Verslag Vragenuur_ 2020-03-12 MV 13_pag 4 en 5.pdf
Tekst van het document
2020 NOTULEN VRAGENUUR Vragenuur – 12 maart 2020 Vragenuur, gehouden op donderdag 12 maart 2020 te 17.10 uur. Voorzitter: de heer Wijmenga. Aanwezig zijn de leden: El Abassi, Bakker, Van Corler, Van Dalen, Dekker-Abdulaziz, Van Dun, Te Hoonte, Gilissen, Işik, Kleinrensink, Koppelaar, Meerding, Podt, Schreuder, Streefland, Sungur, Vonk, Van Waveren, Van der Zweth en Zwinkels. Voorts zijn aanwezig de fractiemedewerkers: Nagtegaal en Snippe. Namens het college zijn aanwezig de wethouders: Diepeveen, Van Hooijdonk, Klein, Verschuure en Voortman. Griffier: de heer Lith. Opening van het vragenuur. De VOORZITTER: Dames en heren! Goedemiddag. Welkom bij het vragenuur van de gemeenteraad van Utrecht. Er zijn tien vragen ingekomen. Wij beginnen met een aantal vragen dat is overgebleven van het vragenuurtje van vorige week. 1. Vragen van mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66) en de heer Isik (PvdA) inzake brandveiligheid in corporatieflats. Mevrouw DEKKER-ABDULAZIZ (D66): Voorzitter! De fracties van D66 en PvdA hebben kennisgenomen van het artikel https://www.parool.nl/nederland/tweede-kamer-meer-druk-zettenop-brandveiligheidflats~be7d1ef3/. Hieruit blijkt dat alleen de gemeenten Eindhoven en Nijmegen de inventarisatie met betrekking tot brandveiligheid in flats hebben gedaan.
De inventarisatie gebeurde naar aanleiding van de grote brand in de Grenfell-toren in Londen waarbij 72 bewoners om het leven zijn gekomen. De minister wil dat alle gebouwen in Nederland nog vóór de zomer op brandveiligheid worden onderzocht. De fracties van D66 en PvdA in Utrecht willen dat iedereen in onze stad veilig kan wonen, ongeacht hun inkomsten of het soort woning waarin zij wonen. Daarom stellen wij het college de volgende vragen. 1. Is de gemeente Utrecht al bezig met de genoemde inventarisaties inzake de brandveiligheid van flatgebouwen? 2. Waar kijkt het college bij deze inventarisaties naar? Worden de bouwwijze, de gebruikte materialen en de vluchtwegen bekeken? Worden ook andere zaken bekeken? 3. Lukt het de gemeente om nog vóór de zomer met de inventarisatie klaar te zijn? Zo nee, waarom niet? 4. Hoe worden de bewoners van de flats over de inventarisatie geïnformeerd? 5. Is brandveiligheid ook een onderdeel van de prestatieafspraken van de gemeente en de woningcorporaties? 6. Wat gebeurt er als wordt geconstateerd dat een flat onveilig is? Treedt dan een scenario in werking? 7. Hoe wordt de raad daarvan op de hoogte gehouden?
Vragenuur van 12 maart 2020 De heer VERSCHUURE (wethouder): Voorzitter! De gemeente is begin 2019 gestart met een onderzoek naar de mogelijke brandgevaarlijke gevels in onze gemeente. Op 16 juli 2019 hebben wij de raad daarover schriftelijk geïnformeerd. Het leek alsof de raad het zag aankomen, maar heel binnenkort, waarschijnlijk volgende week, krijgt de raad hierover van het college een rapportage. Wij doen de inventarisatie op basis van een landelijke aanpak. Wij hebben vluchtwegen, trappenhuizen, blusinstallaties en brandmelders bekeken. Dat is gedaan door de brandweer in samenwerking met Bouwtoezicht. Als er opvallende zaken zijn, worden de betrokken pandeigenaren gemeld. Gevraagd is of het ons lukt om hiermee vóór de zomervakantie klaar te zijn. Onze inzet is erop gericht om in juli 2020 de inventarisatie te hebben afgerond. Ook is gevraagd hoe de inwoners worden geïnformeerd. Om onnodige onrust te voorkomen, informeren wij de gebruikers van de panden niet actief. De inventarisatie zegt namelijk niets over brandonveiligheid. Mocht echter daaruit blijken dat een pand in de categorie oranje of rood valt, dan informeren wij de eigenaar van het pand daarover. Wij vertellen hem dat hij de gebruikers moet informeren. Gevraagd wordt of brandveiligheid onderdeel is geweest van de prestatieafspraken. Nee, dat is niet het geval geweest.
Dat hoeft ook niet, want dit is geregeld via het bouwbesluit. Er moet worden voldaan aan de landelijke minimale eisen voor gebouwen. De lokale overheid kan geen zwaardere eisen opleggen dan die van het bouwbesluit. Ook is gevraagd of er melding van wordt gemaakt als wordt geconstateerd dat een flat onveilig is. Als dat zo is, nemen wij met de eigenaar van het pand direct contact op, die dan wordt verzocht om passende maatregelen te nemen. Indien deze maatregelen onvoldoende zijn, zijn wij wettelijk bevoegd om de maatregelen op kosten van de eigenaar alsnog te treffen. Wij hebben daar geen scenario voor klaarliggen, want dat is altijd maatwerk. Op 19 juli 2019 hebben wij de raad op de hoogte gebracht van onveilige aspecten van het gebouw. Volgende week ontvangt de raad daarvan een schriftelijke update. Na de zomer informeren wij de raad over het eindonderzoek. Mevrouw ZWINKELS (CDA): Voorzitter! Betreffen de genoemde brief en de maatregelen ook studentenhuizen? De heer VERSCHUURE (wethouder): Voorzitter! Naar aanleiding van wat in Londen is gebeurd, heeft een inventarisatie plaatsgevonden van alle gebouwen in Utrecht waarvan wordt vermoed dat nader onderzoek nodig is. In de brief die de raad volgende week krijgt, staat wat wij hebben aangetroffen. De heer IŞIK (PvdA): Voorzitter! Ik dank de wethouder voor de beantwoording.
Het komt echter vaak voor dat in corporatiewoningen rookmelders ontbreken. Zie Kanaleneiland. Bij de meest recente brand is een dode gevallen. Is het college bereid om via de prestatieafspraken ervoor te zorgen dat elke huurwoning wordt voorzien van een rookmelder? Ik vind dat belangrijk omdat bij elke mutatie onderhoud plaatsvindt. Op dat moment kan controle plaatsvinden. Als dat niet gebeurt, dien ik ten tijde van de prestatieafspraken daarover een motie in. De VOORZITTER: Dames en heren! De vraag van de heer Işik is of bij de prestatieafspraken kan worden overeengekomen dat in de corporatiewoningen rookmelders worden geplaatst. De heer VERSCHUURE (wethouder): Voorzitter! Ik vind dat een goede suggestie. Ik kijk collega Diepeveen aan. Wij kunnen de corporaties erop attenderen dat wij dit een gewenste ontwikkeling vinden. Volgens mij is hierover landelijke wetgeving in de maak. Elke verdieping zou moeten worden voorzien van een rookmelder. Wij zullen dit punt in de gesprekken met de corporaties naar voren laten komen. Mevrouw DEKKER-ABDULAZIZ (D66): Voorzitter! Dank voor de beantwoording.
2
Vragenuur van 12 maart 2020 2. Vragen van de heer Koppelaar (Student & Starter) inzake schappelijk handhaven op fietsparkeren. De heer KOPPELAAR (Student en Starter): Voorzitter! Op 19 februari jl. ontving de raad een brief van wethouder Van Hooijdonk over een aantal kleine beleidswijzigingen met betrekking tot fietsparkeren. De Student & Starter-fractie is blij met de aanpassing van de aanvraagprocedure voor fietsenstallingen en het aanwijzen van fietsparkeerplekken voor minder validen. De derde maatregel deed ons echter de wenkbrauwen fronsen. In de brief staat dat in de binnenstad een proef wordt gestart. Daarbij worden fietsen weggehaald als die zijn gestald op autoparkeerplaatsen die zijn gereserveerd voor specifieke doelgroepen. Met betrekking tot invalidenparkeerplaatsen snappen wij dat heel goed. Die parkeerplaatsen moeten simpelweg altijd beschikbaar zijn. Over het overige deel van de proef hebben wij echter nog een aantal vragen. Utrecht kampt met een enorm tekort aan fietsparkeerplekken. Fietsers mogen daar niet voor worden gestraft. 1. Deelt de wethouder de mening dat in de Utrechtse binnenstad te weinig fietsenstallingen zijn om alle fietsen veilig te kunnen stallen? 2. Is de wethouder, net als de Student & Starter-fractie, van mening dat niet alle laad- en losplaatsen en taxistandplaatsen gedurende de volledige dag worden gebruikt? 3.
Deelt de wethouder de mening dat op deze plekken fietsen niet hinderlijk of gevaarlijk zijn gestald wanneer dit soort parkeerplaatsen buiten gebruik is? 4. Is de wethouder bereid om fietsparkeren toe te staan op laad- en losplaatsen - en taxistandplaatsen - gedurende de tijden dat die buiten gebruik zijn? Wil de wethouder dat bij de uitvoering van de proef als uitgangspunt hanteren? 5. Is de wethouder bereid om de raad van de evaluatie van deze proef op de hoogte te brengen? Zo ja, wanneer kunnen wij die verwachten? 6. Zijn er in Utrecht laad- en losplaatsen en taxistandplaatsen die weinig tot niet worden gebruikt? Ziet de wethouder kans om dit soort parkeerplaatsen om te vormen tot fietsparkeerplekken? Zo nee, waarom niet? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Ik beantwoord die namens wethouder Van Hooijdonk. Het antwoord op vraag 1. Het college deelt die mening. Daarom werkt het in de binnenstad continu aan nieuwe fietsenstallingen. Gisteren is een nieuwe fietsenstalling geopend onder het oude postkantoor - de nieuwe bibliotheek - op de Neude. Het antwoord op vraag 2. Dat klopt; deze plekken zijn juist bedoeld om beschikbaar te zijn voor bepaalde doelgroepen of activiteiten. Of de fietsen hinderlijk dan wel gevaarlijk zijn gestald, hangt af van de situatie, bijvoorbeeld of op de betreffende locaties sprake is van venstertijden.
Het antwoord op vraag 3. Ja, buiten de eventuele venstertijden, zoals bij laad- en losplekken en taxistandplaatsen, zijn de plekken opnieuw beschikbaar voor algemeen gebruik. Wij staan toe dat er fietsen worden gestald. Het is dus niet altijd verboden om op autoparkeerplaatsen fietsen te parkeren. Dat hangt af van het tijdsstip. Het antwoord op vraag 4. Ja, wij zullen hierop in het handhavingsverslag 2020 terugkomen. Die wordt de raad in het eerste kwartaal van 2021 toegestuurd. Het antwoord op vraag 5. Voor het goed kunnen functioneren van de binnenstad is er behoefte aan laad- en losplekken en taxistandplaatsen. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat er laad- en losplekken en taxistandplaatsen zijn die niet worden gebruikt. In de binnenstad zien wij eerder dat op bepaalde plekken en tijden de hoeveelheid laad- en losvoorzieningen niet voldoende is en dat druk ontstaat. Voorbeelden hiervan zijn het laden en lossen op de Mariaplaats en de Neude. Ik zie daar weinig ruimte voor het structureel aanleggen van fietsparkeerplekken. De heer KOPPELAAR (Student en Starter): Voorzitter! Ik dank de wethouder voor de beantwoording. De vraag die ik nu stel, is voor wethouder Diepeveen misschien lastig te beantwoorden. Misschien kan hij de vraag voorleggen aan wethouder Van Hooijdonk. Afgelopen weekend had de universiteit haar open dag. De Drift was één van de locaties die
3
Vragenuur van 12 maart 2020 kon worden bezocht. Dat is een piekmoment waarop veel mensen tegelijkertijd naar één plek toekomen. Dan is het aantal fietsparkeerplekken op die plaats niet toereikend. Veel mensen hebben hun fiets op de Drift en het Janskerkhof neergezet. Deze fietsen zijn vervolgens weggehaald. Dat is volgens de regels, maar is de wethouder het met ons eens dat juist op dat soort piekmomenten iets meer coulant moet worden omgegaan met het handhaven op hinderlijk gestalde fietsen? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Ja, maar er zijn twee dingen aan de hand. Bij het organiseren van evenementen wijzen wij er bij herhaling op dat het verstandiger is om in de extra parkeerbehoefte te voorzien. Wij denken daarbij aan pop-up fietsparkeerplekken. In combinatie daarmee kan ik mij goed voorstellen wat de heer Koppelaar zegt. 3. Vragen van mevrouw Snippe (PvdD) inzake Kringlooppunten in het Zocherpark. Mevrouw SNIPPE (PvdD): Voorzitter! In de raadsbrief IPvE-FO herinrichting Tolsteegbarrière en -brug van 13 januari jl. valt te lezen dat de afvalcontainers die nu voor het Louis Hartlooper Complex staan, worden verplaatst naar de Nicolaasdwarsstraat/Wijde Doelen. Op de nieuwe locatie moeten dan zes ondergrondse afvalcontainers komen. De PvdD-fractie heeft hierover de volgende vragen. 1. De zes containers nemen bovengronds en ondergronds openbare ruimte in beslag.
De ruimte om de containers heen moet bovengronds worden verhard. De containers moeten ondergronds worden ingepast en aangelegd. Als de containers er staan, moet een zware vrachtwagen met grote regelmaat bij de containers stilstaan. Hoe garandeert het college dat bij het aanleggen van de containers het pal ernaast gelegen kwetsbare Zocherpark - in het bijzonder de monumentale bomen en hun wortels - niet wordt beschadigd? 2. In hoeverre strookt het voornemen voor een afvalinzamelinglocatie op deze plek met de groene en cultuurhistorische waarde van het Zocherpark? 3. Is het college het met de fractie van de PvdD eens dat dit voornemen niet in lijn is met de beheervisie Singelgebied en het beheerplan Zocherpark? 4. Kan het college toezeggen om de raad van alle scenario’s voor het herplaatsen van de containers van de Tolsteegbarrière - inclusief het handhaven van de huidige locatie - op de hoogte te brengen alvorens een definitief besluit te nemen over het plaatsen van ondergrondse containers op de locatie Nicolaasdwarsstraat/Wijde Doelen? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Om de ambities van de herinrichting van de Tolsteegbarrière mogelijk te maken, moeten de afvalcontainers worden verplaatst, onder andere via het doel de trottoirs op de barrière voor voetgangers meer toegankelijk te maken. Dat is een belangrijke entree tot de binnenstad.
Het is ook een looproute van het Station Vaartsche Rijn. Samen met het buurtcomité Twijnstraat en omgeving zijn acht locaties onderzocht en is de locatie op de hoek van het Nicolaaskerkhof en de Wijde Doelen als meest geschikte naar voren gekomen. Het is onze wens om zes containers te plaatsen, dus een volledig kringloopstation, onder meer vanwege de niet toereikende capaciteit op de huidige locaties. Of de gewenste aantallen kunnen worden geplaatst, hangt af van de resultaten van de nog uit te voeren grond- en bodemonderzoeken en de daadwerkelijke situatie in de ondergrond. Wij houden daarbij uiteraard rekening met voldoende afstand tussen de aanwezige bomen en de locatie van de containers. Het antwoord op de vragen 2, 3 en 4. De beoogde locatie ligt aan de rand van het rijksmonumentale Zocherpark en vormt voor sommige wandelaars een weggetje het Zocherpark in. Na realisatie van de ondergrondse container kunnen wandelaars nog steeds in de richting van de Singel lopen. Ook zal tussen de bomen, de boomwortels en de containers voldoende afstand in acht worden genomen. Over de locatie en de inpassingen is overleg geweest met onder andere de afdeling Erfgoed en met de beheerder van het park. De wensen van de betrokkenen worden betrokken bij de uitwerking, waaronder met betrekking tot het rijksmonument Zocherpark grote zorgvuldigheid.
Wanneer uit de grondonderzoeken en proefsleuven blijkt dat deze locatie geschikt is, zal een vergunning worden aangevraagd. Wij hebben de raad bij brief van 13 januari jl. het vastgestelde IPvE-FO van de Tolsteegbarrière toegezonden. De uitvoering van het plan staat voor de
4
Vragenuur van 12 maart 2020 komende zomer op de rol. Als de containers op de huidige locatie - de Tolsteegbrug - blijven staan, kunnen de ambities van de herinrichting niet worden behaald, waaronder de verbeterde looproute van onder andere de looproute van het station Vaartsche Rijn naar de binnenstad. Vanwege een provinciale subsidie met als voorwaarde dat de uitvoering vóór de zomer van 2020 start, is het verder uitstellen van de herinrichting niet mogelijk. Bij de voorbereiding van de uitvoering zullen wij zorgen voor een zorgvuldige inpassing van de containers. De heer IŞIK (PvdA): Voorzitter! Begrijp ik het goed dat het college zegt dat de raad een voorstel is toegestuurd in het kader van de herinrichting van dat gebied? Als dat zo is, heb ik iets gemist. Er komen bij ons veel bezwaren binnen. Kan het college dit bevestigen? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Nee, er is geen sprake van een raadsvoorstel, maar van een raadsbrief. Die gaat over het vastgestelde IPvE-FO. Die dateert van 13 januari jl. De heer WIJMENGA (ChristenUnie): Voorzitter! Ik kan mij die brief herinneren. Mevrouw ZWINKELS (CDA): Voorzitter! Ik ook. Ik kan mij ook herinneren dat er is gesproken over het speelplaatsje dat daar is. Men maakte zich zorgen over zwerfafval en glas.
Kan de wethouder toezeggen dat hij de situatie monitort, zodat er zich op het speelplaatsje geen gevaarlijke situaties voordoen? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Mevrouw Zwinkels heeft helemaal gelijk. Een goede inpassing vanwege het speelplaatsje en de school is daar zeker van belang. Wij zullen de situatie goed in de gaten houden. Mevrouw SNIPPE (PvdD): Voorzitter! Ik dank de wethouder voor de beantwoording. Ik denk dat daarmee de zorgen zijn weggenomen. Wij maakten ons vooral zorgen over de wortels. Ik begrijp dat er onderzoek zal plaatsvinden. 4. Vragen van de heer Te Hoonte (VVD) inzake Woonbotenstrategie: Wanneer komt die? De heer TE HOONTE (VVD): Voorzitter! "We stellen voor in 2019 de eerste stap te zetten met een bedrag van 600.000 euro voor de aankoop van woonboten en het opstellen van een woonbotenstrategie." Tot zover een citaat uit de Voorjaarsnota 2018. Ook in het coalitieakkoord is dit bedrag opgenomen. Echter, wie in onze systemen zoekt naar het woord "woonboten" - ik heb ook Eureka geprobeerd - zal weinig vinden. Ondertussen begrijpen wij dat reeds wordt onderhandeld over het opkopen van woonboten. Naar aanleiding daarvan hebben wij de volgende vragen. 1. Is een woonbotenstrategie opgesteld? Zo ja, wanneer komt die naar de raad? 2.
Indien geen woonbotenstrategie is opgesteld: is het college van plan om dat alsnog te doen? Zo, ja wanneer komt die naar de raad? Zo nee, is de raad daarover geïnformeerd? 3. Zal de woonbotenstrategie ook antwoorden op motie 2018-16 van de GroenLinks-fractie? Zo ja, hoeveel potentiële ligplaatsen heeft het onderzoek opgeleverd? Wanneer bereikt deze informatie de raad? 4. Welke kaders hanteert het college voor de gesprekken met de bewoners van het Merwedekanaal zolang er nog geen woonbotenstrategie beschikbaar is? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Het antwoord op de vragen 1, 2 en 3. Het voorstel in de voorjaarsnota 2018 heeft geleid tot een verkenning en gesprekken inzake de aankoop van woonboten. Door besluiten die zijn opgenomen in de voorjaarsnota kunnen wij handelen op natuurlijke momenten, vooruitlopend op besluitvorming over de aanleg van mogelijke fiets- en wandelbruggen. De mogelijke aankoop van woonboten kan schuifruimte in ligplaatsen creëren. Nu in de uitwerking duidelijker wordt welke ligplaatsen na besluitvorming in de raad mogelijk worden opgeheven ten behoeve van de
5
Vragenuur van 12 maart 2020 voorgestelde bruggen, wordt het gesprek met de betreffende woonbootbewoners hierop toegespitst. Door de reservering van middelen in de voorjaarsnota kan nu worden gehandeld ten gunste van individuele woonbootbewoners door bij hen op een zo vroeg mogelijk moment de onzekerheid weg te nemen. Zij hebben al jaren te maken met een toekomst met voor hen mogelijk nogal wat gevolgen. Hen kan een nieuw toekomstperspectief worden geboden. Aankoop kan ook inhouden dat men op de boot kan blijven wonen totdat er duidelijkheid is. Als de raad besluit om geen extra wandel- en fietsbruggen aan te leggen, worden de mogelijk aangekochte boten weer verkocht. Daarbij is sprake van een gering financieel risico. Het beschikbare bedrag uit de voorjaarsnota biedt financiële ruimte om eventuele ontstane verliezen te dekken, mocht de aangekochte woonboot toch niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een nog te nemen raadsbesluit over het aantal en de locatie van de bruggen. Op deze manier geven wij uitvoering aan de besluitvorming in de voorjaarsnota 2018. De woonbotenstrategie is samen met een besluit over bruggen onderdeel van de uitvoeringsparagraaf van de Omgevingsvisie Merwedekanaalzone deel 2. De raad wordt met die uitvoeringsparagraaf over de inhoud geïnformeerd.
Ook wordt de raad geïnformeerd over hoe wij motie 2018-16 "Inventarisatie toekomstige ligplaatsen" uitvoeren. Het antwoord op vraag 4. In de gesprekken hanteren wij de gebruikelijke kaders voor minnelijke en marktconforme verwerving. De heer TE HOONTE (VVD): Voorzitter! In de beantwoording van de vragen 1 t/m 3 zegt de wethouder dat een verkenning heeft plaatsgevonden. Is het mogelijk om de raad dit stuk ter hand te stellen? Op welk moment krijgen wij het dan? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! De verkenning wordt de raad samen met het verhaal over de bruggen ten tijde van de besluitvorming toegezonden, na verwerking van de inspraakreacties en het kolommenstuk. Dat zal rond de zomer zijn. 5. Vragen van de heer Van der Zweth (PvdA) Steeds meer mensen naar de voedselbank. De heer VAN DER ZWETH (PvdA): Voorzitter! Afgelopen week kwam in het nieuws dat meer mensen een beroep op de voedselbank doen. Het is onbegrijpelijk dat in een tijd van sterke economische groei en lage werkloosheid toch steeds meer mensen van de voedselbank afhankelijk zijn. Landelijk is het aantal mensen dat aanklopt bij de voedselbank met 8% toegenomen tot 151.000. Vooral ouderen en alleenstaanden doen een beroep op de voedselhulp. Eenpersoonshuishoudens zijn daarin met 44% veruit de grootste groep. Wij hebben de volgende vragen over de situatie in Utrecht. 1.
Is de vraag naar hulp via de voedselbank in Utrecht gestegen? Zo ja, waar komt dit volgens de wethouder door? 2. Welke ruimte bieden wij de voedselbanken om mensen die niet aan de criteria voldoen, bijvoorbeeld door per maand net te veel over te houden, toch te steunen? 3. Herkent de wethouder voor Utrecht het beeld dat dit vooral alleenstaanden en ouderen betreft? Zo ja, kan zij aangeven hoe zij dit beoordeelt in verhouding tot de versoberingen in de vorige periode van de armoederegelingen voor deze doelgroepen, o.a. de Individuele Inkomenstoeslag en de Energieregeling voor ouderen? 4. Wat doet de gemeente momenteel specifiek in het kader van het armoedebeleid voor mensen die bij de voedselbank lopen en dus overduidelijk te weinig middelen hebben om van rond te komen? 5. Kan de wethouder toezeggen om voor mensen die bij de voedselbank lopen een aanvullend plan op te stellen om ze duurzaam uit de armoede te helpen? Mevrouw VOORTMAN (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Het antwoord op vraag 1. Toen ik deze vraag hoorde, kreeg ik een déjà vu-gevoel. Soortgelijke vragen zijn mij al eerder gesteld, namelijk in september 2019. Dat neemt niet weg dat het zeer belangrijke en dringende vragen kunnen zijn. In het genoemde vragenuur in september
6
Vragenuur van 12 maart 2020 2019 heb ik gezegd dat de vraag naar de voedselbank met 8% á 10% is gestegen. Als mij wordt gevraagd of er in de periode van september 2019 en maart 2020 sprake is van een toename, dan is mijn antwoord dat de Stichting Voedselbanken Utrecht (SVU) stadsbreed geen toename ziet. Het antwoord op vraag 2. De SVU houdt zich aan de landelijke norm van de Voedselbanken Nederland. Als inwoners boven die norm komen, wordt een moment van uitstroom afgesproken. Het is niet zo dat er van de ene op de andere dag helemaal niets meer is, maar de coördinatoren beoordelen ter plekke of ook verlengde hulp nodig is. Het antwoord op vraag 3. De SVU heeft mij gezegd dat van de 520 pakketten er 224 voor alleenstaanden zijn. Het door de heer Van der Zweth geschetste landelijke beeld van 44% klopt ook voor Utrecht. Als wij de ouderen bekijken, zegt de SVU dat 71 pakketten naar inwoners van boven de 60 jaar gaan. Dat is 14%. Dat duidt erop dat ouderen in Utrecht in het algemeen kunnen rondkomen. Deze cijfers worden bevestigd in de Nibud Minima-effectrapportage uit 2018. Hieruit bleek dat ouderen met een laag inkomen beter kunnen rondkomen en meedoen dan niet-ouderen.
Naar aanleiding van de genoemde MER heb ik per 2019 een aantal regelingen verruimd, zoals bijvoorbeeld de individuele inkomenstoeslag voor alleenstaanden, waar natuurlijk ook ouderen die alleenstaand zijn voordeel van hebben. Het antwoord op vraag 4. De hulp van de voedselbanken is bedoeld als tijdelijke oplossing bij een acuut financieel probleem. Deelnemers worden daarom altijd ondersteund door een vrijwilliger die helpt om inkomsten en uitgaven in balans te brengen en als het nodig is hen te begeleiden naar schuldhulpverlening. Veel deelnemers leven van een uitkering. Om structureel uit de armoede te komen, is vaak gewoon meer inkomen nodig. Daarom zullen wij in samenwerking met de Werkbeweging extra ondersteuning bieden bij het vinden van betaald werk. Daarnaast is één van onze lobbypunten richting het Rijk het verhogen van het sociaal minimum en het netto minimumloon. Het antwoord op vraag 5. Het inkomensbeleid is een verantwoordelijkheid van het Rijk. Ik heb zojuist gezegd wat wij doen met onze lobby richting het Rijk. Tegelijkertijd bekijken wij ook wat wij lokaal kunnen doen, sterker nog, ik heb de raad in februari jl. een brief over het armoedebeleid gestuurd. Door gesprekken met de raad, inwoners van de gemeente Utrecht, ervaringsdeskundigen en de armoedecoalitie vind ik het van belang het armoedebeleid gezamenlijk te beschouwen en waar nodig aan te passen.
Mevrouw KLEINRENSINK (GroenLinks): Voorzitter! Volgens mij is iedereen er voorstander van om iedereen structureel uit de armoede te halen. In de raad is daar niemand tegen. Groningen heeft daarover het een en ander aangekondigd. Is de wethouder bereid om dat voorbeeld te volgen en om te bekijken wat Utrecht daar aan heeft? De plannen waren nog niet heel concreet, maar ik vind ze interessant. Mevrouw VOORTMAN (wethouder): Voorzitter! Ja, ik meen dat Groningen een plan heeft om de mensen structureel uit de armoede te halen. Een armoedebeleid verzacht de effecten van armoede. Ik bekijk ook generatiearmoede. Ik vind dat verschijnsel erg interessant. Ik wil zeker bekijken wat wij van Groningen kunnen leren. De heer VAN DER ZWETH (PvdA): Voorzitter! In de vorige coalitieperiode werd gebruikgemaakt van inkomensplaatjes, gemiddelden. Alleenstaanden bleken daar goed uit te komen. De armoederegelingen werden daarom afgebouwd. Nu zien wij dat dezelfde groep ook in Utrecht in grote mate terugkomt. Wij bekijken op basis van de inkomensplaatjes de armoederegelingen opnieuw. Kan de wethouder toezeggen de signalen die via de voedselbank inkomen te betrekken bij de inkomensplaatjes die wij steeds gebruiken en om de groepen die daar terechtkomen duidelijker in beeld te krijgen? Mevrouw VOORTMAN (wethouder): Voorzitter! Volgens mij doen wij dat al. Wij bekijken alleenstaanden en ouderen.
Dat zijn de groepen die ook in het landelijke beeld terugkomen. Ik begrijp de vraag van de heer Van der Zweth niet precies.
7
Vragenuur van 12 maart 2020 De VOORZITTER: Dames en heren! Ik sta toe dat de heer Van der Zweth dit punt toelicht. De heer VAN DER ZWETH (PvdA): Voorzitter! In de vorige coalitieperiode werden de armoederegelingen afgestemd op basis van gemiddelde inkomensplaatjes die waren gebaseerd op de genoemde onderzoeken. Dat gaan wij nu opnieuw doen. De PvdA-fractie heeft altijd gezegd dat mensen geen gemiddelden zijn. Wij kunnen niet blind varen op inkomensplaatjes. Wij zien nu dat de groepen die gebruikmaken van de voedselbanken precies de groepen zijn die vroeger uit de plaatjes van de gemiddelde inkomens als goed naar voren kwamen. Onze vraag is nu of de wethouder bij de toekomstige armoederegelingen dit soort signalen kan betrekken, zodat wij dan de groepen kunnen zien die er tussenuit vallen en kunnen zien of die van de voedselbank afhankelijk zijn. Mevrouw VOORTMAN (wethouder): Voorzitter! Volgens mij zegt de heer Van der Zweth dat de mensen die bij de voedselbank terechtkomen juist niet de gemiddelde mensen zijn. Dat zijn niet de gemiddelde ouderen en niet de gemiddelde alleenstaanden. Hij wil graag dat wij bekijken hoe wij de gemiddelde ouderen en de gemiddelde alleenstaanden in beeld kunnen krijgen. Ik weet niet of dat goed mogelijk is. Ik kan mij voorstellen dat een onderzoek daartoe ingewikkeld is. Ik wil deze materie wél bekijken.
Als de heer Van der Zweth het goedvindt, wil ik hierop in een memo terugkomen. goed.
De VOORZITTER: Dames en heren! De heer Van der Zweth heeft toch een toezegging. Heel
6. Vragen van mevrouw Snippe (PvdD) inzake Het broedseizoen uitbreiden? Mevrouw SNIPPE (PvdD): Voorzitter! Op beleefdelente.nl is sinds 1 maart jl. weer online te volgen hoe broedende vogelpaartjes druk in de weer zijn met hun nesten. Het broedseizoen is vanwege de warme wintermaanden dit jaar eerder begonnen. Zo berichtte de NOS op 3 maart 2020 dat Natuurmonumenten om deze reden het natuurgebied De Sprengenberg vervroegd heeft gesloten. Het is een geluid dat de laatste jaren steeds vaker klinkt. Door klimaatverandering verandert het weer en gaat de natuur "vóór op schema" lopen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berichtte al in 2005 dat vogels steeds eerder beginnen met broeden. Ondertussen mogen in Utrecht tot 15 maart, als broedseizoen in Utrecht aanvangt, bomen nog worden gekapt. Dat is voor de PvdD-fractie reden om het volgende aan de orde te stellen. 1. Is de wethouder het met ons eens dat de officiële datum die de gemeente Utrecht hanteert voor het broedseizoen een meer nauwkeurige afspiegeling zou moeten zijn van de werkelijke situatie? Zo nee, waarom niet? 2. Is de wethouder het met ons eens dat het raadzaam is om te laten onderzoeken of de officiële periode die de gemeente Utrecht voor het broedseizoen hanteert, namelijk van 15 maart tot 15 juli, uitgebreid dient te worden? Zo nee, waarom niet? 3.
Als uit dit onderzoek blijkt dat heroverweging van de data van het broedseizoen wenselijk is, is de wethouder dan bereid om de broedperiode die de gemeente Utrecht hanteert uit te breiden? Zo nee, waarom niet? Mevrouw VAN HOOIJDONK (wethouder): Voorzitter! De term broedseizoen is een soort spitsuur voor broedende vogels. Het is niet de enige periode dat vogels broeden, maar wel een belangrijke periode. Daarom wordt die niet alleen in Utrecht, maar ook in andere delen van Nederland veelvuldig gehanteerd. Dat is de periode van half maart tot half juli. Het is niet zozeer begrensd of wettelijk vastgelegd. Volgens broeden ook op allerlei andere momenten. Daarom moet men het hele jaar door, zelfs in de winter, waakzaam zijn bij werkzaamheden of vogels niet aan het broeden zijn. Of het in die periode valt of daarbuiten: als men aan werkzaamheden begint, moet altijd worden vastgesteld dat er geen broedende vogels aanwezig zijn. In die zin is de bescherming in orde. De aanvragers zijn ervoor verantwoordelijk. Het blijft een handig begrip omdat men onderscheid kan maken tussen wanneer het voor de vogels spitsuur is en wanneer niet. Dat helpt bij de planning van werkzaamheden. Het is eerder een
8
Vragenuur van 12 maart 2020 richtinggevend hulpmiddel dan dat het een enorme juridische waarde heeft. Het is geen Utrechtse periode, maar een periode die in heel Nederland wordt gehanteerd. Dat maakt ons terughoudend om op eigen houtje er van alles aan te doen. Naar aanleiding van deze vraag hebben wij contact gehad met de vogelbescherming. Ook die zegt geen aanleiding te zien om tot een andere periode te komen, maar dat ze dit vanzelfsprekend wel in de gaten houdt. Mevrouw SNIPPE (PvdD): Voorzitter! Fijn dat de wethouder contact met de vogelbescherming heeft gehad. Het is fijn dat dit in de gaten wordt gehouden. Als het spitsuur eerder begint, waarom dan niet aanpassen? 7. Vragen van de heer Nagtegaal (PVV) inzake Gedwongen collectivisme bij sociale huurwoning. De heer NAGTEGAAL (PVV): Voorzitter! De Utrechtse columniste Marieke Dubbelman schrijft in haar column over woonchantage. Het gaat om het nieuwe project van Portaal dat Romulus en Remus heet. Appartementen van 70 m² voor circa € 710 per maand. Maar, er is een keerzijde. Want om daarvoor in aanmerking te komen, wordt van je verwacht dat je in je vrije tijd een bijdrage levert aan het werk van de zorgorganisatie Lister, die in hetzelfde pand bewoners met een psychische kwetsbaarheid opvangt. Je moet dus boven de € 710, die je al betaalt, per se ook vrijwilligerswerk doen.
Mevrouw Dubbelman verwoordt het in haar artikel goed: de sociale huurders worden opgezadeld met de gevolgen van de bezuinigingen op de GGZ, dus naast de drukke baan die je misschien als sociale huurder al hebt, moet je ook dingen doen voor zorgorganisatie Lister. Hierover stellen wij de volgende vragen. 1. Wat vindt het college van dit soort woonvormen? 2. Deelt het college onze mening - al helemaal omdat er nu woningnood is - dat mensen niet verplicht moeten worden om vrijwilligerswerk te doen alleen om in een huurwoning te kunnen wonen? 3. Kan het college met Portaal in gesprek gaan om deze eis die aan bewoners wordt gesteld te laten vallen? Zo nee, waarom niet? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Het college stimuleert dit soort woonvormen van harte. Mensen die beschermd hebben gewoond, krijgen op deze manier een steuntje in de rug bij hun terugkeer in de samenleving. Lister blijft deze mensen begeleiden waar dat nodig is. Van de bewoners wordt verwacht dat zij af en toe deelnemen aan gezamenlijke activiteiten. Lister heeft in één van de gebouwen een kantoor. Ze is daar bereikbaar voor alle bewoners. Daarnaast beheert Lister de ontmoetingsruimte waar ook de bewoners welkom zijn. Het antwoord op vraag 2. Verplichting tot vrijwilligerswerk. Wij vinden dat het hier niet gaat om een verplichting.
Wat Portaal van de toekomstige huurders vraagt, is omkijken naar degene die naast je woont en bijdragen aan een gezellige en hulpvaardige woonomgeving. Dit verwachten Portaal en Lister overigens ook van de cliënten van Lister. Portaal selecteert haar huurders op grond van motivatie. Ook daar staan wij achter, juist omdat de mensen dan in de gelegenheid worden gesteld om te laten weten waarom zij deze vorm van samenwonen belangrijk vinden en welke bijdrage zij daaraan willen leveren. Echt een mooie vorm van gemengd wonen. Het antwoord op vraag 3. Nee, wij zijn niet van plan om met Portaal hierover in gesprek te gaan. Wij staan achter deze manier van samenwonen van verschillende doelgroepen. Wij zijn ervan overtuigd dat dit zal leiden tot buurten waarin het prettig samenleven is en waar meer onderling begrip voor elkaar is. De heer IŞIK (PvdA): Voorzitter! Ik waardeer de aanpak van de wethouder. Die verdient de steun van de PvdA-fractie. Woonvormen die er zijn om elkaar vooruit te helpen, zijn altijd goed. Kan de wethouder toezeggen om bij de nieuwbouwontwikkelingen nieuwe woonvormen te faciliteren? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Ja, dat doen wij zeker. Op allerlei plekken zijn wij daarover in gesprek, bijvoorbeeld met de partijen in het Cartesiusgebied die zojuist werden genoemd.
9
Vragenuur van 12 maart 2020 De heer EL ABASSI (DENK): Voorzitter! Wij waarderen de aanpak van de wethouder niet. Normaal gesproken dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten. Hier lijkt het omgekeerde het geval te zijn. Is de wethouder het met mij eens dat het hier gaat om een doelgroep die niet veel verdient? Het is juist de bedoeling dat deze Utrechters meer zouden moeten verdienen en dat wij dat zouden moeten stimuleren in plaats van anderen verplichtingen op te leggen en om te werken voor niets. De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! In onze optiek bestaat de samenleving uit meer dan alleen professionals en zorgbehoevenden. De mensen zijn er ook voor elkaar. Wij doen op hen een beroep. Mensen kunnen daarvoor kiezen. Mensen hoeven daarvoor niet te kiezen. Wij zien tot nog toe dat in projecten waar dit wordt aangeboden de belangstelling overweldigend is en dat er gelukkig veel Utrechters zijn die heel graag op deze manier willen wonen en iets willen betekenen voor hun medebewoners. De heer KOPPELAAR (Student en Starter): Voorzitter! Laat ik vooropstellen dat de Student & Starter-fractie van dit soort initiatieven heel blij wordt. Desalniettemin wil ik de wethouder iets vragen. Er zijn vergelijkbare initiatieven waarbij bewoners van huurwoningen een huurverlaging krijgen als zij bijdragen aan allerlei activiteiten of voorzieningen.
Is de wethouder eventueel bereid om dit met Portaal te bespreken? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dat vind ik niet direct op mijn weg liggen. Ik weet dat dit op sommige plekken gebeurt. Portaal kent deze mogelijkheid. Als ze dit dienstig vindt en ze in goed overleg is met de huurders, dan komt dat er vast wel van. Mevrouw ZWINKELS (CDA): Voorzitter! Ik dank de wethouder voor deze beantwoording. Wij waarderen deze aanpak. Kan de wethouder van die wederkerigheid in kaart brengen wat de voordelen daarvan voor de sociale huurders zijn? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dat gebeurt regelmatig. Wij mogen zeggen dat wij in Utrecht voorloper zijn op het gebied van gemengd wonen projecten. Dat is vooral te danken aan een aantal partijen, zoals Portaal, Lister en Hogeschool Utrecht. Er is rond gemengd wonen een leer-werkplaats. Een jaar geleden is een uitvoerig rapport uitgebracht over allerlei initiatieven in Utrecht van Place2BU tot Paranadreef en De Saffier. Utrecht kan er trots op zijn dat van dit soort projecten voortdurend wordt geleerd. Mevrouw KLEINRENSINK (GroenLinks): Voorzitter! Dank voor de antwoorden. Ook wij zijn daar erg blij mee. Op het artikel waaraan werd gerefereerd, hebben veel bewoners van Place2BU gekrenkt gereageerd. Zij zijn er juist heel trots op dat zij iets voor anderen mogen doen en dat zij naar anderen mogen omkijken.
Zij hebben de journalist in kwestie uitgenodigd om een keer langs te komen voor het doen van een vrijwilligersactiviteit. Is de wethouder bereid om de journalist en eventueel ook de PVV-fractie een keer mee te nemen om een vrijwillige activiteit te doen, zodat zij kunnen zien hoe mooi dat is? De VOORZITTER: Dames en heren! Dat is een bijzondere vraag! De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Columns zijn columns. Zo moeten wij die bekijken. Die leiden hier tot een levendig debat. Dat is allemaal prima. Ik denk dat het heel verstandig is als mensen kennisnemen van de aanpak op allerlei plekken in de stad. Zeker. De heer NAGTEGAAL (PVV): Voorzitter! Het lijkt nu alsof ik tegen sociale samenwerking ben. Ik heb echter samen met de CDA-fractie een motie opgesteld om in Utrecht lief-en-leedstraten in te voeren. Het gaat mij om het verplichtende karakter. Als ik straks wil huren bij Romulus en Remus en
10
Vragenuur van 12 maart 2020 ik vink bij een vraag "nee" aan, word ik dan geweigerd? Dat zou ingaan tegen het huurrecht. De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dit gaat best wel ver. Ik weet dat Majella Wonen aanvankelijk een methode heeft gehanteerd die op deelnemers een morele druk legde. Zij hebben daarvan geleerd dat die manier niet de beste is. Ik wil de heer Nagtegaal uitnodigen om kennis te nemen van het rapport van een jaar geleden van de Hogeschool Utrecht. Daar staan dit soort bevindingen in. 8. Vragen van de heer Bakker (D66), mede namens de fracties van GroenLinks, VVD, PvdA, PVV, SP, Student & Starter, DENK, CU en CDA inzake Doe mee aan landelijk onderzoek over financiële gevolgen rijksbeleid. De heer BAKKER (D66): Voorzitter! Veel gemeenten verkeren financieel in zwaar weer en moeten bezuinigen. Voor een groot deel wordt dit veroorzaakt door landelijk beleid en kortingen vanuit het Rijk. Dit komt onder andere voort uit: - de decentralisaties in het sociaal domein en bijbehorende kortingen (tot wel 30%); - het feit dat gemeenten wettelijke hulpvragen in het sociaal domein niet mag weigeren; - een "opschalingskorting" van 1 miljard euro uit het gemeentefonds; - voor gemeenten nauwelijks ruimte om eigen inkomsten te genereren of te verhogen; - en gemeenten (in tegenstelling tot het Rijk) moeten structureel sluitende begrotingen voeren.
De klassieke autonomie van gemeenten staat hierdoor onder druk. Weliswaar niet zo heftig als op andere plekken, toch proeft ook Utrecht hier de zure vruchten van. Een voorbeeld hiervan is de impact van de herverdeling van het geld voor onderwijsachterstanden. De gemeenteraad van Enschede heeft onlangs het initiatief genomen om een analyse (zie bijlage ‘Aanbiedingsbrief Enschede’) door Dr. J. de Kruijf (Radboud Universiteit) laten uitvoeren naar wat de gevolgen van de bezuinigingen en risico-overdracht van het Rijk zijn op gemeentelijke uitgaven. Zo wordt duidelijk welke tekorten door landelijk en welke door gemeentelijk beleid worden veroorzaakt. In Enschede is het onderzoek reeks uitgevoerd: "De uitkomsten bewijzen eenduidig en onomstreden de stelling dat bezuinigingen en risico overdracht door het Rijk een zeer belangrijke rol spelen bij de zwakke financiële positie van de gemeente." De gemeenteraad van Enschede stelt dat hierdoor ook de sociale cohesie in de gemeente onder druk komt te staan. Wanneer zo veel mogelijk gemeenten dit onderzoek doen, kunnen de uitkomsten gebundeld naar het minister van BZK gezonden worden. Deze dienen als benchmark en tevens als bewijslast dat er structurele weeffouten in het systeem zitten waar gemeenten de dupe van zijn. Het onderwerp gemeentefonds staat nu volop in de schijnwerpers.
Als er eenmaal een besluit over herverdeling van het gemeentefonds is genomen, dan is dat een besluit dat voor langere tijd niet meer aan verandering onderhevig zal zijn. Juist daarom is dit ook het moment om als gemeenten gezamenlijk een krachtig signaal over de knelpunten in het gemeentefonds af te geven. Daarom hebben de fracties van D66, GroenLinks, VVD, PvdA, PvdD, PVV, SP, Student & Starter, DENK, CU en CDA de volgende vragen: 1. Is het college bereid het analyse-instrument (zie bijlage), als door dr. J. de Kruijf ontwikkeld en door de gemeente Enschede gebruikt, ook voor de gemeente Utrecht in te vullen c.q. te gebruiken, opdat er landelijke benchmark ontstaat en een bewijslast aan de minister overhandigd kan worden over de structurele weeffouten in het systeem? 2. Kan het college bekijken in hoeverre meer voor Utrecht relevante zaken (bijv. de herverdeling van het geld voor onderwijsachterstanden) ook meegenomen kan worden in het model? 3. Wil het college de raad over de uitkomsten informeren, opdat de raad deze gegevens aan de minister kan verstrekken? Zo ja, wat is een termijn die niet te ver weg ligt en wel haalbaar is? Mevrouw KLEIN (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Het antwoord op vraag 1. Volmondig ja. Het antwoord op vraag 2. De kracht van zo'n benchmark is dat alle gemeenten dezelfde informatie leveren.
Als wij daar dingen aan willen veranderen, dan denk ik dat dit tot vertraging leidt
11
Vragenuur van 12 maart 2020 die wij beter niet kunnen hebben, omdat de besluitvorming over de herverdeling van het gemeentefonds vóór het einde van de zomer wordt verwacht. Het is belangrijk dat onze input dan ook meekan. Wat wij wél kunnen doen - en wat ik wil voorstellen - is dat wij in de toelichting die wij hierbij kunnen geven ook specifiek ingaan op voor Utrecht relevante zaken, waaronder bijvoorbeeld het onderwijsachterstandenbeleid, zodat dit op die manier helder is. Dat zullen wij ook via alle andere kanalen blijven doen. Het antwoord op vraag 3. Ja, wij willen dat graag zo snel mogelijk doen. Ik zeg daar bij: uiterlijk tweede kwartaal, niet helemaal aan het einde daarvan. De eenvoudige reden daarvan is dat wij nu heel druk bezig zijn met de voorbereiding van de jaarstukken en de voorjaarsnota. Zodra het lukt, komt ook dit naar de raad toe. De heer BAKKER (D66): Voorzitter! Veel dank, succes! 9. Vragen van de heer El Abassi (DENK) inzake Huishoudsamenstelling conform wet- en regelgeving? De heer EL ABASSI (DENK): Voorzitter! In de Telegraaf van 11 februari 2020 zegt de wethouder het volgende: "De voorrangsregels vinden wij van belang om te voorkomen dat kleinere huishoudens in grote woningen terechtkomen.
Wij vinden het van belang dat er sprake is van een duurzaam huishouden, zodat voor de lange termijn wordt geborgd dat een groter huishouden inderdaad in een groter huis woont." Om het bovenstaande te kunnen waarborgen, is in de huisvestingsverordening van 2015 en 2019 een bezettingsnorm opgenomen. Grote huishoudens hebben bij grote woningen voorrang. De wethouder doelt in het citaat op het feit dat Woningnet overige bewoners zoals nichten, neven, broers en zussen uit de huishoudsamenstelling uitzondert, terwijl uit de huisvestingsverordening en jurisprudentie blijkt dat het gewoon mogelijk is dat deze groepen een gezamenlijk huishouden voeren. De regels van Woningnet lijken in strijd te zijn met het hogere recht en met de jurisprudentie. Naar aanleiding hiervan stelt de DENK-fractie tot de volgende vragen. 1. Is het college het met de DENK-fractie eens dat de door Woningnet genoemde overige bewoners zoals neven, nichten, broers en zussen volgens wetgeving en jurisprudentie tot het huishouden kunnen behoren? Zo ja, wat vindt de gemeente ervan dat Woningnet deze groepen uitsluit? Zo nee, kan het college stukken met ons delen waaruit blijkt dat deze groepen volgens de wet niet tot het huishouden behoren? 2. Het is in geen enkel geval te voorspellen of mensen duurzaam zullen samenleven.
Vindt het college niet dat de vrees dat deze groepen niet duurzaam zullen samenleven geen reden is om af te wijken van de wet- en regelgeving? 3. Klopt het dat de bezettingsnorm is opgenomen in de huisvestingsverordening met als doel om te borgen dat grote huishoudens in grote woningen terechtkomen en kleine huishoudens in kleine woningen? Zo nee, met welk doel is het dan in de huisvestingsverordening opgenomen? 4. Wat doet het college om ervoor te zorgen dat woningcorporaties zich houden aan de huisvestingsverordening en de geldende jurisprudentie? 5. Is het college het met ons eens dat wanneer familieleden niet mogen samenwonen dit gevolgen heeft voor de maatschappelijke opgave vanuit de overheid, namelijk dat familieleden meer op elkaar moeten zijn aangewezen met betrekking tot zorg en zelfredzaamheid? Zo nee, waarom niet? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Het antwoord op de vragen 1 en 2. In de regionale huisvestingsverordening Regio Utrecht is onder het begrip "huishoudens" opgenomen dat daarmee wordt bedoeld "een alleenstaande of twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren". De rechtspraak leert dat het begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding restrictief wordt uitgelegd.
Ten aanzien van het samenwonen van broers, zussen, neven en nichten is in het algemeen geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat het meestal gaat over een tijdelijke situatie en een intentie tot een tijdelijke situatie. Echter, het samenwonen van broers en zussen is niet per definitie door de huisvestingsverordening uitgesloten. Het kan dus wel.
12
Vragenuur van 12 maart 2020 In de praktijk wordt er in Utrecht momenteel gehandeld in lijn met de jurisprudentie. Tegelijkertijd zijn er op basis van maatwerk uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld in mantelzorgsituaties, als woningzoekenden kunnen aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het antwoord op vraag 3. Dat klopt. Op die manier wordt de ruimte die er is zo eerlijk mogelijk verdeeld. Het antwoord op vraag 4. Woningbouwcorporaties moeten zich uiteraard houden aan de regelgeving. Daarnaast is er natuurlijk altijd voor mensen de mogelijkheid om zich te wenden tot de regionale klachtencommissie en is er een mogelijkheid tot bezwaar en beroep. Wij voeren hierop geen actief handhavingsbeleid. Het antwoord op vraag 5. Wij vinden dat woningzoekenden de vrije keus hebben om samen te wonen met wie zij willen. Echter, voor de toets op passendheid wordt de definitie van "duurzame gemeenschappelijke huishouding" gehanteerd, zoals opgenomen in de regionale huisvestingsverordening. Ten aanzien van zorg is op basis van maatwerk een uitzondering mogelijk als woningzoekenden kunnen aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden, bijvoorbeeld in het geval van mantelzorg.
De heer IŞIK (PvdA): Voorzitter! Kan het college toezeggen dat als in het geval van mantelzorg het duurzame gemeenschappelijke huishouden wordt beëindigd, degene die de zorg heeft verleend niet op straat belandt? De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Ik moet de heer Işik het antwoord op deze vraag schuldig blijven, want hoe dit in zulke situaties is geregeld, weet ik niet. Ik zal dat uitzoeken. Ik kom daarop terug. De heer IŞIK (PvdA): Voorzitter! Ik dank de wethouder zeer. De VOORZITTER: Dames en heren! Dit is een creatieve manier om met het vragenuur om te gaan. Ik heb dit genoteerd. De heer EL ABASSI (DENK): Voorzitter! Ik hoor de wethouder zeggen dat uitzonderingen mogelijk zijn. Op Woningnet is men daar heel stellig in. Daar worden letterlijk de zojuist door mij genoemde groepen uitgesloten. Zij zeggen dat het niet kan. Er wordt geen uitzondering gemaakt. Kan de wethouder bevestigen dat dit op Woningnet te stellig is opgenomen? Wat gaat de wethouder daaraan doen? Kan de wethouder op basis van wat ik net heb gezegd bevestigen dat wat op Woningnet staat, te stellig is? Daar staat dat deze groepen zonder uitzondering worden uitgesloten. De heer DIEPEVEEN (wethouder): Voorzitter! Wij moeten dat nog even precies bekijken. Ik wil toezeggen dat wij na de communicatie van Woningnet dit punt nog even zullen bekijken. 10.
Vragen van mevrouw Zwinkels (CDA) inzake Ook de Dom circulair! Mevrouw ZWINKELS (CDA): Voorzitter! Afgelopen vrijdag presenteerde het college zijn actieprogramma Utrecht Circulair 2020-2023. Daarin is voor een aantal projecten opgenomen hoe bouw- en sloopafval duurzaam verwerkt en hergebruikt kan worden. Ook bij de restauratie van de Dom komen materialen vrij. Op de meest recente raadsinformatiebijeenkomst werd gezegd dat nog niet duidelijk is hoe daarmee moet worden omgegaan. Inmiddels melden zich initiatiefnemers die dit materiaal een nieuwe bestemming willen geven. Daarom stellen wij de volgende vragen. 1. Is het college het met ons eens dat dit een mooie kans is om in de richting van onze inwoners en de rest van Nederland de doelstellingen op het gebied van circulariteit uit te stralen? 2. Klopt het dat bij de restauratie er naar schatting zo’n 600 m³ steen vrijkomt? Welke andere materialen, bijvoorbeeld steigernetten en bouwdoeken, komen dan nog meer vrij?
13
Vragenuur van 12 maart 2020 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Wat gebeurt daarmee volgens de huidige werkwijze van de gemeente en de aannemers? Kan het college toezeggen dat het er alles aan doet om te voorkomen dat dit materiaal als afval wordt afgevoerd en dus verloren gaat? Heeft de gemeente al nagedacht over de waarde van deze materialen en de manier waarop derden dit materiaal kunnen hergebruiken? Welke samenwerking met initiatiefnemers, culturele sector en onderwijs is daarbij kansrijk? Op de raadsinformatiebijeenkomst werd gesproken over ideeën voor een depot en een mogelijk publiek toegankelijke tentoonstelling. Zijn deze ideeën al concreter gemaakt? En welke andere ideeën zijn er om de cultuurhistorische waarde van het materiaal zichtbaar te maken? Ziet het college mogelijkheden om geselecteerde ideeën te koppelen aan Utrecht 900 jaar? Is het college bereid om de raad per brief te informeren over het hergebruik van het materiaal en over de voortgang hiervan inclusief de bijbehorende afspraken?
De heer VERSCHUURE (wethouder): Voorzitter! Dank voor de vragen. Het antwoord op vraag 1. Wij zijn het ermee eens dat ook de Domtoren mooie kansen op circulariteit biedt. Naast natuursteen en lei zijn ook kwalitatief goede steigernetten gebruikt. Die hoeven minder vaak te worden vervangen. Wij hebben ook daarover nagedacht. De vrijkomende steigernetten worden als restafval afgevoerd. De netten zijn van kunststof en worden broos. Het antwoord op de vragen 2 en 3. De vrijkomende steenachtige materialen worden laagwaardig hergebruikt omdat de afvalstromen in de bouw worden gescheiden. Ze worden verwerkt tot granulaat dat als funderingsmateriaal wordt ingezet bij de wegenbouw en bij grondwerken. In het rijksbrede programma circulaire economie wordt 95% ervan hergebruikt. Het antwoord op vraag 4. Ja. In de restauratieopgave wordt er op drie manieren mee omgegaan. Wij zullen dat doen. Het antwoord op vraag 5. Ja, wij hebben de partijen benaderd om na te denken over het geven van een tweede leven aan de vrijkomende materialen. Wij slaan de waardevolle stenen tijdelijk op totdat er ideeën voor zijn uitgewerkt. Het antwoord op vraag 6. Ja, er is een tijdelijke opslaglocatie in Utrecht voor waardevolle en mooiere stenen georganiseerd. Tevens komt er in de bouwschutting een vitrine om de blokken tentoon te stellen. Andere ideeën werken wij nog uit. Het antwoord op de vragen 7 en 8.
Conform de toezegging die op de raadsinformatiebijeenkomst is gedaan, informeren wij de raad per raadsbrief over het plan om de natuurstenen een tweede leven te geven en de ideeën om de cultuurhistorische waarde van dit materiaal in de stad zichtbaar te maken. Met de door ons benaderde partijen die daar ook over nadenken, bespreken wij of er een koppeling met de viering voor Utrecht 900 jaar te maken valt. Mevrouw ZWINKELS (CDA): Voorzitter! In het kader van 900 jaar ben ik blij met dit antwoord, net als met de tentoonstelling van de bouwmaterialen. Ik hoor de wethouder echter ook zeggen dat een groot deel van de materialen wél als restafval wordt afgevoerd, of misschien als puin wordt gebruikt voor het aanleggen van wegen. Dat vind ik heel erg laagwaardig. Kan de wethouder toezeggen om ons daarover een brief te sturen? Misschien moet dat een raadsvoorstel zijn om te bekijken hoe wij tot een meer hoogwaardige inzet van deze materialen kunnen komen. Wij hebben daar allerlei ideeën over. Er zijn ook andere initiatiefnemers. Wij zien dat het risico bestaat dat er materialen verloren gaan. De heer VERSCHUURE (wethouder): Voorzitter! Ik heb gezegd wat ik heb gezegd. Wij kunnen een deel van de materialen gebruiken. Wat hoogwaardig is, proberen wij een tweede leven te geven. Echter, niet al het materiaal is hoogwaardig.
Wij proberen dat echter toch een tweede leven te geven door het te gebruiken als granulaat. Dat kan helaas niet met alle materialen. De VOORZITTER: Dames en heren! Ik dank het college voor de beantwoording en de raadsleden voor het stellen van de vragen. Hierna sluit de voorzitter, aangezien niets meer aan de orde is, het vragenuur.
14
Vragenuur van 12 maart 2020
15
Vragenuur van 12 maart 2020
16