CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport Hoogbouwkavel.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 28 september 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel, Leidsche Rijn Centrum Noord23.096 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Vaststellingsrapport

Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord

Maart 2023

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Inhoud vaststellingsrapport 1

INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 CHW BESTEMMINGSPLAN HOOGBOUWKAVEL LEIDSCHE RIJN CENTRUM NOORD .................................................. 3 1.2 DE OPBOUW VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT .............................................................................................. 3 1.3 DE VASTSTELLINGSPROCEDURE.................................................................................................................... 3 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen .................................................................................. 3 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan ....................................................................................... 3 1.3.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen ........................................................................................ 3 1.3.4 Procedure voor de vaststelling ..................................................................................................... 4 1.3.5 Belangrijkste wettelijke bepalingen ............................................................................................. 4

2

SAMENVATTING................................................................................................................................... 5 2.1 PROCEDUREEL ......................................................................................................................................... 5 2.2 INHOUD VAN DE ZIENSWIJZEN ..................................................................................................................... 5 2.3 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP............................................................................................. 5 2.3.1 Wijziging van de juridische regeling naar aanleiding van zienswijzen ......................................... 5 2.3.2 Ambtshalve wijziging van de juridische regeling ......................................................................... 6 2.3.3 Wijziging van de onderbouwing naar aanleiding van zienswijzen ............................................. 17 2.3.4 Ambtshalve wijziging van de onderbouwing ............................................................................. 18

3

BEOORDELING VAN DE ZIENSWIJZEN ................................................................................................. 42 ZIENSWIJZE 1 ................................................................................................................................................... 42 ZIENSWIJZE 2 ................................................................................................................................................... 43 ZIENSWIJZE 3 ................................................................................................................................................... 43 ZIENSWIJZE 4 ................................................................................................................................................... 44 ZIENSWIJZE 5 ................................................................................................................................................... 45 ZIENSWIJZE 6 ................................................................................................................................................... 45 ZIENSWIJZE 7 ...................................................................................................................................................

46 ZIENSWIJZE 8 ................................................................................................................................................... 48 ZIENSWIJZE 9 ................................................................................................................................................... 48 ZIENSWIJZE 10 ................................................................................................................................................. 49

2

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

1 Inleiding 1.1 Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord

Het plangebied ligt in de wijk Leidsche Rijn en is onderdeel van Leidsche Rijn Centrum Noord. Het plangebied is begrensd door de Reykjavikstraat en de rijksweg A2 in het noorden en oosten, de Stockholmstraat en de spoorlijn tussen Utrecht-Woerden/Rotterdam/Den Haag in het zuiden en de Terwijdesingel in het westen. Het doel van het bestemmingsplan is het mogelijk maken van de ontwikkeling van het plan MARK. Het plan MARK bestaat uit drie torens variërend in hoogte, waarvan de hoogste maximaal 140 meter hoog is. De torens rijzen op uit de verschillende bouwblokken. In het midden van het plangebied komt een plein. De openbare ruimte en het plein worden zo groen mogelijk ingericht. Het programma bestaat uit maximaal 1.015 woningen voor verschillende doelgroepen, maatschappelijke voorzieningen, horeca, commerciële voorzieningen, detailhandel en leisure.

1.2 De opbouw van het vaststellingsrapport

In hoofdstuk 2 wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van dit rapport. Wijzigingen die naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve gemaakt zijn in paragraaf 2.3 opgesomd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de juridische regeling, die is vastgelegd in de regels met de bijbehorende verbeelding, en de onderbouwing van de juridische regeling, die in de toelichting bij het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij wordt gegeven. Dat onderscheid is nodig, omdat belanghebbenden die geen zienswijze hebben ingediend beroep mogen instellen tegen wijzigingen van de juridische regeling. Tegen een wijziging van de onderbouwing kan in beginsel geen beroep ingesteld worden. Het verbeteren van kennelijke fouten, van de redactie of van interpunctie wordt niet vermeld. De actualisatie van onderdelen ten aanzien van het Chw algemene regelplan is ook niet vermeld. In hoofdstuk 3 worden de zienswijzen behandeld. De zienswijzen zijn samengevat en per onderwerp van een reactie voorzien. De behandeling van elke zienswijze eindigt met een conclusie waarin wordt aangegeven of naar aanleiding van de zienswijze het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd wordt of niet. In het geval van een wijziging verwijst de conclusie naar de paragraaf in hoofdstuk 2 waarin de wijziging is weergegeven.

1.3 De vaststellingsprocedure 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 25 maart 2022 tot en met donderdag 5 mei 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn konden zienswijzen over het ontwerp aangeboden worden aan de gemeenteraad. 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan Er zijn in totaal 10 zienswijzen ingediend. Alle zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend. 1.3.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen Een zienswijze bevat de mening van een indiener. De meningen in een zienswijze of de zienswijze zelf zijn nooit goed, fout, gegrond of ongegrond. Elke zienswijze wordt zorgvuldig bestudeerd, om te bezien of het ontwerpbestemmingsplan aangepast moet worden. Als een zienswijze vragen bevat, worden die in dit vaststellingsrapport zo mogelijk beantwoord.

3/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

In dit rapport worden alleen de samenvattingen van zienswijzen opgenomen. In verband met de privacy van indieners worden de zienswijzen niet openbaar gemaakt. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad krijgen wel van alle zienswijzen een kopie toegestuurd, zodat zij de volledige zienswijze kunnen lezen en bijvoorbeeld kunnen nagaan waar de indiener woont. Als een zienswijze niet aan de wettelijke eisen voldoet, wordt de indiener, als haar of zijn adres bekend is, in de gelegenheid gesteld om daar alsnog voor te zorgen. Bij een te laat ingediende zienswijze wordt alleen aan de wettelijke eis voldaan, als de indiener kan aantonen dat het op tijd indienen redelijkerwijs niet mogelijk was. Zienswijzen die uiteindelijk nog steeds niet aan de wettelijke eisen voldoen worden buiten behandeling gelaten. 1.3.4 Procedure voor de vaststelling Het college van burgemeester en wethouders bereidt de vaststelling van het bestemmingsplan voor. De voorbereiding bestaat uit de beoordeling of het ontwerpbestemmingsplan nog aangepast moet worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van de zienswijzen. Vervolgens stelt het college de gemeenteraad voor het bestemmingsplan, zo nodig met wijzigingen ten opzichte van het ontwerp, vast te stellen. De gemeenteraad kan de indieners van zienswijzen in de gelegenheid stellen om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten.

Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan betrokken zijn. Voordat de voltallige gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, wordt het voorstel van het college besproken in de commissie Ruimtelijke ontwikkeling, Grondzaken en Vastgoed. In de commissie vindt een politieke discussie plaats. De verantwoordelijke wethouder is daarbij aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de mening van de leden van de commissie. De commissie bepaalt of een nadere bespreking in de gemeenteraad nog nodig is of dat het bestemmingsplan als hamerstuk geagendeerd kan worden. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet als hamerstuk, vast. 1.3.5 Belangrijkste wettelijke bepalingen De vaststellingsprocedure is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel verwijst weer naar Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde uniforme, openbare voorbereidingsprocedure. Op grond van artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht moeten zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken worden ingediend.

Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bij verzending per post een zienswijze op tijd ingediend, als hij voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de zienswijze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

2 Samenvatting 2.1 Procedureel

Alle zienswijzen voldoen aan de wettelijke eisen. In dit document is een samenvatting van alle ingediende zienswijzen over het ontwerp Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord opgenomen. Op grond van de Wet open overheid (Woo) kennen wij aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 3.1 in samenhang met artikel 5.1 Woo) een groter belang toe dan het belang van openbaarmaking van deze (herleidbare) persoonsgegevens. Daarom is een zakelijke en niet tot personen te herleiden samenvatting van alle ingediende zienswijzen, met de beantwoording daarvan, opgenomen in: het vaststellingsrapport maart 2023, bij het raadsvoorstel tot vaststelling van het Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord.

2.2 Inhoud van de zienswijzen

Er zijn 10 zienswijzen ingediend. De zienswijzen gaan over parkeren en mobiliteit, maar ook over de vormgeving en inpassing van het gebouw in dit deel van de stad. Ook wordt ingegaan op de invulling voor wat betreft de woningtypes en het percentage sociale huur en het feit dat door de inrichting van het pand als ‘dorp/buurt op zichzelf’ met alle voorzieningen die daarbij horen tot gevolg kan hebben dat er nauwelijks contact is met de bewoners van de wijk. Drie van de tien indieners van zienswijzen is positief over het plan. In één zienswijze wordt aangegeven dat de indiener van mening is dat het bestemmingsplan niet kan worden vastgesteld voordat het beleid dat daaraan ten grondslag ligt grondig is herzien. Er zijn ook zienswijzen ingediend namens Eneco en Vitens. Eneco is van mening dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden en dat geluid en luchtkwaliteit onvoldoende is onderzocht. Vitens verzoekt om aanpassing van de planregels, toelichting en verbeelding om de boringsvrije zone Leidsche Rijn beter te waarborgen.

2.3 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp

Hieronder worden eerst wijzigingen van de juridische regeling, dat wil zeggen wijzigingen in de regels of wijzigingen van de verbeelding, opgesomd. Vervolgens worden de wijzigingen in de toelichting en de bijlagen daarbij, weergegeven. 2.3.1

Wijziging van de juridische regeling naar aanleiding van zienswijzen

Naar aanleiding van zienswijze 8 2.3.1.1 Aanpassing artikel 3.6 en 4.5 Artikel 3.6 en artikel 4.5 over de grondwaterbescherming worden als volgt aangepast: De tekst “Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde met inachtneming van de regels in artikel 18 en artikel 8, lid 8.5.” wordt vervangen door de tekst: “Milieuzone - boringsvrije zone De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - boringsvrije zone' zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de beschermende laag in de bodem, de boringsvrije zone van het grondwaterwingebied Leidsche Rijn. Op deze zone zijn de provinciale regels van toepassing. Het roeren van gronden, zoals het maken van boorputten, grond-

5/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

en funderingswerken, dieper dan 40 meter onder het maaiveld zijn niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming van de provincie Utrecht is verkregen.”. 2.3.2

Ambtshalve wijziging van de juridische regeling

2.3.2.1 Aanpassing artikel 3, lid 1 In artikel 3, lid 1, is het aantal woningen aangepast naar maximaal 1.015 en een totaal maximum van 92.700 m2 brutovloeroppervlak. De tekst: “wonen tot maximaal 1.200 woningen, waarvan maximaal 1.075 woningen tussen 80-130 m2 bvo en 125 woningen groter dan 130 m2 bvo zijn toegestaan” wordt vervangen door de tekst: “wonen tot maximaal 1.015 woningen en een totaal maximum van 92.700 m2 brutovloeroppervlakte, met dien verstande dat, in afwijking van de regel onder 2.3 onder 2, parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, bergingen, nutsvoorzieningen, liftschachten en overige interne verkeersruimte niet worden meegerekend bij het totaal m2 brutovloeroppervlakte”. 2.3.2.2 Aanpassing artikel 3, lid 1 onder 10 In artikel 3, lid 1, onder 10 is de regel aangepast zodat zowel een ondergrondse als bovengrondse parkeergarage mogelijk zijn. Ook is het maximumaantal parkeerplaatsen weggehaald. De tekst “ondergrondse parkeergarage voor maximaal 445 parkeerplaatsen” wordt vervangen door de tekst: “(ondergrondse) parkeergarage”. 2.3.2.3 Toevoeging artikel 3.7.3 Parkeerplaatsen De tekst: “In aanvulling op de regel genoemd in lid 6.1 geldt dat: 1. De benodigde parkeerplaatsen, zowel de parkeerplaatsen binnen het plangebied als de parkeerplaatsen op afstand, moeten in stand worden gehouden. 2.

Het is verboden het gebruik van gronden of bouwwerken te wijzigen als de gebruikswijziging leidt tot een extra parkeerbehoefte ten opzichte van de vergunde situatie. 3. Ruimte voor het parkeren en stallen van voertuigen, die op grond van lid 6.1 moet worden aangelegd en in stand gehouden op grond van de regel onder 1, moet te allen tijde voor dit doel beschikbaar blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.” wordt toegevoegd. 2.3.2.4 Aanpassing artikel 3.8 onderdeel 4 De tekst: “Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regel in artikel 3.1 onder 10 van het maximum aantal parkeerplaatsen tot maximaal 490 parkeerplaatsen.” wordt vervangen door de tekst: “ Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regel in 3.7.3 onder 2 en toestaan dat het gebruik wordt gewijzigd, mits in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien zoals bedoeld in artikel 6 lid 6.1. De regel in 3.7.3 onder 1 is ook van toepassing.”. 2.3.2.5 Aanpassing artikel 7.3 Artikel 7.3 is in overeenstemming gebracht met het actuele Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst in artikel 7.3: “1. Dakterrassen zijn alleen toegestaan op de locaties die in dit lid zijn aangegeven. Op dakterrassen zijn geen gebouwen toegestaan.

2. Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die uit bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, als het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het dakterras hoort bij een woning;

6

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

b. het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag; c. het hek om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter.” wordt vervangen door de tekst: 1.

Dakterrassen zijn alleen toegestaan op de locaties, die in de onderdelen van dit lid 7.3 zijn

2.

Op dakterrassen zijn geen gebouwen toegestaan, alleen hekwerk of borstwering.

3.

aangegeven.

Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' in de gebieden Voordorp,

Veldhuizen en De Balije is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, mits het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

het dakterras hoort bij een woning, gelegen binnen hetzelfde perceel;

c.

het hek of de borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter, gemeten vanaf de

b.

d. 4.

het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag; bovenkant vloer van het dakterras;

het dakterras heeft een diepte van maximaal 3 meter, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw.

Op een locatie die op de kaart Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen' is aangegeven, is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, mits het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

het dakterras hoort bij een woning, gelegen binnen hetzelfde perceel;

b.

het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag;

c.

d. 5.

het hek of de borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter, gemeten vanaf de bovenkant vloer van het dakterras;

het dakterras heeft een diepte van maximaal 3 meter, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw.

Dakterrassen op hoofdgebouwen op een locatie die met een gele kleur op de kaart

Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen is aangeduid, zijn alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden: a.

b. c. d. e. f.

de oppervlakte van een dakterras mag niet meer bedragen dan 20 m2;

de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de wegzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 3 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de achterzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 2 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand van het hoofdgebouw bij een aan het openbaar gebied grenzende zijgevel bedraagt tenminste 3 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand, grenzend aan een lager gelegen, aangrenzend, ander hoofdgebouw, bedraagt tenminste 1 meter;

een hek of borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter.”.

2.3.2.6 Toevoeging artikel 3.2.2 In dit artikel zijn regels toegevoegd over dakterrassen, balkons en speeltoestellen. Dit zijn afwijkingen op de algemene regels. De tekst: “5 In aanvulling op 7.2 mag een bouw- en bestemmingsgrens, ongeacht de aanduidingen en regels over maatvoering en situering, met maximaal 1,8 meter overschreden worden door bij gebouwen horende balkons, waarbij als de vrije hoogte, gemeten van de onderzijde van het overschrijdende bouwdeel tot aan het aansluitende, afgewerkte maaiveld minimaal 2,2 meter bedraagt. 6 In aanvulling op artikel 7.3 zijn dakterrassen toegestaan.

7/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

7 In afwijking van artikel 7.5 zijn sport- en speeltoestellen toegestaan die niet hoger zijn dan 6 meter en die uitsluitend functioneren met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.“ wordt toegevoegd. 2.3.2.7 Aanpassing artikel 4.1, onder 6 Artikel 4.1, onder 6 van de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied is aangevuld met ‘warmte-koude opslag’. 2.3.2.8 Toevoeging artikel 6.3 Artikel 6.3 over geluidhinder is toegevoegd om te borgen dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd. De tekst: “6.3 Geluidhinder Voor het realiseren en veranderen van een geluidsgevoelige bestemming moet vaststaan dat de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder of de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting (hogere waarde), volgens het besluit Hogere waarde met inachtneming van de in dit besluit gestelde voorwaarde(n), niet overschrijdt.” wordt toegevoegd. 2.3.2.9 Aanpassing artikel 7.2 Artikel 7.2 is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “7.2 Gevallen waarin het overschrijden van de bouw- en/of bestemmingsgrens is toegestaan” wordt vervangen door de tekst “7.2 Gevallen waarin het overschrijden van de bouwgrens is toegestaan”. 2.3.2.10 Aanpassing artikel 19 Het artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht.

De tekst: “Artikel 19 Bescherming van archeologische waarden Dit artikel treedt in werking op 1 juli 2022. Tot die datum blijven de vergelijkbare bepalingen in de Verordening op de archeologische monumentenzorg van toepassing. 19.1 Grondwerk waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is Met inachtneming van artikel 18 is het volgende grondwerk toegestaan: 1. grondwerk dat wordt verricht op een locatie die niet is aangeduid als een archeologische verwachtingszone en die niet is aangewezen als archeologisch monument; 2. in gevallen waarin het grondwerk in omvang en diepte binnen een bestaande bodemverstoring plaatsvindt: a. grondwerk dat normaal onderhoud en beheer betreft, zoals onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. grondwerk dat samenhangt met vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 3. grondwerk dat nodig is voor archeologisch onderzoek of voor onderzoek naar de bodemkwaliteit; 4. grondwerk dat in overeenstemming met de wettelijke voorschriften al in uitvoering is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

19.2 Grondwerk zonder vergunning in verband met de zone archeologische verwachtingswaarde

8

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

Met inachtneming van artikel 18 en lid 19.3 mag het volgende grondwerk op een locatie binnen een zone met een archeologische verwachtingswaarde zonder vergunning uitgevoerd worden, voor zover de activiteit aan de op de locatie geldende voorwaarden voldoet: 1. 2. 3. 4. 5.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 2' onder de voorwaarde dat het grondwerk geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 3' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 30 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 4' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 100 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 5' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 500 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 6' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 5000 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 50 cm onder het maaiveld.

19.3 Regels over het bepalen van de omvang van het grondwerk en van de zone 1. Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing van lid 19.2 de zone die de minste verstoring toestaat. 2. Bij een gefaseerde uitvoering van een project waarvoor grondwerk nodig is, is voor het bepalen van de locatie en het oppervlak van de verstoring de totale verstoring van het project bepalend. 19.4 Vergunning in verband met de archeologische waarde 1. Op een locatie met een van de in lid 19.2 genoemde aanduidingen is het verboden om zonder vergunning grondwerk te verrichten, behalve als de activiteit op grond van lid 19.1 of lid 19.2 is toegestaan. 2. De vergunning wordt verleend, als is gebleken dat het grondwerk geen directe of indirecte gevolgen heeft voor het archeologische erfgoed of als er maatregelen zijn getroffen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden. 3. De vergunning wordt geweigerd als op voorhand zeker is dat de vergunning die op grond van artikel 18 voor het grondwerk nodig is niet verleend kan worden. 4. Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld onder 1 wordt een deskundigenrapport overlegd dat goedgekeurd is door of namens het bevoegd gezag, als zo'n rapport over de gevolgen van het grondwerk op de archeologische waarde nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag. 5.

Aan de vergunning als bedoeld onder 1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.” wordt vervangen door de tekst: Artikel 19 Bescherming van archeologische waarden 19.1 Grondwerk waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is Met inachtneming van artikel 18 is het volgende grondwerk toegestaan: 1. grondwerk dat wordt verricht op een locatie die niet is aangeduid als een archeologische verwachtingszone en die niet is aangewezen als archeologisch monument; 2. in gevallen waarin het grondwerk in omvang en diepte binnen een bestaande bodemverstoring plaatsvindt:

9/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

a.

3. 4.

grondwerk dat normaal onderhoud en beheer betreft, zoals onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. grondwerk dat samenhangt met vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; grondwerk dat nodig is voor archeologisch onderzoek; grondwerk dat in overeenstemming met de wettelijke voorschriften al in uitvoering is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

19.2 Grondwerk zonder vergunning in verband met de zone archeologische verwachtingswaarde Met inachtneming van artikel 18 en lid 19.3 mag het volgende grondwerk op een locatie binnen een zone met een archeologische verwachtingswaarde zonder vergunning uitgevoerd worden, voor zover de activiteit aan de op de locatie geldende voorwaarden voldoet: 1. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 2' onder de voorwaarde dat het grondwerk geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 2. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 3' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 30 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 3. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 4' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 100 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 4. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 5' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 500 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 5.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 6' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 5000 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 50 cm onder het maaiveld. 19.3 Regels over het bepalen van de omvang van het grondwerk en van de zone 1. Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing van lid 19.2 de zone die de minste verstoring toestaat. 2. Bij een gefaseerde uitvoering van een project waarvoor grondwerk nodig is, is voor het bepalen van de verstoring de totale verstoring (oppervlak en/of diepte) van het gehele project bepalend. 19.4 Vergunning in verband met de archeologische waarde 1. Op een locatie met een van de in lid 19.2 genoemde aanduidingen is het verboden om zonder vergunning grondwerk te verrichten, behalve als de activiteit op grond van lid 19.1 of lid 19.2 is toegestaan. 2. De vergunning wordt verleend, als is gebleken dat het grondwerk geen directe of indirecte gevolgen heeft voor het archeologische erfgoed of als er maatregelen zijn getroffen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden. 3. De vergunning wordt geweigerd als op voorhand zeker is dat de vergunning die op grond van artikel 18 voor het grondwerk nodig is niet verleend kan worden. 4.

Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld onder 1 wordt een deskundigenrapport overlegd dat goedgekeurd is door of namens het bevoegd gezag, als zo'n rapport over de gevolgen van het grondwerk op de archeologische waarde nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag. 5. Aan de vergunning als bedoeld onder 1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologische onderzoek; 10

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

c.

de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.”.

2.3.2.11 Aanpassing artikel 2 Wijze van meten Het artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De regel :”Verticale bouwdiepte: vanaf het peil tot aan het laagste punt van een ondergronds bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals funderingen, heipalen of daarmee vergelijkbare bouwonderdelen. Als de vloer het laagste punt is dan geldt de onderkant van de vloer.” is toegevoegd. 2.3.2.12 Aanpassing artikel 20.4 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “20.4 Vergunningvoorschriften over vervanging ("herplantplicht") 1. Bij vergunningvoorschrift wordt in ieder geval bepaald dat herplant: a.

b. c.

d.

binnen 36 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend, is voltooid of, in het geval van langlopende of complexe projecten, binnen een door burgemeester en wethouders op te leggen termijn;

volgens de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen plaatsvindt; op of zeer nabij de kaplocatie plaatsvindt; en

binnen twee weken na voltooiing gereed wordt gemeld door vergunninghouder bij burgemeester en wethouders met een melding die een dagtekening en locatie van de

2.

3. 4.

herplant bevat.

Bij het bepalen van een locatie voor herplant wordt de volgende volgorde aangehouden: a.

herplant op locatie;

b.

herplant dichtbij locatie; en

c.

herplant elders.

Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan, in afwijking van onderdeel 1, worden bepaald dat de gevelde houtopstand financieel wordt gecompenseerd.

Bij vergunningvoorschrift, bedoeld in onderdeel 1, kan de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant, worden bepaald.

De regels onder 1 tot en met 3 gelden niet in geval van tijdelijke natuur, botanische tuinen,

bosplantsoenen en er een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beheerplan is van de aanvrager.” wordt vervangen door de tekst:

“20.4 1.

Vergunningvoorschriften over vervanging ("herplantplicht")

Bij vergunningvoorschrift wordt in ieder geval bepaald dat herplant: a.

binnen 14 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend voor bomen die

op de gemeentelijke vellijst staan, of in het geval van langlopende of complexe projecten, of bij andere bomen die niet op de gemeentelijke vellijst staan, binnen een door

b. c.

d.

burgemeester en wethouders op te leggen termijn;

volgens de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen plaatsvindt; op of zeer nabij de kaplocatie plaatsvindt;

en binnen twee weken na voltooiing gereed wordt gemeld door vergunninghouder bij burgemeester en wethouders met een melding die een dagtekening en locatie van de herplant bevat.

2.

Bij het bepalen van een locatie voor herplant wordt de volgende volgorde aangehouden: a.

herplant op locatie;

11/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

3. 4. 5.

b.

herplant dichtbij locatie; en

c.

herplant elders.

Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan, in afwijking van onderdeel 1, worden bepaald dat de gevelde houtopstand financieel wordt gecompenseerd.

Bij vergunningvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant, worden bepaald.

De regels onder 1 tot en met 3 gelden niet in geval van tijdelijke natuur, botanische tuinen,

bosplantsoenen en er een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beheerplan is van de aanvrager.”.

2.3.2.13 Aanpassing artikel 12.2 onder 4 en 5 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “ 4 In afwijking van de regel onder 1 mag een bedrijfswoning als woning gebruikt worden. 5 In afwijking van de regel onder 2 is het wonen in onzelfstandige woonruimte toegestaan, a. als het wonen in onzelfstandige woonruimte, na toepassing van lid 12.1, past binnen het doel van de functie, b. als de eigenaar van de woning een vergunning of een schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders heeft die het gebruik van die woonruimte als onzelfstandige woonruimte toestaat, c. als de eigenaar van de woning beschikt over een gedoogverklaring en de onzelfstandige bewoning sinds het ontvangen van die verklaring onafgebroken heeft plaatsgevonden in maximaal diezelfde omvang of d. als de eigenaar aannemelijk kan maken dat de onzelfstandige bewoning voor 1 mei 1975 bestond en sindsdien onafgebroken heeft plaatsgevonden in maximaal diezelfde omvang.” wordt vervangen door de tekst: “ 4 In afwijking van de regel onder 1 mag een bedrijfswoning, een woonboot en een woonwagen als woning gebruikt worden.

5 In afwijking van de regel onder 2 is het wonen in onzelfstandige woonruimte toegestaan, als het wonen in onzelfstandige woonruimte, na toepassing van lid 12.1, past binnen het doel van de functie en: a.

b.

c.

als de eigenaar van de woning deze verhuurt aan maximaal twee personen,

als de eigenaar van de woning een vergunning of een schriftelijke toestemming van

burgemeester en wethouders heeft die het gebruik van die woonruimte als onzelfstandige woonruimte toestaat,

als de eigenaar van de woning beschikt over een gedoogverklaring en de onzelfstandige

bewoning sinds het ontvangen van die verklaring onafgebroken heeft plaatsgevonden in maximaal diezelfde omvang of

d.

als de eigenaar aannemelijk kan maken dat de onzelfstandige bewoning voor 1 mei 1975

bestond en sindsdien onafgebroken heeft plaatsgevonden in maximaal diezelfde omvang.”.

2.3.2.14 Aanpassing artikel 14 lid 2 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “14.2 Kantoren die bij een bedrijf horen Aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte is onder de volgende voorwaarden toegestaan: 12

Datum Rapport

1. 2. 3.

maart 2023 Vaststellingsrapport

de kantoorvloeroppervlakte per bedrijf is maximaal 30% van de totale bruto vloeroppervlakte; de kantoorvloeroppervlakte mag maximaal 2.000 m2 per bedrijf bedragen; de leden 1 en 2 blijven buiten toepassing als in het eerder vastgestelde bestemmingsplan afwijkende regels gelden.” wordt vervangen door de tekst:

“14.2 Kantoren die bij een bedrijf horen Aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte is onder de volgende voorwaarden toegestaan: 1. de oppervlakte van de kantoorruimte per bedrijf is maximaal 30% van de totale bruto vloeroppervlakte; 2. de oppervlakte van de kantoorruimte mag maximaal 2.000 m2 per bedrijf bedragen.”. 2.3.2.15 Aanpassing artikel 18.1 onder 4 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “het verrichten van graafwerkzaamheden (zoals ten behoeve van rioleringen, kabels, leidingen en drainage), anders dan normaal graafwerk;” wordt vervangen door de tekst: “het verrichten van graafwerkzaamheden (zoals ten behoeve van rioleringen, kabels, leidingen en drainage);”. 2.3.2.16 Aanpassing artikel 19 De tekst onder artikel 19: “Dit artikel treedt in werking op 1 juli 2022. Tot die datum blijven de vergelijkbare bepalingen in de Verordening op de archeologische monumentenzorg van toepassing.” wordt verwijderd. 2.3.2.17 Aanpassing artikel 19.1 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “19.1 Grondwerk waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is Met inachtneming van artikel 18 is het volgende grondwerk toegestaan: 1.

grondwerk dat wordt verricht op een locatie die niet is aangeduid als een archeologische verwachtingszone en die niet is aangewezen als archeologisch monument; 2. in gevallen waarin het grondwerk in omvang en diepte binnen een bestaande bodemverstoring plaatsvindt: a. grondwerk dat normaal onderhoud en beheer betreft, zoals onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. grondwerk dat samenhangt met vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 3. grondwerk dat nodig is voor archeologisch onderzoek of voor onderzoek naar de bodemkwaliteit; 4. grondwerk dat in overeenstemming met de wettelijke voorschriften al in uitvoering is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.” wordt vervangen door de tekst: “19.1 Grondwerk waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is Met inachtneming van artikel 18 is het volgende grondwerk toegestaan: 1. grondwerk dat wordt verricht op een locatie die niet is aangeduid als een archeologische verwachtingszone en die niet is aangewezen als archeologisch monument;

13/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2.

3. 4.

in gevallen waarin het grondwerk in omvang en diepte binnen een bestaande bodemverstoring plaatsvindt: a. grondwerk dat normaal onderhoud en beheer betreft, zoals onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. grondwerk dat samenhangt met vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; grondwerk dat nodig is voor archeologisch onderzoek; grondwerk dat in overeenstemming met de wettelijke voorschriften al in uitvoering is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.”.

2.3.2.18 Aanpassing artikel 19.2 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “19.2 Grondwerk zonder vergunning in verband met de zone archeologische verwachtingswaarde Met inachtneming van artikel 18 en lid 19.3 mag het volgende grondwerk op een locatie binnen een zone met een archeologische verwachtingswaarde zonder vergunning uitgevoerd worden, voor zover de activiteit aan de op de locatie geldende voorwaarden voldoet: 1. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 2' onder de voorwaarde dat het grondwerk geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; 2. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 3' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 30 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; 3. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 4' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 100 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; 4.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 5' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 500 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 30 cm onder het maaiveld; 5. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 6' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 5000 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt beneden een diepte van 50 cm onder het maaiveld.” Wordt vervangen door de tekst: “19.2 Grondwerk zonder vergunning in verband met de zone archeologische verwachtingswaarde Met inachtneming van artikel 18 en lid 19.3 mag het volgende grondwerk op een locatie binnen een zone met een archeologische verwachtingswaarde zonder vergunning uitgevoerd worden, voor zover de activiteit aan de op de locatie geldende voorwaarden voldoet: 1. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 2' onder de voorwaarde dat het grondwerk geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 2. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 3' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 30 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 3.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 4' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 100 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; 4. op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 5' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 500 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld;

14

Datum Rapport

5.

maart 2023 Vaststellingsrapport

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 6' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 5000 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 50 cm onder het maaiveld.”.

2.3.2.19 Aanpassing artikel 19.3 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: 1. “Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing van lid 19.2 de zone die de minste verstoring toestaat. 2. Bij een gefaseerde uitvoering van een project waarvoor grondwerk nodig is, is voor het bepalen van de locatie en het oppervlak van de verstoring de totale verstoring van het project bepalend.” wordt vervangen door de tekst: 1. 2.

“Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing van lid 19.2 de zone die de minste verstoring toestaat.

Bij een gefaseerde uitvoering van een project waarvoor grondwerk nodig is, is voor het bepalen van de verstoring de totale verstoring (oppervlak en/of diepte) van het gehele project bepalend.”.

2.3.2.20 Aanpassing artikel 19.4 onder 5 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “Aan de vergunning als bedoeld onder 1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.” wordt vervangen door de tekst: “Aan de vergunning als bedoeld onder 1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a.

de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de

b.

de verplichting tot het doen van archeologische onderzoek;

c.

bodem worden behouden;

de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.”.

2.3.2.21 Aanpassing artikel 5.3 onder 1 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “Bouwwerken die legaal zijn gebouwd zijn met toepassing van lid 5.1 in overeenstemming met de regels die dit plan over de activiteit bouwen stelt.” wordt vervangen door de tekst: “Bouwwerken die legaal zijn gebouwd zijn in overeenstemming met de regels die dit plan over de activiteit bouwen stelt.”. 2.3.2.22 Aanpassing artikel 2.3 Bedrijfsvloeroppervlak is toegevoegd aan de wijze van meten.

15/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

De tekst: “Bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf, met inbegrip van de magazijnen en overige dienstruimten. Gebouwde, ondergrondse of half verdiept gelegen, parkeervoorzieningen worden hierbij niet meegeteld.” is toegevoegd. 2.3.2.23 Aanpassing artikel 1.12 Het begrip voor bedrijfsvloeroppervlak is verwijderd. Dit is nu opgenomen in de wijze van meten. 2.3.2.24 Aanpassing artikel 1.54 De tekst: “ 1.54 Plan Het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord met identificatienummer NL.IMRO.0344.BPHOOGBOUWLRCENTRN-ON01 van de gemeente Utrecht.” wordt vervangen door de tekst: “1.53 Plan Het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord van de gemeente Utrecht met identificatienummer NL.IMRO.0344.BPHOOGBOUWLRCENTRN-VA01.”. 2.3.2.25 Aanpassing artikel 20.7 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de actuele versie van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. De tekst: “20.7 Herplantplicht zonder vergunning 1.

Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in lid 55.1 van toepassing is, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen

2.

binnen een door hen te stellen termijn.

Wordt een verplichting als bedoeld onder 1 opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in lid 55.1 van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van

voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die 4.

bedreiging wordt weggenomen.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld onder 1, 2 of 3 is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.” wordt vervangen door de tekst:

“20.7 1.

Herplantplicht zonder vergunning

Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de

verplichting opleggen zo snel mogelijk min in ieder geval binnen 14 maanden te herbeplanten. 2.

Wordt een verplichting als bedoeld onder 1 opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

16

Datum Rapport

3.

maart 2023 Vaststellingsrapport

Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van

voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die 4.

bedreiging wordt weggenomen.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld onder 1, 2 of 3 is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.”.

2.3.3

Wijziging van de onderbouwing naar aanleiding van zienswijzen

Naar aanleiding van zienswijze 8 2.3.3.1 Aanpassing paragraaf 5.10 van de toelichting In paragraaf 5.10, wordt de tekst van het ontwerp vervangen door en aangevuld met de volgende tekst: “Het plangebied ligt in de boringsvrije zone Leidsche Rijn. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Leidsche Rijn. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrecht. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse laag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaats vinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen in de boringsvrije zone de bijzondere zorgplicht (art. 3.12 Interim Omgevingsvisie Provincie Utrecht). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf.”. 2.3.3.2 Aanpassing paragraaf 2.1.4 van de toelichting In paragraaf 2.1.4, wordt de tekst ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ vervangen door de tekst: ‘Milieuzone – boringsvrije zone’. Naar aanleiding van zienswijze 7 2.3.3.3 Toevoeging rapport Luchtkwaliteit op grotere hoogte, bijlage 22 bij de toelichting In de bijlagen bij de toelichting is een rapport opgenomen over luchtkwaliteit. Hierin zijn voor het bouwplan blootstellingenberekeningen op grotere hoogte gedaan die voortkomen uit de emissie van Eneco. 2.3.3.4 Aanpassing paragraaf 5.9 van de toelichting De paragraaf is aangevuld met de berekeningen en conclusie uit het rapport Luchtkwaliteit op grotere hoogte. De tekst: ‘Blootstellingsberekeningen worden standaard op 1,5 meter boven maaiveld uitgevoerd. Het nabijgelegen Eneco heeft meerdere emissiepunten op grotere hoogte, tot 65 meter boven maaiveld. Met het onderzoek Luchtkwaliteit op grotere hoogte, in bijlage 22, is op basis van de best beschikbare combinatie van gevalideerde rekenmodellen inzichtelijk gemaakt hoe de blootstelling aan stikstofdioxide, fijn stof en zwaveldioxide door de hoge bronnen van Eneco wijzigt met

17/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

toenemende hoogte in het plangebied. De gecombineerde aanpak laat zien dat er benedenwinds op een afstand van ongeveer 500 meter tot ongeveer 70-80 meter hoogte een toename van de blootstelling te verwachten valt als de wind altijd uit diezelfde richting komt. Dit is een worst-case benadering aangezien de windrichting niet altijd hetzelfde is en de heersende windrichting noordwest is. Op verdere hoogte neemt dit weer af. Uit de berekeningen van de jaargemiddelde concentraties op basis van meerjarige meteorologie in het plangebied blijkt dat de blootstelling weliswaar met hoogte enigszins toeneemt, maar dat de bronbijdragen op elke hoogte slechts enkele procenten zijn van de achtergrondconcentratie, en dat de totale concentraties ver beneden de geldende grenswaarden blijven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de hoger gelegen bronnen van Eneco, en de inrichting als geheel, een goed woon- en leefklimaat in het plangebied in de weg staat, ook op grotere hoogte.’ wordt toegevoegd. 2.3.4

Ambtshalve wijziging van de onderbouwing

2.3.4.1 Aanpassing paragraaf 2.1.3 van de toelichting In paragraaf 2.1.3 over de Ladder voor duurzame verstedelijking is een actualisatie gedaan voor het aantal woningen. Het aantal is aangepast naar maximaal 1.015 woningen. 2.3.4.2 Aanpassing paragraaf 2.2.2 van de toelichting In paragraaf 2.2.2 over het Beleidskader binnenstedelijke ontwikkeling is een actualisatie gedaan voor het aantal woningen. Het aantal is aangepast naar maximaal 1.015 woningen. 2.3.4.3 Aanpassing paragraaf 2.3.1 van de toelichting In paragraaf 2.3.1 is het nieuwe coalitieakkoord 2022 opgenomen en is een actualisatie gedaan voor het aantal woningen. Het aantal is aangepast naar maximaal 1.015 woningen. 2.3.4.4 Aanpassing paragraaf 2.3.2.2.9 van de toelichting In paragraaf 2.3.2.2.9 over energie wordt de tekst: “Alle gebouwen in het plangebied verbruiken geen aardgas en zijn energieneutraal. In de energiebehoefte wordt voorzien door middel van zonnepanelen en een warmte-koudeopslag. De zonnepanelen worden in de nabije omgeving van het plangebied geplaatst. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten in het energieplan en de energieagenda's.” vervangen door de tekst: “Alle gebouwen in het plangebied zijn niet aangesloten op het aardgasnet en zijn energieneutraal. In de energiebehoefte wordt voorzien door middel van zonnepanelen, stadswarmte en een warmtekoudeopslag.

De zonnepanelen worden binnen een straal van 10 km van het plangebied geplaatst. De ontwikkeling sluit aan op de uitgangspunten in het energieplan en de energieagenda's.”. 2.3.4.5 Aanpassing paragraaf 4.1.1 van de toelichting In paragraaf 4.1.1 over het Programma is een actualisatie gedaan voor het aantal woningen. Het aantal is aangepast naar maximaal 1.015 woningen. 2.3.4.6 Aanpassing paragraaf 4.2 van de toelichting In paragraaf 4.2 is de tekst over verkeer en parkeren geactualiseerd. De tekst “4.2.1 Verkeer Deze paragraaf gaat in op de effecten van de ontwikkeling van het plangebied op de bereikbaarheid. Daarbij komen de diverse vervoerswijzen aan de orde: voetgangers, fietsverkeer openbaar vervoer en autoverkeer. Het verkeersbeleid van de gemeente staat in het Mobiliteitsplan 2040, Jouw straat en onze stad gezond, aantrekkelijk en bereikbaar voor iedereen. Het mobiliteitsplan wijst Leidsche Rijn Centrum en daarmee het plan aan als deel van de B-zone. De B-zone is ruimer ingericht dan de A-zone, maar ook hier is de ruimte schaars. Binnen de B-zone maken we onderscheid in de vooroorlogse wijken die oorspronkelijk niet ontworpen zijn voor veel autoverkeer en de naoorlogse wijken die ruimer zijn met meer plek voor de auto. Echter, in 2040 zal door verdere ruimtelijke ontwikkeling ook in die wijken minder ruimte beschikbaar zijn.

Dit geldt ook voor de delen van Leidsche Rijn die 18

Datum Rapport

maart 2023 Vaststellingsrapport

rondom Leidsche Rijn Centrum liggen, als er extra verstedelijking rond die twee OV-knooppunten gaat plaatsvinden. De balans tussen verkeersstromen en de ruimte wordt hersteld, met meer ruimte voor voetgangers, fietsers en verblijfsfuncties. Er is geen ruimte voor autoverkeer zonder herkomst of bestemming in omliggende wijken. De inrichting van de openbare ruimte moet zo helder zijn, dat het verkeer zichzelf zo veel mogelijk regelt en verkeerslichten beperkt nodig zijn. Door de Bzone lopen de hoofdnetwerken van auto, trein en bus. Deze hoofdnetwerken en vooral de kruisingen bepalen voor een belangrijk deel de bereikbaarheid én leefbaarheid van de wijken in deze zone.

Voetgangers De straten rondom de ontwikkeling zijn voorzien van trottoirs, die als looproutes fungeren naar bestemmingen in de omgeving, zoals het winkelcentrum en het Station Leidsche Rijn. Binnen de blokken is sprake van openbaar toegankelijke ruimte die voor voetgangers bedoeld is. Fietsverkeer De fiets heeft een belangrijkere rol in het binnenstedelijke gebied rondom de hoogbouwkavel. Om de hoogbouwkavel liggen hoofdfietsroutes:     

Terwijdesingel Vleutensebaan Jazzsingel Stockholmstraat Grauwaartsingel

Openbaar vervoer Het plangebied ligt op loopafstand van het Station Leidsche Rijn, die bestaat uit het treinstation en een busstation. Deze stations zorgen ervoor dat de hoogbouwkavel goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Op het Station Leidsche Rijn kunnen treinen naar Utrecht CS en het westen van het land. Op het busstation halteren verschillende buslijnen, in totaal 6 met verbindingen binnen Utrecht en regiogemeentes zoals Nieuwegein, Houten, Zeist en Maarssen. Auto Voor autoverkeer is de hoogbouwkavel aangesloten op de Reykjavikstraat. Via de Reykjavikstraat en Stockholmstaat is de hoogbouwkavel aangesloten op de hoofdinfrastructuur, te weten de Terwijdesingel met verbindingen naar de snelweg A2 (via Hooggelegen en aansluiting De Wetering/Lage Weide). Verkeersaantrekkende werking De basis voor de berekening van de verkeersaantrekkende werking is het vigerende verkeersmodel VRU 3.4. Voor de hoogbouwkavel is een modelvariant opgesteld om het programma van de hoogbouwkavel en het verkeersmodel in overeenstemming te brengen. Bij het berekenen van de verkeersaantrekkende werking is uitgegaan is van het volgende maximale programma.

19/49

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Analyse Met behulp van verkeersmodel VRU 3.4 (modelvariant hoogbouwkavel) is berekend hoe de verkeersontwikkeling als gevolg van de hoogbouwkavel zich verhoudt tot de autonome ontwikkeling (de natuurlijke groei zonder hoogbouwkavel) tot 2030. Voor de analyse van de verkeersbewegingen is gekeken naar het effect op de diverse routes van en naar het plangebied. De route vanaf de snelweg A2 is de belangrijkste route. Deze route loopt via de aansluiting De Wetering/Lage Weide, de Soestwetering en de Terwijdesingel. Vanuit het zuiden vormt de aansluiting op de A2 via Hooggelegen en de Stadsbaan de belangrijkste ontsluiting. De westelijke verbinding loopt via de Vleutensebaan. Een deel van het autoverkeer uit het oosten komt over de Vleutenseweg. De noordoostelijke verbinding loopt over de NRU.

Capaciteit Om te beoordelen of het plan tot extra doorstroomproblemen leidt is een analyse uitgevoerd. Kruispunten zijn de belangrijkste locaties als het gaat om het beoordelen van de doorstroming, waarbij gekeken wordt naar de intensiteit/capaciteitsverhouding (I/C) op de kruispunten. Hierbij wordt gekeken naar de spitsen, te weten de ochtend- en de avondspits omdat de drukste momenten van de dag zijn. Bij de beoordeling van de doorstroming wordt een I/C-verhouding van 90% aangehouden. Bij de I/C-verhouding hoger dan 90% kan er congestie optreden, te weten wachtrijen voor de kruispunten en bij verkeerslichten wachtrijen waarbij niet elk voertuig in de wachtrij door kan rijden bij de eerste keer groen, anders gezegd, het voertuig moet een cyclus overslaan. Een I/C-verhouding van 80% is een indicatie dat het kruispunt tegen de maximale capaciteit aan zit, maar hoeft nog niet tot substantiële knelpunten leiden. Voor de hoogbouwkavel zijn de uitkomsten van deze analyse de volgende.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=c9756c98-de1f-4576-96b5-0377a7617081