Voorjaarsnota 2026
Tekst van het document
Voorjaarsnota 2026
Datum rapport
19 maart 2026
Kenmerk rapport
34106966
Versie rapport
Definitief
Status rapport
Vaststellen 10 maart 2026
Utrecht.nl
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
2
Voorwoord
3
1.
Inleiding
4
2.
Financiële ruimte en knelpunten
5
3.
Vervolg
15
2
Voorwoord Raadvoorstel 2026, zaaknummer: Utrecht, 19 maart 2026 Voor u ligt de Voorjaarsnota 2026 van de gemeente Utrecht. De voorjaarsnota maken we jaarlijks als voorbereiding op de programmabegroting. Normaalgesproken is de voorjaarsnota het document dat u in mei ontvangt, waarin de integrale afweging plaatsvindt en de beleidsmatige keuzes voor het komende begrotingsjaar worden voorgelegd, inclusief meerjarige doorkijk. Deze voorjaarsnota is opgesteld vóór de gemeenteraadsverkiezingen en verschijnt ook eerder dan andere jaren. Daarom bevat deze– zoals gebruikelijk in verkiezingsjaren, maar anders dan in andere jaren - geen voorstellen voor beleidskeuzes voor de periode 2027 en verder, maar alleen onvermijdelijke financiële ontwikkelingen en knelpunten. Hiermee geeft de voorjaarsnota een actueel beeld van de financiële kaders voor de integrale afweging. De integrale afweging vindt vervolgens (op hoofdlijnen) plaats in het nieuwe coalitieakkoord. Bij de Programmabegroting 2027 volgt een meer gedetailleerde financiële vertaling. De Eerste Bestuursrapportage 2026 is het eerste moment van bijstellen of bijsturen van de kaders zoals vastgelegd in de programmabegroting 2026. Deze bestuursrapportage ontvangt u doorgaans samen met de voorjaarsnota.
Gezien de vroegere publicatie van de voorjaarsnota dit jaar, is de Eerste Bestuursrapportage 2026 hier niet bijgevoegd, maar volgt separaat medio mei.
De secretaris, Michiel Ruis
De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma
3
1. Inleiding Vorig jaar stuurden we u de laatste voorjaarsnota waarin het college beleidskeuzes voorlegde voor een integrale afweging. Zoals tijdens de hele raadsperiode voeren we hierin scherp aan de wind, zowel in ambitie als met hervormingen en bezuinigingen. In verband met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart is dat nu niet aan de orde: de integrale afweging vindt (op hoofdlijnen) plaats in het coalitieakkoord en zal met de ontwikkelingen in de meicirculaire in de programmabegroting 2027 concreter financieel worden vertaald. Dat neemt niet weg dat we een grote verantwoordelijkheid voelen om uw raad een aantal zaken mee te geven, waarbij we scherp hebben gekeken naar wat écht onvermijdelijk is. In de eerste plaats gaat het hier om het resultaat van 2025 plus autonome ontwikkelingen. Het verwachte netto jaarrekeningresultaat voor 2025 is een positief resultaat van ruim € 20 miljoen. De autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waar we geen invloed op hebben. Voorbeelden daarvan zijn de ontwikkelingen in de middelen die we van het Rijk krijgen, zoals bijvoorbeeld uit het gemeentefonds. Jaarlijks maken we daar in de voorjaarsnota een inschatting van. Op dit moment zien we een aantal ontwikkelingen, zoals de financiële doorwerking van het regeerakkoord van het nieuwe kabinet, waarvoor we nog geen exacte doorvertaling kunnen maken naar onze begroting.
Daarnaast kondigt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties pas in de meicirculaire van het gemeentefonds de effecten aan van de nieuwe herverdeling van het gemeentefonds. Welke impact dat voor Utrecht gaat hebben, is op dit moment nog niet te zeggen. Ten tweede hebben we ieder jaar te maken met knelpunten die onvermijdbaar, onoplosbaar binnen doelstelling of programma en onuitstelbaar zijn. Het gaat hier om opgaven die soms incidenteel maar soms ook structureel van aard zijn. En waar dus geen keuze in is: we hebben naar onze beste inschatting in alle gevallen de minimaal benodigde middelen opgenomen. Er bestaat -zoals altijd- een risico dat de komende jaren blijkt dat er extra middelen nodig zijn door ontwikkelingen die we nu niet kunnen voorzien. Dat risico bestaat tot slot ook voor opgaven die strikt genomen nu geen knelpunt zijn omdat ze niet aan alledrie de ‘O’s’ voldoen, maar die wel knellen. Hoewel ze nu nog vermijdbaar, oplosbaar of uitstelbaar zijn, is het voorstelbaar dat dat in de toekomst niet meer zo is. Dat geldt ook voor opgaven waarvan een continuering van incidentele rijksmiddelen onzeker is. Het financieel beeld opmakend zien we een verwacht positief resultaat voor 2025. In de daaropvolgende jaren schommelt het tekort dat het gevolg is van de onvermijdelijke opgaven.
Zoals gebruikelijk in verkiezingsjaren stuurt het college niet bij op het tekort. Omdat dit gezien het verkiezingsjaar een beleidsarme voorjaarsnota is, acht het college het niet passend om nu beleidsmatige maatregelen te nemen om het saldo sluitend te maken. We gaan daarnaast ook niet in op eerder aangenomen moties zonder dekking of waarin wordt verwezen naar de integrale afweging voor dekking. We adviseren uw raad om die mee te nemen in het coalitieakkoord en daarin maatregelen te nemen zodat de Begroting 2027 voor alle jaren en structureel sluitend is.
4
2. Financiële ruimte en knelpunten 2.1. Inleiding De programmabegroting 2026 sloot op 0: baten en lasten waren in evenwicht. Het verwachte netto jaarrekeningresultaat voor 2025 is een positief resultaat van ruim € 20 miljoen. In de jaren daarna schommelt het tekort ontstaan door de onvermijdelijke opgaven tussen de € 3 tot € 9 miljoen. In de actualisatie van het financiële beeld zien we dat de beschikbare financiële ruimte in 2026 negatief wordt; de jaren erna is er meer geld beschikbaar. Daarnaast zien we voor alle jaren knelpunten waar meer geld voor nodig is dan we beschikbaar hebben. Er is vooral gekeken naar knelpunten die zich in 2026 of 2027 (structureel) voordoen. Dat leidt tot een saldo van de Voorjaarsnota 2026 dat voor alle jaren negatief is. Een duiding van het geactualiseerde financiële beeld vindt u in dit hoofdstuk, een beschrijving van de knelpunten staat in hoofdstuk 3. In onderstaande tabel is dat kort samengevat, waarbij een minteken aangeeft dat er sprake is van een tekort. Tabel 1: Financiële vertrekpunt
2.2. Toelichting op het startsaldo Onderstaande tabel geeft het financiële vertrekpunt van deze voorjaarsnota gedetailleerd weer. Het vertrekpunt is de Programmabegroting 2026. Daarna volgen de autonome ontwikkelingen en de knelpunten. Deze onderdelen worden onder tabel 3 verder toegelicht.
5
Tabel 2: Opbouw startsaldo
1 Voorlopig indicatief netto jaarrekeningresultaat 2025 Het voorlopige indicatieve netto jaarrekeningresultaat 2025 bedraagt € 21,1 miljoen. De accountant is momenteel nog bezig met de controle van de jaarrekening. De verwachting is niet dat hier nog hele grote mutaties uit naar voren gaan komen. 2 Eindsaldo begroting 2026 Het eindsaldo van de vastgestelde Programmabegroting 2026 is voor alle jaren 0. 3 Autonome ontwikkelingen Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waar we geen invloed op hebben en die ons overkomen. Voorbeelden daarvan zijn de ontwikkelingen in de middelen die we van het Rijk krijgen, zoals bijvoorbeeld uit het gemeentefonds. Jaarlijks maken we daar in de voorjaarsnota een inschatting van. Actualiseren inkomsten 3a Gemeentefondscirculaires De meicirculaire van het gemeentefonds 2025 (dat zijn de brieven waarin de gemeenten door het Rijk geïnformeerd worden over de ontwikkeling van het gemeentefonds) is conform de eisen van de provincie verwerkt in de begroting 2026. Na de meicirculaire is ook de september- en decembercirculaire verschenen. De septembercirculaire had per saldo een voordelig effect op het financiële beeld in 2026 en 2027 van ruim € 2 miljoen; daarna slaat dit om in een negatief effect. Dat komt met name door een neerwaartse bijstelling van de accressen in combinatie met de landelijke groei van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds.
De decembercirculaire had geen impact op de financiële ruimte. 3b Actualisatie maatstaven Bij de voorjaarsnota actualiseren we onze bijdrage uit het gemeentefonds voor het lopende en eerstvolgende begrotingsjaar op basis van nieuwe inschattingen van onze aantallen inwoners, woningen, etc. Uit die actualisatie blijkt dat we in 2026 minder hard zullen groeien dan eerder gedacht. Daardoor krijgen we naar verwachting ongeveer € 7,5 miljoen minder uit het gemeentefonds. De verwachte groei voor 2027 ligt iets hoger dan eerder verwacht, wat een plus in het gemeentefonds oplevert. Die loopt op van € 0,7 miljoen in 2027 naar € 7,2 miljoen in 2030.
6
3c Herijking gemeentefonds Momenteel werkt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan een aangepast verdeelmodel voor de verdeling van het geld van het gemeentefonds. De uitkomsten daarvan staan naar verwachting in de aankomende meicirculaire. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit effect hebben op onze inkomsten uit het gemeentefonds. Het is echter onzeker of dit positief of negatief zal zijn, vandaar dat we dit als p.m. hebben opgenomen. 3d, 3e en 3f OZB en Toeristenbelasting Ten aanzien van de onroerende zaakbelasting (OZB) voor woningen zien we dezelfde effecten als bij het gemeentefonds: omdat we in 2026 minder hard zullen groeien dan eerder verwacht, kunnen we ook minder OZB-aanslagen opleggen, wat leidt tot een lagere OZB-opbrengst in 2026. In 2027 en volgende jaren verwachten we wel weer iets harder te groeien dan eerder verwacht, wat leidt tot een positieve bijstelling van de OZB-opbrengst van bijna € 1 miljoen. Vanwege de achterstanden die er waren in de administratie van de BGhU ten aanzien van de nietwoningen, kunnen we in 2026 meer niet-woningen een OZB-aanslag opleggen, wat leidt tot een hogere opbrengst. Vanaf 2027 verwachten we ook hier een groei en dus een hogere opbrengst (€ 3,1 miljoen). De toeristenbelasting is in de Voorjaarsnota 2025 al verhoogd, zowel qua tarief als qua aantal overnachtingen.
Met het hoge BTW-tarief dat vanaf 1 januari 2026 geheven wordt over hotelovernachtingen (in plaats van het lage BTW-tarief) is het niet realistisch om te veronderstellen dat het aantal hotelovernachtingen nog verder zal toenemen. Vandaar dat we hier geen extra opbrengsten ramen. Wel is er een risico dat we de geprognosticeerde opbrengst de komende jaren niet volledig zullen halen. Overige autonome ontwikkelingen 3g Referentiekader (areaalsystematiek) In Utrecht hebben we een referentiekader waarbij de begrotingsprogramma’s financieel groeien navenant de stad groeit of krimpt. Omdat op basis van de meest recente inschattingen onze stad in 2026 minder hard groeit, is er ook minder geld nodig om de groei te bekostigen. Daarom stellen we de begroting met € 2 miljoen bij in 2026. Vanwege de groei in 2027 kost de referentiesystematiek ons dan ongeveer € 4 miljoen. 3h Technische correcties Er is een tweetal technische correcties dat in de voorgaande begrotingen niet goed was verwerkt en die we nu administratief corrigeren. Dat betreft een onttrekking aan de reserve Groei in Balans van € 3 miljoen die per abuis structureel geraamd was maar incidenteel moest zijn. Daarnaast was bij de VJN 2023 het knelpunt Vervallen afdracht uit de grondexploitatie Leidsche Rijn (€ 4,5 miljoen) abusievelijk dubbel verwerkt. Dit is nu gecorrigeerd.
3i en 3j Nota Beheer openbare ruimte en het Uitvoeringsprogramma Werk aan de werf In het vastgestelde beleid voor beheer openbare ruimte en Werk aan de werf gaan we uit van een jaarlijkse stijging van lasten (€ 1,41 miljoen, waarvan € 0,95 miljoen voor beheer openbare ruimte en € 0,46 miljoen aan kapitaallasten voor Werk aan de werf). Deze stijgende lijn is meegenomen in het financiële beeld door een verhoging van het structurele budget in latere jaren. 3k Indexeringen De indexeringen ramen we budgettair neutraal. We hanteren de stelregel dat we intern niet meer aan loon/prijsvergoeding uitkeren, dan we aan financiële ruimte in het gemeentefonds hebben. Via het gemeentefonds ontvangen we tegenwoordig een aparte vergoeding voor loon- en prijsstijgingen middels de prijsmutatie van het Bruto Binnenlands Product (pBBP). Dat bedrag is leidend voor onze uitgaven aan loon- en prijscompensatie. Subtotaal autonome ontwikkelingen Dit alles leidt tot een financiële ruimte die in 2026 € 3,5 miljoen negatief is, en de jaren erna oploopt tot ongeveer € 7 miljoen in 2030.
7
2.3. Knelpunten Op een aantal financiële ontwikkelingen heeft de gemeente geen invloed. Deze onvermijdelijke kosten noemen we knelpunten. Dit zijn ontwikkelingen die voldoen aan drie criteria: • Onvermijdbaar: de activiteit is een wettelijke taak of verplichting; • Onoplosbaar: binnen doelstelling of programma; • Onuitstelbaar: de activiteit moet starten in 2026/2027. We hebben 19 knelpunten opgenomen in deze voorjaarsnota, waarvan 7 knelpunten alleen voor het jaar 2026 en/of 2027. Het structurele totaalbedrag van alle knelpunten is € 15,3 miljoen. De financiële effecten van deze knelpunten zijn onderdeel van het financiële startsaldo van deze voorjaarsnota. Algemeen beeld van de knelpunten: Er zijn legio redenen waarom een knelpunt op kan treden.
Grofweg zien we de volgende categorieën: • De financiële bijdrage van het Rijk stopt of is niet toereikend om te voldoen aan de (wettelijke) minimale eisen; • Door nieuwe wetgeving moeten we investeringen doen zonder dat daar voldoende middelen tegenover staan; • We worden geconfronteerd met lagere inkomsten dan geraamd; • Het gaat om claims van verbonden partijen waar we aan moeten voldoen; • Een aantal knelpunten is (meerjarig) incidenteel, bijvoorbeeld door uitwerken van bijsturingsmaatregelen of nader uitwerken van scenario’s voor handelingsperspectief; • In afwachting van geactualiseerd beleid moeten alvast incidentele maatregelen worden getroffen; • Kostenstijgingen in relatie tot aanbestedingen.
8
Tabel 3: knelpunten
Toelichting knelpunten Programma: Ontwikkelen en wonen voor iedereen 1. Afdracht gemeentelijke grondexploitaties Vanuit de gemeentelijke grondexploitaties vindt jaarlijks een afdracht plaats die als structurele opbrengst in de gemeentebegroting is opgenomen. De lopende winstgevende grondexploitaties lopen af en er worden geen nieuwe winstgevende grondexploitaties verwacht. Daarom is deze structurele afdracht niet meer mogelijk en zijn de financiële gevolgen feitelijk onuitstelbaar ook al treden deze op met ingang van 2030. 2. Het tijdelijk omgevingsplan omzetten naar een definitief omgevingsplan Sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 moeten voor ongeveer 300 bestemmingsplannen de rijksregels uit de 'Bruidsschat' en diverse lokale verordeningen samengevoegd worden tot één nieuw plan. Deze transitie moet uiterlijk 1 januari 2032 voltooid zijn, waarna oude regels vervallen en het nieuwe plan volledig digitaal raadpleegbaar is via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De gemeente staat voor een grote uitdaging: terwijl de werkzaamheden en de benodigde capaciteit tot 2032 toenemen, stoppen de financiële bijdragen van het Rijk na 2026. Naast deze consolidatie werkt Utrecht aan de verplichte actualisatie van het welstandskader in de nieuwe Nota Omgevingskwaliteit 'Het karakter van Utrecht'. De verplaatste regels moeten voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.
Het omgevingsplan moet voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en is digitaal beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 3. Operationele keten Omgevingswet De implementatie van de Omgevingswet gaat niet vlekkeloos omdat de uitvoering niet gaat zoals bij het opstellen van de regelgeving is bedacht. Dit terwijl de focus bij het Rijk op de implementatie van de wet minder is geworden. Om dit het hoofd te kunnen bieden, hebben wij extra capaciteit nodig. De eerder ontvangen middelen ter implementatie van de Omgevingswet, nodig om processen in te richten en te verbeteren, lopen in 2026 af. Daarnaast zien we een verandering in de dagelijkse werkzaamheden die meer tijd vergt. Voor een deel van de inzet gaan we ervan uit dat dit kan worden verhaald via de leges (extra inzet vergunningverlening). In het voorliggende structurele bedrag is
9
hiermee rekening gehouden. Programma: Duurzame bereikbaarheid 4. Kort parkeren en naheffingen Aan het begin van de raadsperiode 2022-2026 zijn afspraken gemaakt over straatparkeren, onder meer een tariefverhoging en de stadsbrede invoering van betaald parkeren. Met de ervaringscijfers van de afgelopen jaren hebben we de meerjarenraming straatparkeren geactualiseerd. Hierbij merken we op dat er altijd onzekerheden zijn in de baten, omdat deze afhankelijk zijn van menselijk gedrag. Ten opzichte van voorgaande jaren zien we een kortere parkeerduur, minder transacties en hogere naheffingen (parkeerboetes). In de komende vier jaren leidt dit conform de geactualiseerde meerjarenraming tot lagere opbrengsten dan begroot (waarbij rekening is gehouden met de financiële consequenties van het raadsbesluit over de planning van blok 2). Het verschil wordt grotendeels uit de egalisatiereserve parkeren gedekt. Dit past bij het doel van deze reserve, het opvangen van schommelingen in de parkeerexploitatie. Hierdoor loopt de reserve terug tot nihil in 2030. Het deel dat niet uit de reserve gedekt kan worden, vormt het knelpunt. Gegeven de inherente onzekerheden blijven we de komende jaren het verloop van de parkeerreserve monitoren en rapporteren we hierover in de voorjaarsnota. Naast het bepalen van de financiële impact hebben we afspraken gemaakt over de begrotingsmethodiek.
Jaarlijks wordt de meerjarenraming integraal geactualiseerd, zowel de raming van het parkeren op straat als in de garages. De actualisatie beslaat de periode tot en met de afronding van de stadsbrede invoering betaald parkeren. In de begroting verwerken we de aanpassingen voor het lopende jaar en de komende vier jaren. Eventuele bijstellingen worden verrekend met de egalisatiereserve parkeren. Daarmee sluiten we aan bij de binnen de gemeente gehanteerde begrotingsmethodiek en verwachten we een gezonde basis te creëren voor de komende raadsperiode. 5. Ingroeipad garage Croeselaan Het exploitatieresultaat op de parkeergarages is lager dan begroot, onder meer door achterblijvende opbrengsten van de parkeergarage Croeselaan sinds de oplevering. Daar is eerder incidenteel een ingroeipad voor ingericht, dat per 2026 afloopt. De bezetting en daarmee de opbrengsten zijn in de afgelopen jaren verbeterd maar nog niet op het niveau van de oorspronkelijke business case. We monitoren het resultaat van de parkeergarages en houden de wijze van ramen van de baten tegen het licht. In het kader van het verbeteren van de parkeerramingen werken we een methodiek uit waarmee we de baten en lasten van de parkeergarages meerjarig ramen.
In 2026 richten we een proces in waarmee we een eenduidige en gestructureerde werkwijze organiseren in lijn met de integrale raming van de parkeerexploitatie, zodat we op vaste momenten een afgestemde prognose in de voorjaarsnota en begroting verwerken. Beide geschetste ontwikkelingen (4 en 5) worden betrokken bij het parkeerdossier in brede zin. De financiële effecten komen uit op € 0,8 miljoen structureel vanaf 2028 voor de garage Croeselaan en een incidentele storting van € 0,6 miljoen in 2030 om de parkeerreserve weer op 0 te krijgen omdat die anders negatief komt te staan, zoals in onderstaande tabel is opgenomen. Tabel 4: Verloop parkeerreserve
Programma: Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed 6. Groot onderhoud civiele techniek Groot onderhoud aan wegen en civiele kunstwerken (zoals bruggen en muren) is omvangrijk en complex. Door betere data uit herijkingsprogramma's is de werkelijke staat van deze objecten nu scherper in beeld dan bij het opstellen van de Nota Beheer Openbare Ruimte (BOR) in 2021. Om achterstallig onderhoud en onveilige situaties te voorkomen, is het noodzakelijk om de geprogrammeerde werkzaamheden op basis van de nieuwe inspectiegegevens uit te voeren.
10
De belangrijkste oorzaken voor de toenemende onderhoudsbehoefte zijn: • Veel kunstwerken bereiken het einde van hun levensduur; strengere regels maken vervanging duurder. • Omdat rioleringen langer meegaan en herinrichtingsprojecten vertragen, worden wegen minder vaak integraal vernieuwd. Dit maakt vaker tussentijds groot onderhoud noodzakelijk. • Boomwortelopdruk door beperkte groeiruimte dwingt tot extra herstelwerkzaamheden. Uit een eerste doorrekening zien we een bevestigend beeld van een structureel groeiende opgave. De exacte omvang en de benodigde extra middelen worden in 2026 nader uitgewerkt en naar verwachting in 2027 aangeboden ter besluitvorming. De exacte omvang is mede afhankelijk van enkele nog uit te werken afwegingen, waaronder keuzes over kwaliteit en een reëel ingroeipad ten behoeve van de uitvoerbaarheid. 7. Depotbeheer Beheren van een depot voor bodemvondsten is een wettelijke taak van de provincies (Erfgoedwet) die aan gemeenten kan worden toegewezen, zoals in Utrecht het geval is. De controle op de eisen die aan depots gesteld worden is belegd bij provincie Utrecht en de Erfgoedinspectie van het Rijk. Ook zijn er eisen aan deponering vanuit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (laatste versie vastgesteld in 2024 door Centraal College van Deskundigen Archeologie).
Om het depot te laten voldoen aan wettelijke eisen, moet onder andere worden voorzien in maatregelen op het gebied van fysieke bewaarcondities, administratie en ontsluiting van objecten én data voor onderzoek. 8. Uitvoering taken door Omgevingsdienst Utrecht De gemeente is wettelijk verplicht om bepaalde vergunning-, toezicht en handhavingstaken uit te laten voeren door de ODU. De fusie van de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) naar de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) gaat gepaard met een uitbreiding van het wettelijk takenpakket, aanvullende verplichtingen op het gebied van digitalisering en vernieuwing van wetgeving op het gebied van bodem en ondergrond. Voor de uitvoering van deze taken voor de Omgevingswet werkt de ODU met hogere tarieven en overhead dan toen de gemeente deze taken nog uitvoerde. Deze meerkosten kunnen we nog tot en met 2026 opvangen binnen het programma (in de Voorjaarsnota 2025 is dit incidenteel meegenomen). Omdat onze inzet blijft dat verbonden partijen ook besparingen moeten realiseren, hebben we het knelpunt vooralsnog niet structureel opgevoerd maar alleen voor het jaar 2027. Op dit moment is echter nog geen zicht op reële besparingsmogelijkheden. Over de ontwikkelingen en eventuele benodigde bijsturingen zal tijdig worden gerapporteerd Programma: Veilige stad 9.
Gemeentelijke bijdrage aan gemeenschappelijke regeling Veiligheidsrisico Utrecht De Veiligheidsregio Utrecht (VRU), de gemeenschappelijke regeling die verantwoordelijk is voor onze brandweerzorg en crisisbeheersing, kampt met een structureel verwacht tekort door een flinke toename van het aantal inwoners in combinatie met complexere incidenten (zoals elektrische auto’s, zonnepanelen, natuurbranden). Hoewel de VRU jarenlang de stijgende kosten intern heeft opgevangen is de grens bereikt. Om de veiligheid in onze gemeente en regio te kunnen blijven garanderen wordt daarom aan alle gemeenten een verhoging gevraagd van de jaarlijkse bijdrage. In onze zienswijze van 4 februari zijn we onder voorwaarden akkoord gegaan met deze verhoging, met name vanwege het risico op niet-halen van de normtijden door de brandweer. Programma: Kansrijk opgroeien 10. Toenemende tekorten op het jeugdbudget, aanvullende zorg door volume groei De kosten voor de aanvullende (zwaardere) jeugdhulp stijgen sneller dan de beschikbare budgetten. Zorgpartijen kunnen door de hoge vraag en hun zorgplicht niet binnen de huidige financiële kaders blijven. De volumegroei heeft zich al in 2025 voorgedaan en zal met ingang van 2026 leiden tot een financieel structureel tekort van naar verwachting € 4 miljoen. We zien de wachtlijsten in Utrecht in alle zorgcategorieën oplopen, hetzelfde horen we van andere steden.
Niet bijsturen op de financiële taakstelling leidt tot het niet voldoen aan onze zorgplicht met juridische en ethische consequenties of het ondermijnen van de preventieve aanpak. Hierdoor kunnen de kosten in de aanvullende zorg verder stijgen. De verwachting, conform landelijke trends (advies
11
Commissie van Ark), is dat door volumegroei het tekort zonder verdere bijsturing verder op kan lopen. Met de afspraken over een inspanningsverplichting met de zorgpartijen, zetten we in op het terugdringen van de verdere groei. Programma: Levendige en gezonde stad 11. Een tekort in financiële middelen voor de exploitatie van welzijnsaccommodaties en speeltuinen In de afgelopen jaren is een tekort ontstaan bij de exploitatie van de welzijnsaccommodaties dat naar verwachting niet meer opgelost kan worden via incidentele meevallers of compensaties. Hierdoor dreigt een verschraling van de dienstverlening. Bijsturen is na 2027 wel mogelijk maar vergt aanpassing van beleid en contracten. 12. Sport, zorg en welzijnsvoorzieningen MPR-groeikader Bij eerdere investeringsbesluiten en Meerjaren Perspectieven Ruimte (MPR) zijn vanwege de groei van de Stad onder andere de volgende uitbreidingsvoorzieningen opgenomen voor sport, welzijn en zorg: 3 sporthallen, de uitbreiding van sportparken Nieuw Welgelegen en Rijnvliet, zwembad Maximapark en diverse welzijns- en zorg voorzieningen in Merwede en Overvecht. De toekomstige jaarlasten voor deze uitbreidingen zijn verwerkt in de begroting maar bijgestelde ramingen op basis van gestegen bouwkosten laten tekorten zien ten opzichte van de beschikbare budgetten.
Hoewel voor een deel investeringen in een aantal voorzieningen nog niet hard zijn verplicht (zwembad Maximapark en sporthal Overvecht) zijn de voorbereidingen hiervoor in een zeer ver gevorderd stadium en zijn al diverse aanloopkosten gemaakt en afspraken gemaakt met diverse (externe) partijen. 13. Lagere productienorm vanwege aanpassing CAO De benodigde bezetting van met name productieafdelingen is grotendeels afhankelijk van de beschikbare tijd van medewerkers. Door extra verlofuren vanuit CAO (extra feestdag, extra verlof, ruimere regeling ouderschapsverlof) zijn medewerkers minder inzetbaar waardoor knelpunten in uitvoering zijn ontstaan. In afwachting van de actualisatie van de gemeentelijke productiviteitsnorm hebben we dit knelpunt incidenteel voor 2026 meegenomen. 14. Jeugdgezondheidzorg aan nieuwkomers, niet zijnde Oekraïners of COA kinderen Conform landelijke afspraken verleent de Jeugdgezondheidzorg (JGZ) zorg aan nieuwkomers in de gemeente waar zij onderwijs volgen. De financiering voor de Ithaka- en taalscholen is echter ontoereikend. Dit komt door de sterke instroom van leerlingen van buiten de regio waarvoor geen vergoeding beschikbaar is, en door de bovengemiddelde zorgintensiteit die nieuwkomers vragen ten opzichte van het gemiddelde JGZ- tarief.
Vooralsnog hebben we dit knelpunt incidenteel voor 2026 meegenomen in afwachting van de VNG-lobby voor extra rijksmiddelen en het nagaan van wat er minimaal wettelijk verplicht is. 15. Uitvoering Volksgezondheid De gemeente Utrecht heeft een deel van haar taken belegd bij de GR GGDrU. Ondanks de stevige zienswijze van de raad is de begroting 2026 door de 26 deelnemende gemeenten (inclusief Utrecht) vastgesteld. Hiermee is de uit de vastgestelde begroting volgende bijdrage door Utrecht verplicht en onvermijdelijk. Oorzaken voor de verhoogde bijdrage zijn onder andere groei van de stad, een volumetoename van de forensische zorg en teruglopen van de boeteopbrengsten vanuit inspectie kinderopvang. Omdat onze inzet blijft dat verbonden partijen ook besparingen moeten realiseren, hebben we het knelpunt vooralsnog niet structureel opgevoerd maar alleen voor de jaren 2026 en 2027. 16. Depot collecties Utrecht De urgentie om het depot aan te pakken groeit om het risico op onherstelbare schade aan de gemeentelijke kunstcollectie te voorkomen. Bij langere voortzetting van het huidige depot worden we daarnaast geconfronteerd met extra kosten vanwege groot onderhoud aan het pand. Voorwaarde bij de gunning van het depot in de aanbesteding is dat er dekking aanwezig moet zijn.
Als de dekking als gevolg van de tegenvallende aanbesteding er niet is, moet de aanbesteding opnieuw gedaan wat vertraging betekent en vermoedelijk ook hogere kosten vanwege het risico van verdere prijsstijgingen.
12
De financiële gevolgen vanwege de aanbesteding zijn feitelijk onuitstelbaar, ook al treden deze op met ingang van 2030. 17. Koningsnacht en Koningsdag, binnenstad Vanwege de sterke groei van Koningsnacht en -dag in het afgelopen decennium is professionalisering en een integrale aansturing nodig. Risico’s, bijvoorbeeld ‘overcrowding’, zijn duidelijk toegenomen. Gevolg hiervan is dat een overschrijding wordt verwacht voor de organisatie van dit evenement. Naast projectmanagement zijn dit voor het grootste deel kosten die afgelopen jaren zijn gedekt uit verschillende bronnen. Denk aan inhuur van verkeersregelaars, wegafzettingen, toiletten, schermen etc. Voor de realisatie van een feestelijke en veilige Koningsnacht en -dag is een integrale aansturing noodzakelijk. Er is wel een keuze voor de mate waarin wordt ingezet op dit evenement. Het jaar 2026 wordt benut om de budgetten en kosten van de verschillende betrokken onderdelen integraal inzichtelijk te maken. Dit inclusief de gevolgen van een (beleids)keuze voor een minimale variant zodat voor de jaren na 2027 een weloverwogen structurele keuze kan worden gemaakt. Programma: Algemene middelen en overhead 18. Algoritmen en AI Sinds 2 augustus 2024 is de AI Verordening van kracht.
Deze wet wordt stapsgewijs ingevoerd (t/m 2030) en leidt tot verplichtingen waar we met de huidige personele structurele capaciteit en financiële middelen niet aan kunnen voldoen. Ten aanzien van Algoritmen en AI is het risico op negatieve neveneffecten groot. De opgenomen bedragen voorzien in een sobere maar bestuurbare variant waarmee kan worden voldaan aan de minimale wettelijke vereisten maar ook sprake is van risico's voor onder andere tempo en aantoonbaarheid van de maatregelen. 19. Effecten invoering NIS2/Cyberbeveiligingswet (CBW) 2026 - Compliancy De Europese NIS2-richtlijn en de nationale Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni/CBW) zijn voor gemeenten vertaald in de Baseline Informatiebeveiliging Overheid versie 2 (BIO2). Met de huidige gefragmenteerde aanpak en beschikbare capaciteit zal de gemeente Utrecht niet tijdig voldoen aan deze wettelijke verplichtingen. Het niet tijdig realiseren van compliance brengt substantiële risico’s met zich mee met juridische en financiële consequenties, maatschappelijke en operationele schade en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Om de continuïteit van de gemeentelijke dienstverlening te garanderen en bestuurlijke aansprakelijkheid te voorkomen, is een integrale en versterkte aanpak noodzakelijk.
2.4. Overige knellende opgaven Zoals past in deze beleidsarme voorjaarsnota hebben we puur technisch gekeken naar de knelpunten langs de spelregels van de 3O’s. Dat neemt niet weg dat we een aantal knellende opgaven zien die niet voldoen aan alle drie de criteria waarbij we in een reguliere voorjaarsnota op zoek zouden gaan naar oplossingen voor deze opgaven. Deze opgaven brengen we wel transparant bij u onder de aandacht omdat hier een keuze in gemaakt kan worden. Wij doen dat niet meer, dat is aan het nieuwe gemeentebestuur. Deze opgaven zijn grofweg in vier categorieën onder te verdelen, waarbij sommige opgaven in meerdere categorieën vallen: 1. Opgaven waarin een beleidskeuze te maken is, zoals netcongestie onderwijshuisvesting en het Ombudsloket. In de regel gaat het hier om opgaven die niet aan de O van Onvermijdbaar voldoen. Hoewel het goed zou zijn maatregelen te treffen is het ook een optie om dat niet te doen. 2. Opgaven waarbij in de Voorjaarsnota 2025 incidenteel een bedrag is toegekend, waarbij afgesproken is dat er nader onderzoek zou plaatsvinden om deze op te lossen (Essentaksterfte, exploitatie Zwembaden). Dat onderzoek kon of nog niet worden uitgevoerd of niet tijdig bestuurlijk worden afgerond, waardoor we deze nu niet mee hebben genomen.
Hierbij merken we op dat er voor de zeer korte termijn (2026) nog dekking is, waardoor ze niet aan de O van Onuitstelbaar voldoen. In de loop van het jaar kan op basis van de uitkomsten van de onderzoeken bepaald worden of een structurele oplossing gekozen kan worden.
13
3. Opgaven (bijvoorbeeld Netcongestie, veiligheid, verhogen vaccinatiegraad) waarvan de verwachting is dat er enerzijds binnen de programmabudgetten nog wel ruimte te vinden is, of anderzijds wellicht nog bijdragen van het Rijk te verwachten zijn. Met het coalitieakkoord van Kabinet Jetten hebben we dit voor een deel wel inzichtelijk, maar pas bij de Voorjaars- of Miljoenennota weten we precies waar we aan toe zijn. Bij deze punten accepteren we het risico dat hierbij hoort. 4. Opgaven die financieel dermate klein dat deze opgevangen zouden moeten kunnen worden binnen de bestaande programmabudgetten (onder andere de parkeerplaatsen bij Fort de Gagel, constructiekosten Magazijn De Zon, openbare toiletten Julianapark). Deze voldoen daarmee niet aan de O van ‘Onoplosbaar’ binnen het eigen programma. In onderstaande tabel hebben we een overzicht opgenomen van de knellende opgaven, waarbij we aangeven in welke categorie ze vallen. Tabel 5: overige knellende opgaven
14
3. Vervolg De beschikbare financiële ruimte voor de komende jaren laat een tekort zien, waarop dit college zoals gebruikelijk in een verkiezingsjaar niet bijstuurt om het beeld sluitend te krijgen. Dat geldt ook voor de structurele lasten, die vanaf 2028 niet meer gedekt zijn met structurele baten, zie ook onderstaande tabel. Dat betekent dat er vanaf 2028 geen sprake meer is van structureel evenwicht in de begroting. De oorzaak daarvan is de knelpunten die om structurele dekking vragen. Aangezien dit een beleidsarme voorjaarsnota is, vindt ons college het niet gewenst om beleidsmatige maatregelen door te voeren om het saldo van deze voorjaarsnota sluitend te krijgen. We adviseren u dan ook om dit mee te nemen in het coalitieakkoord en daarin maatregelen te nemen zodat de Begroting 2027 voor alle jaren en structureel sluitend is. Het voorlopige indicatieve netto jaarrekeningsaldo is net toereikend om het tekort in 2026 op te lossen; maar de jaren erna niet. Financiële kengetallen De financiële kengetallen ten aanzien van het structurele begrotingssaldo ontwikkelen zich als volgt in tabel 6:
In onderstaande tabel staat de actuele verwachting voor de solvabiliteit en de schuldquote voor de komende jaren. De ontwikkeling van deze kengetallen hangt samen met de verwachte investeringsuitgaven. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op de verwachte investeringsuitgaven in relatie tot het verwachte uitvoerend vermogen van de gemeentelijke organisatie, zoals gepresenteerd in de raadsbrief Grip op investeringen van 19 maart 2026 en kennen dezelfde uitgangspunten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de genoemde brief. Uit onderstaande tabel blijkt dat zowel onze solvabiliteit als ook onze schuldquote op basis van deze beleidsarme Voorjaarsnota voldoen aan de signaalwaarden die uw Raad hieraan gegeven heeft. Tabel 7: Prognose solvabiliteitsratio en netto schuldenquote
15