Verordening op het recht van onderzoek
Tekst van het document
Raadsvoorstel
Datum
14 november 2002
Dienst/sector/afdeling
Griffie Gemeenteraad Kenmerk Utrecht Verordening op het recht van onderzoek
Onderwerp
Jaargang
20 02
Nummer
267
02.15587 Griff.
Bijlagen
Voorstel
de Verordening op het recht van onderzoek vaststellen
Samenvatting
Als gevolg van het dualiseringsproces legt de raad zich toe op kaderstelling, volksvertegenwoordiging en controle van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Om invulling te geven aan de controletaak is aan de raad het recht van onderzoek toegekend. Dit recht, vergelijkbaar met het parlementaire enquêterecht, vloeit rechtstreeks voort uit de Gemeentewet. Met dit raadsvoorstel wordt beoogd het recht van onderzoek binnen de gemeente Utrecht nader invulling te geven.
Conclusie commissie
Dualisering Gemeentebestuur d.d. 5 november 2002.
De commissie stemt in met het raadsvoorstel. B-status
Vervolgblad behorende bij
Kenmerk
02.15587 Griff.
Bladnummer
2
Datum
14 november 2002
Jaargang 2002, nr. 267
Doel en strekking van de wet Dualisering Gemeentebestuur is duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds het college van burgemeester en wethouders en anderzijds de raad. Het college legt zich toe op het besturen van de stad, de raad op kaderstelling, controle van het college en vertegenwoordiging. Om invulling te geven aan de controletaak zijn aan de raad enkele instrumenten toebedacht. Voor de inwerkingtreding van de wet had de raad, volgens de bepalingen van de toenmalige Gemeentewet, al twee controlemogelijkheden te weten: 1. de passieve inlichtingenplicht van het college aan de raad en 2. de verantwoordingsplicht van het college aan raad. Met de wet Dualisering Gemeentebestuur zijn daar nog enkele in de Gemeentewet verankerde instrumenten bijgekomen: 3. het mondelinge en schriftelijke vragenrecht voor ieder raadslid; 4. het verplicht instellen van een rekenkamer en 5. het recht van onderzoek. Met onderhavig raadsvoorstel wordt het recht van onderzoek nader geregeld. Het recht van onderzoek, ook wel recht van enquête genoemd, is dus zoals gezegd één van de instrumenten waarmee de raad zijn controlerende functie kan uitoefenen. Het is vergelijkbaar met een parlementaire enquête zoals die door de Eerste en Tweede Kamer gehouden kan worden. Het recht van onderzoek is een zwaar middel te noemen. Bepaalde getuigen kunnen verplicht worden te verschijnen .
Zij kunnen met behulp van dwangmiddelen gedwongen worden om voor de commissie te verschijnen. Voorts kunnen getuigen onder ede worden gehoord. Vanwege het ingrijpende karakter zijn de wettelijke bepalingen omtrent het recht van onderzoek uitgebreid neergelegd in de Gemeentewet. Deze zijn ter toelichting bijgevoegd. Aangezien de bepalingen van de Gemeentewet rechtstreeks gelden zijn deze niet ook opgenomen in de verordening. De Gemeentewet laat enige ruimte aan gemeenten zelf over om lokaal het recht van onderzoek nader in te richten. Het onderhavige voorstel vult deze ruimte in. Zo wordt voorgesteld de commissie uit zes leden te laten bestaan. De raad wijst de voorzitter aan. Voorts is een bepaling opgenomen omtrent het verzenden van oproepingen aan getuigen en deskundigen. Teneinde het mogelijk te maken dat de commissie ook informele voorbesprekingen kan voeren met getuigen en deskundigen is het onderscheid hoorzittingen en vergaderingen ingevoerd. Ik stel u voor bijgevoegde verordening vast te stellen. Namens de commissie Dualisering Gemeentebestuur De voorzitter, R.J.F. Giesberts
Raadsbesluit
14 november 2002
de achtste dag na publicatie Kenmerk
02.15587 Griff.
Datum in werking treding verordening
z.s.m. na besluitvorming
Griffie Gemeenteraad Utrecht
Onderwerp
Verordening over het recht van onderzoek
Jaargang
Dienst/sector/afdeling
20 02
267
Voorstel cie. Dualisering Gemeentebestuur d.d. Publicatiedatum
Nummer
Bijlage(n)
De raad van de gemeente Utrecht, op voorstel van de cie. dualisering Gemeentebestuur d.d. 14 november 2002 Besluit
vast te stellen de volgende: VERORDENING op het recht van onderzoek. Artikel 1 Het besluit tot het instellen van een onderzoek De raad kan op voorstel van één of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen als bedoeld in artikel 155a, eerste lid van de Gemeentewet. Artikel 2 De onderzoekscommissie 1. De uitvoering van het besluit wordt opgedragen aan een daartoe door de raad in te stellen commissie. 2. De commissie wordt door de raad uit zijn midden gekozen en bestaat uit zes leden. Voor ieder lid wordt een plaatsvervanger aangewezen. 3. De raad wijst uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan, die tevens lid zijn van de commissie. 4. Het presidium van de raad wijst op voorstel van de griffier een secretaris van de commissie aan. Artikel 3 Einde lidmaatschap commissie 1. Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien: a. de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie; b. een lid ophoudt lid te zijn van de raad; c. de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te horen; d. een lid ontslag neemt . 2. Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen. Hiervan brent hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk op de hoogte. Artikel 4 Bekendmaking 1.
Het besluit tot het instellen van een onderzoek, alsmede de samenstelling van de onderzoekscommissie wordt algemeen bekendgemaakt. 2. Diegene die over informatie denkt te beschikken die van belang kan zijn voor het onderzoek, wordt uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter van de commissie. De commissie besluit of degene een uitnodiging voor een gesprek met de commissie zal ontvangen. 3. Van wijzigingen in de omschrijving van het onderwerp van het onderzoek wordt op gelijke wijze kennis gegeven.
Vervolgblad behorende bij
Raadsbesluit bij Jaargang 2002, nr. 267
Kenmerk
02.15587 Griff.
Bladnummer
2
Datum
14 november 2002
Artikel 5 Oproepingen 1. De getuigen of deskundige wordt schriftelijk opgeroepen. De oproeping wordt per aangetekende post verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt. 2. De oproeping wordt zeven dagen voor de dag van verhoor verzonden aan de getuige of deskundige. Artikel 6 Van de vergaderingen van de onderzoekscommissie 1. De onderzoekscommissie vergadert op door haar te bepalen tijdstippen. 2. De vergaderingen vinden alleen doorgang indien tenminste vier leden van de commissie aanwezig zijn. 3. De vergaderingen van de onderzoekscommissie zijn besloten. 4. De onderzoekscommissie kan besluiten aan haar leden geheimhouding op te leggen over hetgeen in de vergaderingen aan de orde komt. Artikel 25 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. Artikel 7 Van de hoorzittingen van de onderzoekscommissie 1. De hoorzittingen van de onderzoekscommissie zijn openbaar. 2. De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. 3. De hoorzittingen vinden alleen doorgang indien tenminste 4 leden van de commissie aanwezig zijn. 4. Van de hoorzittingen wordt een verslag opgemaakt dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Artikel 8 Onderzoeksverslag aan de raad.
Het eindverslag van de onderzoekscommissie wordt zo spoedig mogelijk gelijktijdig aan de raad en aan het college van burgemeester en wethouders aangeboden. Artikel 9 Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening over het recht van onderzoek". Artikel 10 Deze verordening treedt in werking acht dagen nadat deze is bekendgemaakt. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad gehouden op De secretaris,
De burgemeester,
BIJLAGE BEHOREND BIJ JAARGANG 2002, NR. 267 Toelichting bij de artikelen Artikel 1 Ieder lid van de raad kan een voorstel indienen om een raadsonderzoek te starten. Er is geen drempelsteun vereist. Uiteraard beslist de raad in zijn geheel of een onderzoek daadwerkelijk plaats zal vinden. Het voorstel dient daartoe met gewone meerderheid van stemmen te worden aangenomen. Artikel 2 Het ligt niet voor de hand om de hele raad te belasten met het daadwerkelijke onderzoek. Daarom is ervoor gekozen een commissie bestaande uit zes raadsleden met het onderzoek te belasten. De gemeentewet bepaalt dat de ambtelijke bijstand van de commissie geregeld moet worden in de gemeentelijke verordening op het recht van onderzoek. Vanuit de griffie wordt de secretaris van de onderzoekscommissie aangewezen. Daarnaast kan de commissie een beroep doen op ambtelijke bijstand zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid van de Gemeentewet. Artikel 4, tweede lid Teneinde het mogelijk te maken een ieder uit te nodigen die meent over informatie te beschikken die voor de commissie van belang kan zijn, is dit artikellid opgenomen. Artikel 6 Een ordelijke procesgang brengt met zich dat de oproepingen om voor de commissie te verschijnen geruime tijd voor de hoorzitting bekend worden gemaakt.
Voorts kan de commissie een ieder die stelt over gegevens te beschikken met betrekking tot het voorwerp van onderzoek uitnodigen voor een gesprek. Artikelen 7 en 8 Er is onderscheid tussen de vergaderingen van de onderzoekscommissie en de hoorzittingen van onderzoekscommissie. De beraadslagingen van de commissie zijn niet openbaar. De verhoren zijn in principe openbaar. Tenzij gewichtige redenen zich er tegen verzetten, bijvoorbeeld in een situatie waarbij uiterste vertrouwelijke informatie schaden wordt medegedeeld door een getuige, dan lijkt een besloten hoorzitting voor de hand liggen. Artikelen uit de Gemeentewet met betrekking tot het recht van onderzoek Artikel 155a 1. De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen. 2. Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de raad worden gewijzigd. 3. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raad in te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft tenminste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de raad. 4. De artikelen 22, 82, derde lid, en 86, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie. 5.
De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn. 6. De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de raad. 7. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 van overeenkomstige toepassing.
8.
Alvorens de raad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij verordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
Artikel 155b 1. Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de deelraad, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 155a nodig is. 2. Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de vordering voldaan. 3.
Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in artikel 155a alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen. Artikel 155c 1. Personen als bedoeld in artikel 155b, eerste lid, zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord. 2. Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, [kan] is niet tevens lid [zijn] van de onderzoekscommissie. 3. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.[, de deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te verlenen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim.] 4. De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te verlenen. [4] 5. De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. [5] 6. De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht. [6] 7.
De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt. [7] 8. Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt gehoord. [8] 9. Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie [, of op haar vordering afgelegd,] kunnen, behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden. Artikel 155d 1. Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief, houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt. 2. De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn verplichting te voldoen.
3.
Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 155e 1. Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of is geweest. 2. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. 3. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 155b, eerste en derde lid, en artikel 155c, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. 4.
De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester. Artikel 155f Het college neemt de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerpbegroting.