CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

05-02-02 Bestemmingsplan Korte Akkers 41 42, Veendam ontwerp (1)

Gemeenteraad 29 maart 2022, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen23.068 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan "Korte Akkers 41/42, Veendam"

Bezoekadres Postadres

Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

: 8 februari 2022

Status Projectleider Telefoon E-mail

: ontwerp : E.W. Lamberts : 08 8236 8236 : info@rombou.nl

Inhoudsopgave Toelichting

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding van het plan

6

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

14

2.3

Landschappelijke inpassing

19

Hoofdstuk 3

Beleidskader

22

3.1

Rijksbeleid

22

3.2

Provinciaal beleid

24

3.3

Gemeentelijk beleid

28

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

29

4.1

Bedrijven en milieuzonering

29

4.2

Geur

32

4.3

Bodem

33

4.4

Geluidhinder

36

4.5

Luchtkwaliteit

38

4.6

Externe veiligheid

40

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

44

4.8

Ecologie

47 3

4.9

Water

50

4.10

Vormvrije MER-beoordeling

53

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

56

5.1

Algemeen

56

5.2

Juridische vormgeving

56

Hoofdstuk 6

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

58

6.1

Economische uitvoerbaarheid

58

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

58

Bijlagen

Bijlage 1

Maatwerktraject

Bijlage 2

Inpassingsplan

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

Ecologische quickscan

Bijlage 5

Stikstofberekening

Bijlage 6

Advies Omgevingsdienst Groningen

Regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

176

Artikel 1

Begrippen

176

Artikel 2

Wijze van meten

190

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

191

Artikel 3

Agrarisch

191

Artikel 4

Wonen

202

Artikel 5

Waarde - Archeologie 3

205

Hoofdstuk 3

Algemene regels

208

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

208

4

Korte Akkers 41/42, Veendam

Artikel 7

Algemene bouwregels

209

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

210

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

212

Artikel 10

Algemene wijzigingsregels

218

Artikel 11

Overige regels

220

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

222

Artikel 12

Overgangsrecht

222

Artikel 13

Slotregel

223

Bijlagen

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing

Bijlage 2

Positionering paardrijbak

Bijlage 3

Staat van bedrijven

Bijlage 4

Lijst aan huis verbonden beroepen

Bijlage 5

Lijst toegestane bedrijven aan huis

Inhoudsopgave

5

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding van het plan

Aan de Korte Akkers 42 in Veendam is het agrarisch bedrijf van initiatiefnemers gevestigd. Het bedrijf heeft de beschikking over circa 65 hectare aan landbouwgrond waarop overwegend akkerbouwgewassen worden geteeld. Circa 11 jaar geleden is de bedrijfslocatie van de buren, Korte Akkers 41 in Veendam, aangekocht. Bij de laatste herziening van het bestemmingsplan Buitengebied heeft de gemeente besloten om de bouwvlakken van beide bedrijven samen te voegen tot één bouwvlak, waarbij de boerderij op het perceel aan de Korte Akkers 41 is bestemd als tweede bedrijfswoning. Het bedrijf van initiatiefnemers heeft geen omvang van een tweemansbedrijf. De woning heeft als tweede bedrijfswoning dan ook geen functie voor de bedrijfsvoering. De woning kan simpelweg niet worden bewoond door een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is. Het gevolg hiervan is dat de bedrijfswoning leeg staat en inmiddels in een zeer slechte staat van onderhoud verkeert. Initiatiefnemers hebben bij de gemeente daarom het verzoek ingediend om de tweede bedrijfswoning af te splitsen van het agrarisch bedrijf en te bestemmen voor woondoeleinden. Omdat de boerderij te slecht is om te bewonen en zeer dicht op het perceel Korte Akkers 42 ligt, is tevens verzocht om de woonkavel circa 90 meter te verplaatsen in noordwestelijke richting.

De huidige boerderij met de bijgebouwen zal worden gesloopt en binnen het nieuwe bouwvlak wordt een particuliere woning gebouwd. Tevens heeft initiatiefnemer verzocht om de vorm van het agrarisch bouwvlak te wijzigen. In het vigerende bestemmingsplan heeft het bedrijf de beschikking over een niet efficiënt bouwvlak (zie ook afbeelding 1) van 1 hectare. Gevraagd is om hier een efficiëntere, meer rechthoekige, vorm van te maken waar het bedrijf de komende jaren mee vooruit kan.

6

Korte Akkers 41/42, Veendam

Tot slot hebben initiatiefnemers de wens om de akkerbouwactiviteiten uit te breiden met een wormenkwekerij. Voor de nadere vormgeving van de plannen (agrarisch bouwvlak en woonkavel) is een maatwerkprocedure doorlopen, waarbij in overleg met de gemeente en de provincie consensus is bereikt over de ligging van het nieuwe agrarisch bouwvlak, de ligging van het woonperceel en de landschappelijke inpassing. Door middel van de brief van 24 november 2020 laat de gemeente weten dat voor de gewenste aanpassingen een apart bestemmingsplan is vereist, waarbij juridisch geborgd moet worden dat de geaccordeerde landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd. Via de mail van 13 februari 2020 laat de gemeente weten dat de wormenkwekerij in de planherziening meegenomen kan worden, waarbij de kaders voor het uitvoeren van deze activiteit in het plan vastgelegd kunnen worden. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de beschreven plannen / wijzigingen uitgewerkt en planologisch/juridisch verankerd in de regels en op de verbeelding. 1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van Veendam aan de Korte Akkers op de grens met de gemeente Midden-Groningen. Het plangebied bestaat uit het agrarisch bouwvlak van het bedrijf en het nieuwe woonperceel. De Korte Akkers is een rustige weg die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer. Er liggen aan de weg zo'n 11 burgerwoningen en één agrarisch bedrijf. Het bedrijf van initiatiefnemer. Op de navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied in de omgeving aangegeven alsmede de globale begrenzing hiervan. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bijbehorende verbeelding.

Toelichting

7

Afbeelding 1: ligging plangebied in de omgeving (links) en de globale begrenzing (rechts) 1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het perceel is opgenomen in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Veendam, vastgesteld op 24 oktober 2016 en in het Veegplan Buitengebied Veendam 2019, vastgesteld op 28 oktober 2019. Het Veegplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. Dat wil zeggen dat het bestemmingsplan Buitengebied van kracht blijft maar dat hierop middels dit veegplan een aanvulling wordt gedaan. In de navolgende afbeelding is de uitsnede weergegeven van het vigerende bestemmingsplan.

8

Korte Akkers 41/42, Veendam

Afbeelding 2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Het agrarisch bedrijf heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch'. Het bouwvlak van het bedrijf is door middel van de rode lijn aangegeven. De stippellijn binnen het bouwvlak geeft de functieaanduiding 'bedrijfswoning' aan. Hier is de planologisch bestemde tweede bedrijfswoning aanwezig. Tot slot rust op een deel van het plangebied (westelijk) de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3'. Het wijzigen van de vorm van het agrarisch bouwvlak en het wijzigen van de agrarische bestemming van de tweede bedrijfswoning in de woonbestemming alsmede het verplaatsen van deze bouwtitel buiten het bestaande (agrarisch) bouwvlak kan niet via een binnenplanse procedure plaatsvinden. Om die reden is gekozen voor een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.

Toelichting

9

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In hoofdstuk 5 komt de juridische vormgeving aan bod. Het laatste hoofdstuk gaat in op maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

10

Korte Akkers 41/42, Veendam

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

2.1.1

Landschap

Het grootschalig, open landschap aan de oost- en zuidoostzijde van Veendam kenmerkt zich door de weidsheid met een veelal nog herkenbare opstrekkende verkaveling. Dit is een herkenbaar overblijfsel van de ontginningsgeschiedenis van Veendam. De gemeente vindt het belangrijk dit historische landschap te behouden, waaronder de kenmerkende openheid en van oudsher aanwezige agrarische functie. De linten met hun bebouwing vormen een landschappelijk gebied an sich. De linten kenmerken zich door een tweezijdige bebouwing langs de weg met op sommige plekken een doorkijk naar het achterliggende gebied. Van oudsher kenmerken deze linten zich door een grote mate van functiemenging. Om de kenmerken van deze linten te behouden zet de gemeente dan ook in op de bescherming en versterking van deze aspecten in de juridisch/planologische regelingen. Op onderstaande kaart zijn de voornaamste landschappelijke kenmerken van de gemeente Veendam inzichtelijk gemaakt en is de ligging van het plangebied aangegeven met een rode cirkel.

Toelichting

11

Afbeelding 3: landschappelijke kenmerken In het westelijke deel van Veendam is het (grootschalige) open agrarische landschap deels verdwenen door de aanwezigheid van grootschalige functies als een aantal recreatieterreinen en andere niet-agrarische functies. De (landschappelijke) voorwaarden die worden verbonden aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn in deze gebieden ook minder stringent. 2.1.2

De locatie

De locatie aan de Korte Akkers 41 en 42 is in gebruik voor agrarische doeleinden. De oorspronkelijke bedrijfswoning (Korte Akkers 42) is in de onderstaande afbeelding aangegeven met nummer 1. De aan de bedrijfswoning verbonden aardappelbewaring (2) is aan de zuidzijde verbonden met de bedrijfswoning. De paardenstal (3) is hier ten westen van gesitueerd. De tweede bedrijfswoning (Korte Akkers 41) is aangegeven met nummer 4 en de daarbij horende bijgebouwen (5), waaronder het stookhok, liggen hier ten westen van. De van oorsprong bij deze bedrijfswoning horende stro-, graan- en machineopslag (6) is het meest zuidelijke gebouw op het perceel. Net buiten het bouwvlak is tot slot de paardrijbak (7) gesitueerd. Het bouwvlak is met de rode stippellijn aangegeven. De bestaande bebouwing ligt geheel binnen het bouwvlak van 1 hectare. 12

Korte Akkers 41/42, Veendam

Afbeelding 4: bestaande situatie De bebouwing van de Korte Akkers 41 (4, 5 en 6) is in zeer slechte staat van onderhoud. Toen initiatiefnemers de boerderij met de bijgebouwen in 2010 kochten van de vorige eigenaar was er al sprake van ernstig achterstallig onderhoud. De stro-, graan- en machineopslag (6) wordt momenteel wel gebruikt voor het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning (4) en de daarbij behorende bijgebouwen (5) zijn niet in gebruik en staan sinds de aankoop leeg.

Toelichting

13

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Agrarisch bouwvlak

Het bouwvlak dat oorspronkelijk bij het agrarisch bedrijf aan de Korte Akkers 41 behoorde, ligt voor een groot deel op onbebouwde grond. Het gaat om een oppervlakte van circa 4.200 m2. De situering van dit gedeelte van het bouwvlak ligt ongunstig ten opzichte van de bestaande bedrijfsgebouwen. Logistiek is het bebouwen van dit bouwvlak met bedrijfsgebouwen onwenselijk. Vanuit de bedrijfsvoering is het veel logischer om een rechthoekig bouwvlak te hebben dat aansluit bij de in gebruik zijnde bebouwing. Aan de oostzijde ligt in de huidige situatie de grens van het agrarisch bouwvlak op de perceelsgrens met de buren (Korte Akkers 43). In de nieuwe situatie schuift het bouwvlak 7 meter op in westelijk richting, waardoor de bebouwing in de nieuwe situatie in ieder geval 7 meter uit de perceelsgrens met de buren gebouwd zal worden. Zie ook de navolgende afbeelding.

Afbeelding 5: ligging nieuw agrarisch bouwvlak op 7 meter uit de perceelsgrens met de buren In de nieuwe situatie krijgt het bouwvlak een omvang van 9.250 m2. In verband met de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning buiten het bestaande bouwvlak (zie 14

Korte Akkers 41/42, Veendam

ook paragraaf 2.2.2) moet initiatiefnemer 750 m2 aan agrarisch bouwvlak inleveren. Dit volgt uit het provinciaal beleid. In paragraaf 3.2 wordt hier nader op ingegaan. De functieaanduiding 'bedrijfswoning' wordt geschrapt van de verbeelding. De vorm en de ligging van het bouwvlak is tot stand gekomen door middel van de doorlopen maatwerkprocedure. De brief van de afronding van dit traject is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. Met de gevoerde maatwerkprocedure is voor de komende jaren voldoende uitbreidingsruimte gecreëerd op het erf. Mocht het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer in de toekomst een groter bouwvlak nodig hebben, dan is hiervoor in de regels van dit bestemmingsplan een binnenplanse afwijking mogelijkheid opgenomen. Voorwaarde voor een toekomstige verruiming van het bouwvlak naar 1 hectare is dat het blijft passen binnen de maatwerkafspraken (bijv. t.a.v. het doortrekken van beplanting ). Op de verbeelding is een 'wetgevingzone - afwijkingsgebied' opgenomen waarbinnen de afwijkingsmogelijk toepasbaar is. Uitbreiding van het bouwvlak buiten deze wetgevingszone en/of groter dan 1 hectare wordt mogelijk gemaakt door middel van een wijzigingsprocedure. 2.2.2

Woonperceel

Aan de zijde van de weg wordt ter compensatie van het inleveren van de functieaanduiding 'bedrijfswoning', 750 m2 aan agrarisch bouwvlak en de sloop van tenminste 750 m2 aan bedrijfsbebouwing een nieuw woonperceel gerealiseerd voor een particuliere woning. De bebouwing die in ieder geval zal worden gesloopt is aangegeven op de navolgende afbeelding.

Toelichting

15

Afbeelding 6: te slopen bebouwing (geel gemarkeerd) Het woonperceel krijgt een oppervlakte van circa 1.850 m2, waarop maximaal 300 m2 aan bebouwing (woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen) opgericht mag worden. In de onderstaande afbeelding is uitgegaan van een woning van 175 m2 en een bijgebouw van 125 m2. De woning wordt via een nieuw aan te leggen uitrit ontsloten op de Korte Akkers.

16

Korte Akkers 41/42, Veendam

Afbeelding 7: nieuw woonperceel Het nieuwe woonperceel komt tegenover twee particuliere woningen te liggen en vormt daarmee een klein wooncluster (zie afbeelding 8). De ruimtelijke impact van de verplaatsing van het bouwrecht van de (tweede bedrijfs) woning naar de weg is daarmee gering.

Toelichting

17

Afbeelding 8: ligging nieuw woonperceel tegenover twee bestaande woonpercelen 2.2.3

Wormenkwekerij

Voor de toekomst van het agrarisch bedrijf, ten behoeve van de continuering van de bedrijfsvoering en de eventuele overname op termijn door de bedrijfsopvolger, willen initiatiefnemers de akkerbouwactiviteiten verbreden met de kweek van wormen. De afgelopen periode hebben initiatiefnemers zich uitgebreid georiënteerd op deze opkomende bedrijvigheid en zijn er van overtuigd geraakt dat de kweek van meelwormen een welkome aanvulling is op hun agrarisch bedrijf. Door het starten van een tweede tak worden de bedrijfsrisico's gespreid, waardoor de inkomsten uit het agrarisch bedrijf minder zullen fluctueren. Bovendien kan door het starten van 18

Korte Akkers 41/42, Veendam

deze tweede tak de beschikbare arbeid beter worden ingezet. Het kweken van meelwormen veroorzaakt geen overlast en het kweekproces is milieuvriendelijk. De wormen worden binnen, in geconditioneerde omstandigheden, gekweekt. Ten behoeve van deze tweede tak wordt op het nieuwe agrarisch bouwvlak de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wormenkwekerij' gelegd. 2.3

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het nieuwe agrarisch bouwvlak en het nieuwe woonperceel is de maatwerkprocedure gevolgd. Op 6 augustus en 21 september 2020 hebben gesprekken plaatsgevonden over de precieze invulling van de nieuwe situatie met de gemeente, de provincie en de landschapsdeskundige. Het resultaat van de maatwerkprocedure heeft geresulteerd in het navolgende landschappelijk inpassingsplan. De gemaatvoerde tekening met verklarende legenda is als Bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd en opgenomen als bijlage bij de regels.

Toelichting

19

Afbeelding 9: Inpassingsplan nieuwe situatie Het nieuwe woonperceel (c) wordt aan weerszijden groen ingepast door de aanplant van bosplantsoen struikvormers. Aan de wegzijde wordt een beukenhaag aangeplant met direct daarachter een aantal hoogstam fruitbomen. De noordzijde van het woonperceel blijft open zodat de bewoners een fraai uitzicht hebben naar het achterliggende landschap. Het perceel wordt door middel van een eigen uitrit op de Korte Akkers ontsloten. Langs de meeste oostelijke inrit naar het agrarisch bedrijf worden 4 laanbomen 20

Korte Akkers 41/42, Veendam

aangeplant (m) om de entree van het bedrijf te accentueren. De paardrijbak, die in de oorspronkelijke situatie op het achtererf lag, wordt verplaatst naar de noordwestzijde van het nieuwe bouwvlak (j) waar deze door bestaand groen grotendeels aan het zicht wordt onttrokken. De ruimte voor (vervangende) nieuwbouw is binnen het nieuwe agrarische bouwvlak zodanig gesitueerd dat ook vanaf de weg doorzichten op het achterliggende landschap mogelijk blijven. Op de tekening van afbeelding 9 is met de letters Q, R en S de toekomstige bebouwing aangegeven. De functie van de bebouwing (aardappelbewaring en werktuigenberging) en de exacte positie en omvang kunnen door voortschrijdend inzicht nog wijzigen ten opzichte van de indeling zoals deze in het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen. Wél staat vast dat binnen de groene inkadering de ontwikkeling van het bedrijf zal plaatsvinden.

Toelichting

21

Hoofdstuk 3 Beleidskader Getoetst wordt of het plan past binnen het vigerende planologisch kader en binnen het ruimtelijk beleid van de verschillende overheidslagen. In dit hoofdstuk staat een overzicht van het van toepassing zijnde beleid in relatie tot de gewenste ontwikkelingen van de initiatiefnemer. 3.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.

22

Korte Akkers 41/42, Veendam

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Het voorliggende plan betreft een kleinschalige wijziging, waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. De NOVI en het Barro hebben geen doorwerking naar dit plan. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd (nationaal belang 13). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft een handreiking beschikbaar gesteld als hulpmiddel bij de toepassing van de ladder. In het gewijzigde Bro, van kracht sinds 1 juli 2017, is artikel 3.1.6, lid 2 gewijzigd in: “De toelichting van een wijzigingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied“. De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. In voorliggend plan is sprake van het verplaatsen van het bouwrecht van een (bedrijfs) woning. Het plan voorziet niet in de uitbreiding van het aantal woningen. Een toetsing van het plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde aangezien het plan niet voorziet in het toevoegen van woningen. Toelichting

23

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie

Provinciale Staten van Groningen hebben op 3 februari 2021 de actualisatie Omgevingsvisie provincie Groningen 2020 vastgesteld. De provincie Groningen wil haar Omgevingsvisie actueel houden. Recent vastgesteld dan wel gewijzigd beleid op het gebied van de thema's ruimte, natuur, landschap en water is verwerkt in deze visie. Ook zijn enkele omissies in teksten en kaarten aangepast. De Omgevingsvisie vormt de basis voor de meeste plannen die de provincie Groningen de komende jaren wil maken. Hierin staat het provinciale omgevingsbeleid rondom milieu, verkeer en vervoer, water en ruimtelijke ordening. Er zijn zes grote opgaven waar de provincie de komende jaren in het bijzonder aan gaat werken, dat zijn de thema’s : Leefbaarheid, Circulaire Economie, Gaswinning, Waddengebied, Energietransitie en Erfgoed en als laatste ruimtelijke kwaliteit en landschap. Het voorliggende plan gaat over zowel de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf als het afsplitsen van een (bedrijfs) woning van het agrarisch bedrijf. Agrarische bouwpercelen In de omgevingsverordening is aangegeven dat de provincie, waar dat goed in te passen is, schaalvergroting van agrarische bedrijven mogelijk wil maken en een ontwikkeling naar een duurzame landbouw wil stimuleren.

Voor het vergroten van bestaande bouwblokken tot een omvang groter dan 1 ha, of het toekennen van nieuwe bouwblokken, geldt dat de maatwerkmethode moet worden toegepast. De toepassing van deze methode kan in beginsel niet leiden tot een agrarisch bouwperceel groter dan twee hectare De provincie beschermt bebouwd gebied en de meest kwetsbare elementen en structuren in het landschap tegen een omvangrijke schaalvergroting van landbouwbedrijven in de directe of nabije omgeving. In deze gebieden is uitbreiding van landbouwbedrijven mogelijk tot een oppervlakte van maximaal 1 ha, mits zeer zorgvuldig ingepast. Volgens de indicatieve kaart 2, behorende bij de Omgevingsvisie, ligt het 24

Korte Akkers 41/42, Veendam

bouwperceel van initiatiefnemers op de grens van het gebied waar een uitbreiding van het bouwblok tot 1 hectare is toegestaan. Direct ten zuiden hiervan is een uitbreiding van het bouwblok tot 4 hectare onder voorwaarden toegestaan. In het gebied waar het bouwblok van initiatiefnemers ligt is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatwerkmethode, waarbij advies gevraagd moet worden aan een onafhankelijk deskundige op het gebied van natuur en landschap. Het Groninger Verdienmodel is hier niet van toepassing. Hoewel het bouwblok niet in omvang is toegenomen, is ten aanzien van de vorm van het nieuw bouwvlok wél de maatwerkmethode gevoerd. Dit heeft geresulteerd in het landschappelijk inrichtingsplan (zie bijlage 2). Woonperceel Ten aanzien van het verplaatsen van de bouwtitel voor de woning worden in overleg met de provincie de uitgangspunten gehanteerd van de ruimte-voor-ruimte-regeling, artikel 2.13.4 van de verordening, onderdeel B. Zie hiervoor paragraaf 3.2.2. 3.2.2

Omgevingsverordening

Provinciale Staten van Groningen hebben op 3 februari 2021 de actualisatie Omgevingsverordening provincie Groningen 2020 vastgesteld teneinde haar verordening actueel te houden. In de omgevingsverordening staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De omgevingsverordening is nauw verbonden met de omgevingsvisie. Artikel 2.26.1 Concentratie van bebouwing binnen bouwperceel In artikel 2.26.1 zijn de volgende regels opgenomen die van toepassing zijn op het bouwen van bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer binnen het bouwperceel. 1. Een bestemmingsplan stelt regels op grond waarvan agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer worden geconcentreerd binnen een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangewezen agrarisch bouwperceel. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: Toelichting

25

a. bestaande solitair gesitueerde bedrijfsbebouwing en bestaande solitair gesitueerde voorzieningen voor de opslag van mest en veevoer; b. erf- en terreinafscheidingen of schuilstallen voor het niet-bedrijfsmatig houden van vee tot een oppervlakte van maximaal 25 m². In het inpassingsplan (zie bijlage 2) is indicatief aangegeven waar toekomstige bebouwing gebouwd wordt. Dit vindt plaats binnen de grenzen van het bouwperceel. Artikel 2.13.4 Ruimte-voor-Ruimte-regeling In overleg met de provincie wordt het bouwen van de vervangende woning buiten het agrarisch bouwperceel mogelijk gemaakt met toepassing van onderdeel B van de ruimte-voor-ruimte-regeling. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: 1. het toevoegen van nieuwe woningen past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1; 2. de nieuw te bouwen woning of woningen wordt/worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van (een) woning(en) op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie (een) woning(en) mag/mogen worden gebouwd; 3. de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert; 4. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing en de erfinrichting passen in het landschapsbeeld; 5.

de gezamenlijke oppervlakte van een woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in de aanhef; 6. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; 7. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; 8. de betreffende gronden niet zijn gelegen binnen de op kaart 6 aangegeven 26

Korte Akkers 41/42, Veendam

'NNN-beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Toetsing Met het toepassing van onderdeel B van de ruimte-voor-ruimte-regeling ontstaat door de sloop van minimaal 750 m2 aan bebouwing het recht op een compensatiewoning. Bovendien slopen initiatiefnemers de oude boerderij. Formeel ontstaat door deze aanpak daarom het recht op het bouwen van twee vervangende woningen. Het voorliggende plan voorziet in de bouw van één nieuwe particuliere woning. Feitelijk ter compensatie van de sloop de oude boerderij Korte Akkers 41. Het gaat dus om de verplaatsing van een reeds bestaande woning. Op grond hiervan is een toetsing aan de woonvisie daarom niet noodzakelijk. Het nieuwe woonperceel wordt niet gerealiseerd op de plek van de (te slopen) boerderij Korte Akkers 41. Initiatiefnemers willen voor de toekomst van hun bedrijf het woonperceel juist op enige afstand uit hun agrarisch bedrijf realiseren. Alleen dan is er sprake van voldoende ruimtelijke scheiding tussen het agrarisch bedrijf en deze nieuwe (milieugevoelige) woonfunctie. Deze ruimtelijke scheiding is wenselijk om ter plaatse van het nieuwe woonperceel een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.

De oude boerderij Korte Akkers 41 en de bijgebouwen zijn in slechte staat van onderhoud. Door de sloop van deze bebouwing en het zorgvuldig, door middel van de maatwerkmethode, tot stand gekomen nieuw woonperceel wordt een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bewerkstelligd. Het nieuwe woonperceel ligt niet binnen de op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Uit raadpleging van de bij de Verordening behorende kaarten volgt dat alleen kaart 6 'Natuur' relevant is. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied in het leefgebied van akkervogels ligt. In de ecologische quickscan (zie paragraaf 4.8) wordt op akkervogels ingegaan. De ecoloog concludeert dat het voorgenomen plan de functionele kwaliteit van het akkervogelleefgebied niet aantast, maar zelfs versterkt. Toelichting

27

Het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid en in overleg met de provincie tot stand gekomen. Het eventueel benutten van het tweede 'bouwrecht' staat los van dit bestemmingsplan. Na instemming van het bevoegd gezag zal hiervoor een separate procedure worden doorlopen. 3.3

Gemeentelijk beleid

In het bestemmingsplan Buitengebied hebben de agrarische bedrijven een bouwvlak gekregen van 1 hectare. Wanneer het bouwvlak van 1 ha gedurende de planperiode niet toereikend blijkt, kan gebruik worden gemaakt van een in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kan het bouwvlak worden vergroot tot maximaal 2 ha. Aan die uitbreidingsmogelijkheid zijn voorwaarden verbonden waaronder de (provinciale) maatwerkbenadering en het vereiste van een goede landschappelijke inpassing. In het geval van initiatiefnemers is er geen sprake van een vergroting van het bouwvlak, maar van een vormwijziging. Hiervoor is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Voor de verplaatsing en herbestemming van de tweede bedrijfswoning, waarbij overigens geen uitbreiding van het aantal woningen plaatsvindt, is ook geen binnenplanse wijziging- of afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen. Tot slot zijn voor het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wormenkwekerij' geen binnenplanse mogelijkheden aanwezig. Om die reden is de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

28

Korte Akkers 41/42, Veendam

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten Per paragraaf wordt ingegaan op het geldende beleid en wetgeving voor de verschillende aspecten en op de wijze waarop dit van invloed is op het voorliggende plan. 4.1

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals woningen, een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke activiteiten en stappenplannen voor concrete situaties. De richtafstanden uit bijlage 1 voor de VNG publicatie gaan uit van een 'rustige woonwijk'. Indien er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' dan kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. Onderstaand in tabelvorm de normafstanden:

Toelichting

29

De opgenomen richtafstanden zijn geen normen, maar afstanden waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot aan de dichtstbij gelegen gevel van de gevoelige functie. Een “rustige woonwijk en rustig buitengebied” is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van enkele wijkgebonden voorzieningen zijn er vrijwel geen andere functies. Er is weinig storend verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype is een rustig buitengebied (inclusief eventueel verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een “gemengd gebied” is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen kunnen winkels, horeca of kleine bedrijven voorkomen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere activiteiten kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het gemengd gebied. Onderzoek De mate van aanvaardbaarheid van hinder is mede afhankelijk van het type gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’, waarin naast woningen ook agrarische bedrijven voorkomen. Onderstaande weergave van de bestemmingsplanverbeelding visualiseert hetgeen hiervoor is beschreven.

Afbeelding 10: uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen De meest nabijgelegen agrarische bestemming voor de nieuwe woning in de 30

Korte Akkers 41/42, Veendam

toekomstige situatie is het akkerbouwbedrijf van initiatiefnemers zelf. De grens van het nieuwe agrarische bouwvlak tot de achtergevel van de particuliere woning is circa 60 meter. Een ander agrarisch bedrijf in de omgeving ligt aan de zuidwestzijde van het plangebied, aan de Korte Akkers 28 in Veendam. Dit betreft een grondgebonden veehouderijbedrijf op een afstand van circa 420 meter van het nieuwe woonperceel. Een akkerbouwbedrijf valt in milieucategorie 2, waarvoor conform de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een grootste richtafstand in een gemengd gebied van toepassing is van 10 meter. Het veehouderijbedrijf valt in categorie 3.2, waarvoor in het gemengd gebied op grond van de VNG brochure een grootste richtafstand geldt van 50 meter. Ten aanzien van een veehouderij is tevens de Wet geurhinder en veehouderij van belang voor de beoordeling of ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat, maar ook of de woning binnen het nieuwe woonperceel op voldoende afstand van de nabijgelegen veehouderij ligt. Zie voor paragraaf 4.2. Zowel het akkerbouwbedrijf als het veehouderijbedrijf voldoen aan de richtafstand. Hierdoor kan worden gesteld dat ter plaatse van de woning op basis van de VNG brochure een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is.

Anderzijds worden de omliggende bedrijven door de nieuwe woning niet gehinderd in de bedrijfsvoering en - ontwikkeling. Door middel van dit bestemmingsplan wordt het tevens planologisch mogelijk gemaakt dat op het akkerbouwbedrijf van initiatiefnemers wormen worden gekweekt. Het kweken van wormen veroorzaakt geen overlast en het proces is milieuvriendelijk. Een wormenkwekerij is volgens de VNG brochure ook ingedeeld in categorie 3.2. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. Ten opzichte van een veehouderijbedrijf, die in dezelfde categorie valt, heeft een wormenkwekerij veel minder impact op de omgeving. Zowel ruimtelijk maar ook als het gaat om de mlieubelasting. De indeling in categorie 3.2 kan daarom als 'zwaar' worden beschouwd. Los hiervan zullen de wormen op het bedrijf van initiatiefnemers op meer dan 50 meter uit de woning op het nieuwe woonperceel worden gekweekt en op meer dan 50 meter uit de woningen aan de overzijde van de Korte Akkers en de woning op het perceel aan de Korte Akkers 43. De wormenkweek zal daarom geen negatief effect Toelichting

31

hebben op het woon- en leefklimaat op deze percelen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. 4.2

Geur

Geurhinder kan optreden door het houden van dieren, de opslag en bewerking van mest en door de opslag en bewerking van veevoer. Geurhinder vanwege het houden van landbouwhuisdieren in stallen wordt in Nederland getoetst middels de regels in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. De voorschriften uit de Wgv zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit. Onderzoek Vanuit de omgeving op het plangebied In de omgeving van het plangebied is slechts één andere agrarisch veehouderijbedrijf gesitueerd. Dit betreft het melkrundveehouderijbedrijf aan de Korte Akkers 28 in Veendam. Voor de beoordeling van geurhinder vanwege het houden van dieren in dierenverblijven is de Wet geurhinder en veehouderij het exclusieve toetsingskader. Voor melkrundvee zijn geen emissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. De beoordeling van geurhinder vindt plaats op basis van afstandsnormen tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de omliggende voor geur gevoelige objecten. Bij natuurlijke ventilatie wordt de dichtstbij gelegen opening van de stal gezien als emissiepunt. Om geurhinder te voorkomen moet de afstand tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object in het buitengebied ten minste 50 meter bedragen.

Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

32

Korte Akkers 41/42, Veendam

De woning binnen het nieuwe woonperceel ligt op circa 420 meter uit deze veehouderijlocatie. Er is daarom ter plaatse van het woonperceel geen sprake van geuroverlast door het houden van vee en/of het opslaan van mest of veevoer. Vanuit het plangebied op de omgeving Ten oosten aan de Korte Akkers 43 en aan de overzijde van de weg aan de Boven Veensloot 17 en 19 in Meeden zijn woningen van derden aanwezig. De afstand van de woning Korte Akkers 43 tot aan de nieuwe ligging van het bouwvlak met het agrarisch bedrijf van initiatiefnemers is circa 50 meter en de afstand tot de overburen is minimaal 117 meter. Zowel de stallen voor de paarden, de opslag van de mest, de paardenrijbak en de toekomstige wormenkwekerij bevinden zich darhalve op minimaal 50 meter afstand uit woningen van derden. Op basis hiervan kan worden gesteld het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen als gevolg van het plan niet in het geding is. Conclusie Voor het aspect geur kan het plan uitvoerbaar worden geacht. 4.3

Bodem

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Onderzoek Woonkavel Voor dat deel van het plangebied waar de nieuwe woning zal worden gebouwd is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (zie Bijlage 3).

Toelichting

33

Hypothese Op basis van bekende informatie zijn geen gegevens bekend dat op de locatie sprake zou kunnen zijn van een bodemverontreiniging met asbest. Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bodemvreemde afwijkingen waargenomen welke duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Voor de opzet van het onderzoek is uitgegaan van een strategie van een onverdachte locatie. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v. de onderzoekslocatie uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1. Resultaten In de bovengrond is plaatselijk een verhoogd gehalte kwik, lood en cadmium aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de ondergrond is geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde aangetroffen. In het grondwater is een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde aangetroffen. Het verhoogd gemeten gehalten cadmium, kwik en/of lood (zware metalen) in de bovengrondmonsters zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen niet te relateren aan eventueel zintuiglijke bodemvreemde afwijkingen in het opgeboorde monstermateriaal.

De oorzaak van de aangetroffen zware metalen in de bovengrond kan het gevolg zijn van antropogene beïnvloeding. In gebieden die langere tijd door de mens in gebruik zijn is vaak sprake van een negatief effect van dit gebruik op de kwaliteit van de bodem. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen in het freatisch grondwater kan worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron. De verhoogde gehaltes zware metalen kunnen o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen 34

Korte Akkers 41/42, Veendam

De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende tussenwaarde en de bodemindexwaarde niet zodat de gemeten gehalten uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding geven tot het instellen van aanvullend onderzoek. Op basis van de gemeten gehalten aan lood in de bovengrond wordt nog wél opgemerkt dat deze wordt geclassificeerd als ‘gezondheidskundig matige bodemloodkwaliteit’ voor plaatsen waar kinderen (jonger dan 6 jaar) spelen of waar sprake is van een woning met moestuin. Voorafgaand aan de sloop van de bebouwing zal door middel van een asbestinventarisatie worden bepaald of in het te slopen complex asbest aanwezig is. Vormverandering agrarisch bouwvlak Ter plaatse van (de wijziging van) het agrarisch bouwvlak is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek in het kader van de planologische procedure niet uitgevoerd. Het is bekend dat tussen de bebouwing van Korte Akkers 41 en 42 een gedempte wijk (NAVOS-locatie) ligt. Het beheer van de gedempte wijk op het perceel van initiatiefnemer is in handen van de Stichting Landinrichting en Bodemverontreiniging (SLB). De stichting zorgt voor de uitvoering van het bodembeheerplan en financiert als gevolg daarvan onderzoek en eventueel noodzakelijk uit te voeren maatregelen.

Ter plaatse van de gedempte wijk heeft bodemonderzoek plaats gevonden (rapport Nader onderzoek Voormalige Stortplaatsen (NAVOSpb3, cluster Zuid Provincie Groningen NN-802000079, d.d. 2000). Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat ter er geen of in zeer beperkte mate verontreinigingen aanwezig zijn in de bodem per plaatse van de demping. Risico's worden daarom niet verwacht bij het huidige gebruik. Het gebruik van de grond als gevolg van de verandering van het bouwvlak zal niet direct veranderen. Initiatiefnemers hebben op korte termijn geen plannen om ter plaatse van deze gedempte wijk te bouwen. Indien deze bouwplannen zich in de toekomst wél aandienen, dan zullen zij contact opnemen met SLB. Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de woonkavel niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De bovengrond en het Toelichting

35

grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevat enkele stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. Deze lichte verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde/bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De bodem is geschikt voor het voorgenomen gebruik van het perceel voor woondoeleinden. De bodem ter plaatse van de gedempte wijk is in het verleden onderzocht in het kader van het bodembeheerplan. Hieruit is gebleken dat er geen of in zeer beperkte mate verontreinigingen aanwezig zijn in de bodem per plaatse van de demping. Initiatiefnemers treden in contact met SLB wanneer zij het gebruik van de gedempte wijk willen veranderen bijvoorbeeld door hier een loods te bouwen. Hier is op korte termijn in ieder geval geen sprake van. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Een eventuele verontreinig ter plaatse van de gedempte wijk staat de uitvoering van het plan niet in de weg omdat kosten voor onderzoek en het nemen van maatregelen worden gedragen door de stichting. 4.4

Geluidhinder

Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen in principe een geluidzone. Uitzondering zijn wegen waarvoor een maximale snelheid van 30 km/uur geldt, die wegen die deel uitmaken van een woonerf of een gemeentelijke geluidsniveaukaart waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 48 dB of minder bedraagt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. In buitenstedelijk gebied bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg in acht moet worden genomen 250 m. Ingeval van realisatie van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Onderzoek Woonperceel Ten behoeve van de bouw van de nieuwe woning zal vastgesteld moeten worden of 36

Korte Akkers 41/42, Veendam

ter plaatse van de voorgevel voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Met behulp van de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is een indicatie verkregen van de geluidbelasting van het wegverkeer (Lden) ter plaatse van het plangebied. Uit de onderstaand uitsnede van de kaart van de Atlas blijkt ter plaatse van de voorgevel van de nieuw te bouwen woning aan de Korte Akkers 41 een geluidsbelasting van 45 dB.

Afbeelding 11: Atlas Leefomgeving - kaart Lden De nieuw te bouwen woning ligt buiten de zone van de N33 (op circa 1.000 meter afstand) maar wel in de zone van de Boven Veensloot in de gemeente Midden-Groningen. Dit is een smalle (3 m. breed) weg in het buitengebied zonder veel doorgaand verkeer. Langs de weg zijn 11 woningen gelegen en geen noemenswaardige verkeersaantrekkende functies aanwezig. Uit informatie van de gemeente Midden-Groningen blijkt dat er van de weg Boven Veensloot geen verkeersgegevens bekend zijn. Uit een verkeerstelling van de nabijgelegen Beneden Veensloot blijkt een etmaalintensiteit van circa 760 motorvoertuigen per etmaal. Deze weg heeft echter beduidend meer doorgaand verkeer dan de Boven Veensloot. Naar verwachting zal de etmaalintensiteit op de Boven Veensloot niet meer dan 300 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Op basis hiervan en de overige kenmerken van de weg (wegdek van gewoon asfalt (DAB, referentiewegdek) en een rijsnelheid van 60 km/uur kan worden gesteld dat naar verwachting de voorkeurswaarde (48 dB Lden) niet wordt overschreden. Agrarisch bouwvlak Toelichting

37

Door de vormverandering van het agrarisch bouwvlak komt deze op groter afstand tot liggen van de omliggende bestaande woningen. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie is dat gunstig. Wat betreft de aanvulling van de bedrijfsactiviteiten met de wormenkwekerij kan worden gesteld dat deze activiteit geheel binnen plaatsvindt. Deze activiteit gaat niet gepaard met het gebruik van ventilatoren e.d. Aangenomen mag daarom worden dat de wormenkwekerij geen geluidoverlast veroorzaakt op de woningen van omwonenden. Bij de eventuele bouw van bewaarloodsen met ventilatoren zal in het kader van de milieutoestemming aan de geluidnormen getoetst moeten worden. In het kader van deze herziening van het bestemmingsplan is dat niet aan de orde. Conclusie Naar verwachting is geen sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van de Wgh. Er is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk in verband met de nieuw te bouwen woning aan de Korte Akkers 41. De Omgevingsdienst Groningen adviseert veiligheidshalve om tussen de voorgevel van de nieuwe woning en de weg-as een afstand van minimaal 10 meter aan te houden. Aan deze afstand wordt voldaan, waardoor met zekerheid is te stellen dat aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. De wormenkwekerij is geen activiteit waarbij veel geluid wordt geproduceerd. Geluidoverlast op omwonenden is daarom niet aannemelijk.

Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.5

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 geldt de Wet luchtkwaliteit (Wlk) als deel van de Wet milieubeheer (titel 5.2 in de Wm). Met de inwerkingtreding van deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk) vervallen. De kern van deze wet bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen en voorziet in het zogenaamd Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het bevat een gebiedsgerichte aanpak en zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Projecten die passen in dit programma hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

38

Korte Akkers 41/42, Veendam

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen voor luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2)en fijnstof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Vooralsnog geldt dat: Voor woningbouwlocaties met minder dan 1500 woningen (met één ontsluitingsweg) of 3000 woningen (met twee gelijke ontsluitingswegen) geen beoordeling op luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden; Voor infrastructuur dat bij minder dan 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie) ook geen beoordeling op luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden; Voor kantoorlocaties is dat bij minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, of 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen. Onderzoek Het voorliggend plan blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Er is bovendien geen sprake van het toevoegen van een extra woning. Het juridisch-planologisch wijzigen van de agrarische bestemming van de tweede bedrijfswoning naar Wonen heeft geen invloed op de luchtkwaliteit.

De start van de wormenkwekerij zal resulteren in een kleine toename van het aantal verkeersbewegingen (maximaal 8 per week). Voor verkeersbewegingen wordt gesteld dat het als NIBM kan worden beschouwd als deze niet meer dan 3% bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat wil zeggen dat de bijdrage aan NOx- en stofemissie niet meer dan 1,2 µg/m3 per jaar bovenop de maximale gestelde achtergrondconcentratie van 40 µg/m3 jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor NOx en stof (PM10) is. Met behulp van de NIBM-tool is de bijdrage van de extra verkeersbewegingen berekend voor de NOx- en stofemissie. Hierbij is worst case uitgegaan van 2 extra voertuigbewegingen per dag waarvan 50% zwaar verkeer is. De resultaten van de berekening zijn in de onderstaande tabel opgenomen.

Toelichting

39

Uit de berekening blijkt dat de totale bijdrage onder deze grens van 1,2 µg/m3 per jaar valt. De toename van verkeersbewegingen kan daarom als NIBM worden beschouwd. Verdere toetsing van de luchtkwaliteit is niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft risico’s met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de 40

Korte Akkers 41/42, Veendam

maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Hoe moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes Besluit risico’s zware ongevallen Vuurwerkbesluit Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Besluit ruimte Activiteitenbesluit Onderzoek Risico's Met behulp van de risicokaart externe veiligheid is gekeken naar de risico’s in de omgeving van het plangebied. De risicokaart is hulpmiddel om risico bronnen in de omgeving te kunnen bepalen. Onderstaand is de planlocatie ingetekend op de risicokaart.

Toelichting

41

Afbeelding 12: uitsnede risicokaart (plangebied bij blauwe stip) Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden. Buisleidingen De rode stippellijnen in de uitsnede van de risicokaart geven de ligging van buisleidingen aan. Ten zuiden van het plangebied, op ruim 800 meter afstand is de dichtstbijzijnde buisleiding aanwezig. Het invloedsgebied van deze leiding reikt niet tot het plangebied. Een nadere beschouwing ten aanzien van buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen is daarmee niet nodig. Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s In de omgeving van de onderzochte locatie zijn de volgende transportroutes gevaarlijke stoffen geïnventariseerd.

42

Korte Akkers 41/42, Veendam

Het invloedsgebied van de N33 en de N366 bedraagt 880 meter en van de spoorlijn Stadskanaal – Zuidbroek 4.000 meter. Daarmee reikt het invloedsgebied van het spoor tot het plangebied (afstand tot het plangebied bedraagt circa 1.300 meter), maar ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van de N33 en de N366 (afstand tot het plangebied bedraagt respectievelijk circa 1.000 en 3.000 meter). Daarmee is enkel de spoorlijn Stadskanaal – Zuidbroek een relevante risicobron in relatie tot het plangebied. Voor deze spoorlijn geldt een PR 10-6-contour van 0 meter er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De spoorlijn heeft geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Aangezien de afstand tussen de spoorlijn en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt, is het niet nodig de hoogte van het groepsrisico te bepalen. Wel dient op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (artikel 7) een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. Beperkte verantwoording groepsrisico Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico aangezien er geen nieuw kwetsbaar object wordt gerealiseerd. Een bestaand kwetsbaar object wordt gesloopt en een aantal meters noordelijker herbouwd. Er is geen sprake van een functie voor niet of verminderd zelfredzame personen.

Bij calamiteiten kunnen de bewoners van de spoorlijn af vluchten. Conclusie De Veiligheidsregio heeft in het kader van het vooroverleg aangeeven dat op de planontwikkeling geen significante externe veiligheidsrisico's van invloed zijn. Het aspect externe veiligheid vorm geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Toelichting

43

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologische waarden is geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die onderdeel uitmaakt van de Monumentenwet. Op grond van artikel 3.6.1 Bro dient in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In het navolgende wordt aangegeven op welke wijze met de aspecten archeologie en cultuurhistorie rekening wordt gehouden. 4.7.1

Archeologie

Beleid In 1992 werd het Europese "Verdrag van Malta" ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Monumentenwet gewijzigd. Deze wet heeft twee belangrijke uitgangspunten: behoud van de archeologische waarden in hun originele context in de bodem (in situ), of als dit niet mogelijk is door opgraving en documentatie (ex situ); de verstoorder betaalt. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, moet het bestemmingsplan, indien nodig, een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden. Nota archeologiebeleid In september 2014 werd door de gemeente de ‘Nota archeologiebeleid en cultuurhistorie’ vastgesteld. In hoofdstuk 7 van de Nota archeologiebeleid is het gemeentelijke beleid weergegeven. In samengevatte vorm gelden de volgende beleidsuitgangspunten: De gemeente Veendam zet in op het behoud van waardevolle archeologische, cultuurhistorische en cultuurlandschappelijke relicten, zowel onder als boven de grond. In het buitengebied streeft de gemeente Veendam behoud van archeologische 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11309642/1