kan de grond mogelijk worden hergebruikt als bodem of in een grootschalige bodemtoepassing. Het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) is hierop van toepassing. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit dient hergebruik van grond op een ander perceel (als bodem en in grootschalige bodemtoepassingen) te worden gemeld bij het meldpunt Bodemkwaliteit (ook meer dan 50 m3 schone grond!): www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Hergebruikmogelijkheden gelden uitsluitend voor alle nuttige en functionele toepassingen van grond en baggerspecie op of in de bodem en in oppervlaktewater.
Hergebruik grond als bodem: De bodemkwaliteitskaart geeft op onderhavige locatie aan dat er sprake zou moeten zijn van grond die voldoet aan de achtergrondwaarde. Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek bewijst echter het tegendeel. Er is sprake van Wonen en Industriekwaliteit. De grond mag daardoor niet als bodem worden hergebruikt op plaatsen waar sprake is van akkerbouw. De eventueel vrijkomende grond voldoet niet aan de beoogde functie akkerbouw. Het onderzoek is echter indicatief. Dit onderzoek is dus geen wettelijk bewijsmiddel voor een grondtransport. Voor grond uitspreiden op dezelfde akker is conform artikel 38 Bbk geen melding noodzakelijk.
Hergebruik grond als Grootschalige Bodem Toepassing (GBT): Het Bbk biedt de mogelijkheid om grond te hergebruiken in grootschalige bodemtoepassingen (omvang minimaal 5.000 m3 grond). Hergebruik van grond in grootschalige bodemtoepassingen mag alleen op basis van partijkeuringen. De resultaten van het verrichte bodemonderzoek gelden niet als bewijsmiddel in het kader van het Bbk voor de toepassing van grond in GBT’s.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 3/12
3. Externe Veiligheid 3.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid is paragraaf 4.4 (Externe veiligheid) van de ruimtelijke onderbouwing beoordeeld. De tekst in paragraaf 4.4 geeft aanleiding tot het maken van een opmerking. Wij adviseren voor de juistheid en volledigheid van de ruimtelijke onderbouwing daarom onderstaande opmerking te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
3.2 Beoordeling Het groepsrisico wordt niet beschreven in paragraaf 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing. Een mogelijke tekst om het groepsrisico te beschrijven is hieronder opgenomen:
Door deze ontwikkeling zal er geen verandering in de hoogte van het groepsrisico optreden. Een verantwoording van het groepsrisico en een advies van Veiligheidsregio Groningen kan hierdoor achterwege blijven. 3.3 Conclusie Het groepsrisico is niet beschreven. Een mogelijke tekst is opgenomen.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 4/12
4. Geluid 4.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect geluid zijn paragraaf 4.5 (Geluid) van de ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch onderzoek dat op 7 oktober 2020 is uitgevoerd door Geluidmeesters (rapport met kenmerk 0009R-20-J d.d. 7 oktober 2020, versie 1) beoordeeld. Het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Geluidmeesters, is door de Omgevingsdienst Groningen beoordeeld en goedgekeurd. Er kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid kan worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid vormt geen belemmering om medewerking te verlenen aan de ruimtelijke procedure. In de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door Roobeek Advies, wordt de akoestische situatie op een paar kleine onvolkomenheden helder beschreven. Geadviseerd wordt om de hieronder genoemde aanvullingen uit paragraaf 4.2 van dit advies te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
4.2 Beoordeling Beoordeling akoestisch onderzoek Het akoestisch onderzoek ziet er duidelijk en overzichtelijk uit en is goed leesbaar. De bedrijfssituatie wordt helder beschreven, evenals de uitgangspunten en de aard en de herkomst van de bronniveaus. Wat de normering betreft is in eerste instantie aangesloten bij de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009. Tevens is er gekeken naar het normenstelsel van het Activiteitenbesluit, waarvan de normen grotendeels overeenkomen met de genoemde VNG publicatie. Voor toetsing is dan ook uitgegaan van de grenswaarden uit de VNG publicatie. Als deze niet worden overschreden dan wordt automatisch voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Ruimtelijke ordening In het akoestisch onderzoek wordt gesteld dat de omgeving van de inrichting kan worden gedefinieerd als "gemengd gebied" conform de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering. De VNG publicatie omschrijft dit omgevingstype als volgt: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd."
Wij zijn van mening dat de gebiedstypering zoals gehanteerd in het akoestisch onderzoek, in onderhavige situatie de juiste is. In de VNG publicatie wordt weergegeven dat de richtafstand, voor wat betreft geluid, voor een agrarische inrichting in een gemengd gebied 10 meter bedraagt. Binnen deze richtafstand mogen zich geen gevoelige objecten bevinden. In onderhavige situatie is dat wel het geval.
Binnenplanse afwijking De VNG publicatie geeft stappenplannen weer om te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan ruimtelijk inpasbaar is. Wanneer inpassing mogelijk wordt gemaakt middels een
binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan is onderstaand stappenplan van toepassing:
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 5/12
Stap 1:
Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk.
Stap 2:
Indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidsbelasting op de
richtafstand van maximaal: •
45 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;
•
65 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
•
50 dB(A) ten gevolge van verkeer aantrekkende werking; binnenplanse inpassing is mogelijk.
Wanneer aan de hand van het akoestisch onderzoek dit stappenplan wordt doorlopen blijkt in stap 2 dat binnenplanse inpassing mogelijk is. In het akoestisch onderzoek wordt namelijk berekend dat op de gevel van de woning aan de Zevenmeersveenweg 16 wordt voldaan aan 45 dB(A) etmaalwaarde. Deze is gelegen binnen 30 meter van de grens van de inrichting. Hiermee kan worden aangenomen dat op 30 meter van de grens van de inrichting ook wordt voldaan.
Buitenplanse afwijking Een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan is in casu echter niet mogelijk. Wanneer inpassing mogelijk wordt gemaakt middels een buitenplanse afwijking is het volgende stappenplan van toepassing: Stap 1:
Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk.
Stap 2:
Indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidsbelasting op
woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal:
Stap 3:
•
50 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;
•
70 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
•
50 dB(A) ten gevolge van verkeer aantrekkende werking;
Als stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing is mogelijk bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal: •
55 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;
•
70 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
•
65 dB(A) ten gevolge van verkeer aantrekkende werking;
Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie van eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Stap 4:
Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken.
Dit stappenplan volgend kan in stap 2 worden geconcludeerd dat buitenplanse inpassing mogelijk is. Het akoestisch onderzoek toont namelijk aan dat op de gevel van de omliggende woningen wordt voldaan aan 50 dB(A) etmaalwaarde ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 70 dB(A) ten aanzien van piekgeluiden en 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 6/12
Beoordeling paragraaf 4.5 In paragraaf 4.5 van de ruimtelijke onderbouwing wordt een aantal keren genoemd dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd, maar er wordt niet duidelijk gemaakt door wie dit onderzoek is uitgevoerd, en in welk rapport de uitgangspunten en resultaten zijn beschreven. Volledigheidshalve is het wenselijk dit toe te voegen. In de alinea 'Samenvattend' van paragraaf 4.5 wordt het volgende gezegd: "Gelet op de uitkomsten wordt bij de omliggende woningen…". Het zou duidelijker zijn als dit wordt aangevuld als volgt: : "Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek van Geluidmeesters wordt bij de omliggende woningen…". Ten aanzien van paragraaf 4.5 van de ruimtelijke onderbouwing hebben wij verder geen opmerkingen.
4.3 Conclusie Het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Geluidmeesters, is door de Omgevingsdienst Groningen beoordeeld en goedgekeurd. Er kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid kan worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid vormt geen belemmering om medewerking te verlenen aan de ruimtelijke procedure. Daarnaast kan worden gesteld dat er wordt voldaan aan de grenswaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gelet op de aard van de inrichting, de omgeving en de uitkomsten van het akoestisch onderzoek is het niet noodzakelijk om maatwerkvoorschriften aan de inrichting op te leggen. In de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door Roobeek Advies, wordt de akoestische situatie op een paar kleine onvolkomenheden helder beschreven. Geadviseerd wordt om de hierboven genoemde aanvullingen uit paragraaf 4.2 van dit advies te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 7/12
5. Luchtkwaliteit 5.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit is paragraaf 4.6 (Luchtkwaliteit) van de ruimtelijke onderbouwing beoordeeld. De tekst in paragraaf 4.6 geeft aanleiding tot het maken van een opmerking. Wij adviseren voor de juistheid en volledigheid van de ruimtelijke onderbouwing daarom onderstaande opmerking te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
5.2 Beoordeling Uit paragraaf 4.6 van de ruimtelijke onderbouwing volgt dat er extra verkeer te verwachten valt als gevolg van het plan. Dit is getoetst met een NIBM berekening. Hieruit blijkt dat de toename 'Niet in betekenende mate' (NIBM) is. Op pagina 27 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat er geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Echter is er wel sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit alleen blijft deze binnen de grenzen van de NIBM. Wij adviseren daarom onderstaande tekst uit de ruimtelijke onderbouwing: "Er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Pas bij een extra aantal voertuigbewegingen van 1140 bewegingen per dag is er sprake van een plan dat een verslechtering van de luchtkwaliteit teweeg kan brengen. Dergelijke aantallen zijn hier net te verwachten."
Te wijzigen naar onderstaande tekst: "Er is sprake van een kleine concentratietoename voor PM10 en NOx. Deze waarden blijven echter onder de grens van 1,2 µg/m3 zoals is gesteld in de regeling NIBM. Daarmee is aangetoond dat er geen significante verslechtering optreedt met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit."
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 8/12
6. Milieuhinder 6.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect milieuhinder is paragraaf 4.7 (Milieuhinder) van de ruimtelijke onderbouwing beoordeeld. De tekst in paragraaf 4.7 geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wij adviseren voor de juistheid en volledigheid van de ruimtelijke onderbouwing daarom onderstaande opmerkingen te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
6.2 Beoordeling In paragraaf 4.7 van de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. Dit is echter niet juist. De richtafstand, voor wat betreft geluid, voor een agrarische inrichting in een gemengd gebied bedraagt 10 meter. Binnen deze richtafstand mogen zich geen gevoelige objecten bevinden. In onderhavige situatie is dat wel het geval. Een akoestisch onderzoek is in tegenstelling tot wat wordt geconcludeerd in paragraaf 4.7 wel nodig. Echter is er wel een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Geluidmeesters (rapport met kenmerk 0009-R20-J d.d. 7 oktober 2020, versie 1). De tekst en de conclusie in paragraaf 4.7 van de ruimtelijke onderbouwing zal hierop moeten worden aangepast.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 9/12
7. M.e.r.-beoordeling 7.1 Advies Voor de beoordeling van het aspect m.e.r.-beoordeling is paragraaf 4.8 (M.e.r.-beoordeling) van de ruimtelijke onderbouwing beoordeeld. De tekst in paragraaf 4.8 geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wij adviseren voor de juistheid en volledigheid van de ruimtelijke onderbouwing daarom onderstaande opmerkingen te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing.
7.2 Beoordeling De vormvrije m.e.r-beoordeling zoals deze heeft plaatsgevonden is gebaseerd op de uitkomsten/conclusies van de volgende in hoofdstuk 4 van ruimtelijke onderbouwing beoordeelde aspecten: archeologie, bodem, externe veiligheid, ecologie, geluid, milieuhinder, luchtkwaliteit en water. 1 De uitkomsten zijn weergegeven in een tabel. In de tabel ontbreekt een beoordeling van de gevolgen van het project op Natura 2000-gebieden. Een beoordeling van de gevolgen van het project op Natura 2000-gebieden moet nog in de tabel worden opgenomen. In paragraaf 4.3 heeft overigens wel een beoordeling plaatsgevonden van de gevolgen van het project op Natura 2000-gebieden. In de paragraaf wordt gesteld dat er geen gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden omdat met onderhavig plan enkel de contouren van het bouwvlak worden gewijzigd. Het recht om de schuur te bouwen binnen het huidige bouwblok is al mogelijk. Of deze conclusie klopt is door de Omgevingsdienst Groningen niet beoordeeld. De Omgevingsdienst Groningen kan geen advies verstrekken voor dit onderdeel. De provincie Groningen is voor de advisering op dit punt de juist aangewezene. In de m.e.r.- beoordeling heeft ook een beoordeling plaatsgevonden van het aspect ecologie. Dit onderdeel wordt eveneens behandeld in paragraaf 4.3. De Omgevingsdienst Groningen kan geen advies verstrekken voor het aspect ecologie.
De provincie Groningen is voor de advisering op dit punt de juist aangewezene. In de ruimtelijke onderbouwing wordt in paragraaf 4.8 'M.e.r.-beoordeling' verwezen naar categorie 11.3 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Daarbij wordt gesteld dat deze categorie betrekking zou hebben op 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. Dit is verkeerd aangegeven, dit dient categorie 11.2 te zijn. In casu is sprake van een vormvrij m.e.r.-beoordeling. De diepgang van zo'n beoordeling is sterk afhankelijk van de aard en omvang van een project en de plaats waar een project wordt gerealiseerd. In dit geval is sprake van een relatief klein project. De enige mogelijke hinder die valt te verwachten is geluidhinder. Middels een akoestisch onderzoek is daarvan aangetoond dat deze aanvaardbaar is. In paragraaf 4.8, welke paragraaf feitelijk de conclusies bevat van de in hoofdstuk 4 beoordeelde (milieu)aspecten, zijn de milieugevolgen van het project op zich, afgezien van de vraag of deze conclusies juist zijn, voldoende in beeld gebracht. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het aspect ecologie niet is beoordeeld en er twijfels zijn over de conclusies ten aanzien van de beoordeling van de gevolgen van het project voor Natura 2000-gebieden. Daarnaast merken wij op dat de laatste alinea in paragraaf 4.8 dubbel is opgenomen.
1 In het kader van dit integrale advies zijn door de Omgevingsdienst Groningen alleen de aspecten bodem, externe
veiligheid, geluid, milieuhinder en luchtkwaliteit beoordeeld. Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 10/12
8. Conclusie In dit advies zijn door de Omgevingsdienst Groningen de aspecten bodem, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuhinder en m.e.r-beoordeling die zijn opgenomen in respectievelijk paragraaf 4.2, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 van hoofdstuk 4 van de ruimtelijke onderbouwing besproken en beoordeeld. Met betrekking tot het aspect bodem zijn wij van oordeel dat de bodemkwaliteit in paragraaf 4.2 (Bodem) van voldoende wordt beschreven. De bovengrond, ondergrond en het grondwater bevatten (lichte) verontreinigingen, die geen aanvullend onderzoek vereisen. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek is de locatie geschikt voor de beoogde functie: bedrijfslocatie (akkerbouwer). In het kader van het hergebruiken van grond hebben wij in paragraaf 2.3 van dit advies nog een aantal aanvullende opmerkingen geplaatst/ aanbevelingen gedaan. Voor wat betreft het aspect externe veiligheid wordt voor de volledigheid en juistheid geadviseerd om paragraaf 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing op het in hoofdstuk 3 van dit advies genoemde punt aan te passen en aan te vullen. Met betrekking tot het aspect geluid is het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Geluidmeesters, beoordeeld en goedgekeurd. Er kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid kan worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening.
Het aspect geluid vormt geen belemmering om medewerking te verlenen aan de ruimtelijke procedure. Daarnaast is paragraaf 4.5 (Geluid) beoordeeld. De akoestische situatie wordt in de ruimtelijke onderbouwing op een paar kleine onvolkomenheden na helder beschreven. Wij adviseren daarom om de aanvullingen uit paragraaf 4.2 van dit advies te verwerken in de ruimtelijke onderbouwing. Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit wordt voor de volledigheid en juistheid geadviseerd om paragraaf 4.6 van de ruimtelijke onderbouwing op het in hoofdstuk 5 van dit advies genoemde punt aan te passen en aan te vullen. Voor wat betreft het aspect milieuhinder wordt voor de volledigheid en juistheid geadviseerd om paragraaf 4.7 van de ruimtelijke onderbouwing op de in hoofdstuk 6 van dit advies genoemde punten aan te passen en aan te vullen. Voor wat betreft het aspect m.e.r.-beoordeling wordt voor de volledigheid en juistheid geadviseerd om paragraaf 4.8 van de ruimtelijke onderbouwing op de in hoofdstuk 7 van dit advies genoemde punten aan te passen en aan te vullen. Dit betekent dat de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft de aspecten externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuhinder en m.e.r-beoordeling aangepast zal moeten worden dan wel verder moeten worden onderzocht op de hierboven aangedragen punten.
Aanvullende opmerkingen Op pagina 4 van de ruimtelijke onderbouwing is in figuur 1.2 het bouwvlak en het beoogde plangebied versprongen. Om verwarring te voorkomen zal dit moeten worden aangepast. In ons eerdere integrale advies (Z2020-00000404) hebben wij in het kader van het aspect archeologie geadviseerd om conform het vigerende bestemmingsplan een archeologisch rapport aan te leveren. De ruimtelijke onderbouwing is hierop niet aangepast/gewijzigd. In paragraaf 4.1 (Archeologie) van de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat:
"De verstoring blijft daarmee onder de gecombineerde onderzoeksnorm van 200 m2 én dieper dan 0,45 meter." Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 11/12
Echter staat in artikel 34.2, onder a, van het vigerende bestemmingsplan dat bij het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2 een archeologisch rapport aangeleverd moet worden. De conclusie die in paragraaf 4.1 getrokken wordt is gelet op het vigerende bestemmingsplan onjuist. Daarnaast willen wij nogmaals opmerken dat in de gehele ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over voor 'agrarische' aangewezen gronden terwijl sinds 2016 op deze locatie een bedrijf is gevestigd die opslagruimte verhuurt. Hierdoor lijkt er sprake te zijn van strijdig gebruik van de gronden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt niet gesproken over de wijziging van de bestemming naar het huidige (mogelijk strijdige) gebruik. Het is onduidelijk of het verzoek ook gezien moet worden om planologische medewerking te verlenen om de agrarische bestemming te veranderen in een industriebestemming.
Zaaknummer Z2021-000573
Pagina: 12/12