Visie Water en Riolering Utrecht (maart 2022)(na verwerking Amendement).pdf
Tekst van het document
5.1.1 Inzameling afvalwater
We maken onderscheid tussen de bebouwde kom en het buitengebied, en tussen huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater.
Binnen de bebouwde kom Binnen de bebouwde kom moet huishoudelijk afvalwater op de riolering worden geloosd. Wij zorgen voor de inzameling van huishoudelijk afvalwater en transport naar een centrale zuivering. Binnen de bebouwde kom staan wij in principe geen andere zuiverende voorziening toe (zoals een IBA) die ervoor zorgt dat er geen ongezuiverd afvalwater in het milieu terecht komt, tenzij deze voorziening een gelijkwaardig alternatief vormt voor de centrale zuivering van het waterschap. Dit betekent ook dat wij op dit moment binnen de bebouwde kom bij nieuwbouwontwikkelingen geen alternatieve decentrale verwerkingsvormen voor afvalwater (nieuwe sanitatie genoemd) gaan onderzoeken, omdat wij de centrale zuivering de meest doelmatige plek vinden om afvalwater te zuiveren en energie en grondstoffen terug te winnen. Voor bedrijfsafvalwater geldt dat wij in ieder geval afvalwater inzamelen dat vergelijkbaar is met huishoudelijk afvalwater. Ook ander bedrijfsafvalwater dat niet lokaal kan worden teruggebracht in het milieu wordt ingezameld, tenzij dit ten koste gaat van het doelmatig functioneren van de vuilwaterriolering of de rioolwaterzuivering. In dat geval weigeren wij nieuwe aansluitingen van bedrijven en beëindigen wij bestaande aansluitingen. De eigenaar is dan zelf verantwoordelijk voor de behandeling van het afvalwater.
Wij volgen hierbij de landelijke wet en regelgeving voor lozingen op het openbare vuilwaterriool. Daar waar die met de invoering van de Omgevingswet vervalt, nemen wij de landelijke regels op in onze lokale regelgeving.
Buiten de bebouwde kom Voor het gebied buiten de bebouwde kom geldt dat wij huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater dat daar qua biologische afbreekbaarheid op lijkt, inzamelen en afvoeren, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Visie Water en Riolering Utrecht
30
Deze omstandigheden zijn: • De capaciteit van het bestaande openbare vuilwaterriool is niet toereikend; • Een decentrale zuiveringstechniek levert een vergelijkbaar of beter resultaat op als de centrale zuivering van het waterschap. Dit betekent ook dat we bij grotere nieuwbouwlocaties buiten de bestaande bebouwde kom samen met het waterschap de haalbaarheid van alternatieve decentrale zuiveringen zullen onderzoeken.
Verdeling verantwoordelijkheden Het beheer en onderhoud van de leiding tussen een particulier gebouw en het openbare vuilwaterriool is verdeeld in een particulier deel en een openbaar deel. Het overdrachtspunt ligt maximaal 0,5 m van de perceelgrens. De eigenaar of gebruiker van het perceel is verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van het particuliere deel, de gemeente voor het openbare deel. Als er verstoppingen optreden in het openbare riool zorgt de gemeente ervoor dat er zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen 24 uur weer geloosd kan worden. Wij zorgen ervoor dat elk perceel en woonboot binnen 40 m van de erfgrens via een vrijvervalriool of een pomp kan aansluiten op de openbare riolering. Daar waar nog geen openbare riolering ligt, leggen we die aan, tenzij de bijzondere omstandigheden gelden zoals hiervoor aangegeven.
Het vervangen van het gemengde riool in de Zeeheldenbuurt door gescheiden riolering
5.1.2 Transport afvalwater
Zoals beschreven in hoofdstuk 3 voldoet ons afvalwatersysteem nog niet overal aan de principes van een circulair systeem, waarbij schone en vuile waterstromen zijn gescheiden. Zo zamelen we nog bij 626 km riool vuilwater via dezelfde buis als hemelwater in en transporteren het naar de zuivering. Ook moeten we om de kwaliteit van de gemeentelijke vrijvervalriolering op niveau te houden, zoals beschreven in paragraaf 3.1, op termijn toewerken naar een jaarlijkse vervanging van 18 km. Beide constateringen brengen ons tot beleidskeuze 1, 2 en 3:
Beleidskeuze 1: We verhogen de jaarlijkse vervangingsopgave van de riolering.
Visie Water en Riolering Utrecht
31
We maken de keuze om vanaf nu te starten met het vervangen van de naoorlogse riolering en voeren daarbij het vervangingstempo jaarlijks op van 5 km in 2020 naar 18 km in 2035. De belangrijkste overwegingen om dit te doen zijn: In veel naoorlogse wijken als Kanaleneiland en Overvecht vinden de komende jaren veel ruimtelijke ontwikkelingen plaats, is veel groot onderhoud aan de wegen nodig en liggen veel maatschappelijke opgaven. Door nu te starten met vervanging en het verhogen van onze inspanning kunnen we inspelen op deze opgaven en geven we een sterke impuls aan de benodigde vernieuwing van de openbare ruimte. Met het huidige vervangingstempo van 5 km per jaar lukt het niet om alle naoorlogse riolering op tijd te vervangen, waardoor achterstallig onderhoud gaat ontstaan. Bijna 300 km riolering is aangelegd in de naoorlogse periode tot 1970. Deze riolering gaat theoretisch nog minimaal mee tot 2040. In het huidige tempo van 5 km per jaar hebben we dan maar 100 km vervangen. Het opvoeren van de vervangingsinspanning vraagt tijd. Zo is extra personele capaciteit nodig en wordt bij integrale projecten de voorbereidingstijd langer. Daarnaast zal ook de stad moeten wennen aan een groter aantal straten dat jaarlijks onder handen wordt genomen. Daarom kiezen we voor geleidelijk opvoeren en trekken we er 15 jaar voor uit.
Onze meerjarenplanning en financiële raming is erop gericht dat we tot 2040 alle riolering vervangen die voor 1971 is aangelegd en voor 2050 alle riolering die voor 1981 is aangelegd. Daarbij geldt altijd dat de actuele technische staat van riolen ons kan dwingen om van de voorgenomen vervangingsplanning af te wijken. Zo kan het zijn dat we genoodzaakt zijn om voor 2040 al slechte riolering te vervangen die pas na 1971 is aangelegd, zoals we nu doen in de buurt Veldhuizen in De Meern. Ook kan het zijn dat we vanwege het risico op wateroverlast eerst op andere plekken aan de slag moeten. We monitoren de staat van de riolen ouder dan 70 jaar om te zorgen dat we geen risico lopen als we die langer in gebruik hebben. Daarom actualiseren we het meerjarenprogramma elk jaar. Onder vervangen verstaan we ook het handhaven en verstevigen en renoveren van de bestaande buis zodat deze weer minimaal 70 jaar meekan. Dit noemen we relinen. De keuze om te kiezen voor relinen in plaats van vervangen hangt af van een groot aantal factoren, zoals de ligging en toestand van het bestaande riool, mate van overlast bij vervanging en het verschil in kosten en is altijd een maatwerkafweging. We kiezen ervoor om in 15 jaar de vervangingsinspanning te verhogen van 5 km naar 18 km per jaar en om daarna dit tempo vast te houden.
Een snellere verhoging dan 15 jaar is niet nodig om de doelstelling te behalen en heeft grote organisatorische en financiële gevolgen. Het voorgestelde vervangingstempo is weergegeven in onderstaande tabel. Waar deze riolen zich bevinden is te vinden op de kaart in bijlage 2. Jaar
Totaal vervangen vanaf 2021 [km]
Totaal gemengd vanaf 2021 [km]
Totaal vuilwater vanaf 2021 [km]
Totaal hemelwater vanaf 2021 [km]
2025
50
48
1
1
2030
118
116
1
1
2035
200
190
5
5
2040
289
269
10
10
2050
469
343
55
71
De voorgenomen hoeveelheid te vervangen riolering per 5 jaar
Beleidskeuze 2: We streven bij vervanging om zoveel mogelijk werk met werk te maken.
Visie Water en Riolering Utrecht
32
Het uitgangspunt bij rioolvervanging is dat we zoveel mogelijk werk met werk maken (ontwikkelend beheer). We sluiten aan bij ruimtelijke ontwikkelingen en andere beheeropgaves. De afgelopen jaren hanteerden we als uitgangspunt vanuit duurzaamheid en kostenbesparing dat we pas het riool vervangen als het technisch op was. We wijzigen dit uitgangspunt. Door niet alleen te kijken naar wat het doelmatigst is voor het rioleringssysteem, maar naar wat het doelmatigst is voor de stad. We gaan eerder tot vervanging over als de overige openbare ruimte op de schop gaat of als vervanging zoveel maatschappelijke baten oplevert dat de kosten van vroegtijdige vervanging daar tegenop wegen. Om te voorkomen dat we bij elke herinrichting van de openbare ruimte ook het riool vervangen, hanteren we voortaan als uitgangspunt dat we alleen vervangen als het riool binnen 20 jaar aan vervanging toe is. Uitgaande van de huidige technische levensduur van 70 jaar, betekent dat voor vervanging de riolen minimaal 50 jaar moeten oud zijn. Bij noodzakelijke vervanging van riolen jonger dan 50 jaar vanwege een gewenste herinrichting of andere ontwikkeling, blijft het uitgangspunt dat de initiatiefnemer betaalt. Dit beleid werken we uit in een nog vast te stellen verlegregeling.
Werk met werk maken betekent ook dat we ons bij vervanging inspannen om onze objecten en systemen te laten voldoen aan de dan geldende doelstellingen voor de maatschappelijke opgaves zoals beschreven in hoofdstuk 3, te weten klimaatadaptatie, circulair, duurzame energie en natuurinclusief.
Beleidskeuze 3: Bij vervanging is het scheiden van afvalwater en hemelwater het uitgangspunt.
We hanteren voortaan als uitgangspunt dat we bij vervanging van een gemengd riool in de openbare ruimte aparte riolen voor vuilwater en hemelwater terugleggen. We wijken hier alleen vanaf als: Er onvoldoende ruimte is voor een dubbel systeem, bijvoorbeeld in zeer smalle straten. Het te vervangen tracé kort is en de omliggende riolering nog niet aan vervanging toe is, waardoor het niet mogelijk is een goede nieuwe afvoerroute te maken voor het hemelwater richting oppervlaktewater. Bij voorkeur werken we buurtgewijs. De kosten te hoog worden. Uitgangspunt is dat we het in elk geval doen als het kan voor minder dan een vastgesteld eenheidsbedrag per los te koppelen m² oppervlak. Bij hogere kosten maken we altijd de afweging of de kosten opwegen tegen de baten. Het hemelwater dat op het riool wordt geloosd dermate vervuild is dat het terugbrengen in de bodem of oppervlaktewater zonder zuiveringsstap onverantwoord is. We hanteren dit uitgangspunt ook als er grootschalige ontwikkelingen plaatsvinden, waarbij er kansen zijn om het hemelwater voortaan apart in te zamelen en te verwerken. We werken dit verder uit in het Programma Water en Riolering. Daarin leggen we ook het eenheidsbedrag vast.
Visie Water en Riolering Utrecht
33
5.2
Hemelwater De wettelijke zorgplicht
De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. (artikel 3.5 Waterwet, straks in artikel 2.16, lid 1a van de Omgevingswet). Hierbij gelden de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in het landelijke hemelwaterbeleid van 21 juni 2004: 1. Vervuiling van hemelwater wordt zoveel mogelijk beperkt of voorkomen. 2. Hemelwater wordt waar mogelijk ter plekke in de bodem geïnfiltreerd of in het oppervlaktewater gebracht. 3. Hemelwater wordt zoveel mogelijk gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd 4. De daadwerkelijke keuze wordt gebaseerd op een integrale afweging op lokaal niveau.
5.2.1 Voorkeursvolgorde
Zoals in de Visie Klimaatadaptatie beschreven scherpen we de voorkeursvolgorde uit het landelijke hemelwaterbeleid aan om schade door droogte tegen te gaan. Vanuit dat perspectief heeft het infiltreren van hemelwater in de bodem de voorkeur boven lozing op oppervlaktewater. Daarnaast heeft infiltratie ook de voorkeur boven lozing op oppervlaktewater vanwege de zuiverende werking van de bodem en het beperken van de piekafvoer bij extreme neerslag. Dit leidt tot de volgende voorkeursvolgorde: 1. Vasthouden op daken en in regentonnen en nuttig gebruiken 2. Op maaiveld infiltreren 3. Ondergronds infiltreren via een voorziening 4. Verwerken in het oppervlaktewater. 5. Afvoer naar de rioolwaterzuivering
Voorkeursvolgorde omgaan met hemelwater
Visie Water en Riolering Utrecht
34
Zoals eerder beschreven willen we de afvoer van schoon hemelwater naar de rioolwaterzuivering op de lange termijn terugbrengen tot nul. Daarnaast willen we, zoals beschreven in de Visie Klimaatadaptatie, schade door droogte voorkomen door binnen de gemeente voortaan minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag vast te houden via de eerste drie stappen van de voorkeursvolgorde. De grens van 90% hanteren we omdat de aanwezigheid van klei en veen in de Utrechtse ondergrond ervoor zorgt dat hemelwater moeilijk infiltreert, waardoor hele grote buffervoorzieningen nodig zijn om meer dan 90% te kunnen vasthouden en infiltreren. De kosten wegen in dat geval niet meer op tegen de baten. Als het vanwege lokale omstandigheden niet mogelijk en wenselijk is om meer regenwater te infiltreren, is verwerking in oppervlaktewater (stap 4) ook toegestaan. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden met hoge grondwaterstanden waar extra infiltratie leidt tot een aanzienlijk risico op grondwateroverlast.
5.2.2 Overtollig hemelwater huishoudens en bedrijven
We verwachten van perceeleigenaren dat de woning of het pand voldoet aan de geldende bouwregelgeving. In hoofdzaak betekent dit dat verblijfsruimten waterdicht zijn. Wastafels, toiletten, baden en douches en andere lozingsvoorzieningen die lager liggen dan 15 cm boven de kruin van de openbare weg moeten voorzien zijn van een terugslagklep of pomp, zodat bij hevige neerslag geen rioolwater uit het openbare riool terug de woning in kan stromen. Dit geldt ook voor lozingspunten op de openbare riolering vanuit de tuin. Verder verwachten wij dat eigenaren bij nieuwbouw of bij een grootschalige verbouwing conform de bouwregelgeving hun hemelwater gescheiden van afvalwater aanleveren. Tot slot verwachten wij dat vloerpeilen zodanig worden gekozen dat de kans kleiner is dan eens in de honderd jaar dat hemelwater via het maaiveld vanuit het openbaar gebied of vanuit het eigen perceel het gebouw in loopt. Hieraan wordt in elk geval voldaan als het vloerpeil minimaal 0,15 m hoger ligt dan het niveau van de aangrenzende openbare ruimte.
Beleidskeuze 4: We verwachten dat alle eigenaren een bijdrage leveren aan het vasthouden en verwerken van hemelwater. Daarom hanteren we vanaf nu als algemeen uitgangspunt dat wij 90% van de jaarlijkse neerslag niet meer inzamelen van particulier terrein, tenzij we dit vanuit leefbaarheid, volksgezondheid of kosten niet doelmatig vinden. Hiermee voorkomen we schade door droogte en verminderen we de inspanning in openbaar gebied om wateroverlast bij extreme neerslag te voorkomen. Alleen bij extreme neerslag is nog lozing van overtollig hemelwater op het openbare hemelwaterstelsel toegestaan.
Het uitgangspunt dat wij 90% van de jaarlijkse neerslag niet meer inzamelen van particulier terrein, betekent dat elke particulier moet beschikken over een (infiltratie-)voorziening voor hemelwater met een inhoud van minimaal 15 mm ofwel 15 liter per m2 aangesloten verharding uitgaande van de meest gangbare bodemopbouw en infiltratiecapaciteit in de gemeente. Bij een afwijkende bodemopbouw met aangetoonde hogere infiltratiecapaciteit kan hiervan afgeweken worden. Deze doelstelling geldt voor zowel private percelen als voor vastgoed van de gemeente zelf. Voor percelen buiten de bebouwde kom geldt als uitgangspunt dat we helemaal geen overtollig hemelwater inzamelen. Na vaststelling van deze visie werken we dit uit in bindende voorschriften voor nieuwbouw en bij verbouwingen waar door functiewijziging en/of geometriewijziging van een gebouw het leidingwerk vernieuwd moet worden.
Visie Water en Riolering Utrecht
35
In specifieke gebieden streven we naar een hogere berging van 45 mm op particulier terrein. Deze gebieden zijn de locaties waar de verharding met meer dan 500 m2 toeneemt. Bij de meest gangbare bodemopbouw is conform de richtlijnen van HDSR op deze locaties een infiltratievoorziening of een alternatieve waterberging met een inhoud van 45 liter hemelwater per m2 aangesloten verharding vereist. Ook als het verharde oppervlak niet toeneemt kunnen we in hoogstedelijke gebieden, met weinig beschikbare openbare ruimte voor waterberging, een hogere bergingseis opleggen voor de particuliere kavels. De keuze om in te zetten op een hogere bergingseis voor het vasthouden van de jaarlijkse neerslag nemen we in overleg met waterschap en provincie bij de vaststelling van het programma van eisen voor een specifiek gebied. We werken dit voornemen uit in omgevingsplanregels. Bij deze uitwerking geven we ook aan onder welke voorwaarden van de bergingseis op eigen perceel kan worden afgeweken. Het is bij nieuwbouw of verbouw bijvoorbeeld niet altijd mogelijk of wenselijk of doelmatig om 90% of meer van de jaarlijkse neerslag op het eigen perceel te verwerken. Soms is het efficiënter om voorzieningen te bundelen binnen hetzelfde bouwblok of plangebied. Ook kan het in sommige gevallen doelmatiger zijn om het hemelwater te verwerken in de openbare ruimte.
Deze afweging doen we zoveel mogelijk in overleg met de initiatiefnemer.
Beleidskeuze 5: Voor bestaande bouw blijft, zolang er geen ingrijpende verbouwing, functiewijziging en/of geometriewijziging aan plaatsvindt, de huidige wijze van inzamelen van overtollig hemelwater op het moment van het vaststellen van deze visie het uitgangspunt. We vinden het nog niet doelmatig om het vasthouden en verwerken van hemelwater op eigen perceel te verplichten. Wel proberen we particulieren via voorlichting, het faciliteren en subsidies te stimuleren om hemelwater vast te houden en op eigen perceel te verwerken. We subsidiëren vooral maatregelen die meerdere gunstige effecten hebben en waar niet alleen de eigenaar, maar ook de omliggende bewoners van profiteren zoals groene daken en maatschappelijk vastgoed.
Als we in een gebied met bestaande bouw het riool vervangen verkennen we de komende jaren of we het nieuwe hemelwatersysteem zo kunnen ontwerpen dat we ook de waterbergingsopgave voor het particulier terrein in het hemelwatersysteem op openbaar terrein kunnen opvangen. Op basis van de ervaring in die projecten besluiten we of we ons beleid moeten herzien.
Het logo van de bewustwordingscamapgne Waterpoof030
Visie Water en Riolering Utrecht
36
Beleidskeuze 6: We creëren de mogelijkheid om bij rioolvervanging, waarbij een nieuwe openbare hemelwaterriolering wordt aangelegd, de aangrenzende eigenaren te kunnen dwingen om de hemelwaterafvoer aan de voorkant van het gebouw te laten aansluiten op de nieuwe hemelwaterriolering.
Bij rioolvervangingsprojecten, waarbij openbare gemengde riolering wordt vervangen door aparte vuilwater en hemelwaterriolering, willen wij de mogelijkheid hebben eigenaren te kunnen dwingen om de hemelwaterafvoer die voorheen op het vuilwaterriool zat aan te sluiten op de nieuwe hemelwaterriolering. Dit willen we om 100% medewerking van eigenaren te kunnen realiseren en daarmee te voorkomen dat straks een deel van de aansluitingen op het oude vuilwaterriool en een deel op het nieuwe hemelwaterriool is aangesloten. De ervaring in eerdere projecten leert dat circa 80% van de eigenaren bereid is mee te werken op basis van vrijwilligheid. De resterende 20% maakt echter het doelmatig functioneren, het ontwerp en het beheer van zowel de nieuwe vuilwater- als hemelwaterriolering complex. De kosten voor het loskoppelen en aansluiten van de particuliere regenpijp zijn dan voor de gemeente. Wij werken hiervoor regels uit.
Dak op het rioolgemaal Europaplein voor renovatie
Visie Water en Riolering Utrecht
Groen dak op het rioolgemaal Europaplein na renovatie waar minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag wordt vastgehouden
37
5.2.3 Hemelwater openbaar gebied
Een wadi in de Karel doormanlaan voor het infiltreren van regenwater
Ook voor de verwerking van hemelwater in openbaar gebied geldt de voorkeursvolgorde met doelstelling om minimaal 90% van het hemelwater vast te houden en te infiltreren. Daarnaast vullen wij op basis van de Visie Klimaatadaptatie het beleid aan met betrekking tot de verwerking van hemelwater bij extreme buien.
Beleidskeuze 7: We hanteren voor de maatgevende extreme buien de volgende ontwerpbuien: • •
Eenmaal per jaar: bui van 20 mm in één uur. Eenmaal per 100 jaar: bui van 80 mm in één uur.
Deze ontwerpbuien zijn gebaseerd op de verwachte kans van voorkomen over 30-60 jaar en daarmee hoger dan de huidige kans van voorkomen. We doen dit omdat alle ingrepen die we nu doen in openbare ruimte en openbare riolering minimaal de komende 40-70 jaar aan de doelstellingen moeten kunnen voldoen.
Visie Water en Riolering Utrecht
38
Dit levert het volgende nieuwe beleidskader op:
Maximale waterstand bij bui van 20 mm in één uur
Bij buien met relatief beperkte intensiteit (kans van voorkomen eenmaal per jaar of groter) • Zamelen we al het hemelwater in en verwerken we het via een gemeentelijk (boven- of ondergronds) hemelwatersysteem, zodat er geen water op het straatoppervlak blijft staan. • Kan de openbare ruimte gebruikt worden waarvoor die bedoeld is. • Lossen we verstoppingen van straat- en trottoirkolken, riolen en/of duikers, waarbij een veiligheidsrisico ontstaat zo snel mogelijk op en andere verstoppingen uiterlijk binnnen een week.
Maximale waterstand bij bui van 80 mm in één uur
Bij buien met een hoge intensiteit (kans van voorkomen tussen eenmaal per jaar en eenmaal per 100 jaar) Spannen we ons in om te voorkomen dat hemelwater vanuit de openbare ruimte rechtstreeks woningen en gebouwen kan instromen, als het vloerpeil van woningen en gebouwen minimaal 2cm hoger ligt dan de aangrenzende openbare ruimte. Bij woningen en gebouwen die lager liggen hangt dit af van de kosten van de benodigde maatregelen. Hierover vindt per situatie besluitvorming plaats; • Spannen we ons in om te voorkomen dat straten onbegaanbaar worden voor hulpdiensten en overig verkeer. Bij hoofdverkeerroutes willen we dat nog minimaal 50 km per uur gereden kan worden, op de overige wegen stapvoets. Dit betekent bij hoofdverkeersroutes een maximale waterdiepte van 7,5 cm en bij overige wegen van 20 cm. We streven ernaar dat wegen uiterlijk 3 uur na de bui weer gebruikt kunnen worden als waarvoor ze bedoeld zijn. • Spannen we ons in om te voorkomen dat er veiligheids- of gezondheidsrisico’s ontstaan door opdrijvende putdeksels of door afvalwater dat door terugstuwing uit het riool op het maaiveld terecht komt.
Visie Water en Riolering Utrecht
39
Bij buien met een extreem hoge intensiteit (kans van optreden kleiner dan eenmaal per 100 jaar) • Beperkt onze inspanning zich tot het waarborgen dat de vitale infrastructuur blijft functioneren of bij uitval zo snel mogelijk weer in bedrijf is, samen met de verantwoordelijken voor vitale infrastructuur (o.a. drinkwater, elektriciteit, internet, gas, maar ook ziekenhuizen etc.) en andere overheidsorganen. Voor openbare ruimte die al voldoet aan deze doelstellingen geldt bij herinrichtingen dat de situatie niet mag verslechteren (stand still beginsel). Voor openbare ruimte die nog niet voldoet geldt bij herinrichtingen de inspanningsplicht om de situatie te verbeteren.
Beleidskeuze 8: Bij alle rioolvervangingen zijn de criteria voor het vasthouden van hemelwater en het omgaan met extreme buien voortaan het uitgangspunt
Beleidskeuze 9: We stimuleren andere herinrichtingen in de openbare ruimte via een financiële bijdrage om de openbare ruimte gereed te maken voor de droogte en extreme buien van het toekomstige klimaat
We willen en kunnen niet wachten tot een riool vervangen wordt om de openbare ruimte en het hemelwatersysteem toekomstbestendig te maken. Daarom willen we ook alle herinrichtingen in de openbare ruimte zonder rioolvervanging optimaal benutten om de circulaire en klimaatadaptatieopgave te realiseren. We stimuleren dit door de meerkosten tot een vastgestelde bijdrage per m2 te vergoeden uit het water- en rioleringsprogramma. Bij hogere kosten maken we altijd de afweging of de kosten opwegen tegen de baten. We werken deze afspraken uit in het Programma Water en Riolering.
Beleidskeuze 10: Locaties met een grote kans op wateroverlast door extreme neerslag pakken we met spoed op Locaties met een grote kans op wateroverlast door extreme neerslag kunnen niet altijd wachten op een geplande rioolvervanging of herinrichting. Bij grote urgentie pakken we die zelfstandig op. Dit kunnen zowel locaties in de openbare ruimte zijn als overlastlocaties op particulier terrein, waarbij van de particulier niet meer in redelijkheid verwacht kan worden dat deze de overlast helemaal zelf oplost. Denk in het laatste geval aan de aanpak van wateroverlast in de souterrainwoningen in Lombok en de Zeeheldenbuurt. Conform de Visie Klimaatadaptatie worden potentiële knelpuntlocaties de komende jaren eerst nader onderzocht. Afhankelijk van de bevindingen wordt een aanpak uitgewerkt in het Programma Water en Riolering.
Visie Water en Riolering Utrecht
40
5.3
Structurele grondwateroverlast De wettelijke zorgplicht
De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk (artikel 3.6 Waterwet, straks in artikel 2.16, lid 1a van de Omgevingswet).).
Omschrijving begrippen grondwateroverlast
5.3.1 Inzameling overtollig grondwater huishoudens en bedrijven
Wij hanteren conform de wet als algemeen uitgangspunt dat eigenaren van gebouwen en percelen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van grondwater op hun perceel, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid niet haalbaar en niet doelmatig is. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel, voor zover grondwaterproblemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). We verwachten hiertoe van perceeleigenaren dat hun woning of pand voldoet aan de geldende bouwregelgeving. In hoofdzaak betekent dit dat verblijfsruimten waterdicht zijn. Daarnaast verwachten wij van de perceeleigenaar dat hij vloer- en tuinpeilen zo kiest dat grondwateroverlast door te hoge grondwaterstanden op het eigen perceel zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Visie Water en Riolering Utrecht
41
Wanneer wel overtollig grondwater inzamelen Wij verwachten dat de perceeleigenaar in de gebieden waar de natuurlijke ontwatering voldoende is, het overtollig grondwater volledig op eigen terrein verwerkt. Alleen in gebieden binnen de bebouwde kom waar ook de aangrenzende openbare ruimte zonder aanvullende ontwateringsmiddelen niet aan het gemeentelijke ontwateringscriterium (zie volgende paragraaf) voldoet, mag een eigenaar overtollig grondwater lozen op een openbaar ontwateringsstelsel. In die gebieden zal de gemeente een particulier binnen 40 meter van de perceelgrens de mogelijkheid geven overtollig grondwater te lozen via een openbaar ontwateringsstelsel. Dit kan zijn een drainagestelsel, een hemelwaterriool, het wegcunet, een greppel of een sloot. Niet in alle aangewezen gebieden hebben we al een openbaar ontwateringsstelsel liggen. In dat geval leggen wij nieuwe ontwateringsmiddelen aan als voldaan wordt aan één van de criteria die beschreven zijn bij te hoge grondwaterstanden in het openbaar gebied). De kosten voor de aansluiting zijn voor de initiatiefnemer. Voor de aansluiting via een leiding gelden de algemene voorwaarden rioolaansluiting van de gemeente Utrecht.
Tijdelijke grondwaterlozingen Voor tijdelijke grondwaterlozingen zoals bij de bouw van ondergrondse bouwwerken, de aanleg van kabels en leidingen of bij saneringen geldt dat het grondwater ter plaatse gereinigd wordt en daarna geloosd wordt in het oppervlaktewater of een hemelwaterriool. Eventueel mag gereinigd grondwater ook in de bodem worden geloosd. Lozing op het vuilwaterriool en daarmee ook op het gemengde riool is niet toegestaan. Alleen voor proefbemalingen of via een maatwerkvoorschrift van de gemeente kan hiervan afgeweken worden. Een verdere uitwerking van dit beleid vindt plaats via regels in het Utrechtse Omgevingsplan.
5.3.2 Te hoge grondwaterstand openbaar gebied
De aanleg van verticale drainage in de Alexander de Grotelaan
Visie Water en Riolering Utrecht
42
Wij vinden grondwateroverlast structureel als de maatgevende ontwateringsdiepte (ontwateringscriterium) gedurende meerdere jaren meer dan vijf dagen per jaar wordt overschreden. Wij hanteren een ontwateringscriterium van 0,7 meter ten opzichte van de kruin van de openbare weg. Is de ontwateringdiepte in praktijk groter dan het ontwateringcriterium, ofwel is de afstand tussen maaiveld en maatgevende grondwaterstand groter dan 0,7 meter, dan is de aanwezige ontwatering voldoende en zijn er geen reden om ontwateringsmiddelen aan te leggen in de openbare ruimte. Met het criterium van 5 dagen geldt dat de grondwaterstand niet vaker dan 5/365 dagen hoger mag staan dan 0,7 m. Dit is de Representatieve Hoge Grondwaterstand (RHG). Momenteel is bij 45% van de openbare ruimte de ontwatering dusdanig goed is dat geen aanvullende ontwateringsmiddelen nodig zijn om het ontwateringscriterium te halen. Voor de resterende 55% van de openbare ruimte geldt dat de grondwaterstanden te lang te hoog zijn. Wij kiezen ervoor om niet direct hier extra ontwateringsmiddelen aan te leggen. Het solo aanleggen van ontwateringsmiddelen (drainage) is namelijk erg kostbaar, namelijk gemiddeld 2,5 keer zo duur dan meeliften met rioolvervanging. Vandaar dat we het solo aanleggen van ontwatering zoveel mogelijk willen vermijden.
Beleidskeuze 11: Wij continueren het beleid dat we alleen nieuwe ontwateringmiddelen aanleggen als voldaan wordt aan één of meer van de onderstaande criteria:
1. Als we met losse, individuele drainage middelen de situatie kunnen verbeteren. Veelal gaat het dan om de aanleg van verticale drainage. 2. Als we bij de aanleg kunnen meeliften met andere ingrepen in de openbare ruimte (rioolvervanging of grootschalige herinrichting). 3. Als de nadelige gevolgen van de te hoge grondwaterstand in de openbare ruimte dusdanig zijn, dat het wachten op een gelegenheid om werk met werk te maken vanuit leefbaarheid en gezondheid niet meer verantwoord is. Gezien de financiële consequenties is dit altijd een bestuurlijk maatwerkbesluit. Sinds de invoering van de grondwateroverlast zorgplicht in 2008 hebben wij in drie buurten grootschalig extra ontwatering aangelegd, te weten Hoograven-Noord, De Meern-Zuid en Veldhuizen, grotendeels in combinatie met rioolvervanging. Daarnaast hebben we diverse laaggelegen groenstroken en delen van parken voorzien van extra ontwatering. Het programma voor de komende jaren werken wij uit in het Programma Water en Riolering. Bij nieuwe openbare ruimte willen wij dat de bij een gebied behorende hydrologische situatie zo veel mogelijk wordt gehandhaafd. Dit betekent het gebruik van zo min mogelijk technische voorzieningen om de grondwaterstand te verlagen en daarmee de ontwatering te verbeteren.
Het verhogen van het maaiveldniveau of de aanleg van meer open water in combinatie met waterrobuust bouwen heeft altijd de voorkeur boven de aanleg van drainage of het op een andere manier structureel verlagen van de grondwaterstand.
5.3.3 Te lage grondwaterstand openbaar gebied
Grondwateronderlast ofwel schade en overlast door te lage grondwaterstanden was in Utrecht tot voor kort geen probleem waarvoor specifiek beleid nodig was. Drie achtereenvolgende jaren met een droog voorjaar en deels een droge zomer hebben duidelijk gemaakt dat met name het groen en wegen buiten de bebouwde kom in het veenweidegebied schade kunnen oplopen als grondwaterstanden te ver uitzakken en de toplaag van de bodem uitdroogt. De afgelopen drie jaar hebben ook duidelijk gemaakt dat zolang het waterschap de waterpeilen in de stad op niveau kan houden, de grondwaterstanden in bebouwd gebied niet zodanig wegzakken dat binnen de bebouwde kom grootschalige schade aan panden optreedt door het ongelijkmatig zakken van de bodem. Veelal zijn de grondwaterstanden in bebouwd gebied in het verleden al lager geweest door
Visie water en riolering Utrecht
43
bemalingen (bijvoorbeeld voor de aanleg van Hoog Catharijne in de jaren zestig van de vorige eeuw), waardoor zettingen van de bodem toen al hebben plaatsgevonden.
Beleidskeuze 12: We gaan ons inspannen om de negatieve gevolgen van te lage grondwaterstanden in de openbare ruimte te beperken.
Hoewel de gevolgen van langdurige droge periodes vooralsnog beperkt zijn, vinden wij het toch belangrijk om beleid vast te leggen voor het omgaan met te lage grondwaterstanden. Dit beleid blijft beperkt tot te lage grondwaterstanden in de openbare ruimte. Op particulier terrein is de eigenaar van dat terrein verantwoordelijk voor het omgaan met te lage grondwaterstanden. Daarnaast is de gemeente geen bevoegd gezag als een particulier vanuit oppervlaktewater of dieper grondwater extra water wil onttrekken om de ondiepe grondwaterstand op zijn perceel aan te vullen. Analoog aan het beleid voor te hoge grondwaterstanden voeren we een criterium in voor te lage grondwaterstanden. Hiertoe wordt op basis van langjarige meetreeksen een Representatieve Laagste Grondwaterstand (RLG) gedefinieerd. Het streven is de RLG zo te kiezen dat zolang de grondwaterstand hoger is dan de RLG er geen onomkeerbare schade plaatsvindt. We spannen ons vervolgens in om in droge periodes en bij werkzaamheden de grondwaterstand in de openbare ruimte boven de RLG te houden. Zoals beschreven bij de zorgplicht hemelwater spannen wij ons in om voortaan minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag vast te houden en waar mogelijk te infiltreren waar die gevallen is. Hiermee verwachten wij dat de kans sterk afneemt dat de grondwaterstand in droge periodes onder de RLG zakt.
We verwachten ook dat hiermee het vochtgehalte van de bodem boven de grondwaterstand langer op het gewenste niveau blijft.
5.4
Oppervlaktewater De wettelijke zorgplicht
De gemeente heeft geen wettelijke zorgplicht voor het beheer van het oppervlaktewater. Het waterkwantiteitsbeheer en waterkwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater is ondergebracht bij Rijkswaterstaat en de waterschappen. Daarmee zijn zij bevoegd gezag m.b.t. aansluitingen en lozingen op het oppervlaktewater. Ook stellen zij als bevoegd gezag eisen aan het profiel en de onderhoudstoestand van het oppervlaktewater. De gemeente is als eigenaar en aangelande (eigenaar van de grond langs een watergang) van een groot aantal wateren wel onderhoudsplichtige. Als onderhoudsplichtige moet de gemeente regulier en buitengewoon (= groot) onderhoud uitvoeren om de watergangen op orde te houden. Daarnaast hebben gemeente en waterschap in regionaal verband afgesproken dat gemeente en waterschap gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het realiseren van de gewenste waterkwaliteit in het bebouwde gebied.
Visie Water en Riolering Utrecht
44
Het oppervlaktewater dat wij in onderhoud hebben beschouwen wij als onderdeel van het openbare hemelwatersysteem en het openbare ontwateringsstelsel. Het oppervlaktewater dient tenslotte voor het verwerken van overtollig hemelwater en grondwater en het reguleren van de grondwaterstand. Hiermee is het beleid m.b.t. de zorgplicht hemelwater en de zorgplicht grondwater ook van toepassing op het oppervlaktewater dat bij de gemeente in onderhoud is.
5.4.1 Verwerking extreme buien
Wettelijk geldt voor het oppervlaktewatersysteem in stedelijk gebied dat de capaciteit dusdanig moet zijn dat bij extreme neerslag niet vaker dan eenmaal per honderd jaar wateroverlast optreedt doordat watergangen buiten hun oevers treden (landelijke norm Nationaal Bestuursakkoord Water). Bij landbouwgronden mag vaker overlast optreden. In deze visie kiezen wij ervoor om voor wateroverlast in de openbare ruimte ook een bui met een toekomstige kans van voorkomen van eenmaal per 100 jaar te hanteren. Hiermee sluit onze doelstelling dus aan op de landelijke norm voor oppervlaktewater. Wij spannen ons in om de afvoercapaciteit en waterberging van het oppervlaktewater dat wij binnen de bebouwde kom in onderhoud hebben, zodanig te laten zijn dat deze voldoet aan de norm voor oppervlaktewater in stedelijk gebied. We werken samen met de waterschappen uit wat nodig is om hieraan invulling te geven.
5.4.2 Voorkomen structurele grondwateroverlast
Het oppervlaktewater is te beschouwen als een open drainageleiding. Wij streven er samen met de waterschappen naar om de oppervlaktewaterpeilen zo te kiezen dat te hoge grondwaterstanden (zie paragraaf 5.3.2) en te lage grondwaterstanden (zie paragraaf 5.3.3) zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit betekent dat na te streven oppervlaktewaterpeilen liggen tussen de representatieve laagste en hoogste grondwaterstanden in een gebied, waarbij het waterschap als uitgangspunt hanteert dat het oppervlaktewaterpeil in bebouwd gebied minimaal 1 meter lager ligt dan het straatpeil. Dit verschil wordt ook wel drooglegging genoemd. Om grondwateroverlast te voorkomen participeren wij actief bij het tot stand komen van een peilbesluit van de waterschappen, zodat dit aspect volwaardig wordt meegenomen in de keuze van het oppervlaktewaterpeil. In delen van Utrecht komen vanuit de historie oppervlaktewaterpeilen voor die hoger of lager liggen dan de natuurlijke bandbreedte waartussen de grondwaterstand varieert. Omdat de inrichting van de watergangen en de bijbehorende infrastructuur hierop is ingericht, is aanpassing van deze waterpeilen niet eenvoudig. Vandaar dat aan een peilbesluit van het waterschap een zorgvuldige afweging voorafgaat en in dergelijke gevallen van het uitgangspunt wordt afgeweken.
Visie Water en Riolering Utrecht
45
5.4.3 Waarborgen oppervlaktewaterkwaliteit
Het project samen meten waarin de gemeente en bewoners samen de waterkwaliteit meten
Ambitie Zoals beschreven in hoofdstuk 2 wordt de waterkwaliteit in Utrecht in twee van drie deelsystemen sterk bepaald door de kwaliteit van het aangevoerde water van buiten de stad. Daarnaast wordt de waterkwaliteit op stedelijk niveau verbeterd of verslechterd door verschillende omstandigheden, waaronder: • De inrichting, de oevers en de afmetingen van de watergangen. • De voedingstoffen en toxische stoffen die in het water komen, bijvoorbeeld door uitwerpselen van dieren of riooloverstorten. • De ecologie: de aanwezige waterplanten, oeverplanten, vissen en andere fauna. • Het waterpeil en de doorstroming. • De temperatuur. In warm water ontstaan sneller problemen als blauwalg, botulisme en kroos. • De hoeveelheid open water. Kleine sloten warmen sneller op dan grote kanalen. • Het beheer en onderhoud van de watergangen. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 liggen voor de grotere wateren in de stad de chemische en ecologische doelstellingen op Europees niveau vast in de Kaderrichtlijn Water. Deze doelstellingen moeten uiterlijk in 2027 gerealiseerd zijn. De waterkwaliteitsbeheerders (waterschappen en Rijkswaterstaat) hebben een leidende rol om de gewenste waterkwaliteit te realiseren. Op dit moment voldoet het merendeel van de wateren nog niet aan de Europees afgesproken doelstellingen in de Kaderrichtlijn Water.
Voor de zogenaamde overige wateren (kleinere wateren) worden de doelstellingen in 2021 op provinciaal niveau vastgelegd. Ten behoeve hiervan zijn de doelstellingen die in 2014 regionaal zijn vastgelegd via onze regionale samenwerking op water en klimaatadaptatie geëvalueerd en geactualiseerd.
Beleidskeuze 13: Gemeente en waterschappen stellen nieuwe ecologische doelstellingen vast voor de kleinere wateren en spannen zich in deze doelstellingen uiterlijk in 2027 te realiseren. Deze doelstellingen zijn ambitieuzer en gedifferentieerder dan voorheen. We blijven als ondergrens het streefbeeld “zichtbaar” hanteren.
Visie Water en Riolering Utrecht
46
De nieuwe doelstellingen zijn weergegeven op de kaart in bijlage 5. De onderbouwing van de doelstellingen is te raadplegen via de kaart met de doelen voor overig water: Doelen overig water (arcgis.com) Voor de afweging is uitgegaan van de beschikbare kennis over de hierboven genoemde factoren, die de waterkwaliteit beïnvloeden. Steeds is afgewogen of het haalbaar is om in de periode tot 2027 deze factoren in positieve richting te beïnvloeden waardoor een betere waterkwaliteit gerealiseerd kan worden. We streven ernaar om urgente knelpunten als vissterfte, botulisme, blauwalg, stankoverlast ten alle tijden te voorkomen. Als in water dat in onderhoud is van de gemeente toch urgente knelpunten optreden dan spannen we ons in om binnen 24 uur dode vissen en vogels te verwijderen. Bij blauwalg en botulisme worden bij risico voor mens en/of huisdieren in overleg met de waterschappen waarschuwingsborden geplaats en werken we vervolgens aan verbeteringsmaatregelen.
Beleidskeuze 14: Naast de ecologische doelstellingen kijken we ook naar het recreatieve gebruik van het water. Daarom spannen we ons samen met de waterschappen in om in alle wateren in de stad de bacterliogische zwemwaternorm te halen, zodat de bacteriologische waterkwaliteit nooit een reden kan zijn dat ergens niet gezwommen kan worden.
Gezien de nu nog aanwezige gemengde riooloverstorten en de lozing van effluent van de zuiveringen van Bunnik en Zeist op de Kromme Rijn is dit voor de korte termijn een lastig te realiseren ambitie. Wij verwachten dat door bij vervanging van gemengde riolering het vuilwater en het hemelwater te scheiden vervuiling door riooloverstorten steeds minder zal voorkomen.
Strategie Voor het realiseren van onze ambities kijken we naar de factoren die we kunnen beïnvloeden. Dit doen we aan de hand van watersysteemanalyses. De factoren waarop we kunnen sturen zijn: • Het onderhoud (het maaien, baggeren en verwijderen van zwerfvuil). • De inrichting, zowel onder water als op de oever. Denk aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers, vegetatie-eilanden maar ook onderwaterstructuren. Maar ook het verminderen van schaduw door het verwijderen van bosstruweel op de oever kan helpen de waterkwaliteit te verbeteren. • De waterdiepte. De lichtinval en daarmee de kansen voor onder waterplanten worden sterk bepaald door de waterdiepte. • De doorstroming. Zoals in hoofdstuk 2 beschreven is de doorstroming met voedselrijk water sterk bepalend voor de waterkwaliteit in de Utrechtse wateren. De doorstromingsroute wijzigen of de doorstroming verminderen kan een groot effect hebben op de waterkwaliteit. Lokaal kan het vergroten van duikers of het vervangen van duikers door bruggen zorgen voor meer doorstroming, waardoor de kans op kroosvorming vermindert. Net als bij het vervangen van riolering is ook hier onze aanpak om bij onderhouds- of herinrichtingsmaatregelen zoveel mogelijk werk met werk te maken.
Met relatief weinig extra kosten is het mogelijk om de inrichting zo te verbeteren dat de ruimtelijke en gebruikskwaliteit toeneemt en waterkwaliteits-, ecologische of recreatieve doelen gehaald kunnen worden. Daarom hanteren we bij groot onderhoud en vervangingen de volgende uitgangspunten: • Bij baggeren kijken we in overleg met de waterkwantiteitsbeheerder of het mogelijk en/of gewenst is de watergang gelijktijdig te verruimen en/of te verdiepen. • Bij vervanging van de oeverconstructie kijken we of een meer natuurvriendelijke of recreatieve inrichting van de oever mogelijk is. Zo niet, dan leggen we in elk geval Fauna-uittreedplaatsen (fup’s) aan. • Bij vervanging van een duiker vervangen we deze in de kleinere wateren door een duiker van minimaal 0,5 meter in doorsnede en in de hoofdwatergangen door een duiker van minimaal Visie Water en Riolering Utrecht
47
0,8m in doorsnede. Uitgangspunt is dat de duiker tussen de 50 en 80% gevuld is. Door de duiker niet helemaal onder water te leggen verbetert de doorstroming voor kroos en kunnen watervogels makkelijker passeren. Daarnaast onderzoeken we altijd of we de duiker tegen beperkte meerkosten kunnen vervangen door een brug. Dit vanwege de extra ruimtelijke kwaliteit, de betere afvoer van hemelwater en de nog betere passeerbaarheid voor diverse soorten dieren. De komende jaren werken we samen met de waterschappen maatregelen uit om de ambities te realiseren. Deze uitwerking vindt plaats via het programma. Bij de uitwerking onderzoeken we ook welke wateren gevoelig zijn voor opwarming en de negatieve effecten daarvan. Deze wateren vragen extra aandacht bij het realiseren van de ambitie.
5.4.4 Eigendom en onderhoud
Vanuit doelmatigheid hanteren wij de volgende uitgangspunten voor de verdeling van eigendom en onderhoud. Deze zijn ten opzichte van het Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019 niet gewijzigd. • Oppervlaktewater met een nationale functie is bij voorkeur in eigendom en daarmee onderhoud bij het Rijk, oppervlaktewater met een regionale functie bij de waterschappen en oppervlaktewater met een lokale functie bij de gemeente. Alleen als alleen de direct aangrenzende eigenaren belang hebben bij een watergang, kan eigendom en onderhoud overgaan naar de aangrenzende eigenaren. Mocht water waar meer dan alleen de direct aanwonenden belang bij hebben in het verleden toch in eigendom zijn uitgegeven aan aangrenzende eigenaren, dan staan wij welwillend tegen het weer in eigendom en daarmee onderhoud nemen van de watergang. • Binnen de bebouwde kom hanteren wij en waterschap HDSR een afwijkende verdeling van het kadastrale eigendom van het regionale water. Het is hier doelmatiger dat de gemeente ook eigenaar is van het regionale water. Enerzijds omdat de gemeente binnen de bebouwde kom verantwoordelijk is voor de scheepvaart en het ligplaatsenbeleid en anderzijds omdat anders door herinrichtingen te vaak eigendomscorrecties nodig zijn. Het formele waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer en het noodzakelijke onderhoud blijft wel bij HDSR.
• Wij wijken binnen de bebouwde kom af van het uitgangspunt van het waterschap dat bij kleinere wateren de eigenaren van de aangrenzende oevers verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van het aangrenzende oppervlaktewater. Als het lokaal water betreft en de gemeente is eigenaar, dan voeren wij het onderhoud uit. Dat doen we ook als we maar gedeeltelijk eigenaar zijn van het waterdeel van watergangen. Het is efficiënter als wij ze volledig onderhouden, tenzij met de andere eigenaren specifieke afspraken zijn gemaakt. Voor het aanplanten en maaien van watergangen en oevers geldt dat wij conform ons zelfbeheerbeleid ervoor open staan om dit onderhoud te laten uitvoeren door bewoners, omdat die meer maatwerk kunnen leveren. • Oeverconstructies zijn en komen in eigendom en onderhoud bij de eigenaar en van het aan het water grenzende perceel. Bij watergangen zonder oeverconstructie hanteren we de waterlijn als uitgangspunt voor de verdeling van het eigendom en onderhoud. Wij staan welwillend tegenover verzoeken om historische afwijkingen van dit uitgangspunt te corrigeren. Om die reden hebben wij recent met HDSR overeenstemming bereikt over een overdracht van het beheer en onderhoud van ongeveer 40 km aan oeverconstructies van HDSR naar de gemeente.
• Duikers (buisverbindingen tussen twee watergangen) zijn bij voorkeur in eigendom en constructief in onderhoud bij de eigenaar en daarmee onderhoudsplichtige van het bovenliggende perceel. De onderhoudsplicht voor het schoonhouden van de duiker ligt bij voorkeur bij de onderhoudsplichtige van de aangrenzende watergangen. Voor alle gevallen geldt dat hier in specifieke situaties, in goed overleg van afgeweken kan worden.
Visie Water en Riolering Utrecht
48
6 Financiële strategie De beleidskeuzes in hoofdstuk 5 hebben gevolgen voor de kostenontwikkeling. In dit hoofdstuk beschrijven we achtereenvolgens welke kosten we toerekenen aan de rioolheffing, hoe we omgaan met de kosten voor groot onderhoud en vervangings- en verbeteringsinvesteringen, hoe we verwachten dat de kosten zich ontwikkelen en welke gevolgen dat naar verwachting heeft voor de ontwikkeling van de gemeentelijke rioolheffing.
Foto: Het aanbrengen van een hemelwaterriool in de Zeeheldenbuurt
Visie Water en Riolering Utrecht
49
6.1
Kostentoerekening
De Rijksoverheid biedt gemeenten de mogelijkheid om voor de dekking van de kosten voor de gemeentelijke watertaken een aparte bestemmingsbelasting te innen: de rioolheffing. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden in een heffing voor de inzameling en transport van afvalwater en een heffing voor de inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater. De wettelijke basis ligt in artikel 228a van de Gemeentewet. Een gemeente kan zelf kiezen welke grondslag zij voor de heffing gebruikt. Dit kan op basis van het eigendom dat op de riolering is aangesloten, maar kan ook op basis van de hoeveelheid water die geloosd wordt. Het tarief voor de rioolheffing legt de gemeente vast in een verordening, die over het algemeen elk jaar wordt geactualiseerd. De rioolheffing in Utrecht bestaat uit een vaste heffing voor eigenaren die zijn aangesloten op de openbare riolering. Gebruikers die meer dan 250 m3 water per jaar op de riolering lozen betalen een aanvullende heffing per m3 geloosd water, de grootverbruikersheffing. De rioolheffing in zijn huidige vorm bestaat sinds 2008, toen de wet gemeentelijke Watertaken ingevoerd werd. Uitgangspunt van de gemeente Utrecht is dat alle kosten die wij maken voor invulling van de gemeentelijke watertaken worden toegerekend aan en gedekt uit de gemeentelijke rioolheffing.
Hiermee garanderen we dat voldoende budget beschikbaar is om onze watertaken uit te voeren. Ook worden de algemene middelen van de gemeente zoveel mogelijk ontlast. Ten opzichte van andere gemeenten rekenen wij relatief veel kostenposten toe aan de rioolheffing, die andere gemeenten betalen uit de algemene middelen. Uit onderzoek (Sweco, 2015) blijkt dat het in 2015 ging om een bedrag van ongeveer € 45,- per rioolaansluiting. Deze kosten bepalen grotendeels waarom de rioolheffing in Utrecht hoger is dan in veel andere grote gemeenten. Het verschil zit hoofdzakelijk in de volgende kostenposten: 1. Het herstel van de wegverharding bij rioolvervanging. In tegenstelling tot veel andere gemeenten, rekenen wij bij rioolvervanging meestal niet alleen de verharding boven de sleuf, maar het herstel van de gehele wegbreedte aan het product riolering toe. 2. Een deel van de kosten voor de straatreiniging. Sinds 2007 wordt een deel van de straatreinigingskosten gedekt uit de rioolheffing. Met ingang van 2012 bedraagt het toegerekende aandeel 28,6% van de jaarlijkse kosten voor de gemeentelijke straatreiniging. Een stijging in de kosten voor het schoonhouden van de stad werkt dus door in de rioolheffing. Dit is toegestaan omdat het schoonhouden van de straat voorkomt dat er vuil komt in de riolering en daarmee vermindert de kans op verstopping. 3.
Het onderhoud van het oppervlaktewater dat bij de gemeente in onderhoud is. Vanwege de functie voor de afvoer van hemelwater en het reguleren van de grondwaterstand zien wij sinds 2012 het oppervlaktewater dat we in onderhoud hebben als onderdeel van het gemeentelijke hemelwater- en ontwateringsstelsel. Alle bijbehorende kosten (maaien watergangen en oevers, baggeren, onderhoud en vervanging duikers, onderhoud oeverconstructie en inrichting oever, aanleg en herinrichting watergangen) kunnen daarmee gedekt worden uit de rioolheffing. Dit hebben we in 2012 ook doorgevoerd met uitzondering van de kosten voor het vervangen of de aanleg van oeverconstructies. Deze zijn dermate hoog dat ze nog worden gedekt uit de algemene middelen. Verantwoording van die kosten vindt plaats via de Nota Beheer Openbare Ruimte. 4. Het hemelwaterbestendig inrichten van de openbare ruimte en het particuliere eigendom. Denk hierbij aan de financiële bijdrage voor het vervangen van verharding door groen (sinds 2016) of het subsidiëren van waterberging op daken via de subsidieregeling groene daken (sinds 2018 volledig uit de gemeentelijke rioolheffing).
Visie Water en Riolering Utrecht
50
Beleidskeuze 15: De komende jaren zetten wij de huidige kostentoerekening voort.
6.2
Omgaan met groot onderhoud en vervangingsinvesteringen
De commissie BBV (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten) heeft een speciale notitie gemaakt hoe gemeenten financieel om dienen te gaan met groot onderhoud en vervangingsinvesteringen. De meeste recente versie is van november 2014.
Groot onderhoud De BBV adviseert voor groot onderhoud een aparte voorziening in te stellen, voor de situaties dat een deel van de voor een bepaald jaar geplande kosten doorschuiven naar een later jaar. In Utrecht beschouwen we alleen het baggeren van watergangen als groot onderhoud. Hiervoor bestaat nu nog geen voorziening, maar deze is wel gewenst. Het baggerwerk vindt namelijk altijd in het najaar en de winter plaats, waardoor altijd onzeker is in welk boekjaar daadwerkelijk de kosten gemaakt worden.
Beleidskeuze 16: We kiezen ervoor om in lijn met de voorschriften van de commissie BBV en in lijn met onze Nota Beheer Openbare Ruimte een aparte voorziening in te voeren voor het groot onderhoud.
Vervangingsinvesteringen De commissie BBV beschrijft drie manieren voor het omgaan met vervangingsinvesteringen: 1. Activeren en afschrijven: de investering als kapitaalgoed op de balans zetten en vervolgens afschrijven gedurende de verwachte gebruiksduur. 2. Sparen vanuit de rioolheffing: de jaren vóór de investering vanuit de rioolheffing sparen in een spaarvoorziening (artikel 44.2 BBV) en de investering vervolgens deels of geheel afboeken. 3. Ideaalcomplex: vervangingsinvesteringen in het jaar van aanschaf afboeken naar nul uit de opbrengst van de rioolheffing uit datzelfde jaar. De opbrengst uit de heffing komt dan eerst in de voorziening riolering, in hetzelfde jaar boekt de gemeente de investering af. Ook investeringen voor de verbetering van de riolering (bijvoorbeeld het scheiden van afval- en hemelwater of extra capaciteit voor de bestaande aansluitingen) vallen fiscaal-juridisch onder de term vervangingsinvesteringen. Tot en met 1984 hanteerden we in Utrecht de eerste methode. Daarna zijn we overgestapt op de derde methode, die van het ideaalcomplex. De kapitaalslasten (rente en aflossing) van de investeringen van voor 1985 hebben we de afgelopen jaren versneld afgelost. Daarmee kennen wij met ingang van 2021 geen kapitaalslasten meer.
Het grote voordeel van het ideaalcomplex ten opzichte van het activeren en afschrijven is dat het op de langere termijn aanzienlijk goedkoper is, omdat er geen schulden worden opgebouwd waarover rente betaald moet worden. Hiermee is deze methode toekomstbestendiger en flexibeler. De BBV biedt de methode van het Ideaalcomplex niet voor de rest van de investeringen in de openbare ruimte. Voor die investeringen hanteren we de eerste methode.
Visie Water en Riolering Utrecht
51
Omdat het niet altijd lukt om de uitgaven exact in hetzelfde jaar te realiseren als vooraf geraamd, maken we gebruik van een aparte voorziening voor de vervangingsinvesteringen. Deze voorziening is dus niet bedoeld om bewust te sparen volgens manier 2, maar om reeds aan projecten toegekende budgetten tijdelijk te stallen voor als werken vertraagd zijn. Hiermee wordt voorkomen dat specifiek bestemd geld vrijvalt richting de algemene middelen.
Beleidskeuze 17: Wij zetten de komende jaren het huidige beleid over het omgaan met vervangingsinvesteringen voort.
6.3
Kostenontwikkeling
De te dekken kosten uit de rioolheffing nemen de komende jaren toe. Verreweg de belangrijkste veroorzaker van de kostenstijging is het verhogen van de vervangingsinspanning riolering van 5 naar 18 km per jaar. Deze kostenstijging werkt ook door in de omvang van de BTW en de benodigde middelen voor het vervangen van het bestaande stelsel door aparte stelsels voor afvalwater en hemelwater en het gelijktijdig klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte. Ook de stijging van de exploitatiekosten wordt grotendeels veroorzaakt door de stijging van de vervangingsinspanning, omdat meer personeel nodig is om dit aan te sturen en voor te bereiden. Daarnaast is nog extra personeel nodig om de basis op orde te krijgen. Naast de toenemende vervangings- en bijbehorende transitiekosten zorgen ook de subsidieregelingen en de bijdrageregeling voor het ontharden/ vergroenen in de openbare ruimte voor een kostenstijging. De verwachte kostenontwikkeling tot 2050 op basis van alle beleidskeuzes is weergegeven in onderstaande grafiek.
Verwachte kostenontwikkeling tot 2050 exclusief inflatiecorrectie
Visie Water en Riolering Utrecht
52
Uit de figuur blijkt dat de kosten tot 2035 naar verwachting jaarlijks met 2 tot 4% zullen stijgen. Vanaf 2035 wordt de kostenstijging minder omdat de jaarlijkse vervangingsinspanning vanaf dat moment constant blijft. Wel gaan we ervan uit dat we de bijdrages aan subsidieregelingen en de bijdrageregeling voor het ontharden en vergroenen verder door stijgen. In de kostenraming is - met uitzondering van de lopende aanpak wateroverlast souterrainwoningen in de Zeeheldenbuurt – geen rekening gehouden met kosten voor maatregelen naast de geplande rioolvervangingen om het risico op wateroverlast te verminderen. Mocht in praktijk of uit onderzoek blijken dat deze maatregelen de komende jaren wel noodzakelijk zijn dan wordt eerst gekeken of dit binnen de bestaande begroting kan worden opgelost, door de vervangingen te vertragen.
6.4
Kostendekking
Huidige systematiek Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet (Gw) kunnen de kosten van de verschillende watertaken verhaald worden op burgers en bedrijven. Dit geld wordt door de burgers en bedrijven in de gemeente Utrecht opgebracht door betaling van de rioolheffing. De rioolheffing is in Utrecht opgebouwd uit een heffing voor eigenaren en een extra heffing voor grootgebruikers. De eigenarenheffing betreft een vast bedrag per jaar per aangesloten perceel (in 2021 € 228,32). De grootgebruikersheffing is aanvullend op de eigenarenheffing en betreft een bedrag per kubieke meter geloosd water. Deze wordt opgelegd aan grootverbruikers die jaarlijks meer dan 250 m3 afvalwater op de riolering lozen (in 2021 gemiddeld € 1,67 per m3). De huidige toedeling tussen eigenaren- en grootverbruikersheffing is gebaseerd op de jaarlijkse verdeling in hoeveelheid afgevoerd afvalwater door eigenaren en grootverbruikers. Daarbij worden alleen de kostenposten waarbij de kosten daadwerkelijk afhankelijk zijn van de hoeveelheid afgevoerd afvalwater naar rato toegerekend aan de grootverbruikersheffing. Kosten die geen relatie hebben met de hoeveelheid afvalwater, zoals de kosten voor het reinigen van straatkolken, verbetering ontwatering, het oppervlaktewaterbeheer en de straatreiniging worden volledig toegerekend aan de eigenarenheffing.
De verdeelsleutel wordt jaarlijks aangepast op basis van het aantal inwoners en het gemiddelde jaarlijkse drinkwaterverbruik per inwoner en het verwachte grootverbruik. De huidige systematiek heeft tot gevolg dat als de kostenstijging vooral in niet waterafvoer gerelateerde kosten zit, de kostenstijging wordt toegerekend aan het eigenarentarief. Hiermee gaat dit tarief harder omhoog dan het grootverbruikerstarief. Als de kostenstijging vooral zit in de investeringen of het onderhoud dan lopen beide tarieven redelijk gelijk op. Van belang is echter ook de jaarlijkse ontwikkeling van het aantal betalende eigenaren en van het grootverbruik. Het aantal betalende eigenaren stijgt de laatste jaren gemiddeld met 3.000 per jaar (bijna 2%). Het grootverbruik is al langere tijd constant, al heeft de BGhU de laatste jaren door verbetering van de processen en bestanden meer grootverbruikers in beeld gebracht. Per saldo zou op basis van de huidige systematiek het grootverbruikerstarief procentueel toch jaarlijks net iets harder omhoog moeten dan het eigenarentarief. Een kostenstijging bij het eigenarentarief wordt namelijk altijd deels opgevangen door de groei van het aantal eigenaren. Als dit niet gewenst is, vraagt dit een correctie door inzet van de egalisatiereserve.