CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht (januari 2021).pdf

Gemeenteraad 21 januari 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Verordening huisvesting scholen14.548 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 36 Het college toetst de bouwplannen en de begroting 1

2

3

Het schoolbestuur dient het bouwplan en de begroting in a. Het college ontvangt de begroting bij het bouwplan. Hij houdt daarbij rekening met de afspraken die het college en het schoolbestuur maakten tijdens het startgesprek. Ook laat het schoolbestuur weten wanneer de betaling kan starten. b. Een vergoeding op basis van de feitelijke kosten stelt het college vast op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI). Het college beslist of hij instemt met het bouwplan en de begroting a. Het college moet hiermee instemmen voordat het schoolbestuur de bouwopdracht geeft. Hij beslist hierover binnen 6 weken nadat hij de informatie heeft gekregen. Hij kan deze termijn eventueel met 3 weken verlengen. Het college beslist dan over: i. de bouwplannen ii. de begroting iii. wanneer de betaling start b. Het college hanteert bij zijn beslissing in ieder geval de minimumeisen in bijlage 2. c. Beslist het college niet op tijd? Dan geldt het bouwplan, de begroting en de start van de betaling zoals het schoolbestuur dit aangeeft in zijn aanvraag (zie paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht). Het college kan het besluit veranderen als de situatie van de school ingrijpend verandert a. Het college bepaalt of de situatie van de school ingrijpend is veranderd sinds het moment dat het college het programma heeft vastgesteld.

Het college kijkt dan onder anderen naar het aantal leerlingen. b. Het schoolbestuur moet ingrijpende wijzigingen ook doorgeven aan het college. c. Is de situatie ingrijpend veranderd? Dan kan het college besluiten om de voorziening aan te passen of in te trekken. Het college neemt dan een intrekkingsbesluit. Het schoolbestuur laat dan weten welke kosten hij al heeft gemaakt die alsnog door het college moeten worden vergoed.

Artikel 37 Het college bepaalt hoe en wanneer hij de voorziening betaalt a. Het college kan in termijnen betalen Dit kan het college bijvoorbeeld doen bij grote bouwwerkzaamheden. Het college zorgt er dan voor dat het schoolbestuur op tijd aan haar verplichtingen kan voldoen om (de bouw van) de goedgekeurde voorziening te betalen. b. Het college kan aan een betaaltermijn voorwaarden verbinden Bijvoorbeeld het instemmen met een fasedocument zoals in artikel 40. Deze voorwaarden kunnen alleen verband hebben met de uitvoering van de toegekende voorziening. De voorwaarden leest het schoolbestuur dan in het besluit van het college hierover.

Artikel 38 Het schoolbestuur voert de voorziening uit 1

2

Het schoolbestuur geeft een bouwopdracht of sluit een koop-, huur- of pachtovereenkomst af vóór 31 december Dit is vóór 31 december van het jaar waarvoor het programma is. Het schoolbestuur stuurt hiervan vóór 15 januari een kopie naar het college. Stuurt het schoolbestuur de kopie niet op tijd? Dan vervalt de vervalt de voorziening automatisch, tenzij de gemeente heeft ingestemd met de verlening van deze termijn. Dit doet het college niet als: a. er sprake is van een bijzondere situatie waaraa het schoolbestuur niets aan kan doen, en b. het schoolbestuur voor 1 september verlenging van de termijn heeft aangevraagd bij het college, of c. in een goedgekeurd fasedocument (zie artikel 40) een planning is opgenomen waaruit blijkt dat het nog niet mogelijk is om een opdracht te verlenen of een overeenkomst aan te gaan. Voor de bouwopdracht of de koop-, huur- of erfpachtovereenkomst geldt: d. in de bouwopdracht staat de datum waarop het werk begint en hoe lang het werk duurt e. in de huur- of erfpachtovereenkomst staat op welke datum deze ingaat en hoe lang deze geldig is f. in de koopovereenkomst staat de datum van de aankoop Het schoolbestuur volgt bij de uitvoering van een voorziening de minimumeisen De minimumeisen staan in bijlage 2.

Stap 8

Het schoolbestuur verantwoordt de voorziening

De laatste stap is het verantwoorden van de voorziening. Dat is vooral belangrijk als een voorziening is toegekend waarbij bouwwerkzaamheden nodig zijn. Daarover gaat deze laatste stap.

Artikel 39 Als het schoolbestuur een voorziening krijgt waarvoor bouwwerkzaamheden nodig zijn 1

2

De bouw vindt plaats in fases Als een voorziening is toegekend waarbij bouwwerkzaamheden plaatsvinden, hanteert de bouwheer de volgende fases: a. initiatiefase b. definitiefase c. ontwerpfase d. voorbereidingsfase e. realisatiefase f. nazorgfase Iedere fase wordt afgesloten met een fasedocument

3

4

a. Is het schoolbestuur bouwheer? Dan legt het schoolbestuur het fasedocument voor aan het college ter goedkeuring. Dat is nodig om de fase af te sluiten. b. Het college beslist binnen 6 weken of het fasedocument wordt goedgekeurd. Het college kan deze termijn met 6 weken verlengen. c. Is het college bouwheer? Dan vormen het college en het schoolbestuur een stuurgroep waarin verantwoording wordt afgelegd over de uitvoering van de voorziening. Een fase kan in overleg worden overgeslagen of toegevoegd a. Het college en het schoolbestuur kunnen met elkaar afspreken om een fase over te slaan en geen fasedocument te maken. In dat geval hoeft het college de fase ook niet goed te keuren. b. Het college en het schoolbestuur kunnen ook afspreken dat er een fase met bijhorend fasedocument wordt toegevoegd. Verantwoording van de uitgaven gebeurt in de nazorgfase De verantwoording van de uitgaven voor de uitvoering van de voorziening worden in het fasedocument van de nazorgfase overlegd. Dit fasedocument is de verantwoording van de voorziening. Hiermee wordt de uitvoering van de voorziening afgesloten.

Deel 3

Over deze verordening

Artikel 40 Over de procedure voor het vaststellen van de verordening 1

2

3

4

5

6

De gemeenteraad stelt deze verordening vast a. De gemeenteraad moet deze verordening en bijbehorende bevoegdheden vastleggen. b. Het college voert deze verordening uit. In alle gevallen waar deze verordening geen regels stelt, beslist de gemeenteraad. De gemeenteraad kan besluiten deze verordening aan te passen a. Het college doet daarvoor een voorstel aan de gemeenteraad. b. Het college overlegt van tevoren met de schoolbesturen. Dit doet het college voordat hij een voorstel aan de gemeenteraad voorlegt. Het college overlegt regelmatig met de schoolbesturen over de verordening a. Het college en de schoolbesturen overleggen minstens 1 keer per jaar of er aanpassingen aan de verordening nodig zijn. In overleg kan hiervan worden afgeweken. Het college maakt vervolgens een voorstel en bespreekt dat met de schoolbesturen a. Dit doet het college in ieder geval in een Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO). Dit is vastgelegd in de wet. b. Het college stuurt alle schoolbesturen in de gemeente uiterlijk 2 weken voor het OOGO de uitnodiging, agenda en bijbehorende documenten. c. Voorafgaand aan het OOGO kan het college ook al met de schoolbesturen in gesprek gaan over voorgenomen aanpassingen. Deelnemers kunnen zich laten vertegenwoordigen in het OOGO Alle genodigden laten het college uiterlijk 1 week van tevoren weten welke mensen bij het OOGO zijn.

Alle genodigden kunnen een vertegenwoordiger aanwijzen. De vertegenwoordiger van het college is de voorzitter van het OOGO. De gemeenteraad kan advies vragen aan de Onderwijsraad Het schoolbestuur kan de gemeenteraad verzoeken om de Onderwijsraad om advies te vragen. Dit verzoek brengt het schoolbestuur in bij het OOGO. Zij laten schriftelijk weten over welke onderwerpen zij advies willen en waarom. De gemeenteraad stuurt deze vervolgens schriftelijk naar de Onderwijsraad. De (andere) vertegenwoordigers kunnen hier ook hun reactie op geven.

7

8

9

De gemeenteraad stuurt het advies van de Onderwijsraad naar het college en de schoolbesturen Dat doet de gemeenteraad binnen 2 weken nadat ze het advies krijgt. Leidt het advies ertoe dat het college haar voorstel voor de verandering inhoudelijk aanpast? Dan laat het college dit daarna binnen 2 weken weten. Het college nodigt de schoolbesturen dan uit voor een verder OOGO. Het college maakt een verslag van het OOGO a. Het schoolbestuur ontvangt het verslag uiterlijk 2 weken na het OOGO. In het verslag staat in ieder geval: i. wat de reacties zijn van alle vertegenwoordigers op het voorstel voor de verandering ii. waarover het college en het schoolbestuur nog geen volledige overeenstemming hebben en waarom iii. hoe het college voorstelt om het voorstel aan te passen op basis van deze reacties. b. De schoolbesturen die bij het OOGO waren, kunnen binnen 2 weken per schriftelijk reageren op het verslag. De vertegenwoordigers die niet bij het OOGO waren, krijgen het verslag ter kennisname. Daarna maakt het college het verslag definitief. Daarbij houdt het college rekening met de reacties die hij krijgt. Ook geeft hij aan of er door de opmerkingen wijzigingen zijn aangebracht in het voorstel. Het college stuurt het definitieve verslag naar de gemeenteraad Dit doet het college samen met het voorstel om de verordening vast te stellen of aan te passen.

Artikel 41 Over de procedure voor het vaststellen van nadere regels 1. Het college kan nadere regels vaststellen bij deze verordening Het college kan nadere regels vaststellen. Het college kan deze nadere regels aanpassen. De nadere regels gaan over: a. Vergoedingen voor schoolgebouwen b. Demarcatie voor bouw en exploitatie van schoolgebouwen c. Duurzame en gezonde schoolgebouwen d. Gemeentelijk beleid voor kinderen e. Speelplaatsen van scholen f. Verhuur en medegebruik 2. Een nadere regel kan een vergoeding geven aan het schoolbestuur In dat geval is de nadere regel de basis voor deze subsidie. 3. Aanpassen van nadere regels a. Heeft het college het voornemen om een nadere regel vast te stellen of aan te passen? Dan bespreekt het college het voorstel in een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de schoolbesturen. Voor dit overleg gelden artikel 40 lid 4, 5 en 8. Ook meldt het college bij de gemeenteraad dat hij het voornemen heeft om een nadere regel aan te passen. b. De regels in sub a gelden niet voor de nadere regel over vergoedingen.

Artikel 42 Over de ingangsdatum en naam 1. Deze verordening gaat in op 15 februari 2020. Vanaf deze datum geldt de verordening 2015 niet meer. Daarbij geldt: a. Voor besluiten die zijn genomen onder de werking van de verordening 2015 en die gelden op het moment dat deze verordening ingaat, geldt de verordening 2015. b. Voor aanvragen waarover nog niet is besloten op het moment dat deze verordening ingaat, geldt de verordening 2015. c. Alle andere aanvragen vallen onder deze verordening. 2. Naam van de verordening

Deze verordening wordt de ‘Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht’ genoemd. Dit heet de citeertitel. 3. Intrekken van verordening en procedure a. De ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015’ wordt bij het ingaan van deze verordening ingetrokken. b. De ‘Procedure overleg onderwijshuisvesting gemeente Utrecht 2011’ wordt bij het ingaan van deze verordening ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van <datum>, De griffier, M. van Hall

De burgemeester, S.A.M. Dijksma

Bijlagen Bijlage 1 De formules bij stap 2 Artikel 1 Schoolgebouw voor basisonderwijs 1. U berekent de ruimtebehoefte met deze formule: R = 200 * A + 5,03 * L + 1,4 * S R = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte (m2 bvo), afgerond op hele vierkante meter. A = Aantal locaties van de hoofdvestiging of de nevenvestiging van een school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter. L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. S = De achterstandsscore in hele getallen, zoals gepubliceerd door de Minister, vermenigvuldigd met 7,17%, afgerond op een heel getal. 2. Als het schoolbestuur met het college overeenkomst dat een specifiek aantal leerlingen kleiner moet zijn: Dan wordt de 5,03 m2 bvo in de formule in lid 1 voor dat aantal leerlingen vervangen door 8,38 m2 bvo. Bijvoorbeeld voor hoogbegaafdenonderwijs. Artikel 2 Schoolgebouw voor speciaal basisonderwijs 1. U berekent de ruimtebehoefte met deze formule: R = 250 * A + 7,35 * L R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte (m2 bvo), afgerond op hele vierkante meter.

A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter. L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. Artikel 3 Schoolgebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs 1. U berekent de ruimtebehoefte met deze formule: R = 370 * A + (8,8 * SO) + (12,2 * VSO) + (5 * LM1) + (3,3 * LM2)

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter. SO = Aantal speciaal onderwijsleerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. VSO = Aantal voortgezet speciaal onderwijsleerlingen op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. LM1 = Aantal lichamelijke handicapte leerlingen en aantal meervoudig gehandicapte leerlingen die speciaal onderwijs volgen. LM2 = Aantal lichamelijke handicapte leerlingen en aantal meervoudig gehandicapte leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs volgen. Artikel 4 Schoolgebouw voor voortgezet onderwijs 1. U berekent de ruimtebehoefte met deze formule: R = V*A+B+L R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. V = De vaste voet per instelling:

Onderwijssoort

Type

Vmbo-havo-vwo

Hoofdvestiging

Vaste voet in m2 bvo

Dislocaties van 500 leerlingen en groter Permanente nevenvestiging en dislocatie

980

550

Tijdelijke nevenvestiging Dislocaties van minder dan 500 leerlingen Praktijkonderwijs

0

Hoofdvestiging Dislocaties van 500 leerlingen en groter

306

A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter. B = Als sprake is van een afdeling vmbo met een beroepsgerichte leerweg, een vaste voet per afdeling:

Onderwijssoort

Vaste voet in m2 bvo

Bouwen, wonen en interieur Vmbo

Produceren, installeren en energie Mobiliteit en transport Maritiem en techniek

299

Media, vormgeving en ICT Economie en ondernemen

162

Horeca, bakkerij en recreatie Zorg en welzijn

139

Groen

117

Dienstverlening en producten

150

L = De leerlinggebonden component. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in onderstaande tabel opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven:

m2 bvo per leerling

Onderwijssoort Vwo Havo Vmbo-TLW Vmbo-TLW-LWOO Praktijkonderwijs

5,8

Onderwijssoort

Profiel

Vmbo

Bouwen, wonen en interieur Produceren, installeren en energie Mobiliteit en transport Maritiem en techniek Media, vormgeving en ICT Economie en ondernemen Horeca, bakkerij en recreatie Zorg en welzijn Groen Dienstverlening en producten

6,1 12,0 m2 bvo per leerling LWOO B-KLW GLW

11,7

9,7

8,0

8,9

7,4

6,9

8,4 7,8 8,9

7,4 6,9 7,4

6,9 6,3 6,9

Artikel 5 Gymzalen 1. U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor basisonderwijs of speciaal onderwijs met deze formule: R = G*K R = Ruimtebehoefte gymzaal in aantal klokuren per week. G = Aantal gymgroepen. Te berekenen: Basisonderwijs Daarvoor moet eerst onderstaande formule E worden berekend en vervolgens G op te zoeken in de tabel daaronder. Berekenen van formule E: E=A+B+C+D A 0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid B 0,0343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder dat op de datum, bedoeld in het derde lid C 1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul D 0,0179 x de achterstandsscore bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO x 7,17%

Aantal gymgroepen Aantal gymgroepen Aantal gymgroepen per school (E) 4- en 5-jarigen (S) 6- t/m 12-jarigen (G) 2 1 1 3 1 2 4 2 2 5 2 3 6 2 4 7 3 4 8 3 5 9 3 6 10 3 7 11 4 7 12 4 8 13 4 9 14 5 9 15 5 10 16 5 11 17 6 11 18 6 12 19 6 13 20 6 14 21 7 14 22 7 15 23 7 16 24 8 16 25 8 17 26 8 18 27 9 18 28 9 19 29 9 20 30 9 21 Speciaal basisonderwijs: G = A / 15 A = Aantal leerlingen (Voortgezet) speciaal onderwijs: G=A/N A = Aantal leerlingen N = Gemiddeld aantal leerlingen per gymgroep uit onderstaande tabel N-factor Cluster

Speciaal onderwijs

Voortgezet speciaal onderwijs

1

9,5

7

2

9,3

6,8

3

11

8,7

4

11,7

7

K

=

Aantal klokuren volgens onderstaande tabel:

Schoolsoort

Klokuren

School voor basisonderwijs

1,5

Speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs

2,25

2 U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor een school voor voortgezet onderwijs met deze formule: R = (L * 32 * V) ÷ 460 R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen van de school. V = Vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling. 3 U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor een school met leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en praktijkonderwijs met deze formule: R = (L * 32 * V) ÷ 32 R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen. V = Vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling:

Onderwijssoort

Leerweg

m2 bvo per leerling

Havo

1,2

Vwo

1,0

Praktijkonderwijs

2,0

Vmbo

TLW

1,5

TLW-LWOO

1,7

LWOO

1,7

B-KLW

GLW

1,5

Bijlage 2 Wat zijn de minimumnormen voor nieuwe voorzieningen? Artikel 1 Wat zijn de minimumnormen voor een schoolgebouw? 1. Minimale omvang van een schoolgebouw De omvang van een schoolgebouw is minimaal 500 m2 bvo. Dit geldt niet als de tijdelijke voorziening is die binnen 500 meter van de hoofdvestiging ligt. 2. De hoogte van een onderwijsruimte is minimaal 2,80 meter Wordt de ruimte tijdelijk gebruikt? Dan kan de bouwheer afwijken van deze minimale hoogte. Het schoolbestuur vraagt hiervoor toestemming aan het college. 3. Nieuwe voorzieningen en bouwprojecten voldoen aan de eisen in de Utrechtse Standaard Toegankelijk Dit zijn voorzieningen en bouwprojecten die nog gerealiseerd moeten worden. U vindt deze eisen op www.utrecht.nl. 4. Als een school in een hoogstedelijke buurt of in een gebouw(complex) komt met meerdere eigenaren Dan gelden de volgende uitgangspunten. Het deel van het gebouw dat voor de school is:

a. b. c. d.

heeft eigen installaties en nutsaansluitingen waar dat kan. wordt waar mogelijk gecombineerd met andere maatschappelijke functies - en niet met woningen. is direct vanaf buiten toegankelijk. ligt aan een veilige speelplaats of openbare ruimte die groot genoeg is (volgens artikel 2 in deze bijlage). e. Bij oprichting van een Vereniging van Eigenaren: i. wordt een heldere demarcatie opgesteld over de verantwoordelijkheden van de vereniging en de individuele eigenaren, zoals de school ii. wordt overlegd met het schoolbestuur over hoe de Vereniging van Eigenaren wordt ingericht Artikel 2 Wat zijn de minimumnormen voor het terrein en een speelplaats? 1. Zo berekenen we het vloeroppervlak in vierkante meters voor een speelplaats We berekenen voor alle scholen de norm met deze formule: R = 300 + 1,3 * L R = Ruimtebehoefte speelplaats L = Aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op de teldatum voorafgaande aan het jaar waarvoor de prognose geldt. We berekenen de norm met deze formule voor een school voor voortgezet onderwijs: R = 200 + 0,75 * L R = Ruimtebehoefte speelplaats L = Aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op de teldatum voorafgaande aan het jaar waarvoor de prognose geldt. 2.

De leerlingen van de school gebruiken deze ruimte alleen om te spelen en bewegen Terrein voor bijvoorbeeld parkeren, fietsenstallingen en bergingen tellen we op bij de norm uit lid 1. 3. Een speelplaats is onderdeel van de openbare ruimte a. Het college blijft eigenaar van een nieuwe speelplaats. Op deze manier wordt een speelplaats gecreëerd die ook een bestemming voor de buurt heeft. b. Het college richt de buitenruimte zo in dat de school deze tijdens schooltijden goed kan gebruiken. c. Het college is verantwoordelijk voor het onderhoud van de speelplaats. Het schoolbestuur draagt de vergoeding die hij van de Rijksoverheid ontvangt voor het onderhoud van de speelplaats over aan het college. 4. Een speelplaats die is betaald door de gemeente of Rijksoverheid is ook openbaar toegankelijk a. Deze speelplaats is openbaar toegankelijk tussen 8:00 uur en 20:00 uur, maar alleen buiten de schooltijden van de school. b. Het schoolbestuur en het college kunnen in overeenstemming andere afspraken maken. Dat kan bijvoorbeeld als het schoolbestuur een deel van het gebouw verhuurt aan buitenschoolse opvang, of er onderwijsactiviteiten plaatsvinden buiten schooltijd. 5. Voor parkeren op het schoolterrein geldt de bestaande parkeernorm Dit is de gemeentelijke parkeernorm die voor de locatie van het terrein geldt. Artikel 3 Wat zijn de minimumnormen voor een speellokaal? 1.

Het oppervlak van een speellokaal is minimaal 90 vierkante meter Dit is de bruto vloeroppervlakte. Bij een nieuw schoolgebouw voor primair onderwijs wordt minimaal één speellokaal gebouwd. Dit geldt niet voor voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

2. De hoogte van een speellokaal is minimaal 3,50 meter Wordt het speellokaal tijdelijk gebruikt? Dan kan de bouwheer afwijken van deze minimale hoogte. Het schoolbestuur vraagt hiervoor toestemming aan het college. Artikel 4 Wat zijn de minimumnormen voor een gymzaal, sportzaal of sporthal? 1. De minimumnormen voor een gymzaal a. De adviezen in het ‘Handboek huisvesting bewegingsonderwijs’ van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO) gelden als minimumeisen voor een gymzaal. b. Een gymzaal is onafhankelijk van de school toegankelijk en bruikbaar. Bijvoorbeeld ook ’s avonds. c. Als een gymzaal eigendom wordt van de gemeente: een sportzaal of sporthal is installatietechnisch onafhankelijk van het schoolgebouw. 2. De minimumnormen voor een sportzaal of sporthal a. De normen in de ‘Norm overdekte multidisciplinaire sportaccommodaties’ van NOC*NSF gelden als minimumeisen voor een sportzaal of sporthal. Het college geeft per sportzaal of gymzaal aan welke categorie van toepassing is. b. Een sportzaal of sporthal is onafhankelijk van de school toegankelijk en bruikbaar. Bijvoorbeeld ook ’s avonds; c. Als een sportzaal of sporthal eigendom wordt van de gemeente: een sportzaal of sporthal is installatietechnisch onafhankelijk van het schoolgebouw. Artikel 5 Wat zijn de minimumnormen voor lokaal onderwijsbeleid? 1.

Het college bepaalt hoeveel ruimte nodig is voor deze voorziening Dit bepaalt hij op basis van lokaal onderwijsbeleid. Het college motiveert haar besluit hierover. 2. Het college kan andere minimumnormen voor deze voorziening vaststellen in een nadere regel. Bijlage 3 Hoe stellen we de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen vast? Artikel 1 Over de meetinstructie voor schoolgebouwen 1. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw stellen we vast volgens de norm NEN 2580 2. Bijzonderheden a. Voor (speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: i. Fietsenstallingen en bergingen die alleen van buitenaf bereikbaar zijn, horen niet bij de bruto vloeroppervlakte. ii. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en gymzalen berekenen we de bruto vloeroppervlakte tot het hart van de scheidingsconstructie. b. Voor voortgezet onderwijs: i. De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle beloopbare binnenruimten die bij het gebouw horen. Dit meten we op de vloer langs de binnenkant van de muren die om de ruimte staan. ii. Tot de bruto oppervlakte horen ook: - de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elke verdieping, en - de oppervlakte van vrijstaande kolommen als die groter dan 0,5 vierkante meter zijn. c. Uitzonderingen: i.

De oppervlakten van overdekte open ruimten horen niet bij de bruto vloeroppervlakte. Het maakt daarbij niet uit waar de vloer of verharding van is gemaakt. Dit geldt in ieder geval voor luifels, dakoverstekken, de ruimte onder verdiepingen die op kolommen staan en fietsenstallingen.

ii. iii.

Open brand-of vluchttrappen aan de buitenkant van een gebouw horen niet bij de bruto oppervlakte. Kelders en zolders waar niet op of in gelopen kan worden, rekenen we niet mee.

Bijlage 4 Begrippenlijst Artikel 1 Begrippenlijst In deze verordening en de nadere regels verstaan we onder: 1 afwegingskader renovatie of Een afwegingskader om te bepalen of renovatie of nieuwbouw vervangende nieuwbouw aantrekkelijker is. Dit afwegingkader is overeengekomen door de PO-raad, VOraad en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). 2 bouwheer Dit is de opdrachtgever van de bouw (volgens artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra of artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs). 3 bekostigingsplafond Het bedrag dat de gemeente maximaal uitgeeft aan de huisvesting van scholen. 4 BRIN-nummer Elke school staat geregistreerd in het Basisregistratie Instellingen (BRIN) en krijgt een eigen nummer. 5 bruto vloeroppervlak De volledige omvang van het gebouw in vierkante meters (m2 bvo). 6 capaciteit De capaciteit van een schoolgebouw is het aantal leerlingen dat in een schoolgebouw naar school kan gaan. 7 college, gemeente Het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente Utrecht. 9 gemeenteraad De gemeenteraad van de gemeente Utrecht. 10 herschikkingsoperatie Het opnieuw verdelen van de schoolgebouwen of gymzalen in een gebied. 11 klokuur of uur 60 minuten. 12

locatie, dislocatie

13 14

meubilair NEN

Een schoolgebouw met een eigen adres. De inrichting van het schoolgebouw. NEN is de afkorting van Nederlandse Norm. Dit zijn normen zoals vastgelegd door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut of de Stichting Koninklijk Nederlands Elektrotechnisch Comité (NEC). In de verordening worden deze NEN-normen genoemd: -

15

normbedrag

NEN 2767: Conditiemeting NEN 2580: Bepalen van oppervlakten en inhouden van gebouwen Een vast bedrag waarvan wordt aangenomen dat het voldoende is om een voorziening te realiseren.

16

nuttig vloeroppervlak

17 18

onderwijsleerpakket Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO)

19

onderhoud

20

overzicht

21

programma

22

renovatie

23

school voor basisonderwijs

24

school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs

Het bruto vloeroppervlak min de constructiedelen, technische installatieruimtes en verkeersruimtes. Alle materialen die nodig zijn om onderwijs te geven. Een verplicht overleg tussen de gemeente en de schoolbesturen volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra. Het repareren of vervangen van een (deel van een) schoolgebouw, zodat het gebouw in dezelfde staat blijft. Er zijn verschillende soorten onderhoud: 1. DO: dagelijks onderhoud 2. PO: periodiek (preventief) onderhoud inclusief inspecties en keuringen 3. CO: calamiteiten en/of correctief onderhoud (storingen) 4. GO: groot onderhoud bij einde technische en economische levensduur Een lijst van afgewezen aanvragen. Alle aanvragen voor huisvesting van een school die zijn afgewezen, komen op het overzicht. Dit staat in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs. Een lijst van toegekende aanvragen. Alle aanvragen voor huisvesting van een school die wel worden toegekend, komen op het programma. Dit staat in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Renovatie is een grootschalige aanpak van een bestaand schoolgebouw waarmee de levensduur verlengd wordt met minimaal 40 jaar en het gebouw (weer) voldoet aan de eisen van het meest recente Bouwbesluit. Basisschool of speciale school voor basisonderwijs volgens artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs. − School voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 1 van de Wet op de expertisecentra. − Een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 8 van de Wet op de expertisecentra. − Een school voor voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.

25

school voor voortgezet onderwijs

26

school, schoolbestuur

27

teldatum

28 29

verordening verordening 2015

30

voorschool

31

voorziening

32

vrijheid van inrichting

33

vrijheid van richting

School of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs volgens de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag van een openbare of bijzondere school die in de gemeente Utrecht staat. Of een deel van de school staat in de gemeente Utrecht. Deze school wordt door de overheid betaald volgens: −

de Wet op het primair onderwijs, of

−

de Wet op de expertisecentra, of

− de Wet op het voortgezet onderwijs. Het aantal leerlingen dat op 1 oktober op de school staat ingeschreven. Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht 2021 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015 Een kinderopvang die voorschoolse educatie (VE) aanbiedt en voldoet aan de in landelijk en gemeentelijk beleid vastgestelde normen voor voorschoolse educatie. Een voorziening in de huisvesting, zoals nieuwbouw of uitbreiding. De aan te vragen voorzieningen staan in artikel 2 of in een nadere regel. Het schoolbestuur mag over veel dingen zelf beslissen. Bijvoorbeeld over hoe hij zijn scholen organiseert, hoe leraren lesgeven of welke boeken de scholen gebruiken. Dat is de vrijheid van inrichting.

Bijzondere scholen mogen ervoor kiezen om les te geven vanuit een bepaalde manier van denken over de mens, de samenleving en de wereld. Dat is de vrijheid van richting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=0cf5d337-041b-4c1b-bbff-1dfbb804e584