Verslag gesprek rapporteurs en ambtelijke organisatie 15 april 2025
Tekst van het document
VERSLAG BIJEENKOMST RAPPORTEURS RAADSTOETS ECONOMIE 15 april 2025 Deelnemers
Mariam Al-Saqqaf
raadslid
Johan Dorst (voorzitter)
plv. griffier
Rachel Heijne
raadslid
Adrie-Jan de Korte
onderzoeker
Sjaak van Bemmel Maarten Kiers
Willemien Kok
commissielid
adviseur bestuurlijke zaken
commissiegriffier VOWE
Boudewijn Kuijl
teammanager Toekomstbestendige werklocaties
Maarten Keesman
teammanager Investeringsklimaat
Marije Schuring
afdelingshoofd Economie
Notulen
Rosenbaum Select, notulisten & verslaggevers Opening en inleiding
De heer Dorst heet allen welkom. Ten behoeve van de verslaglegging wordt er een geluidsopname gemaakt; geen van de aanwezigen heeft hier bezwaar tegen. Het verslag verschijnt t.z.t. op het
raadsportaal, waar ook verslagen van eerdere raadstoetsen te vinden zijn. De deelnemers mogen het verslag vóór publicatie becommentariëren. De bevindingen van de raadsrapporteurs worden met de afdeling afgestemd.
Er zijn jaarlijks twee raadstoetsen, ingericht volgens de methode Duisenberg. Dit helpt raadsleden om in de enorme hoeveelheid informatie de gegevens te vinden die nodig zijn voor een beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Dit jaar zijn de programma’s Wonen en
Economie gekozen. Voorheen begonnen de raadstoetsen als de jaarrekening in concept klaar was maar dat bleek aan de late kant te zijn. Daarom gaat er één raadstoets over de
programmabegrotingen 2024 en 2025 en dat is dit jaar de raadstoets Wonen. De tweede raadstoets, over Economie, is in het voorjaar begonnen.
Doel van het gesprek is een gedachtewisseling tussen de raadsrapporteurs en de beleidsambtenaren. Voor de raadsrapporteurs is het interessant om te horen wat er allemaal nodig is voor de uitvoering van het beleid, en voor de beleidsambtenaren is het belangrijk om te weten hoe de raad die uitvoering ervaart. Uit eerdere edities van de raadstoets is gebleken dat dit over en weer tot meer duidelijkheid en meer begrip leidt. De voorzitter benadrukt dat de raadsrapporteurs de ambtenaren aanspreken op hun deskundigheid, en hen vanuit dat perspectief om toelichting vragen. Er worden
1 van 10
geen politieke standpunten ingenomen. De raadsrapporteurs vertegenwoordigen de gemeenteraad – niet hun fractie. Alle vragen die de raadsrapporteurs hadden, werden al schriftelijk beantwoord, waarvoor een groot compliment aan de ambtenaren.
Deel 1 – Ontwikkelingen programma economie 1.
Algemeen
Uit het antwoord op de eerste algemene vraag blijkt dat de ambtelijke organisatie met tevredenheid terugkijkt op 2024, maar zich ook zorgen maakt over de bezuinigingen. De raadsrapporteurs zijn benieuwd hoe het de ambtenaren vergaat in hun werk. Vanuit de ambtelijke organisatie wordt
verduidelijkt dat bijsturen een belangrijke rol van de afdeling economie is; dit kan met een handjevol of met een grote groep medewerkers, maar met meer medewerkers kun je meer bereiken. De
afdeling is nu met ongeveer 40 personen. Zij ontwikkelen het beleid voortdurend door, werken zodoende steeds doelmatiger en doen dit met veel werkplezier.
De zorgen vormen de keerzijde: de middelen, toegekend naar aanleiding van het Rekenkamerrapport uit 2021, komen mogelijk niet volledig. Door de druk op de budgetten in combinatie met de grote groei van de stad is het moeilijk voor de afdeling om de basis op orde te krijgen. De kern van het Rekenkamerrapport is dat ook de relaties in de stad op orde moeten zijn. De afdeling investeert
daarin, en vangt dan regelmatig signalen op. Het midden- en kleinbedrijf bijvoorbeeld, heeft het moeilijk.
In het kader van het strategisch vermogen van de afdeling wordt de ontwikkeling van Groot Merwede genoemd: er komt als het ware een complete stad bij, waardoor het karakter van de bestaande stad zal veranderen. De afdeling kan dan niet volstaan met adviezen over woon-, werk- en
mobiliteitsprogramma’s – dergelijke ontwikkelingen roepen de vraag op wat voor ’n stad Utrecht wil
zijn, en waarop nú moet worden ingezet om die stad over enkele jaren te zijn: een evenwichtige stad
waarin genoeg en passend werk is voor de inwoners. Aan die strategische visie komt de afdeling nog te weinig toe, en aan toetsen of dit in de praktijk gebeurt ook niet.
In vergelijking met andere grote steden heeft Utrecht een relatief kleine afdeling Economie. Het gevolg is dat deze bij bezuinigingen onevenredig hard wordt geraakt. 2.
Nieuwe economie
Wat verstaat de afdeling onder ‘nieuwe economie?’ Welke ‘pijnlijke keuzes’ moeten er worden gemaakt en wie maakt die keuzes?
Nieuwe economie gaat onder andere over circulariteit, biodiversiteit en inclusiviteit – samengevat als Brede Welvaart. In Utrecht is men het erover eens dat de economie die kant op moet worden
2 van 10
gestuurd. Daar wordt dus steeds op bijgestuurd, al is het begrip Brede Welvaart nog wel wat abstract. Er is regelmatig overleg met bedrijven, om hen erin mee te krijgen. Dit is een zaak van lange adem. Echter, als je sterk dáárop focust, is het risico dat de aandacht voor traditionele economie afneemt,
terwijl die er nog wél is. Denk aan winkels en kleine bedrijven; zij hebben hier lang niet allemaal geld voor, en wellicht past de ‘nieuwe economie’ ook niet bij hun bedrijfsmodel.
Bij de afdeling economie zullen altijd medewerkers nodig zijn die zaken kunnen doen voor de
gemeenteraad of een activiteit voor een wethouder kunnen organiseren. Met een kleine afdeling gaat de ontwikkeling van de nieuwe economie dan dus minder vlot. Het zal pas lukken als de basis goed op orde is.
De Nieuwe Economie Index (NEx) zegt iets over goed werkgeverschap – dat type werkgever willen we aan de stad binden of juist binnenhalen. Keuzes worden gemaakt op basis van de NEx. De gemeente kan echter niet voor alle sectoren in de stad (arbeidsmarkt)beleid maken. Er is dus gericht gekozen voor sectoren met maatschappelijke meerwaarde en grote personeelstekorten. Hier valt te denken
aan de zorg, de bouw en de energietransitie. Als je de arbeidsmarktproblemen in die sectoren wat kunt verzachten, draagt dat bij aan de oplossing van een breder maatschappelijk vraagstuk.
De gemeente wil zich niet alleen op koplopers richten, want die zijn vaak al goed op weg en
herkennen zich ook wel in de NEx-gedachte. Hun ondersteuningsvraag is doorgaans ook niet zo groot. De gemeente wil zich op de breedte richten van de bedrijvigheid in de stad, om ook ‘het
peloton’ goed mee te nemen. Dit is deels reeds bestaande inzet, bijvoorbeeld via het programma Ondernemer Centraal.
Ambtelijk wordt opgemerkt dat de ondernemingen op de Utrechtse bedrijventerreinen niet steeds met de nieuwe economie bezig zijn, maar vooral met de dagelijkse gang van zaken: hun personeel, hun huisvesting – hun primaire proces. Dit is ook nodig, voor een goed functionerende stad. In die bedrijvigheid is voldoende fysieke ruimte de grootste uitdaging. Het zou de afdeling, de economie én de stad helpen als daar meer aandacht voor komt. De raadsrapporteurs zijn benieuwd hoe de ruimte voor werk zich verhoudt tot de huidige
arbeidsmarktkrapte. Vanuit de afdeling economie wordt erop gewezen dat de bevolking van Utrecht
groeit; er komen meer mensen en meer bedrijven, waardoor er meer ruimte voor werk nodig is. Ook de transitie naar circulaire economie vraagt om meer ruimte: voor opslag, vervoer en bewerking van goederen. Wat dan uiteindelijk ook tot meer behoefte aan personeel leidt. Juist voor circulaire economie zijn veel vakmensen nodig – waar nu juist zo’n tekort aan is.
De NEx is een uitnodiging aan bedrijven om zelf in actie te komen, maar als er geen ruimte voor die bedrijven is, valt er niets te activeren. Een van de mensen van economie vult aan dat de overheid voorheen bij nieuwe subsidie- of investeringsaanvragen vaak vroeg naar hoeveel banen dit zou
opleveren; in de huidige situatie zou het meer voor de hand liggen om te vragen hoeveel banen het
3 van 10
uitspaart, want de mensen zijn er niet. Dit is een lastig dilemma! Want enerzijds groeit de stad, en wil je dat mensen die in de stad wonen in de stad kunnen werken. Hier ligt ook een mobiliteitsvraagstuk
achter, want we willen niet dat Utrecht een forensenstad wordt. Maar anderzijds hebben we te maken met de arbeidsmarktkrapte, en willen we investeren in arbeidsbesparende technologie.
De raadsrapporteurs vragen zich af of in toekomstige beleidsstukken een sterkere link zal worden gelegd naar de NEx. Hierop legt de afdeling uit dat dit aspect al wel meer wordt meegenomen in
afwegingen bij dagelijks werk. Circulaire economie is daarbij bijis daarin een keten op zichzelf, met
veel NEx-potentieel. De afdeling economie streeft ernaar om daar de juiste aandacht voor te hebben, met vragen als: wat hebben we nodig voor een passende stedelijke circulaire economie? Is er plaats voor circulaire economie? Hebben we de mensen ervoor? Is er voldoende financiering voor? Daarbij
wegen aspecten zoals verduurzaming en het aanbod van energie mee. De raadsrapporteurs dringen erop aan om dit expliciet te noemen, zodat de raad erop kan sturen. 3.
(c) Stad in balans
Hier wordt aangegeven dat er de komende jaren zo’n 100.000 inwoners bij komen en dat er daarom zo'n 70.000 banen bij moeten komen. Bij die 100.000 nieuwe inwoners kunnen ook jongeren en ouderen zijn. Dat klopt, zegt men ambtelijk. De getallen zijn ontleend aan de Ruimtelijke Strategie Utrecht (RSU). Bij vergelijkbare gemeenten werd onderzoek gedaan naar de goede verhouding tussen aantal inwoners en aantal banen. 70.000 is kwantitatief, maar in de beleidslocatie Werklocaties wordt de ambitie uitgesproken om zich meer te richten op kwaliteit van de werkgelegenheid, en daarop bij te sturen waar nodig. Goedbetaalde commerciële functies binnen bepaalde sectoren vinden vanuit de marktwerking vanzelf wel een plek in de stad, banen in de financiële sector bijvoorbeeld. Traditionelere of minder commerciële bedrijvigheid, veelal op mbo-niveau, vindt niet snel een plek. De werkgelegenheid binnen die sectoren stabiliseert of neemt af, terwijl juist die banen zo hard nodig zijn voor een inclusieve stad, een ‘tienminutenstad’ met werk dichtbij. Dit raakt aan de vraag die daarstraks werd gesteld, wordt gezegd, of de NEx wel voldoende is
toegespitst op de arbeidsmarkt. De afdeling zou graag meer het gesprek over de toekomst van de stad willen voeren. Het zou helpen, stelt de ambtelijke organisatie, als er ook op dat vlak voor gekozen wordt wat voor een stad je wilt zijn en voor wie je al die banen maakt. De stedelijke economie gaat over gemeentegrenzen heen; de stad heeft de regio ook nodig (bijvoorbeeld
Nieuwegein, Houten), want bedrijven kunnen niet allemaal naar Lage Weide worden verwezen. Hoe daar tijdig op bij te sturen is voor de afdeling nog enigszins een blinde vlek.
Het is belangrijk om helder te hebben voor wie je delen van de stad bijmaakt. Wie is die bewoner? Wie is die werkende persoon? Wie wil je dat dit zijn? Als je dit niet enigszins bijstuurt, regelt de markt het zelf. Het zou helpen als de afdeling economie met een grotere visie kan werken. De afdeling kan
zaken aankaarten en voorbeelden laten zien, maar tot een stad in balans kom je alleen maar als er
4 van 10
gemeentebreed keuzes worden gemaakt. Daarbij zal Lage Weide belangrijk blijven als vestigingsplek voor bedrijvigheid, 4.
(b) Arbeidsmarkt
Utrecht is een van de weinige (grote) gemeenten die het thema arbeidsmarkt bij de afdeling economie heeft belegd. Wat zijn hier de voor- en nadelen van? En hoe doen andere gemeenten het? Men geeft ambtelijk aan dat Utrecht van andere grote steden veel complimenten krijgt voor de beleidsnota Arbeidsmarkt. Juist op dit thema streeft Utrecht een integraal langetermijnbeleid na. De nota
Arbeidsmarkt biedt de mogelijkheid om in te grijpen in sectoren waar tekorten zijn. Dit vraagt om
integrale aanpak waarbij Onderwijs, Maatschappelijke ontwikkeling, Werk & Inkomen én Economie betrokken zijn. Zo is de opgave nu ook georganiseerd. Bij andere steden is Arbeidsmarkt enkel belegd bij Werk & Inkomen. Dat is ook een optie, maar die afdeling heeft een meer uitvoerend karakter. Het team Arbeidsmarkt past nu goed bij de afdeling Economie. 5.
Netcongestie
Bij 5a wordt aangegeven dat de afdeling meer proactief wil inspelen op uitdagingen, waaronder netcongestie, een zeer urgent vraagstuk. Hoe ziet de afdeling haar eigen rol in dezen? Hierop licht men ambtelijk toe dat het aan netbeheerders is om met structurele oplossingen te komen; de afdeling economie kijkt naar de impact op verschillende doelgroepen, in het bijzonder de ondernemers in de stad. Het is opmerkelijk dat ondernemers vaak maar beperkt weten hoe hun energieverbruik is, dus bewustwording is hier een belangrijk punt van aandacht. Hier kan de gemeente een procesrol spelen, bijvoorbeeld door ondernemers met elkaar in contact te brengen zodat zij van elkaar kunnen leren. Als dat goed lukt, wordt netcongestie eerder een kans dan een bedreiging: samen zoeken naar oplossingen, en goed gebruik maken van elkaars piek- en daltijden in energieverbruik. De gemeente kan dat stimuleren. Organisatievragen van ondernemers komen veel bij het Ondernemersfonds terecht. De afdeling
economie organiseerde onlangs een bijeenkomst voor de achterban van het Ondernemersfonds
waarin van gedachten werd gewisseld over het netcongestievraagstuk, en welke oplossingsrichtingen de ondernemers zelf zagen. 6.
Weerbaarheid Utrechtse economie
Hoe weerbaar is de Utrechtse economie? Best goed, vindt men ambtelijk; de Utrechtse economie is
een mix van verschillende soorten grote en kleine bedrijven. De vraag is natuurlijk of dit geheel in de toekomst ook weerbaar blijft. In de coronajaren werd de Utrechtse economie sterk op de proef
gesteld – en liet weerbaarheid zien. Het beeld is echter wel wat vertekend, want er is in onze stad veel zakelijke dienstverlening zoals de grote consultancykantoren en IT-dienstverleners. Die konden in
coronatijd gewoon doorwerken. Het kleine MKB (tot en met tien medewerkers) stond er heel anders voor. Op macro-economisch niveau is de Utrechtse economie weerbaar, op microniveau minder of niet. Dit hangt samen met organisatiegraad: hoe beter georganiseerd, hoe weerbaarder.
5 van 10
Zie 6c. Hier wordt de suggestie gedaan om niet apart een team accountmanagement aan te houden. Maar hoe werkt dat dan? Betekent dit dat beleidsmedewerkers het contact met ondernemers ‘erbij doen?’ Zijn dat dan geen heel verschillende vaardigheden? Vanuit de afdeling economie wordt
aangegeven dat men denkt dat de gemeente wel meer aan accountmanagement zou kunnen doen,
want de grote spelers in de stad komen in bijna alle gemeentelijke dossiers voor. Dan is het prettig en werkbaar als je elkaar kent en weet wat er speelt. De stelling dat er ‘apart accountmanagement’
niet gewenst is, betreft de visie op relatiebeheer. Dit ziet men ambtelijk voor de afdeling economie als onderdeel van ‘de basis op orde’ zoals de Rekenkamer heeft beschreven, want beleidsacties worden altijd ingezet voor langetermijndoelen voor bepaalde doelgroepen. Dan helpt het als er
gerichte contacten zijn in de stad waar de afdeling zo nu en dan kan vragen of een bepaalde inzet
helpt. Zo niet, dan kan er worden bijgestuurd. De afdeling probeert dit te blijven doen, ondanks de beperkte middelen. Accountmanagement is dus geen doel op zichzelf, zo wordt aangevuld. 7.
Blijvende krapte arbeidsmarkt
8.
(c) Verdeling van (te) schaarse beschikbare ruimte
Geen aanvullende vragen.
Hier wordt beschreven dat het aan alle kanten knelt. Heeft de gemeente op dit vraagstuk wel toegevoegde waarde? Vanuit de afdeling economie wordt uitgelegd dat er op een gezonde
vastgoedmarkt 5 à 7% frictieleegstand nodig is. De leegstand op de kantorenmarkt is nu 2 à 3%. Dat is te weinig. De gemeente probeert de beschikbare ruimte zo goed mogelijk te gebruiken, zie
bijvoorbeeld Strijkviertel, waar aan uitbreiding wordt gewerkt die over een paar jaar op de markt
komt. Utrecht onderhoudt ook contact met de U10 en de provincie, om te komen tot goede afspraken over bedrijventerreinen en de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen, om de druk op de markt wat te kunnen verlichten. Stijgende prijzen zijn het gevolg van de hoge druk, waardoor het risico bestaat dat alleen sterk winstgevende sectoren nog een kans maken op een plek in de stad.
Wat merkwaardig, wordt gezegd, er is nauwelijks speling, slechts 2 à 3%. Waarom zet de afdeling economie daar dan toch op in om daarop bij te sturen? Omdat we die bedrijventerreinen en
kantorenlocaties nodig hebben, zegt men, om de stad goed te laten functioneren. Bedrijventerreinen moeten dus niet te veel worden gebruikt voor andere bedrijfsfuncties. De raadsrapporteurs vragen zich af of de stad hiermee niet haar eigen schaarste creëert. Door verdichting komt er meer
beweegruimte, wat meer bedrijven van buitenaf aantrekt. Hierop wijst een van de ambtenaren erop
dat de ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties een langjarig proces is. Die locaties moeten ondertussen wel goed worden onderhouden, anders zakken ze af. Gevolg: verloedering, sloop bedrijvenlocatie, vertrek van de bedrijven naar elders. Dat is niet wat we willen voor de
groeiende stad. Voor de grote nieuwe gebieden zoals Leidsche Rijn en Groot Merwede hebben wij die bedrijvigheid ook nodig. De afdeling hoopt dat er niet alleen bedrijven van buiten komen, maar dat reeds gevestigde bedrijven groeien.
6 van 10
9.
Subsidie winkelgebieden
10.
Integratie economie met andere beleidsvelden
Bij a had moeten staan: Vijf winkelcentra hebben in 2024 subsidie gekregen.
Hier wordt aangegeven dat het realiseren ‘van voldoende programma voor werken’ de grootste
uitdaging is. Wat betekent dat? Een van de mensen van economie geeft aan dat dit hoeveelheden
vierkante meters betreft (kantoren, wonen etc.). Projectontwikkelaars hebben hun eigen voorkeuren; de afdeling economie wijst er dan op dat er ook ruimte moet zijn voor stads- of wijkgerichte
bedrijvigheid en voor sociale ondernemingen, die vaak minder opleveren voor een ontwikkelaar, maar wel voor de stad. 11.
Beleidsnota’s
Wanneer komt het integraal beleid op het gebied van detailhandel en horeca en de beleidsregels op
het gebied van logies? Ambtelijk wordt aangegeven dat dit nog niet gepland is. Ze horen er echter wel bij als het gaat over integraliteit. Het zou de afdeling helpen als de raad er expliciet naar zou vragen. In het antwoord wordt aangegeven dat het bestaande beleid zichzelf soms tegenspreekt. Vanuit de afdeling economie wordt aangegeven dat dit veel ambtelijke afstemming vraagt, om voor
marktpartijen zo duidelijk mogelijk te zijn, willekeur te vermijden en uit één mond te spreken. De
tegenstrijdigheden gaan veelal over sluitingstijden en branchering. Voor verdere verdieping van het antwoord zal de vraag in de nazending worden voorgelegd aan de dossierhouder. 12.
Beleidsnota werklocaties
13.
Activiteiten die in 2024 zijn beëindigd
14.
Capaciteitsuitbreiding op ‘Goed Beleid Maken’
Geen aanvullende vragen.
Aanvullende vragen worden overgeslagen.
Hier wordt aangegeven dat de gemeente een kavel op Lage Weide heeft gekocht, ‘ter verdichting en
verduurzaming’. Hoe draagt dit bij aan verduurzaming? Vanuit de afdeling economie legt men uit dat de Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU) vaak besluit om verouderd vastgoed te slopen en dan nieuwbouw te realiseren. Nieuwbouw is over het algemeen duurzamer, alleen al wat betreft het energielabel. 15.
NV OMU
16.
Marktgroepenaanpak
Aanvullende vragen worden overgeslagen.
Geen aanvullende vragen.
7 van 10
17.
Inclusieve arbeidsmarkt
18.
Ondernemersfonds Utrecht
Geen aanvullende vragen.
Zie de beantwoording, punt 2. Hier wordt aangegeven dat de gemeente als eigenaar van niet-
woningen bijdraagt aan het Ondernemersfonds, via de ozb. Toch praat de gemeente niet mee over de besteding. Waarom niet? Ambtelijk wordt toegelicht dat op verzoek van de raad is uitgezocht hoeveel de gemeente jaarlijks bijdraagt aan het Ondernemersfonds – dat is ongeveer € 100.000. In bepaalde
trekkingsgebieden praat de gemeente als gebouweigenaar wel actief mee, bijvoorbeeld in het gebied rond de Jaarbeurs. In dat stuk van de stad lopen veel projecten, gefinancierd door het
Ondernemersfonds. Via de Utrechtse Vastgoed Organisatie is de gemeente betrokken. Dit valt niet onder de afdeling economie.
Het is dus iets genuanceerder dan in het antwoord is weergegeven. Dit zal worden aangepast vóór het vraag- en antwoorddocument wordt gepubliceerd. 19.
Utrecht International Centre
Wat is erop tegen om geen UIC te hebben? Volgens de afdeling economie mist de stad dan de kans om de internationale gemeenschap basisdienstverlening te bieden. Dit gaat over studenten uit
buitenlanden, arbeidsmigranten, kenniswerkers en meer. Zij kunnen bij het UIC hun belangrijkste formaliteiten regelen. Als dit niet meer kan, moeten zij dat ergens anders gaan doen, veelal in verschillende andere steden. Werkgevers betalen voor de dienstverlening van het UIC aan hun
buitenlandse medewerkers. De Universiteit Utrecht, gemeente Amersfoort en Provincie Utrecht maken het UIC mede mogelijk door middel van een financiële bijdrage.
Veel andere steden hebben ook zo’n informatiebalie; daar heet deze dienst meestal Expat Centre.
Utrecht wil juist een loket bieden voor de brede internationale gemeenschap. De raadsrapporteurs zijn benieuwd hoeveel tijd en capaciteit dit de afdeling kost. Die vraag wordt later beantwoord. 20.
Risico’s
Hier is aangegeven dat de begroting en de jaarrekening niet overeenkomen. Zie bij b: de
raadsrapporteurs veronderstellen dat juist de nieuwe applicatie bij Ondernemer Centraal voor een efficiencyslag zou zorgen, maar in het antwoord wordt gesproken van een andere efficiencyslag. Vanuit de afdeling wijst men erop dat de raad binnenkort een brief ontvangt over Ondernemer
Centraal. Wat betreft de efficiencyslagen: die zijn allebei gemaakt. Er werd aanvankelijk gewerkt met coronamiddelen; dat budget was hoger dan het huidige. Nu er een kleiner budget is, moesten er
scherpe keuzes worden gemaakt, en is zo kritisch mogelijk gekeken hoe de uitvoering nóg efficiënter ingericht zou kunnen worden.
Deel 2 – Financiële beeld en reserves
8 van 10
Zie het antwoord op vraag 1.b.b., ‘De middelen zijn gestort in de reserve’. Waar wordt die reserve (€ 2,8 miljoen) voor gebruikt? Waarom is dit geld apart gezet nu er zo weinig financiële ruimte is?
Men legt uit dat dit grotendeels bedoeld is voor het afdekken van risico’s, bijvoorbeeld een lening,
een investering of een garantstelling. Het gaat in dit geval om investeringen van OMU (verdichten en verduurzamen) en ROM (innovatieve bedrijvigheid).
Voor de OMU-middelen geldt dat er een langetermijninvesteringsprogramma wordt gerealiseerd.
Hierbij wordt goed gelet op kansen in de markt, aan de hand waarvan wordt bepaald of de gemeente
actief grondbeleid gaat voeren. De betreffende beleidsnota loopt tot 2035. Er is sprake van krapte op de markt voor bedrijventerreinen; het is dus nogal een uitdaging om kansen te grijpen. De
vastgoedmarkt, onder andere op Lage Weide, wordt gedomineerd door logistieke partijen. De gemeente wil een minder dominant aandeel van logistiek in de opnamecijfers, en meer MKBbedrijven bijvoorbeeld, dus de gemeente neemt daar een wat actievere rol. Deel 4 – Gerelateerde partijen (ROM, WOM, OMU en EBU) De raadsrapporteurs zijn benieuwd hoe de samenhang is tussen de vier genoemde partijen, en op basis waarvan er voor WOM’s in Noordwest en Lombok werd gekozen.
ROM richt zich op investeringen in bedrijven, OMU investeert in bedrijfslocaties. Zij werken nauw
samen en zij hebben regelmatig overleg. Ook ROM en EBU (gevestigd in één gebouw) werken veel samen.
De keuze voor Noordwest en Lombok (WOM) is al tien à vijftien jaar geleden gemaakt. Dit waren toen wijken waar veel sociaal-maatschappelijke en economische problemen waren. De WOM is als
instrument ook wel in andere wijken toe te passen; het hangt echter van de problematiek af en de
mate waarin de overheid het nodig vindt om te interveniëren. Daarnaast is de financiering een punt
van aandacht de beide WOM’s werden indertijd opgericht met Europees geld; het kostte de gemeente niets. Er is nu geen geld om iets soortgelijks te kunnen opzetten.
In de beantwoording is ook aangegeven dat er in de raden van commissarissen van de WOM
ambtenaren zitting hebben op persoonlijke titel. Vanuit de afdeling economie licht men toe dat de
gemeente enig aandeelhouder is van de WOM’s. De ambtenaar twijfelt eraan of de ambtenaren zitting hebben op persoonlijke titel. Dit gaat hij nog na. Aanvullend: de nota Verbonden partijen wordt
mogelijk herzien. Die biedt waarschijnlijk een duidelijker kader voor de toezichthoudende organen. Deel 6 - Indicatoren Zie werkgelegenheidsfunctie (aantal banen ten opzichte van beroeps- en niet-beroepsbevolking).
Klopt het dat de netto arbeidsparticipatie daarin niet is meegenomen? Men ligt vanuit economie toe
dat er meer banen zijn dan de (potentiële) beroepsbevolking, en dat de arbeidsparticipatie geen 100%
9 van 10
is. Het lijkt de raadsrapporteurs interessanter om te weten hoeveel banen er zijn in de stad ten opzichte van het aantal werkende inwoners. Slotopmerking
De technische vragen zijn overgeslagen; die worden apart schriftelijk beantwoord. Wat de inhoud
betreft geven de raadsrapporteurs aan dat zij zich voldoende geïnformeerd voelen en goed konden doorvragen waar nodig.
10 van 10