Was-wordt tabel bij Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet Gemeente Utrecht
Tekst van het document
Was-wordt tabel re-integratieverordening Utrecht Wijzigingen naar aanleiding van Breed Offensief en harmonisatie werkgeversregelingen in de Arbeidsmarktregio Midden Utrecht Verordening re-integratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015: Werken aan werk Bestaande tekst Artikel 1. Begripsbepalingen a. de wet: de Participatiewet; termen en begrippen in deze verordening worden gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet; b. het college: het college van burgemeester en wethouders van Utrecht; c. uitkeringsgerechtigde: de bijstandsgerechtigde die algemene bijstand ontvangt of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz); d. doelgroep: de personen bedoeld in artikel 7,eerste lid, onder a van de wet.
Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Utrecht
Artikel 2. Opdracht college 1. Het college draagt zorg voor een evenwichtig aanbod van voorzieningen aan personen behorende tot de doelgroep, rekening houdend met de afstand tot de arbeidsmarkt van de persoon, diens functionele beperkingen, alsmede met omstandigheden die betrekking hebben op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep voor loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in elk geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar en de noodzaak van het verrichten van mantelzorg.
Artikel 2. Evenwichtige verdeling Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een evenwichtig aanbod van voorzieningen aan personen behorende tot de doelgroep, rekening houdend met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
Nieuwe tekst Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; b. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; c. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; d. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; e. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; f. voorziening: door burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; g. wet: Participatiewet.
2. Het college kan een of meer voorzieningen met betrekking tot personen uit de doelgroep toekennen aan de werkgever of beoogde werkgever van deze persoon.
Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.
Artikel 3. Rechten en plichten personen uit de doelgroep 1. De persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het college, kortste weg naar arbeid naar vermogen. Het college bepaalt hoe deze aanspraak wordt ingevuld. 2. Onverminderd alle overige verplichtingen, voortvloeiend uit de wet, waaronder de verplichting om mee te werken aan een door het college geboden voorziening, is de belanghebbende die gebruik maakt van een voorziening op grond van deze verordening verplicht alle inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op ondersteuning en de noodzaak van voortzetting ervan. 3. Als een belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid niet nakomt, kan het college beslissen dat zijn aanspraak op iedere voorziening vervalt. 4. Bij verwijzing naar een voorziening zoals bedoeld in lid 2 ontvangt belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd besluit waarom deze voorziening voor hem aangewezen is.
Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een voorziening weigeren als: a. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; b. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; c. de voorziening naar het oordeel van burgemeester en wethouders onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of d. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen ten aanzien van arbeidsinschakeling en reintegratie als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in
Artikel 4. Plichten werkgevers De werkgever of beoogd werkgever die met betrekking tot een persoon uit de doelgroep in aanmerking wil komen voor een voorziening is verplicht: a. opgaven en inlichtingen te verstrekken die hem in verband met een aanspraak op een voorziening door het college worden gevraagd dan wel waarvan hij redelijkerwijs kan verwachten dat zij
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; c. de voorziening naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; d. de voorziening naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; e. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; f. of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Burgemeester en wethouders bieden de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Burgemeester en wethouders houden bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 4. Burgemeester en wethouders bieden de voorzieningen uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5.
Burgemeester en wethouders weigeren toestemming tot het toekennen van een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d lid 5 van de wet na eerdere toekenning van een proefplaats en/of werkervaringsplaats. Niet meer in verordening De plichten voor werkgevers zijn niet langer opgenomen in de verordening. Hier is voor gekozen omdat deze afspraken op uitvoeringsniveau gemaakt worden met de werkgever. Zo hanteert het Werkgeversservicepunt (WSP) duidelijke voorwaarden voor hun strategische partners. In de praktijk wordt geïnvesteerd in het goede gesprek en duurzaam commitment.
voor deze aanspraak van belang kunnen zijn; b. mee te werken aan onderzoek door of in opdracht van het college met het oog op het toekennen of voortzetten van een voorziening; c. in persoon of met inzet van werknemers of derden de benodigde aansturing en begeleiding te bieden aan werknemers voor wie aan hem voorzieningen zijn verleend; d. zich als een goed werkgever te gedragen. Artikel 6. Participatievoorziening Beschut Werk 1. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken, of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Voor zover nodig worden aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast een of meer van de voorzieningen uit de Verordening reintegratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015 of een andere voorzieningen, die bijdragen aan het participeren in de samenleving aangeboden. 3.
In aanvulling op de jaarlijkse taakstelling, bedoeld in artikel 10b, vierde lid, van de wet, kunnen zowel de raad als het college bij de voorjaarsnota een extra aantal beschutte werkplekken vaststellen. Indien de raad extra werkplekken beschut vaststelt, stelt de raad het benodigde budget beschikbaar. Indien het college extra beschutte werkplekken vaststelt, dekt het college dit bij de voorjaarsnota. 4. De plaatsing van personen, bedoeld in lid 2, op de op grond van het vorig lid vastgestelde extra werkplekken, vindt op dezelfde wijze plaats als op de dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 10b, vierde lid, van de wet, tenzij bij het
Artikel 4. Participatievoorziening beschut werk 1. Burgemeester en wethouders verstrekken om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Burgemeester en wethouders bieden aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast een of meer van de voorzieningen uit de Verordening reintegratie en tegenprestatie Participatiewet Gemeente Utrecht of een andere voorziening, die bijdragen aan het participeren in de samenleving aangeboden.
vaststellen van dit extra aantal werkplekken anders wordt besloten. 5. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het gebruik en inrichting van een wachtlijst. Artikel 5. Voorzieningen, lid 3 t/m 5 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder overeenkomstig artikel 10a van de wet (participatieplaats) onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten voor een periode van maximaal 6 maanden met de mogelijkheid tot verlenging voor 6 maanden. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. 2. Met betrekking tot degene die op grond van het vorige lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van 6 maanden na de aanvang van de werkzaamheden of het voortzetten van de werkzaamheden de kans op uitstroom naar werk vergroot. Als dit het geval is kan het college door middel van een gemotiveerd besluit, de termijn van 6 maanden verlengen met maximaal 6 maanden. 3. Het college biedt aan een persoon van 27 jaar of ouder die werkzaamheden verricht zoals bedoeld in het derde lid een premie, als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet De hoogte van de premie bedraagt €300 per 6 maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op uitstroom naar regulier werk.
Artikel 5. Participatieplaats De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 300,- per zes maanden.
Artikel 5. Voorzieningen, lid 1, sub g 1. Rekening houdend met en afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van belanghebbende kan het college de volgende voorzieningen inzetten: g. Activiteiten in het kader van sociale activering aan personen jonger dan 27 jaar gericht op het op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kunnen verkrijgen. Artikel 5. Voorzieningen, lid 1 sub a en c en lid 4 1. Rekening houdend met en afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van belanghebbende kan het college de volgende voorzieningen inzetten: a. een praktijkomgeving voor het opdoen van arbeidsritme en toepassen van werknemers- en beroepsvaardigheden;
Niet meer in Verordening Dit artikel is wettelijk geregeld (artikel 27).
Artikel 6 Werkervaringsplaats 1. Burgemeester en wethouders bieden een persoon een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aan als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.
b. werken met behoud van uitkering voor een periode van maximaal 6 maanden; 4. Met betrekking tot degene die op grond van het vorige lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van 6 maanden na de aanvang van de werkzaamheden of het voortzetten van de werkzaamheden de kans op uitstroom naar werk vergroot. Als dit het geval is kan het college door middel van een gemotiveerd besluit, de termijn van 6 maanden verlengen met maximaal 6 maanden.
2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Duur van een werkervaringsplaats is 3 maanden met mogelijkheid tot verlenging van 3 maanden met een maximale duur van 6 maanden. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplaats; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
Artikel 5. Voorzieningen, lid 1, sub d Een proefplaats met het oog op het tot stand komen van een dienstverband, hieronder begrepen het gedurende maximaal drie maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten, als bedoeld in artikel 10d, derde lid, van de wet, met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde.
Artikel 7 Proefplaats 1. Burgemeester en wethouders kunnen een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van maximaal twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaats is de inschakeling in arbeid van de persoon bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. Burgemeester en wethouders verwachten dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en d. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaats, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Burgemeester en wethouders kunnen de toestemming bedoeld in het eerste lid weigeren als redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaats sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Artikel 5. Voorzieningen, lid 1, sub b 1. Rekening houdend met en afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van belanghebbende kan het college de volgende voorzieningen inzetten: b. Training of scholing, als bedoeld in artikel 10 van de wet, gericht op uitstroom naar werk of terugkeer naar school;
Artikel 8. Scholing 1. Burgemeester en wethouders kunnen een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het gaat de krachten of bekwaamheden van de persoon niet te boven; en b. het draagt bij aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen.
Artikel 5. Voorzieningen, lid 2 2. Het college kan in verband met de uitvoering van dit artikel ten behoeve van een persoon behorende tot de doelgroep een detacheringovereenkomst aangaan met derden.
Artikel 9. Detacheringsbaan 1. Burgemeester en wethouders kunnen door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie Artikel 10. Reiskostentegemoetkoming 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan personen die behoren tot de doelgroep een tegemoetkoming toe voor reiskosten voor zover die voortkomen uit activiteit in het kader van een reintegratie-, participatietraject. 2. De vergoeding wordt niet verstrekt als op grond van een andere regeling aanspraak op vergoeding kan worden gemaakt of als de werkgever de kosten vergoedt. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen
Nog niet in verordening
over de voorwaarden en de hoogte van de tegemoetkoming. Nog niet in verordening Artikel 11. Ondersteuning kinderopvang Het college kan ondersteuning bieden bij het vinden van kinderopvang aan een persoon die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, die de noodzaak tot kinderopvang met zich brengt. Artikel 7. Vaststelling doelgroep Artikel 12. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt een 1. Een aanvraag om loonkostensubsidie loonkostensubsidie aan een werkgever wordt afgedaan overeenkomstig het die een arbeidsovereenkomst sluit met tweede tot en met het vijfde lid van dit een werknemer die behoort tot de artikel. doelgroep banenafspraak zoals 2. Burgemeester en wethouders omschreven in artikel 10d, tweede lid bevestigen de ontvangst van de van de Participatiewet. aanvraag schriftelijk aan de werkgever, 2. Het college stelt in samenwerking met of als de aanvraag wordt gedaan door de colleges in de arbeidsmarktregio en de persoon die behoort tot de doelgroep het UWV en met inachtneming van het loonkostensubsidie, aan de werkgever Besluit loonkostensubsidie en de persoon. Participatiewet en de ministeriële 3.
Een aanvraag voor loonkostensubsidie regeling loonwaardebepaling wordt, als het een persoon betreft die Participatiewet vast welke methode nog niet behoort tot de doelgroep wordt gehanteerd voor de vaststelling loonkostensubsidie, ook beschouwd als van de loonwaarde en draagt zorg voor een aanvraag om vast te stellen of de de bekendmaking van een actuele persoon behoort tot de doelgroep beschrijving van deze methode. loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. Onder Praktijkroute wordt verstaan het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek. 4. Burgemeester en wethouders stellen binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Burgemeester en wethouders nemen bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het actuele preferente proces loonkostensubsidie in acht, zoals is te vinden op Toolkit preferent proces Loonkostensubsidie | Samen voor de klant. Artikel 8.
Persoonlijke voorzieningen bij werk Artikel 13. Voorwaarden toekenning of scholing, lid 1 persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan aan de persoon, behorend tot de doelgroep, die arbeid in 1. Burgemeester en wethouders kunnen dienstbetrekking verricht of gaat persoonlijke ondersteuning bij werk en
verrichten of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van scholing of opleiding.
overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van burgemeester en wethouders proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 14. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.
Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kunnen bij burgemeester en wethouders worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.
2. Burgemeester en wethouders bevestigen de ontvangst van de aanvraag. 3. Burgemeester en wethouders onderzoeken, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Burgemeester en wethouders bepalen na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6. Burgemeester en wethouders onderzoeken, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Artikel 15. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.
Burgemeester en wethouders geven in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: 2. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; a. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; b. de duur en intensiteit van de ondersteuning; c. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; d. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en
Artikel 5. Voorzieningen, lid 1 sub f 1. Rekening houdend met en afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van belanghebbende kan het college de volgende voorzieningen inzetten: f. begeleiding of jobcoaching als bedoeld in artikel 10 van de wet, gericht op uitstroom naar werk dan wel behoud van werk:
e. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. Artikel 16. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Burgemeester en wethouders kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Burgemeester en wethouders kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; en/of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. Artikel 17. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.
Burgemeester en wethouders besluiten op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 18. Jobcoaching 1. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes: licht, middel, zwaar. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen over de kwaliteitseisen van een jobcoach, regimes, doelgroep, soorten en voorwaarden van jobcoaching
Artikel 19. Jobcoaching in natura 1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing. Artikel 20. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Burgemeester en wethouders kunnen op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen voor de voorwaarden en het maximumtarief waaronder een subsidie voor jobcoaching wordt verleend. Artikel 21. Werkbegeleiding 1. Burgemeester en wethouders kunnen op aanvraag subsidie voor het organiseren van werkbegeleiding verlenen aan de werkgever. De in te zetten werkbegeleiding wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes: licht, middel. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen over de kwaliteitseisen van een werkbegeleider, regimes, doelgroep, soorten en voorwaarden van werkbegeleiding. Artikel 8. persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing, lid 2 sub a 2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan: a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de belanghebbende zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
Artikel 22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Burgemeester en wethouders bieden een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woonwerkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de
Artikel 8. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing, lid 2 sub b 1. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan: b. intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap;
Artikel 8. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing lid 2 sub c 2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan: c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de belanghebbende zijn afgestemd; en
Nog niet in verordening
markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Burgemeester en wethouders brengen een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 5. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen onder welke voorwaarden deze voorziening wordt verstrekt. Artikel 23. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij een motorische handicap 1. Burgemeester en wethouders kunnen een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen onder welke voorwaarden deze voorziening wordt verstrekt. Artikel 24. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel nader uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt. Artikel 25.
Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit nodig is om zijn werk uit te voeren. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel nader uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde van de werkplekaanpassingen bepaalt.
Nog niet in Verordening Dit artikel was opgenomen in en een losse beleidsregel.
Artikel 26 Werkgeverspremie 1. Burgemeester en wethouders kunnen op aanvraag een werkgeverspremie verstrekken aan een werkgever die direct verband houdt met het in dienst nemen of houden, dan wel met het aanbieden van een arbeidsplaats aan iemand uit de doelgroep. De premie is bedoeld als een eenmalige (opstart)vergoeding voor een werkgever, niet zijnde een uitzendbureau, ter compensatie van inwerken, begeleiding en/of tijdelijk productieverlies. 2. Voor de in lid 1 genoemde kosten geldt dat deze noodzakelijk zijn en niet op een andere manier zijn of kunnen worden vergoed. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in een nadere regel bepalingen opnemen over de duur en omvang van het dienstverband en de maximale hoogte van de premie.
Nog niet in verordening
Artikel 27. Nazorg bij arbeidsinschakeling 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan een persoon, die gebruik heeft gemaakt van ondersteuning of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, en die algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, een voorziening bieden gericht op nazorg. 2. De in het eerste lid genoemde nazorg heeft tot doel om de arbeid te behouden en hernieuwde afhankelijkheid van een uitkering te voorkomen. 3. De duur van de nazorg is maximaal 12 maanden.
Artikel 15. Tegenprestatie 1. Het college kan de belanghebbende opdragen om naar vermogen een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet te verrichten. 2. De raad behoudt zich het recht voor om, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8a, eerste lid, onder b, en artikel 9, eerste lid, onder c, van de wet, nadere of aanvullende regels te stellen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid. 3. De belanghebbende is, behoudens het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet, vrij in de keuze van de door hem te verrichten tegenprestatie, voor zover deze de inschakeling in de arbeid niet belemmert.
Nog niet in verordening
Artikel 17. Citeerwijze en inwerkingtreding, lid 2 2. De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2011 (laatstelijk gepubliceerd in Gemeenteblad van Utrecht 2013, nr. 21) wordt ingetrokken. .
Artikel 28 Tegenprestatie 1. Burgemeester en wethouders kunnen de belanghebbende opdragen om naar vermogen een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet, artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen te verrichten. 2. De raad behoudt zich het recht voor om, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8a, eerste lid, onder b en artikel 9 eerste lid, onder c, van de wet, artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen nadere of aanvullende regels te stellen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid. 3.
De belanghebbende is behoudens het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet, artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37 lid 1, onderdeel f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen vrij in de keuze van de door hem te verrichten tegenprestatie, voor zover deze de inschakeling in de arbeid niet belemmert. Artikel 29. Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de verordening, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. Artikel 30. Intrekking De Verordening re-integratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015 wordt ingetrokken.
Artikel 16. Overgangsrecht 1. Op voorzieningen, tegemoetkomingen en premies die zijn ingezet of toegekend op grond van de Reintegratieverordening 2011, blijven de bepalingen uit deze verordening van toepassing tot het einde van de periode waarvoor ze zijn toegekend, dan wel zoveel eerder tot de datum waarop de voorziening, de tegemoetkoming of de premie op grond van omstandigheden van de belanghebbende dienst te worden gewijzigd of beëindigd. 2. Ten aanzien van loonkostensubsidies die zijn verleend over een periode die is ingegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarvan de vaststelling op de datum van inwerkingtreding van deze verordening nog niet heeft plaatsgevonden, gelden de bepalingen van de Re-integratieverordening 2011 inzake de vaststelling van de subsidie. De loonkostensubsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening bij beschikking zijn verleend, maar betrekking hebben op een periode gelegen na de datum van inwerkingtreding, worden vastgesteld in overeenstemming met de regels van deze verordening
Artikel 31. Overgangsbepalingen 1. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Verordening re-integratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015 die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening reintegratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015 voor de duur: a. van periode van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 2. Burgemeester en wethouders kunnen na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 3. De Verordening re-integratie, studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerst een tweede lid.
Artikel 17. Citeerwijze en inwerkingtreding, lid 3 3. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
Artikel 32. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking vijf weken na bekendmaking in het Gemeenteblad.
Artikel 17. Citeerwijze en inwerktreding, lid 1 1. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening reintegratie studietoeslag en tegenprestatie Participatiewet 2015
Artikel 33 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet Gemeente Utrecht’.