CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Verordening Leerlingenvervoer; wijziging Beleidsregel bekostiging leerlingenvervoer20.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

vervoer en zij met toestemming van op of verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. De vergoeding is gebaseerd op de maximale belastingvrije vergoeding. Deze vergoeding wordt voor twee maal de heen en weer route bekostigd.

Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Derde lid Het derde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op vergoeding op basis van een

kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk

vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts aanspraak maken op vergoeding op

basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.

Vierde lid Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen auto of bus te

vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op grond van artikel 26 (de zogenaamde hardheidsclausule) een andere vergoeding vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.

Artikel 21 Artikel 21. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de ouders een vergoeding verstrekken voor een andere passende

voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft.

Artikel 21 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten

aansluiten bij de vermogens van de leerling en/of de ouder. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, bakfiets. Het college kan

besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van het openbaar vervoer naar de school.

Artikel 22 Artikel 22. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 8 kennen burgemeester en wethouders desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente

wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend

speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Burgemeester en wethouders kennen aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor

het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van

het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het eerste lid bedoelde schoolvakanties.

3. Burgemeester en wethouders kennen aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor

het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

4. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing.

Eerste tot en met derde lid Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In artikel 22 wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 22 bevat twee belangrijke componenten: 1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het

verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het

volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat

het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en

naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in

een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.

Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.

2- Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor

dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.

Vierde lid Het vierde lid geeft aan dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is. Verder geldt het volgende: •

1. Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

•

2. Voor de toekenning is vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

•

3. Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 18).

•

4. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: o o o

a. openbaar vervoer ontbreekt;

b. begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;

c. de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 19).

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De

vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken (zie artikel 20).

Artikel 23

Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage •

1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde

vergoeding verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. •

2. In geval burgemeester en wethouders in plaats van vergoeding in geld toe te

kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, en de afstand van de

woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. •

3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:

Inkomen vanaf

Tot

Eigen bijdrage

0

€ 39.500

Nihil

€ 39.500

€ 46.500

€ 185

€ 46.500

€ 54.000

€ 815

€ 54.000

€ 60.500

€ 1.510

€ 60.500

€ 69.500

€ 2.215

€ 79.500

€ 76.000

€ 2.970

€ 76.000

Voor elke € 5.000,- erbij

€ 710

•

4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2025 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de

regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1

januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. •

5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2025 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het

consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel

vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

•

6. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

Op grond van artikel 4, elfde lid, van de WPO hebben gemeenten de mogelijkheid om een

bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden

gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. In de uitspraak van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1959) geeft de Afdeling

Bestuursrechtspraak aan dat ook bij leerlingen die vanwege hun onderwijsbehoefte naar een school op meer 20 kilometer zijn aangewezen de eigen bijdrage kan worden gevraagd. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

In artikel 23 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is

gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.

De in de onderste rij van de tabel beschreven eigen bijdrage van € 2.970,- wordt telkens met € 710 euro verhoogd voor elke € 5.000 euro dat het inkomen hoger is dan 76.000 euro.

De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 24 Artikel 24. Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

In de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht zijn de hoofdlijnen voor de vergoeding

van het leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met

andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 24 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist.

Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden

Artikel 25 Artikel 25. Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs

aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen

Dit artikel stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de

verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4, tiende lid, van de WEC en artikel 8.29, vijfde lid, van de WVO 2020. Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van vergoeding van openbaar

vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie.

Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van

onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld. In de casuïstiek zijn nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing van de hardheidsclausule: •

1. Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking

gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (ABRvS 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41). •

2. Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (ABRvS 2 april 1990 R03.87.7147/58-43).

Advies van deskundigen In artikel 25 wordt bepaald dat het college zo nodig advies vraagt van deskundigen ter zake.

Precedentwerking

Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de

hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.

Artikel 26 Artikel 26 Intrekking De Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Utrecht wordt ingetrokken. In artikel 26 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.

Artikel 27 Artikel 27 Overgangsbepalingen 1. Rechthebbenden houden recht op een voorziening die is toegekend voor de datum van

inwerkingtreding van deze verordening voor zolang als dat eerdere recht is toegekend. Dit

behoudens wijzigingen in de situatie van de leerling, die ertoe leiden dat het recht opnieuw moet worden bepaald.

2. Aanvragen die zijn ingediend onder de vorige Verordening vergoeding leerlingenvervoer gemeente Utrecht en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening vergoeding

leerlingenvervoer gemeente Utrecht, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Dit artikel bepaalt dat besluiten van kracht blijven en de verordening alleen van toepassing is op nieuwe aanvragen.

Artikel 28 Artikel 28 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 29

Artikel 29 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht. Dit artikel spreekt voor zichzelf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=c979c093-5e86-4ae1-a09c-b64a6b5a7aab