Vaststellingsrapport Omgevingplan Briljantlaan
Tekst van het document
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Vaststelling TAMomgevingsplan Briljantlaan 1115
Vaststellingsrapport Versie: Januari 2026
1
Inhoud vaststellingsrapport 1
SAMENVATTING..................................................................................................................................3 1.1 1.2 1.3
2
INHOUD VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT ..........................................................................................3 KORTE SCHETS VAN DE ZIENSWIJZEN...................................................................................................3 BELANGRIJKSTE WIJZIGINGEN............................................................................................................3
BEOORDELING VAN DE ZIENSWIJZEN ..................................................................................................3 ZIENSWIJZEN (4) BUURTBEWONERS ...........................................................................ERROR! BOOKMARK NOT DEFINED.
3
WIJZIGINGEN IN HET ONTWERP ........................................................................................................10 3.2 3.2.1 3.2.2
4
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN ............................................................................................................10 Actualiseren Woonvisie....................................................................................................10 Actualiseren stikstofdepositie-onderzoek .....................................................................10
TOELICHTING ....................................................................................................................................11 4.1 4.2 4.3 4.4
WAT IS EEN VASTSTELLINGRAPPORT? ...............................................................................................11 DE VASTSTELLINGSPROCEDURE .......................................................................................................11 WIJZE VAN BEOORDELING VAN ZIENSWIJZEN ......................................................................................31 PRIVACY .....................................................................................................................................31
2
1 Samenvatting 1.1 Inhoud van het vaststellingsrapport
In het vaststellingsrapport staan: 1. samenvattingen van de zienswijzen en de reactie van de gemeente op de zienswijzen en 2. de wijzigingen die de gemeente in het ontwerp aanbrengt. In hoofdstuk 4 is algemene informatie over zienswijzen en over de procedure opgenomen.
1.2 Korte schets van de zienswijzen Termijn voor het indienen van zienswijzen De ontwerp wijziging heeft van vrijdag 6 december 2025 tot en met donderdag 15 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen over het ontwerp aangeboden worden aan de gemeenteraad. Hoeveel zienswijzen zijn er ingediend? Er zijn 4 zienswijzen binnen de termijn ingediend. Samenvatting zienswijzen De zienswijzen zijn gericht op de hoogte en massa van het beoogde woongebouw en het daarmee samenhangende verlies van zicht op de watertoren. Indieners, bewoners van de Jadelaan, ervaren de watertoren als een karakteristiek en beeldbepalend element van de wijk. Zij vrezen een vermindering van het uitzicht, woongenot en een mogelijke waardedaling van hun woning. Meerdere indieners verzoeken de gemeente om de bouwhoogte te verlagen zodat (een deel van) het zicht op de watertoren behouden blijft. Eén indiener uit daarnaast kritiek op bestaande bebouwing in Rotsoord. Een andere indiener spreekt juist waardering uit voor de verbetering van de integratie van Rotsoord en het verwijderen van het tankstation. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding het TAM-omgevingsplan aan te passen.
1.3 Belangrijkste wijzigingen
De belangrijkste (ambtshalve) wijzigingen ten opzichte van het ontwerp zijn een update van het milieuonderzoek naar stikstofdepositie, de toevoeging van een BEA (Boom Effect Analyse) en een correctie van de planregelgeving met betrekking tot betaalbare koop. Daarnaast is de motivatie van het TAM-plan bijgewerkt met de laatste actualisaties. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 3.
3
2 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1
Buurtbewoner
De buurtbewoner woont dichtbij de Briljantlaan 11-15.
1. Zienswijze hoogte, massa, zicht watertoren, bestaande bebouwing Indiener dient een zienswijze in tegen het plan omdat de nieuwe woontoren het zicht op de watertoren zal ontnemen. Indiener geeft aan dat het uitzicht vanuit de eigen woning hierdoor zal verslechteren en dat de woningwaarde waarschijnlijk zal dalen. Indiener verzoekt de nieuwbouw zodanig aan te passen dat in ieder geval het zicht op de volledige bovenhelft van de watertoren behouden blijft. Indiener benadrukt dat de watertoren een karakteristiek en monumentaal element is dat de buurt bijzonder maakt en siert. Daarnaast uit indiener kritiek op bestaande bebouwing in Rotsoord, waaronder het Moxy hotel, dat volgens indiener het zicht op de watertoren vanaf Ledig Erf al grotendeels ontneemt.
Reactie De gemeente begrijpt dat het zicht op de watertoren voor omwonenden onderdeel kan zijn van de beleving van de woonomgeving. Bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan Briljantlaan 11–15 is echter een integrale planologische afweging gemaakt, waarin meerdere ruimtelijke en maatschappelijke belangen zijn betrokken. Hieronder worden nader ingegaan op de verschillende onderwerpen die bij de belangenafweging zijn betrokken.
1.1. Woningbouwopgave en betaalbaarheid Utrecht kent een grote en urgente woningbouwopgave, met name voor betaalbare woningen in een stedelijke omgeving. Het plan maakt de realisatie van circa 140–160 woningen mogelijk, met een nadruk op middenhuur en betaalbare koop. Daarmee draagt het plan bij aan de gemeentelijke doelstellingen om de woningvoorraad uit te breiden, de doorstroming te bevorderen en te zorgen voor een gemengde bevolkingssamenstelling in Zuid. De ontwikkeling past binnen de beleidsmatige ambitie om binnenstedelijk te verdichten op locaties die daarvoor geschikt zijn.
1.2. Stedenbouwkundige opzet en openbare ruimte De stedenbouwkundige opzet van het plan is nadrukkelijk niet gericht op het maximaal bebouwen van het perceel. Een belangrijk uitgangspunt is juist het vrijspelen van ruimte op maaiveld ten behoeve van de openbare ruimte en de verbetering van de langzaam-verkeersstructuur in Rotsoord. Door het verwijderen van de bestaande bebouwing en het compacter positioneren van het nieuwe gebouw ontstaat ruimte voor een nieuwe doorgaande openbare wandelroute. Deze route vormt een ontbrekende schakel in het netwerk van wandelverbindingen door Rotsoord en verbindt onder meer de route onder de poort van Keramus met het gebied rond LE:EN en de kinderboerderij Nieuw Rotsoord. Hiermee wordt de ruimtelijke samenhang, toegankelijkheid en verblijfskwaliteit van het gebied versterkt.
1.3. Relatie tussen bouwhoogte en ruimte op maaiveld De keuze om ruimte te reserveren voor openbare functies, verblijfskwaliteit en een doorgaande wandelroute betekent dat niet het gehele perceel wordt bebouwd. Om binnen deze randvoorwaarden toch het gewenste woningprogramma mogelijk te maken, is gekozen voor een compacte footprint in combinatie met een hoogteaccent. Een lager gebouw met dezelfde woningaantallen zou een grotere footprint vereisen, waardoor de beoogde openbare ruimte en wandelroute niet in de huidige vorm gerealiseerd kunnen worden. De maximaal toegestane bouwhoogte (tot circa 12 bouwlagen, 40 meter maximaal) volgt uit de stedenbouwkundige uitgangspunten en de bouwenvelop zoals opgenomen in de
4
toelichting van het TAM-omgevingsplan. De bouwhoogte is daarmee het resultaat van een bewuste afweging tussen verdichting en leefkwaliteit: door in de hoogte te bouwen blijft ruimte beschikbaar voor openbare routes en verblijfsgebieden op maaiveldniveau.
1.4. Hoogte en massa volgens de stedenbouwkundige uitgangspunten van het plan Het gebouw bestaat uit een lager deel dat qua hoogte en schaal aansluit bij de omliggende bebouwing in Rotsoord, en een smaller oplopend deel dat iets terugligt ten opzichte van de rooilijn. Doordat het hogere deel aan de Briljantlaan staat en stapsgewijs terugwijkt, oogt het slanker en minder zwaar. De grotere hoogte is ruimtelijk verantwoord omdat de locatie aan de Briljantlaan ligt en zo het gemengde, stedelijke karakter van Rotsoord versterkt. De maximaal toegestane bouwhoogte (tot circa 12 bouwlagen) volgt uit de stedenbouwkundige uitgangspunten en de bouwenvelop zoals opgenomen in de toelichting van het TAM-omgevingsplan. Daarbij is rekening gehouden met het karakter van de locatie en de ligging nabij het Tolsteegplantsoen als grootschalige openbare ruimte. De bouwhoogte van het plan is niet alleen stedenbouwkundig, maar ook beleidsmatig gemotiveerd. In de Visie Stedenbouw Utrecht 2040 is vastgelegd dat voor naoorlogse stedelijke gebieden met een grootschalige structuur, zoals Rotsoord, hogere bebouwing mogelijk is als onderdeel van binnenstedelijke verdichting. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een hoogteverschil dat past bij de schaal en het karakter van een specifiek gebied, en de veel hogere bouwvolumes die zijn voorbehouden aan stedelijke knooppunten met een stadsbrede uitstraling.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt een gebouw mogelijk met een bouwhoogte van circa 12 bouwlagen. Deze hoogte past binnen de bandbreedte die de Stedenbouwvisie hanteert voor stedelijke verdichtingslocaties buiten beschermde stadsgezichten. Er is dan ook geen sprake van een markant hoogbouwgebouw met een stadsbrede uitstraling, maar van een hogere bebouwing die past bij de schaal, functie en stedelijke context van Rotsoord.
1.5. Afweging ten opzichte van uitzicht en woonbeleving De gemeente onderkent dat nieuwe bebouwing invloed kan hebben op bestaande zichtrelaties. Bij de beoordeling van ruimtelijke aanvaardbaarheid is het behoud van individuele uitzichten echter niet doorslaggevend. In de belangenafweging zijn het woningbouwprogramma, de verbetering van de openbare ruimte en de versterking van de wandelstructuur in Rotsoord zwaarder gewogen dan het behoud van bestaande zichtlijnen. Deze afweging ligt ten grondslag aan het ontwerp van het TAMomgevingsplan en is toegelicht in de planmotivering. Daarbij wordt opgemerkt dat de watertoren als cultuurhistorisch en stedenbouwkundig object herkenbaar blijft in de stedelijke structuur van Rotsoord, ook al wijzigen individuele zichtlijnen.
1.6. Reactie op bestaande bebouwing in Rotsoord De opmerkingen van indiener over bestaande bebouwing in Rotsoord, waaronder het Moxy hotel, worden ter kennisname aangenomen. Deze bebouwing is tot stand gekomen op basis van eerder vastgestelde planologische kaders en valt buiten de reikwijdte van het voorliggende TAMomgevingsplan.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM omgevingsplan te wijzigen.
Zienswijze 2
Buurtbewoner
De buurtbewoner woont dichtbij de Briljantlaan 11-15.
2.1 zienswijze hoogte, zicht watertoren
5
Indiener geeft aan dat een gebouw op gelijke hoogte met de watertoren het uitzicht op de watertoren voor half Tolsteeg zou belemmeren en dat dit ontzettend zonde zou zijn voor omwonenden. Indiener steunt het plan voor meer woonruimte, maar verzoekt het gebouw minder hoog te maken zodat de watertoren er stralend bovenuit blijft steken.
Reactie Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de hoogte en massa van het gebouw en het zicht op de watertoren, verwijst de gemeente naar de beantwoording van zienswijze 1. De gemeente waardeert dat indiener de woningbouwopgave onderkent.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM omgevingsplan te wijzigen.
Zienswijze 3 - Buurtbewoner De indiener is woonachtig in de directe omgeving van de Briljantlaan 11-15.
3.1 Zienswijze hoogte, massa, zicht watertoren, woningwaarde Indiener is eigenaar en bewoner van een appartement aan Jadelaan en maakt bezwaar tegen de onevenredige ruimtelijke impact van het voorgestelde gebouw, in het bijzonder de hoogte en massa. Indiener geeft aan dat de Utrechtse watertoren momenteel duidelijk zichtbaar is vanuit zijn appartement en een belangrijk en karakteristiek onderdeel vormt van de woonomgeving. Volgens indiener zal het voorgestelde gebouw dit uitzicht vrijwel volledig blokkeren, wat leidt tot een blijvende verslechtering van de woonkwaliteit die aanwezig was ten tijde van de aankoop. Indiener stelt dat dit een negatieve invloed kan hebben op de woningwaarde. Indiener verzoekt de gemeente om de proportionaliteit van de voorgestelde hoogte en massa opnieuw te beoordelen en te overwegen of aanpassingen of mitigerende maatregelen mogelijk zijn.
Reactie Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de hoogte en massa van het gebouw en het zicht op de watertoren, verwijst de gemeente naar de beantwoording van zienswijze 1.
Woningwaarde Voor zover indieners vrezen voor waardedaling van hun woning, wijst de gemeente erop dat eventuele nadeelcompensatie via een separate procedure kan worden beoordeeld na vaststelling van het plan. Hoe dit werkt kut u lezen via Verordening nadeelcompensatie gemeente Utrecht | Lokale wet- en regelgeving. Dit aspect maakt geen onderdeel uit van de planologische afweging in het kader van het TAM-omgevingsplan.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM omgevingsplan te wijzigen.
Zienswijze 4 - Buurtbewoner De indiener woont in de omgeving van de Briljantlaan 11-15.
4.1 Zienswijze hoogte, zicht watertoren, integratie Rotsoord Indiener spreekt waardering uit voor het feit dat er iets gedaan wordt aan de integratie van Rotsoord en dat het tankstation wordt verwijderd. Indiener maakt echter bezwaar tegen de afmeting en hoogte van het ontwerp. Het gebouw zou op gelijke hoogte komen met de achterliggende watertoren, waarin WT
6
Urban Kitchen is gevestigd. Indiener geeft aan dat de verlichting van de watertoren en de aanblik erop bijdragen aan het woongenot en dat dit met het voorgestelde ontwerp verloren gaat. Indiener begrijpt de woningbouwopgave maar verzoekt de gemeente te onderzoeken of de geplande hoeveelheid woonruimtes ook gehaald kan worden met een minder hoog gebouw, zodanig dat de top van de watertoren zichtbaar blijft vanuit Tolsteeg en meer specifiek vanuit de Jadelaan.
Reactie De gemeente waardeert de positieve opmerkingen over de verbetering van de integratie van Rotsoord en het verwijderen van het tankstation. Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de hoogte en massa van het gebouw en het zicht op de watertoren, verwijst de gemeente naar de beantwoording van zienswijze 1.
Conclusie De zienswijzen zijn betrokken bij de beoordeling van het TAM-omgevingsplan. De ingebrachte belangen zijn zorgvuldig meegewogen. De zienswijzen geven geen aanleiding het TAM-omgevingsplan aan te passen, omdat het plan, mede gelet op de uitgevoerde onderzoeken en de gemaakte belangenafweging, leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7
3 Wijzigingen in het ontwerp Er zijn geen wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de zienswijzen.
3.1 Ambtshalve wijzigingen 3.1.1
Wijzigingen van de motivatie
3.1.1.1 Toevoeging van BEA (bomen effect analyse) Omdat binnen en rondom het plangebied bomen aanwezig zijn die door werkzaamheden kunnen worden beïnvloed, is voor de vaststelling van het TAM-plan een Boom Effect Analyse (BEA) opgesteld conform de Bomenverordening gemeente Utrecht 2023. Deze analyse brengt de effecten op de bestaande bomen in beeld en vormt de basis voor eventuele kap- en herplantvergunningen. De onderstaande tekst is toegevoegd aan hoofdstuk 5.12 van de motivatie van het TAM-plan. Toegevoegd: Uit de Boom Effect Analyse (BEA) volgt dat alle 11 geïnventariseerde bomen binnen het plangebied behouden kunnen blijven. Geen enkele boom hoeft te worden gekapt. De bomen verkeren in een goede conditie en hebben een hoge toekomstverwachting (> 15 jaar). Het voornemen is om de bomen tijdelijk te verplanten naar een boomdepot, zodat de bestaande groeiplaatsen volledig opnieuw kunnen worden ingericht — inclusief gronduitwisseling en het verwijderen van storende puinlagen in de ondergrond. Na herinrichting van de groeiplaatsen worden de bomen teruggeplaatst in een optimale ruimtelijke samenstelling, waarbij breed uitgroeiende soorten voldoende doorwortelbare ruimte krijgen. De jonge leeftijd en goede conditie van de bomen maken de slagingskans van verplanting hoog.
In de nadere uitwerking van het ontwerp (DO-fase) wordt bepaald welke bomen daadwerkelijk verplant worden en welke op hun huidige standplaats gehandhaafd kunnen blijven. Deze aanpak is erop gericht om ten opzichte van de huidige situatie een kwalitatief betere groenstructuur te realiseren: de bomen krijgen verbeterde groeiplaatsen, een doordachte positionering en meer ontwikkelingsruimte. Aanvullend voorziet het inrichtingsplan in de aanplant van nieuwe bomen op het Ariaplein en in de openbare ruimte rondom de nieuwbouw. Per saldo neemt de hoeveelheid groen in het plangebied naar verwachting toe. In de DO-fase zal een geactualiseerde analyse uitgevoerd worden en wordt een Werkplan Bomen opgesteld ter borging van de boombeschermende maatregelen tijdens de bouwfase. 3.1.1.2 Aanvullen van paragrafen 2.3.2.3 en 4.1 Bouwhoogte en stedelijke accenten De paragrafen 2.3.2.3 en 4.1 zijn aangevuld met een nadere onderbouwing van de bouwhoogte van de Briljantlaan 11-15 op basis van het beleidsstuk Visie Stedenbouw Utrecht 2040. Aan paragraaf 2.3.2.3 is subparagraaf 2.3.2.3.2 toegevoegd, bouwhoogte en stedelijke accenten. Toegevoegd: De Visie Stedenbouw Utrecht 2040 geeft richting aan de wijze waarop Utrecht verdicht om de groei van de stad op te vangen, met behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen stedelijk gebied, met elk een eigen benadering ten aanzien van dichtheid, bouwhoogte en schaal. Hoogbouw is daarbij geen doel op zich, maar kan worden ingezet als middel om stedelijke structuren te versterken, mits zorgvuldig gepositioneerd en goed ingepast in de omgeving. De locatie Briljantlaan 11–15 ligt in het gebied Rotsoord, dat wordt gekenmerkt als een naoorlogs, grootschalig en gemengd stedelijk gebied met een robuuste infrastructuur en een relatief open verkavelingsstructuur. Dit type gebied biedt volgens de Stedenbouwvisie ruimte voor binnenstedelijke verdichting en voor het aanbrengen van hoogteaccenten, met name langs stedelijke routes en randen waar de schaal van de openbare ruimte groter is en waar bebouwing kan bijdragen aan oriëntatie en herkenbaarheid. De Visie Stedenbouw Utrecht 2040 hanteert voor dergelijke gebieden een gedifferentieerde benadering van bouwhoogtes. Afhankelijk van de stedenbouwkundige context en positionering zijn hoogteaccenten mogelijk die uitstijgen boven de directe omgeving, mits deze bijdragen aan de
8
leesbaarheid van de stad en gepaard gaan met een zorgvuldige massaopbouw. De visie maakt daarbij onderscheid tussen gebiedsgerichte hoogteaccenten en de veel hogere bouwvolumes die zijn voorbehouden aan grootschalige OV-knooppunten en stedelijke centra. Het voorliggende plan maakt een gebouw mogelijk met een hoogteaccent van circa 12 bouwlagen. Deze bouwhoogte past binnen de bandbreedte die de Stedenbouwvisie hanteert voor stedelijke verdichtingslocaties buiten beschermde stadsgezichten. Daarmee is geen sprake van hoogbouw in de zin van stedelijke iconen, maar van een gebiedsgericht hoogteaccent dat past bij de schaal, functie en stedelijke context van Rotsoord. Het stedenbouwkundig concept sluit aan bij de uitgangspunten van de visie door te kiezen voor een gelaagde opbouw, met een stedelijke basis die aansluit bij de maat en schaal van de omliggende bebouwing en een terugliggend hoogteaccent. De positionering van het hoogteaccent aan de Briljantlaan is bewust gekozen, omdat hier de stedelijke schaal groter is en het gebouw kan functioneren als markering van het gemengd stedelijk gebied van Rotsoord, zonder onevenredige impact op de aangrenzende woonstraten. Door de compacte footprint van het gebouw en de toepassing van setbacks wordt de massa visueel beperkt en ontstaat ruimte op maaiveld voor een nieuwe, doorgaande openbare wandelroute over de locatie.
Deze wandelroute vormt een ontbrekende schakel in het netwerk van langzaamverkeersverbindingen in Rotsoord en draagt bij aan de verbetering van de toegankelijkheid en verblijfskwaliteit van het gebied. De situering en publieke toegankelijkheid van deze route zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) van deze toelichting. Daarmee wordt de inzet van bouwhoogte rechtstreeks gekoppeld aan een concreet en toetsbaar ruimtelijk kwaliteitsdoel. 3.1.1.3 Bijwerken van paragraaf 5.20 Energie Geschrapt: Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Hiervoor is het belangrijk dat het gebied energieneutraal is en dat betekent dat er op jaarbasis net zoveel energie in het gebied wordt opgewekt als gebruikt. Dit geldt voor: De gebouwgebonden energievraag; energievraag van installaties voor verwarming en koeling van ruimtes, ventilatie, warmtapwater en verlichting. De gebruiksgebonden energievraag; het verbruik voor 'huishoudelijke' apparatuur (keuken- en kantineapparatuur, computers, kopieerapparaten, printers enz.), bedrijfsapparatuur en machines. Dat wil zeggen: al het energieverbruik binnen het gebouw, exclusief verlichting. en het energiegebruik in de openbare ruimte. Het is daarbij de ambitie de energievraag zo laag mogelijk te houden en de benodigde energie lokaal op te wekken met duurzame energiebronnen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos gebouwd.
Utrecht wil alle nieuwbouw automatisch geschikt maken voor lage temperatuur systemen en zet bij grote projecten in op seizoensopslag in de bodem. Door de uitdagingen op het Utrechtse elektriciteitsnet sturen wij ook op netbewuste gebouwen die een zo laag mogelijke piekvraag hebben. In onderstaande tabel staan de belangrijkste energiedoelstellingen van de gemeente Utrecht. Doelstellingen/visies Gemeentelijke document Projectontwikkelaars en bouwbedrijven stellen een energieplan op voor een nieuwbouwproject aan de hand van het Utrechts Energie Protocol. Nieuwbouw is energieneutraal of beter. Bij projecten van meer dan circa 1500 woningequivalenten stelt het college de gemeenteraad voor om een aparte Omgevingsplanwijziging warmtesysteem vast te stellen, en neemt het college de regie over de selectie van een warmtebedrijf die een collectief systeem realiseert. Utrechts Energie Protocol
9
Duurzame, betaalbare, betrouwbare en transparante warmtelevering. Lage temperatuur warmtesystemen voor nieuwbouw (en geen stadswarmte). Transitievisie warmte In 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken Geen dak- of geveloppervlak in de stad mag onbenut blijven Programma zon op dak en netinpassingen 2022-2026 Netbewust bouwen om elektriciteitsvraag op pieken te verlagen, o.a. door energie op te slaan of vraag te verplaatsen. Netbewust laden als eis bij openbare laadpalen Plaatsing van traforuimtes heeft een minimale impact op de kwaliteit van de openbare ruimte ('Inpandig, tenzij'). Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026 Netcongestie in Utrecht Op 12 oktober 2021 kondigde TenneT netcongestie af voor het terugleveren (het invoeden van) duurzaam opgewekte elektriciteit op het netwerk in de provincies Utrecht, Flevoland en Gelderland. Op 17 november 2022 kwam TenneT naar buiten met een nieuwe vooraankondiging van congestie voor dit gebied; het elektriciteitsnet heeft zijn maximale capaciteit bereikt ook voor het afnemen van elektriciteit. Dit betekent dat het stroomnetwerk hier op piekmomenten vol is in twee richtingen. Naast de knelpunten op het hoogspanningsnet zijn er ook knelpunten op het net van Stedin.
Dit betekent concreet dat nieuwe grootverbruikers met een aansluitcapaciteit vanaf 3x80 Ampère niet in hun elektriciteitsbehoefte kunnen worden voorzien totdat het elektriciteitsnet is uitgebreid. Bovendien geven de netbeheerders aan dat in de provincie Utrecht de groei van kleinverbruik vanaf 2026 de daarvoor gereserveerde netcapaciteit kan overschrijden, wat noopt tot (extra) maatregelen. Voor het eerst kunnen daardoor ook kleinverbruikers, zoals huishoudens en het MKB, door netcongestie worden geraakt. Transitievisie Warmte (2021) Om te kunnen voldoen aan de verplichting uit het Klimaatakkoord dat door de VNG is ondertekend, heeft de gemeente Utrecht in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld. Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken. Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden. Het uitgangspunt is om de schaarse hoge temperatuur warmtebronnen, zoals biomassaverbranding en diepe geothermie, alleen in te zetten voor bestaande bouw en niet voor nieuwbouw. Bestaande bouw is vaak moeilijker te isoleren. Nieuwbouw is goed te isoleren en is daardoor uitermate geschikt voor verwarming op lage temperatuur (LT).
Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden. Programma zon op dak en netinpassingen 2022-2026 Doelstelling is om in 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken. Bij zon op grote daken speelt een grote structurele belemmering: de beperkte netcapaciteit en de huidige netbeperking voor teruglevering als gevolg hiervan. Eigenaren van grote daken die zonnepanelen willen plaatsen kunnen niet meer uitgaan van netlevering (opwekken zonder terug te leveren is nog wel mogelijk). Het behalen van de doelstelling voor grote daken is grotendeels afhankelijk van de genoemde netverzwaringen door Tennet. Andere belangrijke oplossingen voor netcongestie zijn het toepassen van congestiemanagement door de netbeheerders en het toepassen van lokale alternatieve oplossingen. Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026 Voor de groei en verduurzaming van de stad is stroom nodig. Met het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie draagt de Gemeente Utrecht structureel bij aan het oplossen van knelpunten op het elektriciteitsnet, en aan spitsmijding door de gebruikers van dat net.
10
Er zijn een paar 'knoppen om aan te draaien' die bijdragen om de knelpunten op het elektriciteitsnet op te lossen: A. Versnellen van netuitbreidingen om de schaarste aan transportcapaciteit structureel te verhelpen en betere benutting van de bestaande netcapaciteit; B. Het verlagen van de piekvraag naar elektriciteit ('spitsmijden') en toevoegen van flexibiliteit. Hieronder vallen maatregelen als Opslag van stroom in grote batterijen Directe verbinding van opwek en verbruik Capaciteitsbeperkende afnamecontracten Slim laden bij EV-laadpalen (bijv. door de laadpalen af te knijpen in de spits) Tijdelijke (fossiele) opwek C. Tijdelijk prioriteren van ontwikkelingen en omgaan met schaarste; D. Langetermijn planning / programmeren van de elektriciteitsinfrastructuur om knelpunten na 2030 zo veel mogelijk te voorkomen. Een belangrijk spoor voor nieuwbouw (onderdeel van knop B) is netbewust ontwerpen en bouwen. Als Utrecht wil blijven groeien in balans, dan is balans op het elektriciteitsnetwerk een voorwaarde. Dit betekent dat piekbelasting vermeden moet worden, zowel bij de invoeding van stroom als bij de afname. De vanzelfsprekendheid van netgebruik wanneer je wil en hoeveel je wil is voorbij. De toekomst is aan de netbewuste stad, waarin de netbelasting via een combinatie van organisatorische en technische maatregelen gelijkmatiger verspreid wordt over de dag.
Utrechts Energie Protocol (UEP) Initiatiefnemers volgen het Utrechtse Energie Protocol bij het vaststellen van definitieve oplossingen voor energievoorziening van het plan. De definitieve keuzes zijn afhankelijk van de berekeningen in de fase Definitief Ontwerp. Het gaat daarbij in ieder geval om: – wel of geen open bodemenergiesysteem als onderdeel van de opwekkingsinstallatie voor thermische installaties (koude en warmte); – de grootte van de buffervoorzieningen voor thermische energie (hoog temperatuur koude, laag temperatuur warmte en hoog temperatuur warmte); – de grootte van het energie-opslagsysteem voor elektrische energie; – het aantal te plaatsen PV-panelen. Utrecht wil dat gebouwen en gebieden die nu in ontwikkeling zijn, zoveel mogelijk bijdragen aan een klimaatneutrale stad. Daarom biedt de Gemeente Utrecht het Utrechts Energie Protocol (UEP) aan als handreiking aan projectontwikkelaars en andere organisaties die starten met een nieuwbouwproject in Utrecht. Het Utrechts Energie Protocol is een stappenplan voor duurzame invulling van de energievoorziening. De volgorde in dit stappenplan is om eerst te kijken naar de mogelijkheden tot energiebesparing en verduurzaming op gebouw- of perceelniveau.
Vervolgens naar de duurzame mogelijkheden binnen het plangebied of in de directe omgeving en ten slotte (verder) buiten het plangebied voor mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Dit betekent dat wij voor nieuwbouw inzetten op hoogwaardige isolatie, optimaal gebruik van het dak (en gevels) voor duurzame energie-opwek, hergebruik van reststromen en het maximaal gebruik van warmte en koude in de directe omgeving. Sinds 1 januari 2021 zijn de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw) Eisen aan Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) | RVO.nl en TOjuli wettelijk verplicht voor alle nieuwbouw die per die datum wordt ontwikkeld en gebouwd. De BENG indicatoren zijn de nieuwe toetsingscriteria om nieuwbouw gebouwen te beoordelen. Voor het thema energie wordt ingezet op richtlijnen van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen, waaraan Gemeente Utrecht zich committeert en waarbij we streven naar niveau goud en de ondergrens ligt bij niveau brons. Dit betekent voor nieuwbouw dat de grondgebonden woningen energieneutraal of beter zijn. Dit betekent een minimale energievraag gecombineerd met een maximale energieopwekking. Dit is te vertalen in een BENG 2 norm van minimaal 0 en een BENG 3 norm van =100%. Dat wil zeggen dat voor gebouwgebonden energieverbruik geen fossiele energie wordt toegepast.
Voor appartementen geldt een aangepast minimale ambitie, deze ambitie is verwoord in het Convenant Toekomstbestendig bouwen (onder het niveau brons). Toegevoegd: Utrechts Energie Protocol (UEP)
11
Utrecht wil dat gebouwen en gebieden die nu in ontwikkeling zijn, zoveel mogelijk bijdragen aan een klimaatneutrale stad. Daarom biedt de Gemeente Utrecht het Utrechts Energie Protocol (UEP) aan als handreiking aan projectontwikkelaars en andere organisaties die starten met een nieuwbouwproject in Utrecht. Het Utrechts Energie Protocol is een stappenplan voor duurzame invulling van de energievoorziening. De volgorde in dit stappenplan is om eerst te kijken naar de mogelijkheden tot energiebesparing en verduurzaming op gebouw- of perceelniveau. Vervolgens naar de duurzame mogelijkheden binnen het plangebied of in de directe omgeving en ten slotte (verder) buiten het plangebied voor mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Dit betekent dat wij voor nieuwbouw inzetten op hoogwaardige isolatie, optimaal gebruik van het dak (en gevels) voor duurzame energie-opwek, hergebruik van reststromen en het maximaal gebruik van warmte en koude in de directe omgeving. Sinds 2018 moet alle nieuwebouw aardgasvrij worden opgeleverd. Sinds 1 januari 2021 zijn de BENGeisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw) en TOjuli wettelijk verplicht voor alle nieuwbouw die per die datum wordt ontwikkeld en gebouwd. De BENG indicatoren zijn de nieuwe toetsingscriteria om nieuwbouw gebouwen te beoordelen.
Voor het thema energie wordt ingezet op richtlijnen van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen, waaraan Gemeente Utrecht zich committeert en waarbij we streven naar niveau goud en de ondergrens ligt bij niveau brons. Dit betekent voor nieuwbouw dat de grondgebonden woningen energieneutraal of beter zijn. Dit betekent een minimale energievraag gecombineerd met een maximale energieopwekking. Dit is te vertalen in een BENG 2 norm van minimaal 0 en een BENG 3 norm van gelijk of groter aan100%. Dat wil zeggen dat voor gebouwgebonden energieverbruik geen fossiele energie wordt toegepast. Voor appartementen geldt een aangepast minimale ambitie, deze ambitie is verwoord in het Convenant Toekomstbestendig bouwen (onder het niveau brons). Geschrapt: De problemen in het elektriciteitsnet van de afgelopen jaren maken duidelijk dat er grenzen zijn aan de te leveren of af te nemen elektriciteitscapaciteit. Daarom is het van belang om in de planvorming rekening te houden met de mogelijke impact op de elektriciteits-infrastructuur. En om te controleren of de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder Het doel van de provinciale energietoets is vroegtijdig in overleg te gaan met de netbeheerder over de energieaspecten van het betreffende plan.
Door de netbeheerder wordt dan een afweging gemaakt die in de vorm van een energieparagraaf aan het omgevingsplan kan worden toegevoegd. Inzichtelijk moet worden gemaakt hoe nieuwe functies zich verhouden tot het geheel aan (te verwachten) ontwikkelingen in een gebied of gemeente en de omliggende gemeenten. Ook bij kleinere plannen kunnen zich beperkingen voor de aansluitbaarheid op het energiesysteem voordoen. In de provinciale omgevingsverordening van de provincie Utrecht is in afdeling 5.3 een instructieregel opgenomen die betrekking heeft op het mogelijk maken van nieuwe functies die tot een overbelasting kunnen leiden van de energie-infrastructuur (zie ook paragraaf 2.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht en Omgevingsverordening provincie Utrecht). Als een omgevingsplan nieuwe functies mogelijk maakt (met uitzondering van minder dan 10 woningen), moet op grond van deze instructieregel rekening gehouden worden met de aansluitbaarheid van de nieuw te realiseren gebouwen op de elektriciteitsinfrastructuur. Ook verplicht deze instructieregel tot het opnemen van een verslag tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente, waarin staat of de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving.
Omdat deze eisen in de praktijk niet goed uitvoerbaar zijn, is samen met de Provincie een tijdelijk werkinstructie gemaakt voor de praktische invulling van de energieparagraaf. Daarin moet in ieder geval informatie staan over de beschikbaarheid van de elektriciteitsinfrastructuur, het voorziene systeem van energiebeheer en een afweging of de nieuwe functies er vanuit het beheer en de beschikbaarheid van de elektriciteits-infrastructuur, inderdaad ontwikkeld kunnen worden. Het gaat om een inventarisatie van de mogelijke impact op en de beperkingen van de elektriciteits-infrastructuur voor een bepaalde nieuwe functie en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer voor deze nieuwe functies. Hieronder valt in ieder geval: opwek, opslag, gebruik, transport, levering van elektriciteit of combinaties daarvan. In de energieparagraaf van de motivering van een wijziging omgevingsplan moet een korte onderbouwing van de piekbelasting van een nieuwbouwproject worden opgenomen. Piekbelasting
12
wordt inzichtelijk gemaakt door rekening te houden met drie grootste elektriciteitsvragers in een project. Dat zijn de piekvraag van: warmte (warmtepompen), algemeen elektriciteitsgebruik van woningen en laden. Bij warmte en algemeen elektriciteitsgebruik van woningen mag rekening worden gehouden met een aannemelijk percentage van gelijktijdigheid. Projectontwikkelaars zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de netimpact berekening en aangeleverde cijfers. De Provincie toetst niet op de aspecten 'aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur' en op de aanwezigheid van 'een verslag van het inventariserend overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente' in de energieparagraaf. Hiermee wijken gemeenten gemotiveerd af van de huidige letterlijke invulling van de Instructieregel over de energietoets. Gemotiveerd afwijken past bij het karakter van de energietoets, namelijk: “wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur”. Deze afspraken gelden van 2024- Q4 tot inwerkingtreding van de tweede wijziging van de Omgevingsverordening (Q4-2026). Toegevoegd: De problemen in het elektriciteitsnet van de afgelopen jaren maken duidelijk dat er grenzen zijn aan de te leveren of af te nemen elektriciteitscapaciteit.
Daarom is het van belang om in de planvorming rekening te houden met de mogelijke impact op de elektriciteits-infrastructuur. En om te controleren of de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder. Het doel van de provinciale energietoets is vroegtijdig in overleg te gaan met de netbeheerder over de energieaspecten van het betreffende plan. Door de netbeheerder wordt dan een afweging gemaakt die in de vorm van een energieparagraaf aan het omgevingsplan kan worden toegevoegd. Inzichtelijk moet worden gemaakt hoe nieuwe functies zich verhouden tot het geheel aan (te verwachten) ontwikkelingen in een gebied of gemeente en de omliggende gemeenten. Ook bij kleinere plannen kunnen zich beperkingen voor de aansluitbaarheid op het energiesysteem voordoen. In de provinciale omgevingsverordening van de provincie Utrecht is in afdeling 5.3 een instructieregel opgenomen die betrekking heeft op het mogelijk maken van nieuwe functies die tot een overbelasting kunnen leiden van de energie-infrastructuur (zie ook paragraaf 2.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht en Omgevingsverordening provincie Utrecht). Als een omgevingsplan nieuwe functies mogelijk maakt (met uitzondering van minder dan 10 woningen), moet op grond van deze instructieregel rekening gehouden worden met de aansluitbaarheid van de nieuw te realiseren gebouwen op de elektriciteitsinfrastructuur.
Ook verplicht deze instructieregel tot het opnemen van een verslag tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente, waarin staat of de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving. Omdat deze eisen in de praktijk niet goed uitvoerbaar zijn, is samen met de provincie een tijdelijk werkinstructie gemaakt voor de praktische invulling van de energieparagraaf. Daarin moet in ieder geval informatie staan over de beschikbaarheid van de elektriciteitsinfrastructuur, het voorziene systeem van energiebeheer en een afweging of de nieuwe functies er vanuit het beheer en de beschikbaarheid van de elektriciteits-infrastructuur, inderdaad ontwikkeld kunnen worden. Het gaat om een inventarisatie van de mogelijke impact op en de beperkingen van de elektriciteits-infrastructuur voor een bepaalde nieuwe functie en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer voor deze nieuwe functies. Hieronder valt in ieder geval: opwek, opslag, gebruik, transport, levering van elektriciteit of combinaties daarvan. In de energieparagraaf van de motivering van een wijziging omgevingsplan moet een korte onderbouwing van de piekbelasting van een nieuwbouwproject worden opgenomen. Piekbelasting wordt inzichtelijk gemaakt door rekening te houden met drie grootste elektriciteitsvragers in een project.
Dat zijn de piekvraag van: warmte (warmtepompen), algemeen elektriciteitsgebruik van woningen en laden. Bij warmte en algemeen elektriciteitsgebruik van woningen mag rekening worden gehouden met een aannemelijk percentage van gelijktijdigheid. Projectontwikkelaars zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de netimpact berekening en aangeleverde cijfers. De provincie toetst niet op de aspecten 'aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur' en op de aanwezigheid van 'een verslag van het inventariserend overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente' in de energieparagraaf. Hiermee wijken gemeenten gemotiveerd af van de huidige letterlijke invulling van de Instructieregel over de energietoets. Gemotiveerd afwijken past bij het karakter van de energietoets, namelijk: “wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur”. Deze afspraken gelden van 2024-Q4 tot inwerkingtreding van de tweede wijziging van de Omgevingsverordening (Q4-2026).
13
3.1.1.4 Bijwerken van paragraaf 2.3.2.3.10 Energie Geschrapt: In de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 is onder andere de strategische visie over energie opgenomen voor 2040. De gemeente Utrecht kiest voor een energie-efficiënte stad, biedt ruimte aan grootschalige productie van duurzame energie en beperkt daarmee het beroep op energie uit de regio. Daarmee wil de gemeente zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en bijdragen aan de nationale klimaatdoelstellingen. Voor nieuwbouw betekent dit dat we alleen woningen en andere gebouwen willen bouwen die energieneutraal of beter zijn. Dit betekent een minimale energievraag gecombineerd met een maximale energieopwekking. Door de uitdagingen op het Utrechtse elektriciteitsnet sturen wij ook op netbewuste gebouwen die zo laag mogelijke piekvraag hebben. Utrecht wil alle nieuwbouwwoningen automatisch geschikt maken voor lage temperatuur systemen en zet bij grote projecten in op seizoensopslag in de bodem. In onderstaande tabel staan bondig de belangrijkste energiedoelstellingen van de gemeente Utrecht gerelateerd aan nieuwbouw. Doelstellingen/visies Gemeentelijke document - Duurzame, betaalbare, betrouwbare en Transitievisiewarmte transparante warmtelevering. - Lage temperatuur warmtesystemen voor nieuwbouw.
Bij een nieuwbouwproject met meer dan 150 Utrechts Energie Protocol woningen wordt er gestuurd op collectief warmte-koudesysteem - In 2030 168 GWh op te wekken met Programma zon op dak en netinpassingen 2022zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te 2026 wekken met zonnepanelen op kleine daken - Geen dak- of geveloppervlak in de stad mag onbenut blijven - Netbewust bouwen door onder andere de Uitvoeringsprogramma piekvraag naar elektriciteit te verlagen en het elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023toevoegen van flexibiliteit. 2026 - Netbewust laden als eis bij openbare laadpalen - Plaatsing van traforuimtes heeft een minimale impact op de kwaliteit van de openbare ruimte ('Inpandig, tenzij'). Plangebied In paragraaf 5.20 Energie wordt verder ingegaan op het aspect energie. Visie op de warmtevoorziening (2017), Transitievisie Warmte (2021) en Regionale Energiestrategie (2021) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld. De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement.
Om de doelstelling te behalen om als Utrecht zo snel mogelijk, in ieder geval in 2030 klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energie-infrastructuur en om nog meer gebruik van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd en worden gemeenten verplicht om een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) op te stellen. De gemeente Utrecht heeft in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) vastgesteld. Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken.
Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge-temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden.
14
Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen, hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt en welke duurzame warmtebronnen gebruikt kunnen worden om buurten aardgasvrij te maken. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. Toegevoegd: Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Hiervoor is het belangrijk dat het gebied energieneutraal is en dat betekent dat er op jaarbasis net zoveel energie in het gebied wordt opgewekt als gebruikt. Dit geldt voor:
de gebouwgebonden energievraag; energievraag van installaties voor verwarming en koeling van ruimtes, ventilatie, warmtapwater en verlichting. de gebruiksgebonden energievraag; het verbruik voor 'huishoudelijke' apparatuur (keuken- en kantineapparatuur, computers, kopieerapparaten, printers enz.), bedrijfsapparatuur en machines. Dat wil zeggen: al het energieverbruik binnen het gebouw, exclusief verlichting. en het energiegebruik in de openbare ruimte.
Het is daarbij de ambitie de energievraag zo laag mogelijk te houden en de benodigde energie lokaal op te wekken met duurzame energiebronnen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos gebouwd. Utrecht wil alle nieuwbouw geschikt maken voor lage temperatuur systemen en zet bij grote projecten in op seizoensopslag in de bodem. Door de uitdagingen op het Utrechtse elektriciteitsnet sturen wij ook op netbewuste gebouwen die een zo laag mogelijke piekvraag hebben. In onderstaande tabel staan de belangrijkste energiedoelstellingen van de gemeente Utrecht die relevant zijn voor xxx. Doelstellingen/visies Gemeentelijke document - Projectontwikkelaars en bouwbedrijven stellen Utrechts Energie Protocol een energieplan op voor een nieuwbouwproject aan de hand van het Utrechts Energie Protocol. - Nieuwbouw is energieneutraal of beter. - Bij projecten van meer dan circa 1500 woningequivalenten stelt het college de gemeenteraad voor om een aparte Omgevingsplanwijziging warmtesysteem vast te stellen, en neemt het college de regie over de selectie van een warmtebedrijf die een collectief systeem realiseert. - Duurzame, betaalbare, betrouwbare en Beleidsnota Warmte transparante warmtelevering. - Lage temperatuur warmtesystemen voor nieuwbouw.
- In 2030 168 GWh op te wekken met Programma zon op dak en netinpassingen 2022zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te 2026 wekken met zonnepanelen op kleine daken - Geen dak- of geveloppervlak in de stad mag onbenut blijven - Netbewust bouwen om elektriciteitsvraag op Uitvoeringsprogramma pieken te verlagen, o.a. door energie op te slaan elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023of vraag te verplaatsen. 2026 - Netbewust laden als eis bij openbare laadpalen - Plaatsing van traforuimtes heeft een minimale impact op de kwaliteit van de openbare ruimte ('Inpandig, tenzij'). Netcongestie in Utrecht Op 12 oktober 2021 kondigde TenneT netcongestie af voor het terugleveren (het invoeden van) duurzaam opgewekte elektriciteit op het netwerk in de provincies Utrecht, Flevoland en
15
Gelderland. Op 17 november 2022 kwam TenneT naar buiten met een nieuwe vooraankondiging van congestie voor dit gebied; het elektriciteitsnet heeft zijn maximale capaciteit bereikt ook voor het afnemen van elektriciteit. Dit betekent dat het stroomnetwerk hier op piekmomenten vol is in twee richtingen. Naast de knelpunten op het hoogspanningsnet zijn er ook knelpunten op het net van Stedin. Dit betekent concreet dat nieuwe grootverbruikers met een aansluitcapaciteit vanaf 3x80 Ampère niet in hun elektriciteitsbehoefte kunnen worden voorzien totdat het elektriciteitsnet is uitgebreid. Bovendien geven de netbeheerders aan dat in de provincie Utrecht de groei van kleinverbruik vanaf 2026 de daarvoor gereserveerde netcapaciteit kan overschrijden, wat noopt tot (extra) maatregelen. Voor het eerst kunnen daardoor ook kleinverbruikers, zoals huishoudens en het MKB, door netcongestie worden geraakt. Beleidsnota Warmte 2025-2025 (20 november 2025) Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt het Warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet. Gemeenten zijn hierdoor verplicht om voor 31 december 2027 hun Transitievisies Warmte (die volgen uit het Klimaatakkoord) om te zetten naar een Warmteprogramma.
De Beleidsnota Warmte is een thematisch onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht en vervangt de Transitievisie Warmte Deel I en II en de Visie op de Warmtevoorziening. Met het vaststellen van de kaders in de Beleidsnota Warmte geeft de Raad de richting aan de vormgeving van de transitie naar een toekomstig CO2-vrij warmtesysteem in de stad. Op basis van deze kaders kan het college vervolgens concreet invulling geven aan activiteiten en beoogde resultaten voor de komende 10 jaar in het Warmteprogramma. Dit programma wordt iedere 5 jaar herzien. In de beleidsnota is een voorkeursoplossing voor de invulling van de warmtetransitie per buurt vastgelegd (WAT-kaart) en er is een bronnenstrategie voor de stad uitgewerkt. De belangrijke kaders in de beleidsnota zijn:
Inzetten op gezamenlijke (collectieve) warmte-oplossingen Duurzame warmtebronnen slim gebruiken en eerlijk te verdelen Op tijd ruimte vrijmaken voor aanleg van warmtenetten Samen invulling geven aan een warmtekavel en de keuze van het warmtebedrijf Samenwerken met buurtinitiatieven Aanwijsbevoegdheid gebruiken als dat nodig is We kiezen voor publiek eigendom in de warmtetransitie Extra aandacht voor energiebesparing en koelte in de zomer Duurzame netbewuste energiesystemen voor nieuwbouw
Het integraal sturen op duurzame netbewuste energiesystemen voor de nieuwbouw levert de volgende belangrijke principes voor energiesystemen in de nieuwbouw:
Klimaatbewust. Het is belangrijk om gebouwen niet alleen te kunnen verwarmen, maar ook te koelen. Door te sturen op collectieve lage-temperatuurwarmteoplossingen met seizoensopslag voorkomen we dat gebouweigenaren in de zomer actief gaan koelen met een airco of luchtwarmtepomp. Netbewust. Dit betekent inzetten op energiesystemen die zorgen voor beperking van de piekbelasting van het elektriciteitsnet. Collectieve warmteoplossingen met seizoensopslag verbruiken minder elektriciteit op piekmomenten dan individuele warmteoplossingen en zijn daardoor netbewuster. Ruimtebewust. Gemeente Utrecht stuurt aan op maximale benutting van dak en gevels voor energieproductie als deze ruimte niet nodig is voor andere functies. De energie-installaties worden zoveel mogelijk inpandig gerealiseerd en WKO-bronnen bij voorkeur op het perceel. Omgevingsbewust. De energievoorziening heeft niet alleen impact op ruimtegebruik, maar ook op omgevingskwaliteit. Warmtepompen maken geluid en airco's leveren warmte aan de buitenlucht op momenten dat het al heel warm is in de stad (hittestress). Daarom gaat de voorkeur uit naar collectieve warmteoplossingen omdat deze minder negatieve effecten hebben op de omgevingskwaliteit.
Toepassing van seizoensopslag, zoals collectieve warmte-koudeopslag in de bodem (WKO), is zowel, klimaatbewust, netbewust, ruimtebewust als omgevingsbewust. Om die reden is de inzet van seizoensopslag in nieuwbouw een doel op zich. Regionale Energiestrategie Regio Utrecht (2025) De RES-regio Utrecht wil in 2050 energieneutraal zijn: dit betekent alle energie die we gebruiken duurzaam opwekken. In 2030 willen we daarvoor een goede stap hebben gezet door meer zonne-
16
en windenergie op te wekken. Ook zoeken we naar duurzame warmtebronnen als alternatief voor het aardgas waarmee we onze huizen en gebouwen verwarmen. Hoe we dat willen gaan doen staat in de RES Herijking. Programma zon op dak en netinpassingen 2022-2026 Doelstelling is om in 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken. Bij zon op grote daken speelt een grote structurele belemmering: de beperkte netcapaciteit en de huidige netbeperking voor teruglevering als gevolg hiervan. Eigenaren van grote daken die zonnepanelen willen plaatsen kunnen niet meer uitgaan van netlevering (opwekken zonder terug te leveren is nog wel mogelijk). Het behalen van de doelstelling voor grote daken is grotendeels afhankelijk van de genoemde netverzwaringen door Tennet. Andere belangrijke oplossingen voor netcongestie zijn het toepassen van congestiemanagement door de netbeheerders en het toepassen van lokale alternatieve oplossingen. Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026 Voor de groei en verduurzaming van de stad is stroom nodig. Met het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie draagt de Gemeente Utrecht structureel bij aan het oplossen van knelpunten op het elektriciteitsnet, en aan spitsmijding door de gebruikers van dat net.
Er zijn een paar 'knoppen om aan te draaien' die bijdragen om de knelpunten op het elektriciteitsnet op te lossen: A. Versnellen van netuitbreidingen om de schaarste aan transportcapaciteit structureel te verhelpen en betere benutting van de bestaande netcapaciteit; B. Het verlagen van de piekvraag naar elektriciteit ('spitsmijden') en toevoegen van flexibiliteit. Hieronder vallen maatregelen als:
Opslag van stroom in grote batterijen Directe verbinding van opwek en verbruik Capaciteitsbeperkende afnamecontracten Slim laden bij EV-laadpalen (bijv. door de laadpalen af te knijpen in de spits) Tijdelijke (fossiele) opwek
C. Tijdelijk prioriteren van ontwikkelingen en omgaan met schaarste. D. Langetermijn planning/programmeren van de elektriciteitsinfrastructuur om knelpunten na 2030 zo veel mogelijk te voorkomen. Een belangrijk spoor voor nieuwbouw (onderdeel van knop B) is netbewust ontwerpen en bouwen. Als Utrecht wil blijven groeien in balans, dan is balans op het elektriciteitsnetwerk een voorwaarde. Dit betekent dat piekbelasting vermeden moet worden, zowel bij de invoeding van stroom als bij de afname. De vanzelfsprekendheid van netgebruik wanneer je wil en hoeveel je wil is voorbij. De toekomst is aan de netbewuste stad, waarin de netbelasting via een combinatie van organisatorische en technische maatregelen gelijkmatiger verspreid wordt over de dag. 3.1.1.5 Bijwerken van paragraaf 2.3.2.3.9 Bodem Verwijderd: In het omgevingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Omgevingswet:
Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Hierbij moet gekozen worden voor de variant verontreiniging verwijderen. Deze zorgplicht is opgenomen in de Omgevingswet. Er moet bodemonderzoek worden gedaan bij gevoelig gebruik en zorg dat de bodem geschikt is voor beoogd gebruik. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.
Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven kan de
17
vraag naar bouwgrond periodiek groot zijn. We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen. Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen. De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn.
De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebied specifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid. Het gebied specifieke beleid bestaat uit:
een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter.
Ander gemeentelijk beleid bestaat uit:
strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies. De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel); regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen.
Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebied specifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In paragraaf 5.10 Bodem wordt ingegaan op de bodemkwaliteit. Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer en visie op duurzaam gebruik van de ondergrond (2016) Het gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer beschrijft de invulling voor het verbeteren en beschermen van de grondwaterkwaliteit en het zorgvuldig benutten van de ondergrond voor bijvoorbeeld bodemenergie. Een groot gedeelte van de stad, met omvangrijke verontreinigingen in het grondwater, is aangewezen als grondwaterbeheergebied. In het beheergebied hoeft niet voor alle werkzaamheden waarbij grondwater onttrokken wordt een apart saneringsplan te worden gemaakt. Er kan worden deelgenomen aan het gebiedsplan, met een gebruikersbijdrage of een afkoopsom. Door te werken met het gebiedsplan kan de gemeente het grondwater in het omliggende schone gebied beter beschermen, want dat water wordt gebruikt voor drinkwater.