CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport herstel bestemmingsplan Lage Weide 2023 (inclusief bijlage)

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 1 februari 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling aangepast bestemmingsplan Lage Weide naar aanleiding van uitspraak Raad van State12.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vaststellingsrapport

Herstel bestemmingsplan Lage Weide

November 2023

Inhoud vaststellingsrapport Hoofdstuk 1 Algemeen ....................................................................................................................... 4 1.1 Bestemmingsplan Lage Weide .................................................................................................... 4 1.2 De uitspraken van de Raad van State .......................................................................................... 4 1.3 Het hersteltraject ....................................................................................................................... 4 1.3.1 Ambtshalve aanpassingen ................................................................................................... 5 1.3.2 Ingekomen reacties ............................................................................................................. 5 Hoofdstuk 2 Algemene aanpassingen ................................................................................................. 8 2.1. Geur (overwegingen 23.2, 27.3, 28.3, 29.1, 31, 32.1, 33.3 en 36.2 van de uitspraak van 21 september 2022) ............................................................................................................................. 8 2.2. Begrenzing uitbreidingsruimte ................................................................................................

11 Hoofdstuk 3 Specifieke aanpassingen ............................................................................................... 13 3.1. Milieugroep Zuilen .................................................................................................................. 13 3.1.1 Spoorweg (overweging 4.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) ........................................... 13 3.1.2 Luchtkwaliteit (overweging 4.8 en 4.8.1 van de uitspraak van 29 juni 2016) ....................... 13 3.1.3 Vergelijkbare installaties (overweging 4.23 van de uitspraak van 29 juni 2016) .................. 14 3.1.5 Risicovolle inrichtingen (overweging 4.31 van de uitspraak van 29 juni 2016) .................... 14 3.2. Theo Pouw B.V., Isotopenweg 15 tot en met 43 ....................................................................... 16 3.2.1 Toegestane bedrijfsactiviteiten (overweging 5.5 en 5.7 van de uitspraak van 29 juni 2016) 16 3.2.3. Maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde (overweging 5.19 van de uitspraak van 29 juni 2016) ........................................................................................................ 16 3.2.4 Uitsluiting bepaalde m.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten (overweging 5.31 van de uitspraak van 29 juni 2016) ........................................................................................................ 17 3.3.

Van Heezik Beheer B.V., locaties Ruimteweg, Atoomweg/Neutronweg ..................................... 18 3.3.1 Locatie Ruimteweg (overweging 7.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) ............................. 18 3.3.2 Locatie Atoomweg/Neutronweg (overweging 7.8 van de uitspraak van 29 juni 2016).......... 19 3.3.3. Bouwplan Van Heezik Neutronweg/Kernkade .................................................................... 20 3.4. Van den Heerik B.V., Sophialaan 5 ........................................................................................... 21 3.4.1 Concreet bouwplan (overweging 8.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) ............................ 21 3.5. Oskam en anderen, Uraniumweg 25, 27, Elektronweg 24, Niels Bohrweg 201 .......................... 23 3.5.1 Uraniumweg 25 en 27 ....................................................................................................... 23

3.5.1.1. Garagebedrijf en verhuurbedrijf (overweging 9.2 van de uitspraak van 29 juni 2016) ...... 23 3.5.1.2. Kantoorruimte (overweging 9.4 van de uitspraak van 29 juni 2016) ................................ 23 3.5.1.3. Stiho (overweging 9.5 van de uitspraak van 29 juni 2016) .............................................. 24 3.5.3 Elektronweg 24 (overweging 9.11 van de uitspraak van 29 juni 2016) ................................ 24 3.5.4 Niels Bohrweg 201 (overweging 9.16 van de uitspraak van 29 juni 2016) ........................... 24 3.6. Uithoek B.V., Sophialaan 7 ...................................................................................................... 25 3.6.1 Maximale milieucategorie (overweging 10.6 van de uitspraak van 29 juni 2016) ................. 25 3.7. Meijbon B.V., Van Nieuwpoort B.V. en Bonder B.V., Kanaaldijk 15 ............................................ 26 3.7.1 Definitie recyclebedrijf (overweging 11.17 van de uitspraak van 29 juni 2016) ................... 26 3.8. Strukton N.V. en anderen ........................................................................................................ 27 3.8.1 Hoofdkantoor (overweging 12.7 van de uitspraak van 29 juni 2016 en overweging 53 van de uitspraak van 21 sept 2022) .......................................................................................................

27 3.8.3 Maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde (overweging 12.13 van de uitspraak van 29 juni 2016) ........................................................................................................ 28 3.9. Jongeneel B.V. , Uraniumweg 1 ............................................................................................... 30 3.9.1 Milieucategorie (overweging 13.3 en 13.4 van de uitspraak van 29 juni 2016) .................... 30 3.10. Bewoner Kantonnaleweg ....................................................................................................... 31 3.10.1 Aan huis gebonden beroep of bedrijf (overweging 13.14 van de uitspraak van 29 juni 2016) .................................................................................................................................................. 31 3.11. De Trip, Sophialaan 7 ........................................................................................................... 33 3.11.1 Aanduiding Sophialaan 7A (overweging 50 van de uitspraak van 21 september 2022) ...... 33 3.11.2 Bestemming bedrijfsactiviteiten (overweging 51.2 van de uitspraak van 21 september 2022) .................................................................................................................................................. 33 3.12.

Amres Kantorenfonds BV, Savannahweg 17 ........................................................................... 34 3.12.1 Uitbreidingsmogelijkheden kantoorgebouw (overweging 52 van de uitspraak van 21 september 2022) ................................................................................................................... 34 Bijlage 1: Verzoeken Van den Heerik en Van Heezik .......................................................................... 35

Hoofdstuk 1 Algemeen 1.1 Bestemmingsplan Lage Weide Op 17 juli 2014 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Lage Weide” vastgesteld. Dit bestemmingsplan actualiseert de planologische regeling voor het bedrijventerrein. Zoveel mogelijk is aangesloten bij de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik van de gronden. Daarnaast voorziet het plan bij recht in beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Voor meer bedrijfsuitbreidingen zijn in het plan afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Het bestemmingsplan voorziet in een regeling die toekomstbestendig moet zijn voor zowel de bedrijven (ontwikkelingsruimte voor (zware) bedrijven) als de omwonenden (goed woon- en leefklimaat). Het plangebied omvat de gronden van het industrieterrein Lage Weide. Het plangebied wordt begrensd door: 1.

de Zuilense Ring aan de noordkant,

2.

het Amsterdam-Rijnkanaal aan de noordoostkant,

3.

de rijksweg A2 aan de westkant en

4.

het spoor Utrecht-Woerden aan de zuidkant.

1.2 De uitspraken van de Raad van State In een uitspraak van 29 juni 2016 heeft de Raad van State geoordeeld dat het bestemmingsplan op onderdelen gebreken bevat. Het bestemmingsplan is vernietigd en de raad is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Op 29 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld met inachtneming van de uitspraak. De raad heeft niet opnieuw een ontwerpplan ter inzage gelegd. Het plan steunt op het ontwerpbesluit dat ook ten grondslag heeft gelegen aan het bestemmingsplan uit 2014. In een uitspraak van 21 september 2022 heeft de Raad van State geoordeeld over het bestemmingsplan van 29 november 2018. Volgens deze uitspraak is de in het bestemmingsplan opgenomen geurregeling wat betreft de gehanteerde invoergegevens onzorgvuldig tot stand gekomen. De Raad van State vindt de geurregeling bovendien onvoldoende transparant, omdat de beschikbare geurruimte voor bedrijven niet inzichtelijk is. De Raad van State vraagt daarom om een geurruimteboekhouding die telkens wordt geactualiseerd nadat een relevante wijziging van de geuremissie heeft plaatsgevonden. Gelet op de betekenis van de geurregeling voor het bestemmingsplan als geheel, heeft de Afdeling geen mogelijkheid gezien het bestemmingsplan gedeeltelijk te vernietigen.

Het bestemmingsplan is daarom geheel vernietigd en de raad is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. In hoofdstuk 2 van dit vaststellingsrapport wordt ingegaan op de uitspraak en wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan is aangepast.

1.3 Het hersteltraject Met de uitspraak van 21 september 2022 is de procedure bij de Raad van State beëindigd. De gemeenteraad heeft de opdracht gekregen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Indien de aard van het bestemmingsplan door dit besluit niet wijzigt, kan de gemeenteraad het bestemmingsplan direct vaststellen, zonder eerst een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Met het nieuwe besluit wordt de aard van het bestemmingsplan niet gewijzigd, zodat het bestemmingsplan in dit geval niet eerst in ontwerp ter inzage hoeft. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan kan opnieuw beroep worden ingesteld. 4

Voorafgaand aan de vaststelling zijn de partijen die beroep hebben ingesteld tegen het bestemmingsplan van 29 november 2018 in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorgestelde herstel van het bestemmingsplan (informele participatie). De paragrafen 1.3.2 en 1.3.3 bevatten een overzicht van de ingekomen reacties en de wijze waarop deze reacties zijn verwerkt. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op algemene thema’s die in de beroepsprocedures aan de orde zijn geweest. In hoofdstuk 3 worden specifieke aanpassingen behandeld aan de hand van individuele beroepsgronden. 1.3.1 Ambtshalve aanpassingen Ambtshalve is het plangebied in 2018 ter plaatse van de Demkabocht in geringe mate verkleind, waardoor de plangrens één op één aansluit bij het eerder vastgestelde bestemmingsplan Demkabocht. Het betreft een deel van het water van het Amsterdam Rijnkanaal. Daarnaast is de bestemmingsgrens ter hoogte van Elektronweg 16A gecorrigeerd, zodat het volledige bedrijfsperceel hier de bestemming “Bedrijventerrein” heeft. Naar aanleiding van een aanpassing van de toegelaten bouwhoogte in de Kanaal-spoorzone is de bezonningsstudie aangepast (bijlage 11 bij de plantoelichting).

Tenslotte is de veiligheidsrisicocontour bij het (LPG) tankstation aan de Ruimteweg verkleind naar aanleiding van de aanpassing van (de vaste afstanden voor categoriale inrichtingen in) de Regeling externe veiligheid inrichtingen. 1.3.2 Ingekomen reacties Het concept vaststellingsrapport, met het aangepaste bestemmingsplan en bijlagen is voorgelegd aan de partijen die eerder beroep hebben ingesteld tegen het vaststellingsbesluit uit 2018, met het verzoek een reactie te geven. De Trip, Milieugroep Zuilen en Amres Kantorenfonds B.V. hebben reacties ingediend. 1.3.3 Beoordeling van de reacties -

De Trip, Sophialaan 7

Lijst van geurrelevante inrichtingen met geuronderzoek Op bladzijde 4 in het rapport van LBP|Sight “Berekening cumulatieve geurbelasting BP Lage Weide” van 1 juni 2023 ontbreekt De Trip in tabel 2.1 Geurrelevante bedrijven met geuronderzoeken. Reactie: De Trip is abusievelijk niet meegenomen als geurrelevant bedrijf. In het rapport van LBP|Sight “Berekening cumulatieve geurbelasting BP Lage Weide” van 20 oktober 2023 is de Trip toegevoegd.

Geurzoneboekhouding Onduidelijk is wat wordt bedoeld met vergunde bedrijven. Er moet ook een geurzoneboekhouding worden bijgehouden voor andere bedrijven die geur kunnen veroorzaken. Reactie: Vergunde bedrijven als bedoeld in artikel 3.6.1, onder d, van de planregels zijn bedrijven waarvoor een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.6.1, onder a, van deze regels. Dit betekent dat het hier niet gaat om vergunningverlening op grond van de Wet 5

milieubeheer. Voor de duidelijkheid zal worden toegevoegd dat de geurzoneboekhouding ook ziet op meldingen van beëindiging van geurrelevante bedrijfsactiviteiten in de zin van artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze meldingen hebben immers ook gevolgen voor de beschikbare geurruimte. Artikel 3.6.1, onder d, wordt als volgt gewijzigd: 3.6.1

Omgevingsvergunning aspect 'geur'

(…) d.

In het geurzonemodel worden vergunde nieuwe en gewijzigde geurrelevante bedrijven en meldingen van beëindiging van geurrelevante bedrijfsactiviteiten bijgehouden, zodat een actueel beeld blijft bestaan van de toebedeling van de beschikbare geurruimte. Op verzoek wordt inzicht gegeven in de voor een nieuw geurrelevant bedrijf beschikbare geurruimte. Hiertoe wordt een bestand met de actuele berekende cumulatieve geurbelasting op de zonetoetspunten ter beschikking gesteld.

Huidige bedrijfsactiviteiten De bestaande bedrijfsactiviteiten worden nog steeds niet positief bestemd. Reactie: De bestaande en gemelde bedrijfsactiviteiten vallen binnen milieucategorie 4.1, zodat het bestemmingsplan in zoverre geen belemmering vormt voor uitvoering van deze bedrijfsactiviteiten. Vaststaat dat de gerealiseerde installatie een capaciteit heeft van meer dan 50 ton afvalstoffen per dag, zodat de in categorie D18.1 van het Besluit milieueffectrapportage opgenomen drempelwaarde wordt overschreden. Wij zijn van mening dat een overschrijding van deze drempelwaarde in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar is. Voor het toestaan van deze bedrijfsactiviteiten is daarom op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – op- en overslagbedrijf’ gelegd op het perceel Sophialaan 7. In artikel 3 lid 1 sub b is toegevoegd:

een bedrijf waar grond en bouwstoffen worden op- en overgeslagen, behorend tot maximaal milieucategorie 4.1 -

'specifieke vorm van bedrijf – op- en overslagbedrijf’

Milieugroep Zuilen

Dynamische verwijzing Er is in artikel 3.6.1, onder b, van de planregels sprake van een dynamische verwijzing, waarbij een latere wijziging van de beleidsregels onderdeel wordt van de afweging. Een verwijzing naar beleidsregels die in de toekomst mogelijk veranderen, is onvoldoende rechtszeker. Reactie: In planregels mag worden verwezen naar beleidsregels die kunnen veranderen (de dynamische verwijzing). Wij verwijzen in dit verband naar de uitspraken van de Raad van State van 16 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3142) en 9 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2837). Wij zijn dan ook van mening dat dit artikel niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Richtafstand Het hanteren van een te grote richtafstand maakt dat de toetscontour groter is en daarmee ten onrechte meer geurruimte wordt toebedeeld dan feitelijk nodig is. In bijlage 1 bij het 6

geurrapport (richtafstandbronnen) zijn bedrijven opgenomen zonder geuronderzoek, met een richtafstand. Onduidelijk is hoe deze lijst tot stand is gekomen en of rekening is gehouden met feitelijke activiteiten. Reactie: Bij het bepalen van de toegelaten cumulatieve geurbelasting bij de bedrijven zonder geuronderzoek is uitgegaan van een fictieve bijdrage die is gebaseerd op de SBI-code van het desbetreffende bedrijf. Er is dus niet uitgegaan van de feitelijke situatie. De maximaal aanvaardbare geurruimte kan daarmee groter zijn dan de feitelijk bestaande geurbelasting. In hetgeen naar voren is gebracht, zien wij geen aanknopingspunten dat wij onjuiste richtafstanden hebben gehanteerd. In overweging 21.5 van de uitspraak van 21 september 2022 heeft de Raad van State geaccepteerd dat wij bij bedrijven zonder geuronderzoek van een fictieve bijdrage uitgaan. De geurcontour leidt tot een beperking van de totale geurbelasting in de omgeving van het industrieterrein in vergelijking met de situatie waarin deze contour niet was vastgesteld. De planregeling leidt niet tot een aantasting van de belangen van omwonenden.

Bijlage 1 bij geurbeleidsregels (Lijst niet-geurrelevante inrichtingen) Bijlage 1 ontbreekt. Reactie: Deze bijlage is alsnog toegevoegd aan de beleidsregels.

Wijzigingen verbeelding Eventuele wijzigingen op de verbeelding konden niet worden herleid. Reactie: De wijzigingen hebben betrekking op herstel van aanduidingen naar aanleiding van de beroepen van Strukton NV en anderen en Amres Kantorenfonds B.V.. -

Amres Kantorenfonds B.V. Amres heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met het herstelbesluit, indien het in overeenstemming is met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Reactie: Wij zijn van mening dat het herstelbesluit in overeenstemming is met hetgeen in de uitspraak is opgenomen.

7

Hoofdstuk 2 Algemene aanpassingen Een aantal onderwerpen komt terug in de beroepen van verschillende appellanten. Deze onderdelen worden in dit hoofdstuk beschreven. Daarbij wordt zoveel mogelijk verwezen naar de relevante onderdelen van beide uitspraken.

2.1. Geur (overwegingen 23.2, 27.3, 28.3, 29.1, 31, 32.1, 33.3 en 36.2 van de uitspraak van 21 september 2022) Verschillende appellanten hebben beroepsgronden aangevoerd tegen de in het plan opgenomen geurregeling. Volgens de uitspraak van 21 september 2022 levert de geurregeling geen doorkruising op van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde wet- en regelgeving. De vastgestelde contour leidt tot een beperking van de totale geurbelasting in de omgeving van het industrieterrein in vergelijking met de situatie waarin deze niet was vastgesteld. Deze beperking is voldoende om het woon- en leefklimaat in de omgeving van het industrieterrein te beschermen, zodat de cumulatieve geurruimte niet verder hoeft te worden beperkt. Het bestemmingsplan is vernietigd, onder meer omdat de in het bestemmingsplan opgenomen geurregeling op een aantal onderdelen (invoergegevens en geurruimteboekhouding) onduidelijk was. Zo beschikten de gebruikers van gronden op het industrieterrein alleen over de initiële invoergegevens ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan (ontbreken geurruimteboekhouding). Onduidelijk was hoe de in tabel 2.1 van het rapport “Berekening cumulatieve geurbelasting BP Lage Weide” van 16 juli 2018 weergegeven weegfactoren zijn vastgesteld.

Dit rapport bevatte meer omissies (weegfactor De Heus, emissiedebiet, geurbron bij bierbrouwerij “Oproer”, afgastemperatuur AVR en samenvoeging van geurbronnen), waardoor het besluit van 29 november 2018 wat betreft de gehanteerde invoergegevens onzorgvuldig tot stand is gekomen. Bij de berekening van de geuremissie van Pouw is een onjuiste reductie van 50% voor de opslag van drijfvuil gehanteerd, omdat geen sprake is van een (volledig) inpandige opslag. Wijziging:

Alle bedrijven binnen het plangebied zijn geïnventariseerd en beoordeeld of ze als geurrelevant moeten worden aangemerkt. Met behulp van een geurzonemodel is de bestaande cumulatieve geurbelasting berekend als 98 percentielwaarde. Naar aanleiding van de uitspraak van 21 september 2022 heeft LBP Sight de bestaande cumulatieve geurbelasting opnieuw berekend. De resultaten zijn neergelegd in het rapport “Berekening cumulatieve geurbelasting BP Lage Weide” van 20 oktober 2023 Bij de berekening van de geuremissie van Pouw is voor de opslag van drijfvuil geen reductie meer gehanteerd. Uit dit rapport blijkt dat de cumulatieve geurbelastingcontouren vanwege bedrijven op Lage Weide (deels) over de woonwijk Zuilen liggen. De cumulatieve geurbelastingscontour die overeenkomt met maximaal H=-1 (lichte hinder), ligt vrijwel geheel buiten de woonwijk Zuilen. Voor de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting vanwege de bedrijven op Lage Weide is afzonderlijk geurbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de “Beleidsregels geur bestemmingsplan Lage Weide”. Belangrijke uitgangspunten van dit beleid zijn dat bestaande bedrijven op Lage Weide hun bedrijfsvoering moeten kunnen voortzetten en dat verslechtering van het geurklimaat in omliggende woonwijken moet worden voorkomen.

De in de planregels opgenomen regeling voor geurhinder is zodanig aangepast dat nieuwe geurrelevante bedrijven alleen zijn toegestaan, wanneer geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt. Hiermee is 8

geborgd dat de in de afgelopen jaren bereikte verbetering van de geursituatie in Zuilen niet opnieuw zal verslechteren. Teneinde zekerheid te bieden over de maximaal toegelaten cumulatieve geurbelasting, is ervoor gekozen overschrijding van de vastgelegde contour niet mogelijk te maken, ook niet als de cumulatieve geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object buiten de contour niet meer zal bedragen dan H=-1 (lichte hinder) als 98 percentiel. Verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, van de planregels kan daarmee niet leiden tot een wijziging van de vastgestelde contour. Deze contour kan alleen bij vaststelling van het bestemmingsplan worden gewijzigd of opgeheven. In verband met een optimaal gebruik van het industrieterrein voor nieuwe geurrelevante bedrijven is de contour bij de rijksweg A2 opgerekt tot de overzijde van de A2. Daarbij is in aanmerking genomen dat de A2 geen geurgevoelig object is en hier ook geen geurgevoelige objecten boven de A2 zijn toegelaten. Een oprekking van de contour is bij Zuilen, Elinkwijk, Werkspoorkwartier en Maarssen niet mogelijk vanwege de aanwezigheid van geurgevoelige objecten. Bij de bevoegde afdeling van de gemeente wordt een geurruimteboekhouding bijgehouden.

Hiermee worden vergunde nieuwe geurrelevante bedrijven bijgehouden, zodat een actueel beeld blijft bestaan van de toebedeling van de beschikbare geurruimte. Een initiatiefnemer kan vooraf bij deze afdeling informeren of er nog geurruimte beschikbaar is. De toelichting van het bestemmingsplan (hoofdstuk 4.5) is op dit onderdeel aangepast. De artikelen 1, 3.5 en 3.6.1 zijn als volgt gewijzigd:

Artikel 1

Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder: (…) 1.5

aanvaardbare cumulatieve geurbelasting:

de cumulatieve geurbelasting van H=-1 zoals weergegeven in een in bijlage 5 van de planregels vastgelegde geurcontour, waarbuiten de cumulatieve geurbelasting vanwege de in het plangebied gevestigde bedrijven niet meer mag bedragen dan H=-1 (lichte hinder) als 98 percentiel. (…) 1.36

cumulatieve geurbelasting van H=-1:

de hedonisch gewogen geurbelasting met een hedonische waarde van -1 als gevolg van alle geurrelevante inrichtingen gezamenlijk die gevestigd zijn binnen het plangebied. Deze wordt bepaald conform de methodiek zoals beschreven in de Beleidsregels geur bestemmingsplan Lage Weide (…) 1.45

geurrelevant bedrijf:

alle bedrijven met uitzondering van niet-geurrelevante bedrijven. (…) 1.47

hedonisch gewogen geurbelasting:

geurbelasting op basis van hedonisch gecorrigeerde geuremissies, met als eenheid ou E(H)/m3. (…) 1.61

Lijst van Niet-geurrelevante bedrijven:

9

de lijst zoals opgenomen in bijlage I van de Beleidsregels geur bestemmingsplan Lage Weide, die de categorieën van bedrijven aangeeft die niet geurrelevant zijn. (…) 1.63

nieuw geurrelevant bedrijf:

a. geurrelevant bedrijf, met uitzondering van het geurrelevante bedrijf zoals dat ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan in overeenstemming met het Activiteitenbesluit milieubeheer (zoals geldend op de dag van inwerkingtreding van dit plan) dan wel in overeenstemming met de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zoals geldend op de dag van inwerkingtreding van dit plan) in werking was; b. de verandering van (de werking van) het geurrelevante bedrijf sinds de inwerkingtreding van dit plan, met uitzondering van de verandering die niet tot enige geuremissie leidt; c. de wijziging van een niet-geurrelevant bedrijf in een geurrelevant bedrijf sinds de inwerkingtreding van dit plan. (…) 1.66

overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting:

een zodanige toename van de cumulatieve geurbelasting dat geen sprake meer is van aanvaardbare cumulatieve geurbelasting. (…) 3.5

specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. b. c. d.

(…); nieuwe geurrelevante bedrijven zijn niet toegestaan; (…); (…);

3.6

Afwijken van de gebruiksregels

3.6.1

Omgevingsvergunning aspect 'geur' a.

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5 onder b en een nieuw geurrelevant bedrijf toestaan, mits daarmee geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt.

b.

Bij de beoordeling of geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt, wordt getoetst aan het bepaalde in de Beleidsregels geur bestemmingsplan Lage Weide. Als deze beleidsregel wordt gewijzigd, wordt die wijziging in acht genomen;

c.

De in sub a bedoelde geurruimte wordt gereserveerd op volgorde van binnenkomst van een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning. Na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt de extra geurruimte als definitief toegevoegd beschouwd. Bij een onherroepelijke weigering van de omgevingsvergunning vervalt de reservering; 10

d.

In het geurzonemodel worden vergunde nieuwe en gewijzigde geurrelevante bedrijven en meldingen van beëindiging van geurrelevante bedrijfsactiviteiten bijgehouden, zodat een actueel beeld blijft bestaan van de toebedeling van de beschikbare geurruimte. Op verzoek wordt inzicht gegeven in de voor een nieuw geurrelevant bedrijf beschikbare geurruimte. Hiertoe wordt een bestand met de actuele berekende cumulatieve geurbelasting op de zonetoetspunten ter beschikking gesteld.

2.2. Begrenzing uitbreidingsruimte Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat de in het plan opgenomen maximale uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing te beperkt zijn en dat de keuze voor de opgenomen begrenzing onvoldoende is onderbouwd. Wijziging:

Naar aanleiding van de uitspraak van 29 juni 2016 heeft adviesbureau Royal HaskoningDHV de effecten in beeld gebracht van de uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing voor het aspect verkeer (autobereikbaarheid). De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport “Rapportage Bestemmingsplan Lage Weide, Verkeersonderzoek BP Lage Weide” van 7 november 2017 (bijlage 3 bij de plantoelichting). Uit dit rapport volgt dat het toestaan van meer dan 16,8% uitbreidingsruimte aantoonbaar negatieve gevolgen zal hebben voor de verkeersafwikkeling rond Lage Weide. Deze negatieve gevolgen doen zich vooral voor op de afrit van de rijksweg A2 (terugslag). Gezien deze negatieve gevolgen achten wij een uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 16,8% niet aanvaardbaar voor de bereikbaarheid van Lage Weide, en ook niet noodzakelijk voor de ontwikkeling van Lage Weide. Volgens de uitspraak van 21 september 2022 hoefde de raad niet meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden. Er zijn op Lage Weide bedrijfssituaties waarbij op onbebouwd terrein opslag- of productieactiviteiten plaatsvinden. De planregels maken het uitsluitend overkappen van onbebouwde terreinen reeds mogelijk; het gaat daarbij niet om extra brutovloeroppervlakte. Het brutovloeroppervlak ziet namelijk uitsluitend op gebouwen.

Een gebouw is een overdekt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, voor mensen toegankelijk bouwwerk. Een overkapping is veelal niet met wanden omsloten. In het geval dat men een overkapping met een of meer wanden wil omsluiten, geldt de regeling uit het bestemmingsplan voor gebouwen. In artikel 3.2.1, onder h, is verduidelijkt dat een overkapping die moet worden aangemerkt als gebouw, evenmin extra brutovloeroppervlakte met zich brengt, zolang geen extra bouwlaag wordt gerealiseerd. De regels zijn daarnaast verduidelijkt op het punt van de procedure: extra brutovloeroppervlak wordt gereserveerd op volgorde van binnenkomst van een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning. Na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt het extra bruto vloeroppervlak als definitief toegevoegd beschouwd. Bij de bevoegde afdeling van de gemeente wordt een boekhouding bijgehouden. Een initiatiefnemer kan vooraf bij deze afdeling informeren of er nog uitbreidingsruimte beschikbaar is. Gelet hierop en bij afweging van alle betrokken belangen zijn wij van mening dat bij een toegestane groei van 16,8% brutovloeroppervlak voldoende uitbreidingsruimte wordt geboden. De toelichting van het bestemmingsplan (paragrafen 4.2.2 en 5.2) is op dit onderdeel aangepast. De artikelen 3.2.1 en 3.4.4. zijn als volgt gewijzigd:

3.2.1

Gebouwen 11

a. b. c. d. e.

f. g.

h.

i.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; de inhoud van een bedrijfswoning zoals bedoeld in artikel 3.1 onder e. mag niet meer dan 600 m³ bedragen; het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e; de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' mag niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e; het bestaande aantal vierkante meters brutovloeroppervlak mag van de op het bouwperceel aanwezige gebouwen met maximaal 10% worden vergroot met inachtneming van het bepaalde genoemd onder c. en d.; het bepaalde onder d. voor wat betreft de bouwhoogte geldt niet voor schoorstenen die op een dak van een gebouw worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding 1' mag, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder d., de genoemde bouwhoogte worden verhoogd tot maximaal 45 meter onder de voorwaarden dat: 1. de verhoging van de bouwhoogte tot maximaal 45 meter slechts mogelijk is voor maximaal 50% van het onder c. genoemde toegestane bebouwingspercentage, en; 2.

het gedeelte van het gebouw waarvan de bouwhoogte wordt verhoogd tot maximaal 45 meter moet minimaal op 20 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen worden gesitueerd; het realiseren van een gebouw ter plaatse van bestaand bij het betreffende bedrijf behorende bedrijfsoppervlak aan buitenopslag en/of - productie, wordt niet aangemerkt als een toevoeging van bruto vloeroppervlak zoals genoemd onder sub e, mits: 1. het gebouw uitsluitend bedoeld is voor het overbouwen van de buitenopslag en/of - productie in 1 bouwlaag; 2. de bebouwing een positieve bijdrage levert aan een efficiënt productieproces of een positieve bijdrage levert aan de milieuhygiënische uitstraling van het bedrijf; 3. voldaan wordt aan sub c en d. bestaande bouwwerken die niet voldoen aan het bepaalde genoemd onder a. t/m h, mogen worden gehandhaafd en vernieuwd, maar de afwijking mag niet worden vergroot.

3.4.4 a.

b.

Omgevingsvergunning extra vierkante meters brutovloeroppervlak

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e. voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden: 1. er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd; 2. er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben; 3. dit niet leidt tot milieuhygiënische bezwaren; 4. de op de verbeelding aangegeven 'maximum bebouwingspercentage' en 'maximum bouwhoogte' niet wordt overschreden; het in sub a genoemde extra brutovloeroppervlak wordt gereserveerd op volgorde van binnenkomst van een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning. Na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt het extra bruto vloeroppervlak als definitief toegevoegd beschouwd. Bij een onherroepelijke weigering van de omgevingsvergunning vervalt de reservering.

12

Hoofdstuk 3 Specifieke aanpassingen In dit hoofdstuk worden alleen de beroepsonderdelen behandeld die hebben geleid tot aanpassing van de toelichting en/of de regels bij het bestemmingsplan. Beroepsgronden die ongegrond zijn verklaard worden hier vanzelfsprekend niet besproken. De aanpassingen worden – in aanvulling op hoofdstuk 2 - per appellant besproken.

3.1. Milieugroep Zuilen

3.1.1 Spoorweg (overweging 4.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) Appellant kan zich niet verenigen met de aanduiding ‘spoorweg’, die aan een gedeelte van de gronden tussen de spoordijk en het Amsterdam Rijnkanaal is toegekend. De Raad van State stelt vast dat de aanduiding ‘spoorweg’ is toegekend aan een aantal gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal met de bestemming "Bedrijventerrein". Deze gronden grenzen aan de bestemming Verkeer-Railverkeer, die onder meer zijn bestemd voor railverkeer en goederensporen, zodat een aansluiting kan worden aangelegd en het goederenvervoer van de bedrijven haar route via het hoofdspoor kan vervolgen. Gelet hierop en op het feit dat binnen de aanduiding "spoorweg" geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het aantal, de situering en het gebruik van spoorwegen, staat, naar het oordeel van de Afdeling, niet vast dat deze spoorwegen onderdeel zijn van één of meer van de ter plaatse aanwezige inrichtingen. Hiermee staat evenmin vast dat het geluid vanwege deze spoorwegen wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein.

Het betoog van appellant dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat het opnemen van de aanduiding ‘spoorweg’ uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, slaagt, zodat de aanduiding ‘spoorweg’ binnen de bestemming Bedrijventerrein in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Wijziging:

De percelen waar in de bestaande situatie in de bedoelde zone grenzend aan het AmsterdamRijnkanaal spoor aanwezig is, zijn in het bestemmingsplan voorzien van de aanduiding ‘spoorweg’. Dit spoor maakt deel uit van de ter plaatse gevestigde bedrijven. Het geluid van het spoor wordt – als onderdeel van de gehele bedrijfsvoering - genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein Lage Weide. Deze zone bepaalt de hoeveelheid spoor en de intensiteit van het gebruik. Door het gebruik van het spoor in de regels expliciet te koppelen aan de bedrijfsvoering wordt het toegelaten gebruik verduidelijkt. Artikel 3.1. onder f is als volgt gewijzigd: ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg', een spoorweg met bijbehorende voorzieningen als onderdeel van één of meer van de ter plaatse aanwezige bedrijven, een spoorwegemplacement daaronder niet begrepen.

3.1.2 Luchtkwaliteit (overweging 4.8 en 4.8.1 van de uitspraak van 29 juni 2016) De Raad van State geeft aan dat het standpunt van de gemeente dat uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat vanwege de wegen in Lage Weide ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof, en dat mede gelet op de zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden in het bestemmingsplan niet aannemelijk is dat vanwege de emissies van (toekomstige) bedrijven sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof, ontoereikend is gemotiveerd. Een nadere onderbouwing is noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt volgens de Afdeling 13

ook niet of en zo ja, op welke wijze de effecten van het scheepvaartverkeer in het onderzoek is betrokken. Wijziging:

Naar aanleiding van de uitspraak heeft adviesbureau Arcadis de effecten in beeld gebracht van de uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing voor het aspect luchtkwaliteit. Daarbij zijn ook de effecten van de emissies van (toekomstige) bedrijven en van het scheepvaartverkeer betrokken. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport “Luchtkwaliteitsonderzoek industrieterrein Lage Weide” van 16 november 2017. Uit dit rapport volgt dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet zullen worden overtreden, zodat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de planvorming. De toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.7) is aangepast aan de conclusie van dit nadere onderzoek. Het rapport is als bijlage 5 aan de toelichting gevoegd.

3.1.3 Vergelijkbare installaties (overweging 4.23 van de uitspraak van 29 juni 2016) In artikel 3.4.3. van de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om silo’s en vergelijkbare installaties op te richten tot maximaal 45 meter hoog. De gemeente heeft met de term ‘vergelijkbare installaties’ beoogd installaties die vergelijkbaar zijn met of verband houden met de werking van silo’s, zoals transportbanden. Volgens de Afdeling volgt uit artikel 3.4.3. niet dat installaties een (functionele) verbinding moeten hebben met de toegestane silo’s en ook anderszins is niet duidelijk wat onder ‘installaties vergelijkbaar met een silo’ moeten worden verstaan. Artikel 3.4.3. biedt daardoor volgens de Afdeling onvoldoende rechtszekerheid. Wijziging:

Artikel 3.4.3. is als volgt gewijzigd: 3.4.3

Omgevingsvergunning silo's en vergelijkbare installaties

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a. voor de bouw van silo's en voor de werking daarvan verband houdende vergelijkbare installaties zoals transportbanden met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat de silo en daarmee verband houdende installatie dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.

3.1.5 Risicovolle inrichtingen (overweging 4.31 van de uitspraak van 29 juni 2016) Het externe veiligheidsonderzoek bespreekt de twee bestaande Bevi-inrichtingen in het plangebied Lage Weide. De Raad van State geeft aan dat in het onderzoek evenwel niet is ingegaan op de mogelijkheid om na afwijking van het bestemmingsplan nieuwe Bevi-inrichtingen toe te staan. Op basis van artikel 3.5 van de regels van het bestemmingsplan Lage Weide zijn Bevi-inrichtingen niet toegestaan, behoudens de bestaande Bevi-inrichtingen. Nieuwe Bevi-inrichtingen zijn alleen toegestaan na gebruikmaking van een afwijking van de gebruiksregels. In artikel 3.6.3 van de regels is deze bevoegdheid omschreven en zijn de voorwaarden voor nieuwvestiging aangegeven. In artikel 1 zijn Bevi inrichtingen omschreven als ‘een bedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen’. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3 (lid 3.6.3) van de planregels niet heeft afgewogen of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Als de gemeenteraad in een nieuw bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk wil maken met toepassing

14

van een afwijkingsbevoegdheid, zal de raad bij de vaststelling daarvan deze afwijkingsbevoegdheid moeten beoordelen. Bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op specifieke locaties, zoals hier het geval is, kan de raad volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Wijziging:

Het onderzoek Externe veiligheid (bijlage van de toelichting van het bestemmingsplan) is naar aanleiding van het beroep gewijzigd. Deze nieuwe bijlage beschrijft de mogelijkheden van nieuwvestiging van Bevi-inrichtingen en gaat daarbij ook in op cumulatieve en domino-effecten. Uit de nadere analyse kan worden geconcludeerd dat nieuwvestigingen in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden ingepast. De toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.6.4) is eveneens aangevuld met de conclusie van dit nadere onderzoek. Naast een gewijzigde bijlage (bijlage 4) en een aanvulling van de toelichting zijn aanvullende voorwaarden opgenomen in artikel 3.6.3. Dit artikel is als volgt gewijzigd: 3.6.3 Omgevingsvergunning Bevi- inrichtingen Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c., ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits a.

b.

per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen: 1. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of 2. buiten het bouwperceel van de Bevi-inrichting daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming Groen, Verkeer, Verkeer - Verblijfsgebied of Water en gelegen binnen het grondgebied van gemeente Utrecht, en in de omgevingsvergunning voor het afwijken: 1. het groepsrisico wordt verantwoord en als aanvaardbaar wordt beschouwd; 2. cumulatieve effecten zijn beschreven en als aanvaardbaar worden beschouwd, en 3. domino-effecten zijn beschreven en als aanvaardbaar worden beschouwd.

Paragraaf 4.6.4. van de toelichting is aangevuld met de volgende paragraaf: ‘De regels van het bestemmingsplan maken nieuwe Bevi-inrichtingen uitsluitend mogelijk na gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarden. Uit een analyse van de ruimtelijke inpasbaarheid kan worden geconcludeerd dat de afwijkingsbevoegdheid in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast.’

15

3.2. Theo Pouw B.V., Isotopenweg 15 tot en met 43

3.2.1 Toegestane bedrijfsactiviteiten (overweging 5.5 en 5.7 van de uitspraak van 29 juni 2016) a. Op het perceel Isotopenweg 15 zijn Sita Recycling en Pothuizen gevestigd. Volgens het bestemmingsplan is maximaal milieucategorie 4.2. toegestaan. Volgens de Raad van State heeft de gemeente miskend dat op het bedrijfsterrein van Pothuizen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die een groothandel in afval en schroot en een vuiloverslagstation overstijgen, gelet op de op de verwerking van metalen en schroot met behulp van een schrootschaar. Deze laatstgenoemde activiteit is een activiteit binnen de categorie ‘metaal- en autoshredders’ die onder milieucategorie 5.1. valt. b. Op het perceel Isotopenweg 33 is een containerterminal gevestigd. In het bestemmingsplan zijn op dit perceel bedrijven toegestaan tot maximaal milieucategorie 4.1. Het gebruik van deze gronden voor op- en overslag van containers is echter volgens de Afdeling een activiteit die valt onder milieucategorie 4.2. Wijziging:

a. Op het perceel Isotopenweg 15 wordt een specifieke aanduiding op de verbeelding opgenomen: ‘specifieke vorm van bedrijf – metaal- en autoshredder’. In artikel 3 lid 1. sub b is toegevoegd: een bedrijf dat metalen en schroot verwerkt met behulp van een schrootschaar behorend tot maximaal milieucategorie 5.1

'specifieke vorm van bedrijf - metaal en autoshredder'

b. Op het perceel Isotopenweg 33 wordt een specifieke aanduiding op de verbeelding opgenomen: ‘specifieke vorm van bedrijf- containerterminal’. In artikel 3 lid 1. sub b is toegevoegd: een bedrijf voor de op- en overslag van containers behorend tot maximaal milieucategorie 4.2

'specifieke vorm van bedrijf containerterminal'

3.2.3. Maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde (overweging 5.19 van de uitspraak van 29 juni 2016) In artikel 3 lid 3.2.2. onder a van de regels van het bestemmingsplan zijn bouwwerken, geen gebouwen toegestaan van maximaal 15 meter hoog. Dit is een algemene bouwregel voor het gehele bedrijventerrein. De Afdeling acht de keuze voor deze bouwhoogte onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van de omstandigheid dat het bedrijventerrein is bedoeld voor grootschalige, zwaardere bedrijvigheid waarbij vaak hogere bouwwerken worden gebruikt en dat op het bedrijventerrein de bouw van aanmerkelijk hogere gebouwen bij recht is toegestaan. Wijziging:

Stedenbouwkundig is het aanvaardbaar wanneer de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde dezelfde maximale bouwhoogte hebben als de ter plaatse maximale toegestane bouwhoogte van gebouwen. Hier zijn een aantal uitzonderingen op. Kranen en schoorstenen zullen soms hoger zijn dan de ter plaatse maximale bouwhoogte. Voor deze bouwwerken wordt een uitzondering gemaakt. Voor bepaalde bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals erfafscheidingen en palen en masten geldt dat deze een beperkte hoogte mogen hebben gezien hun functie. Voor deze bouwwerken wordt ook een uitzondering gemaakt. 16

Artikel 3, lid 2.2. is als volgt gewijzigd: 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte van gebouwen: b.

het bepaalde onder a. geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het verkeer;

c.

In afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van palen en masten niet meer dan 6 meter bedragen;

d.

in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van schoorstenen niet meer dan 30 meter bedragen indien de maximale bouwhoogte ter plaatse lager is;

e.

in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van antennemasten niet meer dan 55 meter bedragen;

f.

in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van havenkranen niet meer dan 30 meter bedragen, indien de maximale bouwhoogte ter plaatse lager is;

g.

in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen.

h.

bestaande bouwwerken die niet voldoen aan het bepaalde genoemd onder a. t/m g., mogen worden gehandhaafd, verplaatst en vernieuwd, maar de afwijking mag niet worden vergroot.

3.2.4 Uitsluiting bepaalde m.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten (overweging 5.31 van de uitspraak van 29 juni 2016) Artikel 3 lid 3.5 onder e is onvoldoende rechtszeker. Het is mogelijk dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het besluit m.e.r. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt. Dit had volgens de Afdeling voorkomen kunnen worden door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit m.e.r. zoals die op een bepaalde datum golden. Wijziging:

Artikel 3.5. is als volgt gewijzigd: 3.5

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

(…); (…); (…); (…); oprichting, uitbreiding en wijziging van inrichtingen en/of installaties als bedoeld in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, zoals geldend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan, waarbij de betreffende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen worden overschreden, zijn niet toegestaan.

17

3.3. Van Heezik Beheer B.V., locaties Ruimteweg, Atoomweg/Neutronweg

3.3.1 Locatie Ruimteweg (overweging 7.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) Van Heezik B.V. kan zich niet verenigen met de in het bestemmingsplan voor haar bedrijfslocatie aan de Ruimteweg opgenomen regeling. Op dat perceel had bij recht een grotere maximale bouwhoogte moeten worden toegestaan dan in het plan is opgenomen. Weliswaar is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarmee op die locatie een maximale bouwhoogte tot 30 meter kan worden toegestaan, maar de voorwaarden die aan deze afwijkingsbevoegdheid zijn verbonden zijn volgens haar onduidelijk en onnodig beperkend. Ook is de noodzaak van deze voorwaarden onvoldoende onderbouwd. Van Heezik wil op afzienbare termijn de hele bedrijfslocatie kunnen herontwikkelen. Daarvoor is op de gehele bedrijfslocatie een hogere maximale bouwhoogte noodzakelijk. De Afdeling stelt dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom het bij recht toestaan van dergelijke bebouwing op deze locatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar zou zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat in de omgeving van de locatie Ruimteweg slechts andere bedrijfsbebouwing en een hotel aanwezig zijn. Van een negatieve uitstraling voor het zicht vanaf een woonwijk kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien is in het plan voor het nabijgelegen hotel bij recht een bouwhoogte van 30 meter toegestaan.

Voorts ligt de locatie Ruimteweg naast een verhoogde weg, die bebouwing op die locatie deels aan het zicht onttrekt. Wijziging:

Na de uitspraak in beroep heeft Van Heezik B.V. het initiatief voor de Ruimteweg verder geconcretiseerd (bijlage). Het betreft de bouw van een opslag - en distributiebedrijf. In het initiatief heeft de nieuwe bebouwing een bouwhoogte van maximaal 35 meter. Het betreft grotendeels sloopen nieuwbouw op de locatie. Vanuit economisch perspectief geldt, dat er veel vraag is naar logistiek en dat een herontwikkeling van panden die minder in de markt liggen, gewenst is. Vestiging van deze functie wordt vanuit dit beleid in beginsel gestimuleerd. Onder de voorwaarde dat het bouwvlak aan de Ruimteweg wordt gerespecteerd en de zone rondom het perceel een groene inrichting krijgt die aansluit op de overige groenzone om het perceel, kan met een rechtstreeks bestemde hogere bouwhoogte voor het perceel worden ingestemd. Van belang is dat er een goede erfgrens wordt gerealiseerd die de groene kwaliteit van de omgeving versterkt. Hiervoor kan de erfgrens die bij het hotel is gemaakt, als referentie dienen. Vanwege de afstand tot andere bedrijfspercelen is van negatieve effecten op de omgeving geen sprake. Realisering van het initiatief betekent een toename van het bestaande bruto vloeroppervlak met meer dan 10%. In de bestaande situatie is sprake van circa. 14.000 m2 bvo. Het initiatief leidt tot een totaal bruto vloeroppervlak van circa 19.000 m2 bvo.

Dit betekent dat gebruikmaken van de 10% uitbreidingsruimte niet volstaat en gebruik moet worden gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen extra vierkante meters bvo van lid 3.4.4. van de regels van het bestemmingsplan. Wanneer Van Heezik B.V. een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning indient, kan er voorlopig een claim worden gelegd op een gedeelte van de 170.000 m2 bvo uit artikel 3.4.4 (5.000 m2). Deze ruimte is nog beschikbaar (peildatum medio 2018). 18

De verbeelding is aangepast. Op het perceel aan de Ruimteweg 1 is rechtstreeks een maximale bouwhoogte toegestaan van 35 meter. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een groene inpassing van de bebouwing te waarborgen. Aan artikel 3.2 is een sublid 3 toegevoegd en dit artikellid luidt als volgt: 3.2.3 Voorwaardelijke verplichting Een omgevingsvergunning voor het bouwen op het perceel Ruimteweg 1 dat voorziet in een bouwhoogte van 35 meter en/of uitbreiding van de bestaande gebouwen, wordt niet verleend dan nadat een inrichtingsplan door de aanvrager is overlegd dat voorziet in de realisering en instandhouding van groen ter begeleiding van de perceelgrens.

3.3.2 Locatie Atoomweg/Neutronweg (overweging 7.8 van de uitspraak van 29 juni 2016) Op het perceel rust een aanduiding ‘bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1’. Op het perceel zijn bedrijven van Van Heezik B.V. gevestigd en verhuurt appellant enkele gebouwen aan derden. Een aantal van deze bedrijven valt onder een lagere milieucategorie dan de minimale milieucategorie 3.2 die volgens het plan is toegestaan. Volgens de Afdeling heeft de gemeente zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat doorslaggevende betekenis toekomt aan het feit dat de verschillende bedrijfsactiviteiten organisatorisch gezien deel uitmaken van één overkoepelende groep. De gemeente miskent hiermee dat de verschillende bedrijfsactiviteiten behoren tot individuele gevestigde bedrijven die elk zelfstandig hun specifieke activiteiten ontplooien en waarvoor in sommige gevallen aparte vergunningen zijn verleend. Ook heeft de gemeente miskent dat ook bedrijven van derden op de locatie activiteiten in lagere milieucategorieën ontplooien. Door het opnemen van een minimale milieucategorie zijn de bedrijven van appellant en van derden niet als zodanig bestemd, terwijl de gemeente niet heeft beoogd deze activiteiten niet langer toe te staan. Op een gedeelte van de locatie Atoomweg/Neutronweg kan daarnaast, gezien de ligging van woonwijken, een hogere milieucategorie dan 5.1.

worden toegestaan, namelijk 5.2. Wijziging:

Op een deel van het schiereiland Atoomweg/Neutronweg kan inderdaad gezien de afstand tot omliggende woonwijken een hogere milieucategorie dan 5.1 worden toegestaan. Tevens is geconstateerd dat op het perceel ook bedrijven in bedrijfscategorie 2 zijn gevestigd. Op de verbeelding wordt op deze percelen de aanduidingen ‘2 tot en met 5.1’of ‘2 tot en met 5.2’ gelegd. Daarnaast is een nieuwe afwijkingsbevoegdheid opgenomen in de regels. In het havengebied is er voor gekozen om vooral de wat zwaardere bedrijven die gebruik maken van de havens, toe te laten. In de toelichting van het bestemmingsplan is dit beschreven. Vandaar dat op deze percelen in het havengebied oorspronkelijk een minimale milieucategorie van 3.2. is opgenomen. Er zijn echter percelen in dit gebied die geen gebruik kunnen maken van de havens omdat ze niet aan een laad- en loskade gelegen zijn. Voor deze situaties is het mogelijk om, onder voorwaarden, gebruik te maken van een afwijkingsbevoegdheid voor het vestigen van een bedrijf met een lagere milieucategorie. Er is een nieuw sublid toegevoegd aan lid 3.6 dat als volgt luidt: 3.6.7 Omgevingsvergunning lagere milieucategorie Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de minimale milieucategorie 3.2 zoals genoemd in de regel in 3.1 onder a en toestaan dat er een bedrijf in milieucategorie 3.1.

of lager wordt gevestigd, mits: 19

a. b.

de gronden waarop het bedrijf zich wil vestigen niet direct liggen aan een laad- en loskade of het goederenspoor, en de vestiging van het bedrijf op deze gronden gebruik van een laad- en loskade of het goederenspoor op naburige kavels niet onmogelijk maakt.

3.3.3. Bouwplan Van Heezik Neutronweg/Kernkade

Van Heezik heeft na vaststelling van het bestemmingsplan, in 2016, aangegeven dat hij bouwplannen heeft voor de huidige bebouwing aan Kernkade 7, 13, 15, 17, 21, 23, 53 en Kernkade 18, 22, 24, 26, 28, 30, 34, 36 (zie bijlage). Het betreft de bouw van een vrieshal met daaronder een expeditie ruimte met daarbij behorende kantoorruimte. Het bouwplan dat als schetsplan is toegestuurd is beoordeeld en is passend binnen de regeling zoals deze in het bestemmingsplan Lage Weide is opgenomen. Voor een definitieve toets is het noodzakelijk dat Van Heezik een formele aanvraag om omgevingsvergunning indient. Er is in zoverre geen wijziging van het bestemmingsplan nodig.

20

3.4. Van den Heerik B.V., Sophialaan 5

3.4.1 Concreet bouwplan (overweging 8.3 van de uitspraak van 29 juni 2016) Van den Heerik B.V. kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar bedrijfslocatie aan de Sophialaan opgenomen regeling. Bij de vaststelling van het plan is ten onrechte geen rekening gehouden met een concreet bouwplan. Van den Heerik B.V. wijst erop dat zij voornemens is twee nieuwe hallen voor de distributie van goederen te bouwen op haar bedrijfslocatie, maar dat het bestemmingsplan onvoldoende mogelijkheden biedt om dit bouwplan te realiseren. De gewenste hallen zijn volgens Van den Heerik B.V. noodzakelijk voor haar bedrijfsvoering en dienen ter overkapping van de opslag van goederen die op haar terrein reeds plaatsvindt. In dit verband betoogt zij voorts dat het plan voorziet in een te laag maximaal uitbreidingspercentage voor uitbreidingen van het brutovloeroppervlak van bedrijfsbebouwing en dat het maximale bebouwingspercentage van 60%, dat geldt voor haar perceel, te laag is. De raad had naar het oordeel van de Raad van State bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening moeten houden met het initiatief van Van den Heerik B.V. en had daarbij ook het op genoemd perceel toegestane bebouwingspercentage moeten betrekken. Wijziging:

Na de uitspraak in beroep heeft Van den Heerik B.V. het initiatief voor de Sophialaan verder geconcretiseerd (bijlage). Het betreft de bouw van twee nieuwe bedrijfshallen ten behoeve van opslag en distributie. De twee nieuwe bedrijfshallen hebben een bouwhoogte van 30 meter. De nieuwe bebouwing wordt deels gerealiseerd op de plek waar voorheen sprake was van buitenopslag. Op een ander deel vindt sloop en nieuwbouw plaats. Van den Heerik BV is op dit moment reeds op het perceel Sophialaan 5 gevestigd, en is een bedrijf dat zich richt op transport en logistiek. Vervolgens is in augustus 2017 een vergunningaanvraag ingediend voor de bouw van een nieuwe hal op het perceel met een maximale hoogte van 12 meter. Deze initiatieven zijn met appellant besproken. Tenslotte is door appellant in oktober 2017 aangegeven dat bij een toekomstige ontwikkeling rekening moet worden gehouden met nieuwbouw op het perceel met een bouwhoogte van 36 meter, hetgeen afwijkt van eerder aangeleverde informatie ter beoordeling van het initiatief. In het bestemmingsplan Lage Weide (2014) is voor de zone langs het Amsterdam Rijnkanaal op deze plek (zuidelijk deel ten zuiden van de Niels Bohrweg) een maximale bouwhoogte van 24 meter en bebouwingspercentage 60% opgenomen mede om de ruimtelijke impact voor Zuilen beperkt te houden.

In deze zone speelt de bestaande bomenrij een belangrijke rol; er wordt daarom ook een strook van 10 meter vrijgehouden van bebouwing aan de zijde van het kanaal. De afstand tussen de grens van het bedrijfsperceel en de eerste woonbebouwing in Zuilen en het Springerpark bedraagt circa 140 meter. Bedrijventerrein Lage Weide is op basis van gemeentelijk economisch beleid geschikt voor distributiebedrijven. Vestiging van deze functie wordt vanuit dit beleid gestimuleerd. De bomenrij langs het kanaal aan de kant van Lage Weide schermt de bebouwing af. De hoogte van de bestaande bomen correspondeert met de bouwhoogte van 24 meter. Door de extra bouwhoogte terug 21

te leggen ten opzichte van de oeverlijn, wordt de impact ervan sterk verkleind. Bestaande distributiebedrijven op Lage Weide beschikken in enkele gevallen ook over een klein deel met een bouwhoogte van 30m (Hema, Kühne Nagele). Gelet op de afstand tot de woonbebouwing kan worden ingestemd met een hogere bouwhoogte voor dit perceel en een hoger bebouwingspercentage. Door bebouwing tot 30 meter uitsluitend vanaf een afstand van 50 meter vanaf het Amsterdam Rijnkanaal toe te laten is er voor de woonbebouwing aan de overzijde van het kanaal en de omliggende bebouwing geen sprake van een onaanvaardbare situatie. De hogere bebouwing is vanaf de overzijde van het kanaal beperkt zichtbaar en er zijn gelet op de grote afstand geen negatieve effecten op bezonning aan de Amsterdamsestraatweg. Een hogere bouwhoogte op dit perceel aan de zijde van de Sophialaan heeft ook geen onaanvaardbaar negatief effect op de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijfspanden. Bedrijfsbebouwing hoger dan 30 meter is op deze locatie niet aanvaardbaar vanwege de zichtbaarheid van de bebouwing. Het nu voorliggende initiatief leidt tot een bebouwingspercentage van meer dan 60%. Gezien het nu voorliggende initiatief wordt een maximum bebouwingspercentage van 70% in dit geval aanvaardbaar geacht. Realisering van het initiatief betekent een toename van het bestaande bruto vloeroppervlak met meer dan 10%.

In de bestaande situatie is sprake van circa. 18.620 m2 bvo bedrijfsbebouwing. Het initiatief leidt in totaal tot ongeveer 25.370 m2 bvo. Dit betekent dat gebruikmaken van de 10% uitbreidingsruimte niet volstaat en gebruik moet worden gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen extra m2 bvo van 170.000 m2. Wanneer Van den Heerik B.V. een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning indient, kan er voorlopig een claim worden gelegd op een gedeelte van de 170.000 m2 bvo uit artikel 3.4.4 (6.750 m2). Deze ruimte is nog beschikbaar (peildatum medio 2018). De verbeelding is aangepast. Op het perceel Sophialaan 5 is een maximale bouwhoogte opgenomen van 30 meter vanaf een afstand van 50 meter van het Amsterdam Rijnkanaal en een maximum bebouwingspercentage van 70%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=ff485369-75ab-4eed-b20f-f2097bde2497