Verordening Erfgoed.docx
Tekst van het document
Verordening erfgoed gemeente Utrecht
De raad van de gemeente Utrecht; -
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van <datum>; gelet op:
artikel 108, tweede lid van de Gemeentewet en artikelen 3.16 en artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen -
2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
gezien het advies van de commissie Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport van <datum>
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Definities Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. commissie Welstand en Monumenten: de op basis van artikel 15, lid 1 Monumentenwet 1988 door de raad ingestelde commissie met als taak het college te adviseren over de aanwijzing van monumenten, de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening, de uitvoering van het erfgoedbeleid; b. gemeentelijk archeologisch monument: archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; c. gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; d. gemeentelijk groen monument: monument van ecologische en cultuurhistorische aard dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; e. gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; f. gemeentelijk kerkelijk monument: gemeentelijk monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor
een overwegend deel wordt gebruikt voor het belijden van de godsdienst of levensovertuiging dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; g. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen cultureel erfgoed. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving van en gegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.
Hoofdstuk 2 Beschermde gemeentelijke monumenten Paragraaf 2.1 Aanwijzing en registratie Artikel 3 Aanwijzing 1. Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op voordracht van een belanghebbende, besluiten een gemeentelijk monument, een gemeentelijk archeologisch monument, een gemeentelijk kerkelijk monument of een gemeentelijk groen monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten; b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een erfgoedverordening van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid van de Erfgoedwet.
Artikel 4 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders besluiten over aanwijzing van een gemeentelijk kerkelijk monument na overleg met de eigenaar.
Artikel 5 Voorbescherming 1. De bescherming als bedoeld in paragraaf 2.2 is van overeenkomstige toepassing op het gemeentelijke monument en gemeentelijk kerkelijk monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4 is bekend gemaakt.
2. De voorbescherming als bedoeld in het eerste lid vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijke erfgoedregister.
Artikel 6 Advies commissie Welstand en Monumenten 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3 eerste lid, advies aan de commissie Welstand en Monumenten. 2. De commissie Welstand en Monumenten betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van het cultureel erfgoed bij haar advies. 3. De commissie Welstand en Monumenten brengt binnen een termijn van 8 weken haar advies schriftelijk uit.
Artikel 7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen een termijn van 12 weken na ontvangst van het advies van de commissie Welstand en Monumenten, maar in ieder geval binnen 26 weken na de dag waarop het voornemen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bekend is gemaakt. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, het gemeentelijk kerkelijk monument, het gemeentelijk groen monument, of het gemeentelijk archeologische monument, de datum van de aanwijzing de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het het gemeentelijk monument, het gemeentelijk kerkelijk monument, het gemeentelijk groen monument, of het gemeentelijk archeologische monument.
Artikel 8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing zo spoedig mogelijk in het gemeentelijke erfgoedregister.
Artikel 9 Voorlopige aanwijzing bij spoed 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument, een gemeentelijk archeologisch monument, een gemeentelijk kerkelijk monument of een gemeentelijk groen monument, aanwijzen als voorlopig monument. In afwijking van artikel 6 wordt in dat geval aan de commissie Welstand en Monumenten advies gevraagd over de voorlopige aanwijzing. 2. De voorlopige aanwijzing vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3, eerste lid. 3. Paragraaf 2.2 is overeenkomstig van toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot de voorlopige aanwijzing.
Artikel 10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing 1. Burgemeester en wethouders kunnen wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijke erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 2.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij de wijziging naar oordeel van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk monument, het gemeentelijk kerkelijk monument, of het gemeentelijk archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of erfgoedregister van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 3.17, derde lid van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt zo spoedig mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 2.2 De bescherming Artikel 11 Instandhoudingsplicht Het is verboden een gemeentelijk monument of een gemeentelijk kerkelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daar aan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 12 Omgevingsvergunning 1. Het is verboden zonder, of in afwijking van, een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of gemeentelijk kerkelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop deze wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van gewoon onderhoud, voor zover materialen, detaillering, profilering, vormgeving en kleurgebruik niet wijzigen; b. de uitvoering van gewoon onderhoud aan een park, tuin of andere aanleg, voor zover de aanleg niet wijzigt; c. inpandige veranderingen van een onderdeel dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; d. het aanbrengen van zonnepanelen als bedoeld in artikel 6 van de Beleidsregel zonneenergie voor beschermde monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten in de gemeente Utrecht 2021. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of een gemeentelijk kerkelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling op het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13 Vergunningverlening
1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Burgemeester en wethouders houden bij hun besluit rekening met het gebruik van het monument. 2. In geval de aanvraag omgevingsvergunning een gemeentelijk kerkelijk monument betreft wordt het besluit in overeenstemming met de eigenaar genomen, indien en voor zover het een besluit betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening of de uitoefening van de levensovertuiging in het monument in het geding zijn.
Artikel 14 Voorschriften 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg. 2. De voorschriften als bedoeld in het eerste lid dienen afgestemd te zijn met de overige activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 15 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
Hoofdstuk 3 Beschermde rijksmonumenten Artikel 16 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden zo spoedig mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een beschermd rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de commissie Welstand en Monumenten.
Hoofdstuk 4 Gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten Artikel 17 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De raad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, groepen van onroerende zaken die van bijzonder belang zijn voor de gemeente vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
2. Voordat burgemeester en wethouders het voorstel aan de raad sturen vragen zij advies aan de commissie Welstand en Monumenten. 3. De commissie Welstand en Monumenten adviseert binnen een termijn van 12 weken na ontvangst van het verzoek tot advies. 4. De raad beslist binnen een termijn van 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het eerste lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op beschermd stads- of dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een verordening van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 18 Registratie in het erfgoedregister Een aangewezen beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt zo spoedig mogelijk ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 19 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
1. De raad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 17, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 17, tweede lid en derde lid, is overeenkomstig van toepassing op het wijzigen of intrekken van de aanwijzing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgedaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988; of b. beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een erfgoedverordening van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 20 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 13, 14 en 15 zijn overeenkomstig van toepassing, waarbij in artikel 14, eerste lid, onder het belang van monumentenzorg specifiek de cultuurhistorische waarde van het gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bedoeld. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Hoofdstuk 5 Handhaving en toezicht Artikel 21 Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 11 of artikel 12 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste 3 maanden.
Artikel 22 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van of krachtens burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel 23 Intrekking De Monumentenverordening Utrecht 2010 wordt ingetrokken.
Artikel 24 Overgangsbepalingen 1. Een krachtens Monumentenverordening Utrecht 2010 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, gemeentelijk kerkelijke monument, gemeentelijk groen monument of geregistreerd beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening Utrecht 2010.
Artikel 25 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking vijf weken na bekendmaking in het gemeenteblad;
Artikel 26 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening erfgoed gemeente Utrecht. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>. De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma De griffier,
Merel van Hall