Vaststellingsrapport Hoogbouwkavel.pdf
Tekst van het document
De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht zo snel mogelijk, in ieder geval in 2030 klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energieinfrastructuur en om nog meer gebruik van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd en worden gemeenten verplicht om een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) op te stellen. De gemeente Utrecht heeft in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) vastgesteld.
Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken. Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge-temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden. Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen, hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt en welke duurzame warmtebronnen gebruikt kunnen worden om buurten aardgasvrij te maken. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd.”. 2.3.4.20 Aanpassing paragraaf 2.3.2.2.9 Het beleidskader over het energieplan en de energieagenda’s is geactualiseerd. De tekst: “Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019 De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren.
Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en hierbij stond de volgende vraag centraal: realiseer een klimaatneutraal Utrecht. Aan de hand van de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening in Utrecht zijn, om dit te
39/49
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
bereiken, te nemen maatregelen geformuleerd. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk en de gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie. In het najaar van 2015 zijn de Utrechtse Energieagenda's verschenen, welke een vervolg zijn op het Energieplan en de duiding daarop van het college. Hierin worden de concrete gemeentelijke werkzaamheden gepresenteerd en de inzet van middelen welke leiden tot een klimaatneutraal Utrecht richting 2030. Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd: 30% CO2-reductie ten opzichte van 2010; 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt; 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen. Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen.
Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen: de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd; in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd.” wordt vervangen door de tekst: “Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019 De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en bevat voor de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening maatregelen om een klimaatneutraal Utrecht te bereiken. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk. De gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie. Het Energieplan en het document Duiding van het college bij het Energieplan zijn in 2015 uitgewerkt in de Utrechtse Energieagenda's.
Hierin staan de concrete gemeentelijke werkzaamheden en de inzet van middelen om te komen tot een klimaatvriendelijke stad. in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd.”. 2.3.4.21 Wijziging term hoogbouwkavel De term Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord is in de toelichting vervangen door Hoogbouw Leidsche Rijn Centrum Noord. 2.3.4.22 Wijziging beleidskader 2.2.1 De tekst: ‘Op 10 maart 2021 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening vast. Beiden zijn in werking getreden op 1 april 2021. De Interim Omgevingsverordening is nodig omdat de Omgevingsverordening alleen onder de Omgevingswet in werking kan treden. Met de Interim Omgevingsverordening kunnen plannen en ambities eerder vorm gegeven worden. De Omgevingsverordening heeft van 1 juni 2021 tot en met 12 juli 2021 ter inzage gelegen en zal naar verwachting in maart 2022 vastgesteld worden. De Omgevingsverordening heeft van 1 juni 2021 tot en met 12 juli 2021 ter inzage gelegen en zal naar verwachting in maart 2022 vastgesteld worden. De Omgevingsverordening zal tegelijk met de Omgevingswet in werking treden.’ wordt vervangen door de tekst:
40
Datum Rapport
maart 2023 Vaststellingsrapport
‘Op 10 maart 2021 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening vast. Beiden zijn in werking getreden op 1 april 2021. De Interim Omgevingsverordening is nodig omdat de Omgevingsverordening alleen onder de Omgevingswet in werking kan treden. Met de Interim Omgevingsverordening kunnen plannen en ambities eerder vormgegeven worden. De Omgevingsverordening is in maart 2022 vastgesteld. De Omgevingsverordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking.’. 2.3.4.23 Bijlage Besluit hogere waarden toegevoegd Het Besluit hogere waarden is toegevoegd als bijlage 23 aan het bestemmingsplan. 2.3.4.24 Toevoeging paragraaf 8.5.8 Deze paragraaf is opgenomen om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “8.5.8 Overgangsrecht In artikel 20.8 is geregeld dat de regels uit dit plan voor gaan op de regels uit de Apv. Daar waar het Chw bestemmingsplan geldt, gelden de regels uit artikel 20 van het Chw-bestemmingsplan en de artikelen 4:10 en 4:12 van de Apv. De artikelen 4:10 en 4:12 van de Apv blijven gelden naast de regels uit artikel 20 van het Chw bestemmingsplan, omdat deze artikelen niet in het Chw bestemmingsplan kunnen worden opgenomen.
Zolang een beheersverordening in een gebied geldt, zijn de regels uit de Apv (afdeling 4.3 inclusief de artikelen 4:10 en 4:12) van toepassing.” wordt toegevoegd.
41/49
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
3 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1 1. Goed plan Indiener vindt het een goed plan. De grootschaligheid draagt volgens indiener bij aan een nieuwe impuls van het Utrechts stedelijk klimaat.
Reactie Goed om te horen dat indiener de planontwikkeling goed vindt. 2. Parkeernormen Indiener is benieuwd of de parkeernormen duidelijk gecommuniceerd worden naar de nieuwe bewoners. Volgens indiener is het belangrijk dat zij vanaf het begin weten of zij kunnen parkeren en onder welke voorwaarden. Indiener kon niet vinden wat de parkeernorm is voor de woningen kleiner dan 80 m2 en vraagt of de bewoners van die woningen ook ergens kunnen parkeren of worden deze opgevangen op andere parkeerlocaties in Leidsche Rijn.
Reactie Het aantal woningen in het bestemmingsplan is gemaximeerd op 1.015 woningen en een totaal maximum van 92.700 m2 brutovloeroppervlakte. Dit woonprogramma is opgebouwd uit verschillende type woningen variërend in grootte. Voor woningen kleiner dan 80 m2 geldt een parkeernorm van 0,67 voor sociale of middenhuurwoningen en 0,89 voor vrije sector woningen. Voor het bestemmingsplan is een parkeerbalans opgebouwd. In een parkeerbalans is per type woningen en overige functies in het plan op basis van de huidige parkeernormen en aanvullende beleidsuitgangspunten (Parkeervisie 2021) berekend hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Voor de bewoners wordt parkeren mogelijk gemaakt in de parkeergarage binnen het plangebied. Het bezoekersparkeren is geregeld in een bestaande parkeergarage in de nabijheid van het plangebied. Dit kan de bestaande parkeergarage aan de Stockholmstraat zijn of een andere parkeergarage in de directe omgeving. In het parkeerbeleid (Parkeervisie 2021) is de verplichting opgenomen dat de initiatiefnemer een Mobiliteitsbeheersplan met de Omgevingsvergunningaanvraag aanlevert. Hierin moet worden aangegeven hoe het parkeren is geregeld, dus hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn, hoeveel en waar deze beschikbaar komen en voor wie die bedoeld zijn (bewoners, personeel, bezoekers).
In het Mobiliteitsbeheerplan moet ook aandacht worden besteed aan de wijze van communiceren over parkeren met de potentiële gebruikers. Als dat niet goed is geregeld, spreken we daar de ontwikkelaar op aan. 3. Vervoersvraag Indiener geeft aan van mening te zijn dat het openbaar vervoer ontoereikend is voor stedelijk gebied en te vol raakt als de auto op de achtergrond raakt zoals aangegeven in de toelichting. Hij wijst op de kansen die de aanleg van de tramlijn daarin bieden.
Reactie Het mobiliteitsbeleid van de gemeente Utrecht is nadrukkelijk gebaseerd op schone en gezonde vormen van verplaatsen, zoals fietsen en openbaar vervoer. Het openbaar vervoer in de huidige situatie is voldoende om de reizigersvraag op te kunnen vangen. Uiteraard kunnen er altijd wensen zijn voor snellere of andere verbindingen. Die zijn echter alleen haalbaar als er voldoende reizigers ook gebruik van een dergelijke lijn gaan maken. Jaarlijks stellen de busmaatschappijen in opdracht van de Provincie Utrecht vervoerplannen op. Dat is het moment om ontwikkelingen in gebieden, wensen voor uitbreiding van routes en eventuele groei van reizigers vanuit de gemeente in te brengen en met elkaar te bespreken. Door de coronacrisis is het gebruik van het openbaar vervoer 42
Datum Rapport
maart 2023 Vaststellingsrapport
de laatste jaren sterk afgenomen. Doordat de busmaatschappijen veel minder reizigers te vervoeren hadden liepen de inkomsten sterk terug. Daarom hebben de busmaatschappijen buslijnen moeten schrappen of minder vaak laten rijden. Inmiddels treedt er herstel op, maar zitten we zeker nog niet op het niveau van voor de coronacrisis. De verwachting is dat dit ook nog enige tijd gaat duren. Daarnaast wordt er voor de (middel)lange termijn nagedacht over wat de groei van de stad betekent voor de ontwikkelingen in het openbaar vervoer. De visie op het openbaar vervoer is opgenomen in het Mobiliteitsplan 2040. Met de groei van de stad zal ook het openbaar vervoer mee moeten groeien. Zo streven we ernaar station Leidsche Rijn als Intercitystation te kunnen gebruiken. Recent heeft de gemeenteraad ook de visie op openbaar vervoer richting 2040 vastgesteld (Eerste stappen schaalsprong OV), Uitbreiding van het tramnetwerk (lightrail) in de stad maakt nadrukkelijk onderdeel uit van deze schaalsprong. De onderliggende analyses van reizigersaantallen geven aan dat een tram in Leidsche Rijn, ook op langere termijn, niet haalbaar is. Een tram tussen Utrecht CS en Leidsche Rijn, via Papendorp is mogelijk in de toekomst wel een optie ter ontsluiting van Rijnenburg. Hiervoor lopen inmiddels onderzoeken. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 2 1. Blij met plan Indiener is blij met de komst van het plan en de kansen die dit biedt voor wonen en bedrijvigheid.
Reactie Het is fijn om te horen dat indiener positief is over de komst van het plan. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 3 1. Parkeren Er komen 1000 woningen met 100 deelauto’s. Er wordt niets gezegd over het aantal parkeerplaatsen onder of in de toren. Indiener verwacht een enorme toename van de parkeerdruk in de omgeving. Naast de 100 deelauto’s zullen in de bebouwing een significant aantal parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.
Reactie In het ontwerpbestemmingsplan is in paragraaf 4.2.2 Parkeren uitgebreid stilgestaan bij het onderdeel parkeren. De belangrijkste punten zijn: De hoogbouwkavel zorgt zelf voor 275 parkeerplaatsen. De overige parkeerplaatsen zijn/worden geregeld in de nabijgelegen parkeergarage aan de Stockholmstraat. Een deel van de plekken van deelauto's worden in de openbare ruimte buiten het plangebied gereserveerd (maximaal 30 parkeerplaatsen) en 11 plekken voor deelmobiliteit (bijvoorbeeld fietsen/bakfietsen) in de toekomstige buitenruimte binnen het plangebied dan wel openbare ruimte buiten het plangebied. Naast vaste gebruikers is er sprake van bezoekers die met de auto naar de woningen en voorzieningen komen. Hierbij is ook gebruik gemaakt van dubbelgebruik van
parkeerplaatsen. De aftrek voor het dubbelgebruik betekent dat rekening gehouden wordt met de tijden waarop een bepaalde functie een parkeerplaats gebruikt. Het daadwerkelijke gebruik van parkeerplaatsen fluctueert namelijk over de dag en de week.
43/49
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
In de hoogbouwkavel wordt geen parkeergelegenheid gemaakt voor bezoekers. Hiervoor
wordt parkeercapaciteit gehuurd in de parkeergarage aan de Stockholmstraat of een andere locatie in de buurt van het plangebied. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 4 1. Plan niet passend in Utrecht Het plan past niet in Utrecht, ook in Leidsche Rijn hoort niet hoger gebouwd te worden dan de Dom.
Reactie In de de hoogbouwvisie voor de stad Utrecht (2005) staat: ‘De hoogbouwkavel is in de hoogbouwvisie aangeduid als een ‘brandpunt’. Deze zijn omschreven als ‘schaarse en exclusieve absolute pieken die slechts op een zeer select aantal plekken in de stad voorkomen’. Naast een aantal zones voor hoogbouw vanaf 30 meter zijn er twee echte hoogbouwlocaties aangewezen namelijk: - Stationsgebied, met een maximale bouwhoogte van 100 meter. - Leidsche Rijn Centrum Noord met een onbegrensde bouwhoogte. In 2006 ontstond het plan de ‘Belle van Zuylen’ voor de hoogbouwkavel: een toren met een hoogte van maximaal 262 meter. In de toren zou ruimte komen voor kantoren, woningen, winkels, een hotel en publieke ruimtes. In januari 2010 maakte de gemeente Utrecht bekend dat de bouw van de toren niet doorging. Nadat in 2010 de ontwikkeling van de Belle van Zuylen werd beëindigd, liet de gemeente Utrecht een studie doen naar de mogelijkheden van het gebied. Er werd breed geparticipeerd met belangstellenden en omwonenden over een alternatieve invulling van de plek. De ruimtelijke randvoorwaarden en input vanuit de omgeving zijn vervolgens vertaald in de hoogbouwvisie voor Leidsche Rijn Centrum Noord, die niet bestuurlijk werd vastgesteld. Een belangrijk punt uit de participatiebijeenkomst bleek de voorkeur van een maximale bouwhoogte op de hoogbouwkavel van ongeveer 140 meter.
Op 13 maart 2018 besloot het college van burgemeester en wethouders een openbare procedure te starten voor het selecteren van een marktpartij die de hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord zou ontwikkelen. Parallel aan de voorselectie organiseerde de gemeente Utrecht op 18 april 2018 een participatiebijeenkomst met bewoners uit de omgeving. Tijdens deze bijeenkomst werden de belangrijkste wensen en aandachtspunten van de omgeving voor hoogbouw in Leidsche Rijn Centrum geïnventariseerd. Deze ‘wensen en aandachtspunten’ zijn in de selectiefase aan alle deelnemende partijen meegegeven. Het uitgangspunt van maximaal 140 meter is meegenomen in het stedenbouwkundig plan voor deze locatie die op 17 juni 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het bestemmingsplan is de juridische uitwerking van dit kader. De hoogbouwontwikkeling past binnen de kaders van de RSU 2040. Hierbij is het in beginsel belangrijk vanuit het volledige stadsdeel Leidsche Rijn de situatie in ogenschouw te nemen. Er is daarbij al gezorgd voor een evenwichtige programmering waar naast woningbouw, werkgelegenheid ook aandacht is voor een passend voorzieningenniveau en bijvoorbeeld voldoende groen en water. De hoogbouwkavel maakt deel uit van de woningbouwopgave en ontwikkeling van deelgebied Leidsche Rijn Centrum. Er heeft een zorgvuldige afweging aan ten grondslag gelegen waar hoogbouw in Utrecht passend is.
Het beeld dat het plan niet in Utrecht past wordt dan ook niet gedeeld. 2. Afslag 7 Indiener zou liever zien dat afslag 7 in ere hersteld wordt. Deze is verlegd door middel van de Wolfgang Pauliweg. Dit is een farce en legt druk op de PHL doorgang.
44
Datum Rapport
maart 2023 Vaststellingsrapport
Reactie Deze afrit is in december 2007 komen te vervallen vanwege de bouw van Leidsche Rijn. Om Leidsche Rijn goed aan te laten sluiten op de bestaande stad is ervoor gekozen de A2 in te pakken in de zogenaamde 'A2 landtunnel'. Op die manier kan er dicht tegen de A2 worden gebouwd en is de barrièrewerking van de A2 en het Amsterdam- Rijnkanaal tussen Leidsche Rijn en de bestaande stad deels verkleind. Bij het wegvallen van deze afrit is de NOUW2 (nieuwe ontsluiting Utrecht west 2) Wolfgang Pauliweg door Lage Weide toen als tijdelijke verbinding aangelegd, vanuit het idee dat er in de toekomst een nieuwe verbindingsweg (Spoorlaan) zou komen. Inmiddels is besloten autoverkeer in Utrecht West over de bestaande infrastructuur af te wikkelen en blijft de Wolfgang Pauliweg. Momenteel wordt er gewerkt aan de herinrichting van de Westelijke Stadsboulevard om de druk op deze route te verminderen. Uit eerdere studies is gebleken dat een aansluiting op de A2 fysiek niet mogelijk is: Aansluiting van de route over de Hogeweidebrug op de A2 op de oorspronkelijke plek is niet meer aan de orde vanwege de daar inmiddels aangelegde overkapping van de A2 en de ontwikkeling van Leidsche Rijn Centrum. Uit deze studie is ook gebleken dat aansluitingen op de A2 in dit gebied niet inpasbaar zijn. Zo is de afstand tot bestaande op- en afritten te gering, staan er geluidschermen/-wallen of bebouwing.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 5 1. Positieve ontwikkeling Indiener merkt op dat Leidsche Rijn steeds levendiger wordt met een goede en veilige sfeer. Hoe meer er gebouwd wordt, hoe levendiger het wordt, indiener is daarom voorstander van dit hoogbouwplan. Hoe meer er gebouwd wordt, hoe meer mensen kans hebben op een woning.
Reactie Het is fijn om te horen dat indiener de woonomgeving in Leidsche Rijn als positief ervaart en voorstander is van dit plan. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Zienswijze 6 1. Inpassing plan Indiener heeft bedenkingen bij de inpassing van het plan in de woonomgeving. Het plan staat volgens de omschrijving op zichzelf als dorp/buurt en buiten de plint is er geen contact voor de bewoners met de directe omgeving. Alleen een optelsom van woningtypes, koop, zorg en huur leidt niet tot een inclusieve buurt. Meedoen in de samenleving, onderdeel zijn van een wijk en sociale netwerken zijn daarvoor van belang. De voorzieningen voor de bewoners zijn te vinden in het gebouw en waarom zouden ze daarom nog naar buiten gaan?
Reactie Samen gezond wonen en leven staat centraal in het plan MARK. In het hele project zijn diverse ruimtes zo ontworpen dat mensen gestimuleerd worden elkaar te ontmoeten. Dat varieert van de entrees van de torens, de aantrekkelijke trappartijen en gangen, maar ook het restaurant en de gemeenschappelijke daktuinen en het centrale groene plein. Daarnaast wordt in overleg met de eindbeleggers gekeken naar de mogelijkheden voor gezamenlijke woonkamers, logeerkamers, werkkamers, flex werkplekken et cetera voor bewoners, juist om sociale netwerken en sociale cohesie te stimuleren. Het plan ligt dichtbij Leidsche Rijn centrum en via de Oslostraat is er een directe langzaam verkeersverbinding. Hier zijn veel voorzieningen te vinden, waar ook de nieuwe
45/49
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
bewoners van MARK gebruik van zullen maken. De invulling van de plinten wordt juist open en
actief om ook op de begane grond ontmoeting te stimuleren. Ook voor omwonenden wordt dit een aantrekkelijke plek om te verblijven en te ontmoeten. 2. Afwijking percentage sociale huur Het bouwpercentage sociale huur is 25%. Het is niet duidelijk waarom afgeweken wordt van het percentage sociale huur bij nieuwbouwprojecten.
Reactie Op 13 maart 2018 stelde het college selectiestukken vast, die uitgingen van een minimaal percentage sociale huur van 20%. Op basis van deze uitgangspunten zijn de verschillende consortia gestart met het uitwerken van hun plannen. In de selectiestukken werd ruimte gegeven voor de realisatie van sociale huurwoningen en middenhuur woningen, beide met een ondergrens van 20% van het totale programma. Partijen konden voor de realisatie van extra sociaal programma (20%>) nog extra punten verdienen tijdens de selectieprocedure. Het winnende plan gaat uit van een minimaal percentage sociale huur en middenhuur van beide 25%. De woningen die vallen in de middenhuur zijn volgens het Actieplan Middenhuur d.d. 7 december 2017. Dit programma is later ook vertaald in het door de raad vastgestelde stedenbouwkundig plan (17 juni 2021). Bij de vaststelling van het stedenbouwkundig plan door gemeenteraad heeft de raad het afwijkende programma sociale huur vastgesteld. 3. Verdeling woningen over het gebouw Het is niet duidelijk hoe de woningen over het gebouw verdeeld gaan worden. De zorg is dat er sprake zal zijn van clustering van sociale huur, zorg, opvang en ouderen en koop en dure koop apart. Indiener hoopt dat er alsnog voorwaarden gesteld gaan worden aan de koop- en huurprijzen, verdeling over de kavel qua type, de interactie met de rest van Leidsche Rijn Centrum.
Reactie In de tenderuitvraag vooruitlopend op dit bestemmingsplan zijn randvoorwoorden meegeven voor het woningbouwprogramma sociale- en middenhuur. De afspraken ten aanzien van het programma zijn tevens vastgelegd in de ontwikkelovereenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente. Daarnaaast zullen deze afspraken worden opgenomen in de op te stellen uitgifteovereenkomst. De exacte positionering van de woningen en verdeling van de verschillende type woningen over de verschillende bouwdelen is nog in ontwikkeling. Dit zal in samenspraak met de beleggers en ontwerpers verder vorm krijgen. Dit kunnen we niet in het bestemmingsplan regelen. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 7 1. Planologische inpassing ten opzichte van industrieterrein Lage Weide In het ontwerpbestemmingsplan is onvoldoende onderbouwd/onderzocht of de (vergunde) activiteiten van Eneco Lage Weide ontoelaatbare hinder of emissies kunnen veroorzaken ten opzichte van de woonbestemmingen. Via Bijlage 5.5. bij Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de locatie Atoomweg 7-9 Utrecht aangewezen als een bestemde vestigingsplaats voor (extra) grootschalige elektriciteitsopwekking. In het bestemmingsplan is niet getoetst aan de richtafstanden die bij deze bestemming horen. De huidige bedrijfsactiviteiten van Eneco Lage Weide (dus zonder de reservering conform Barro) als geheel bezien kan conform de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' worden aangemerkt als bedrijfscategorie 5.1 met een bijbehorende afstand van 500 meter. De kortste afstand van de nieuwe woonbestemming tot aan de locatiegrens van Eneco Lage Weide is circa 360 meter. Dit betekent dat de woontoren op een te kleine afstand bestemd is.
46
Datum Rapport
maart 2023 Vaststellingsrapport
Reactie De aan te houden afstand tot een energiecentrale in milieucategorie 5.1 bedraagt volgens de VNGsystematiek van bedrijven en Milieuzonering inderdaad 500 meter maar deze afstand geldt tot aan een rustige woonwijk. Zoals in paragraaf 5.3 van de toelichting van het bestemmingsplan is beschreven wordt het gebied echter ontwikkeld als zogeheten ’gemengd gebied’ waardoor een afstandsstap minder het uitgangspunt is. Dat leidt tot een aan te houden afstand van 300 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstand tot de energiecentrale. 2. Onvoldoende onderzoek geluidsbelasting en luchtemissies Eneco Lage Weide De VNG-systematiek die wordt gehanteerd is gebaseerd op waarneming/immissie van mogelijke hinder op 1,5 meter. Echter de woontoren wordt juist veel hoger. Ook zijn de emissiepunten van Eneco (maar ook van overige bedrijfsactiviteiten op Lage Weide) juist hoog gelegen waardoor de afstanden tussen emissiepunten en immissiepunten veel korter zijn dan waar de aannames/conclusies in het bestemmingsplan op zijn gebaseerd. Indiener is van mening dat voor het aspect geluid de effecten op schoorsteenhoogte (van alle relevante installaties) onvoldoende in kaart zijn gebracht. Ook de effecten op de luchtkwaliteit ter plaatse van de woontorens door de uitstoot van Eneco is onvoldoende onderzocht.
Hiervoor moet een pluimberekening worden uitgevoerd waarmee de mogelijke effecten van de emissies uit de verschillende schoorstenen beoordeeld kunnen worden. In dit bestemmingsplan (alleen) toetsen aan de afstanden opgenomen in de VNG-brochure is onvolledig.
Reactie In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met alle vergunde geluidbronnen van de bedrijven op Lage Weide; dus ook de hoge schoorstenen van Eneco. Eveneens is rekening gehouden met de hoogbouw die er kan komen. In figuur 23 van bijlage 3 (akoestisch onderzoek) van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan zijn de berekende geluidsbelastingen op verschillende hoogtes gepresenteerd. De hoogste bebouwing (140 meter) ligt niet binnen de geluidszone van Lage Weide. Het hoogste pand binnen de zone is ongeveer 87 meter; de hoogste geluidsbelasting is op 69 meter bepaald. De daar berekende actuele geluidsbelasting van 53 dB(A) is voor de ontheffing (hogere waarde) vermeerderd met 1 dB geluidruimte die nog aanwezig is voor de bedrijven op Lage Weide. Het plan vormt dus geen aanvullende belemmering voor de geluidruimte van de bedrijven op Lage Weide. Om de effecten op de luchtkwaliteit ter plaatse van de woontorens door de uitstoot van Eneco in beeld te brengen is een extra onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 22 in de bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan. Met het onderzoek is op basis van de best beschikbare combinatie van gevalideerde rekenmodellen inzichtelijk gemaakt hoe de blootstelling aan stikstofdioxide, fijn stof en zwaveldioxide door de hoge bronnen van Eneco wijzigt met toenemende hoogte in het plangebied.
De gecombineerde aanpak laat zien dat er benedenwinds op een afstand van ongeveer 500 meter tot ongeveer 70-80 meter hoogte een toename van de blootstelling te verwachten valt als de wind altijd uit diezelfde richting komt. Dit is een worst-case benadering aangezien de windrichting niet altijd hetzelfde is en de heersende windrichting noordwest is. Op verdere hoogte neemt dit weer af. Uit de berekeningen van de jaargemiddelde concentraties op basis van meerjarige meteorologie in het plangebied blijkt dat de blootstelling weliswaar met hoogte enigszins toeneemt, maar dat de bronbijdragen op elke hoogte slechts enkele procenten zijn van de achtergrondconcentratie, en dat de totale concentraties ver beneden de geldende grenswaarden blijven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de hoger gelegen bronnen van Eneco, en de inrichting als geheel, een goed woon- en leefklimaat in het plangebied in de weg staat, ook op grotere hoogte. 3. Geen mogelijkheden meer voor uitbreiding Door de voorgenomen woonbestemming zijn er praktisch gezien geen mogelijkheden meer voor uitbreiding om nieuwe activiteiten te ontwikkelen en te realiseren.
Vanwege de energietransitie en de daarbij behorende nieuwe activiteiten en ook de mogelijke toevoeging van de huidige activiteiten van de locatie Keulsekade 181 heeft Eneco juist een urgente behoefte aan ruimte tot ontwikkeling en uitbreiding op de locatie Atoomweg 7-9.
47/49
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Reactie Het plan vormt geen aanvullende belemmering voor de geluidruimte van de bedrijven op Lage Weide en is daarmee ook niet van invloed op de uitbreidingsruimte voor nieuwe activiteiten. Zie ook de reactie bij de beantwoording bij punt 2. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen, zoals opgenomen in paragraaf 2.3.3.3 en 2.3.3.4 van dit vaststellingsrapport.
Zienswijze 8 1. Boringsvrije zone Het gehele plangebied is gelegen in de boringsvrije zone Leidsche Rijn. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Leidsche Rijn. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrecht. Hoewel in de toelichting en planregels grondwaterbescherming en deze boringsvrije zone al genoemd zijn, zijn naar mening van indiener de waarborgen nog onvoldoende. Indiener verzoekt daarom een aanduiding 'milieuzone boringsvrije zone' in de verbeelding op te nemen in plaats van 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ en voorgesteld tekstvoorstel in de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan en in de planregels op te nemen zodat duidelijk wordt dat bij activiteiten in de boringsvrije zone regels uit de provinciale omgevingsverordening van toepassing zijn en wat deze inhouden (waaronder dieptegrens voor WKO).
Reactie We passen het bestemmingsplan aan (verbeelding, toelichting en planregels) op de door indiener voorgestelde wijze. Hierbij wordt, voor de toelichting, wel een kleine tekstuele aanpassing doorgevoerd, omdat de tekst zoals aangeleverd lijkt te suggereren dat er een algemeen verbod om bodemenergiesystemen is verwoord. Het betreft echter een verbod op bodemenergiesystemen dieper dan 40 meter onder het maaiveld. De betreffende zin wordt dan als volgt: ‘Het betreft onder andere een verbod op boor- grond- funderingswerkzaamheden en het toepassen van bodemenergiesystemen dieper dan 40 meter’. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen, zoals opgenomen in paragraaf 2.3.1.1 en 2.3.3.1 en 2.3.3.2 van dit vaststellingsrapport.
Zienswijze 9 1. Toekomstbestendig ontwerp, uitkijkplatform inpandig Indiener is van mening dat voor hoogbouw met deze omvang sprake moet zijn van een toekomstbestendig ontwerp. Dit betekent kwalitatief hoogwaardig materiaalgebruik en extra aandacht voor de plint, het midden en de ‘kroon’ van de toren om tot een klassiek en stijlvol ontwerp te komen. Het vergt veel van de architect en de stedenbouwkundigen om tot een ontwerp te komen dat de tand des tijds kan doorstaan. Kostenoverschrijding kan ten koste gaan van het oorspronkelijke idee. Indiener vraagt zich af of het mogelijk is het uitkijkplatform inpandig op te lossen door er een extra laag bovenop voor in te ruimen.
Reactie Het ontwerpbestemmingsplan legt alleen de kaders vast waarbinnen het plan mag worden gerealiseerd. Voor het vergunnen van het bouwplan zelf wordt een andere procedure gevolgd, waarbij onder meer ook gekeken wordt naar de vormgeving, materiaalgebruik en passendheid van het plan in de omgeving. Uiteraard wordt daarbij gezien de omvang van het plan een zorgvuldige
48
Datum Rapport
maart 2023 Vaststellingsrapport
afweging gemaakt. Het voor publiek toegankelijk uitkijkplatform op de bovenste verdieping gaat op basis van de winnende tenderinzending uit van een uitwendig plafond. Vanuit de belevingswaarde van een dergelijk uitkijkpunt wordt hier dan ook aan vastgehouden. 2.
Omgeving van de kavel
Indiener ziet kansen om rond de kavel van de MARK op termijn meer hogere bouw te situeren zodat er op een meer organische manier een daadwerkelijk cluster aan hoogbouw, buiten de drie torens
in lijn, ontstaat waardoor het minder als semi-stand alone (als het vooraanzicht in de vorm van een middelvinger) uit het landschap rijst. De parkeerplaats van het Antoniusziekenhuis en de nog vrije kavels (Y2, W6) in LRC Noord lenen zich hier prima voor.
Reactie Het ontwerpbestemmingsplan heeft alleen betrekking op het plangebied waar de hoogbouw wordt gerealiseerd. Vanuit de Hoogbouwvisie en de Ruimtelijke Strategie Utrecht is het mogelijk om in een strook ten oosten van de A2 hoger te bouwen. Deze locatie bevindt zich in de nabijheid van het stedelijk knooppunt Leidsche Rijn Centrum. Verdichting en verhoging kan rondom de planlocatie. Op dit moment zijn er echter geen concrete initiatieven hiervoor. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
Zienswijze 10 1. Het bestemmingsplan is gebaseerd op ondeugdelijk beleid en besluiten. Indiener is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan is gebaseerd op beleid en besluiten die in strijd zijn met rechten en vrijheden van toekomstige bewoners, en op oneigenlijk gebruik van gemeentelijke bevoegdheden. Bij de voorbereiding van haar besluiten heeft de gemeente verzuimd om deze aspecten te onderzoeken. Het bestemmingsplan kan niet worden vastgesteld zonder een grondige herziening van beleid en besluiten met betrekking tot de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040, de Parkeervisie en de op basis daarvan vastgestelde beleidsregels en parkeernormen.
Reactie De door indiener genoemde besluiten, beleidsregels en normen zijn op rechtmatige wijze tot stand gekomen en kunnen daarom worden toegepast als onderbouwing voor het ontwerpbestemmingsplan. De stelling dat het bestemmingsplan niet kan worden vastgesteld zonder herziening van deze besluiten kan dan ook niet worden gevolgd. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
49/49