CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport Chw bestemmingsplan Máximapark

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan Máximapark17.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2.3.4.12 Paragraaf 3.2 ('Milieueffectrapportage') is aangevuld De paragraaf 3.2 is aangevuld met een motivering waarom geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de m.e.r.-procedure. De tekst onder de kopjes 'plansituatie' en 'conclusie' is aangepast. De tekst: ‘Plansituatie Dit plan maakt geen activiteiten mogelijk die waarvoor op grond van artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage een milieueffectrapport opgesteld moet worden of waarvoor op grond van hetzelfde artikel beoordeeld moet worden of er een milieueffectrapport nodig is. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Het bestemmingsplan maakt niet direct nieuwe ontwikkelingen mogelijk behalve ontwikkelingen die onder de huidige beheersverordening al mogelijk werden gemaakt. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.’ is vervangen door de tekst: 30

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

Plansituatie Dit plan maakt geen activiteiten mogelijk die waarvoor op grond van artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage een milieueffectrapport opgesteld moet worden of waarvoor op grond van hetzelfde artikel beoordeeld moet worden of er een milieueffectrapport nodig is. De bebouwingsmogelijkheden die in dit plan zijn opgenomen waren al mogelijk onder de huidige beheersverordening. Daarbij is het aantal in dit plan opgenomen bebouwingsmogelijkheden zeer beperkt en sluit het in aard aan op de bestaande woningen in de omgeving. Dit wordt niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Conclusie Het bestemmingsplan maakt niet direct nieuwe ontwikkelingen mogelijk behalve ontwikkelingen die onder de huidige beheersverordening al mogelijk werden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het opstellen van een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. 2.3.4.13 Paragraaf 3.3 ('Bedrijven en milieuzonering' is aangepast. De reden hiervoor is dat het onnodig is om de maatregelen zoals destijds in het akoestisch onderzoek genoemd uit te voeren om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Het bedrijf aan de Europaweg 2 is een fruitkoelbedrijf en komt overeen met een bedrijf met milieucategorie 3.1 conform de VNG-systematiek 'Bedrijven en milieuzonering'.

Voor een dergelijke milieucategorie geldt dat ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat een richtafstand van 50 meter tussen het bedrijfsperceel en de dichtstbijzijnde beoogde woning gehanteerd moet worden. Daar is in dit geval sprake van. De volgende tekst is verwijderd uit paragraaf 3.3: ‘In de beheersverordening 'De Meern Noord, Maximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen' is opgenomen dat ter plaatse van de besluitsubvlakken 27, 31, 32, 33, 36 en 37 voor het bouwen of wijzigen van geluidgevoelige bestemmingen genoemd in de vlakken YY en ZZ vergunning verleend kan worden indien een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Deze regel heeft betrekking op locaties die onder andere langs de Europaweg en Het Lint Vleuterweide zijn gelegen en in de invloedsfeer van het nabijgelegen fruitkoelbedrijf. Bij het wijzigen of bouwen van geluidgevoelige bestemmingen moeten maatregelen uitgevoerd worden uit het destijds uitgevoerde akoestisch onderzoek die als bijlage 1 is opgenomen. Dit tenzij de bedrijfsactiviteiten waarvoor het akoestisch onderzoek is uitgevoerd zijn gestopt.’. De volgende tekst is toegevoegd: ‘Nieuwe gevoelige objecten in de omgeving van bedrijven worden met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. De beoogde woningen voor de kavels aan de Hoekelumseboslaan en de Europaweg zijn op voldoende afstand gelegen van het fruitkoelbedrijf aan de Europaweg 2.

Dit fruitkoelbedrijf heeft een milieucategorie van 3.1, wat overeenkomt met een aan te houden richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde beoogde geluidgevoelige gevel van het dichtstbijzijnde perceel en de perceelsgrens van het fruitkoelbedrijf is gelegen op circa 78 meter afstand.’. De conclusie van de bedrijven en milieuzoneringsparagraaf (namelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat) is ongewijzigd. 2.3.4.14 De tekst van paragraaf 3.4 ('Geluidhinder') is aangepast, er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (opgenomen in bijlage 1 van het bestemmingsplan) en er is een besluit hogere waarden genomen (opgenomen in bijlage 2 van het bestemmingsplan). Het ontbrak in de ontwerpversie van het Chw bestemmingsplan Máximapark aan een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en daarmee ook aan een complete geluidsparagraaf. Deze omissie is gerepareerd. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai door de gemeente Utrecht uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen inzichtelijk te maken. Uit het onderzoek is gebleken dat geen van de nieuwe beoogde woningen zich binnen het gebied met

31/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde bevindt. Wel wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Om deze reden wordt voor dit plan een ontheffing (‘hogere waarden’) verleend voor het geluid van de Europaweg van maximaal 58 dB. Elke woning moet conform het gemeentelijke beleid ter compensatie de beschikking hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. De ontheffing is in bijlage 2 van het bestemmingsplan opgenomen. Overigens is uiteindelijk bepaald vanwege de uitkomsten van de quickscan flora en fauna om diverse gebiedsdelen die in dit akoestisch onderzoek zijn onderzocht uit het bestemmingsplan te laten. Bovenstaande in acht nemende is de volgende tekst verwijderd: ‘Plangebied Binnen het plangebied wordt geen ontwikkelruimte geboden langs drukke wegen (50 km/per uur), spoorweg en industrieterreinen. In dit bestemmingsplan worden geen (nieuwe) geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Er zijn verschillende bouwaanduidingen vanuit de beheersverordening opgenomen aan de Europaweg die de bouw van een nieuw hoofdgebouw in het aangegeven vlak mogelijk maakt. In het kader van de opstelling van het bestemmingsplan Leidsche Rijn Park is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (VL04-51/1 d.d. 6 december 2004, gewijzigd d.d. 18 januari 2005, alsmede een erratum d.d. 10 augustus 2005.

Er is daarbij onderzoek verricht naar de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van woningbouw in het Leidsche Rijn Park gerelateerd aan de bestaande infrastructuur. Voor het plangebied aan de noordzijde van de Europaweg (waar bebouwingsaanduingen zijn opgenomen) is naar voren gekomen dat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt door toedoen van het wegverkeer op de Noordelijke Stadsas. Conclusie Vanuit geluid zijn er geen beperkingen voor het plangebied. En vervangen door de volgende tekst: ‘Plangebied Binnen het plangebied wordt geen ontwikkelruimte geboden langs drukke wegen (50 km/per uur), spoorweg en industrieterreinen. In dit bestemmingsplan worden geen (nieuwe) geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Er zijn verschillende bouwaanduidingen vanuit de beheersverordening opgenomen aan de Europaweg die de bouw van een nieuw hoofdgebouw in het aangegeven vlak mogelijk maakt. In onderhavig plan gaat het om enkele bouwaanduidingen die vanuit de beheersverordening over worden gezet naar dit bestemmingsplan. In het akoestisch onderzoek is eveneens onderzoek naar verschillende bouwmogelijkheden verricht die niet zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor zover de resultaten betrekking hebben op bouwmogelijkheden die zich buiten het plangebied (en de reikwijdte van dit bestemmingsplan vallen) zijn deze niet relevant.

In het kader van de in dit bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden aan de Hoekelumseboslaan en Europaweg is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Het deel van het plangebied aan de Europaweg en de Hoekelumsenoslaan zijn gelegen binnen de wettelijke zone van de Europaweg.

Wegverkeer

De contouren van de toekomstige maximale geluidbelasting bedraagt op de nog geplande woningen in bouwvlakken met specifieke bouwaanduiding (incl. 5 dB aftrek ex art. 110 Wgh) 55 dB. De geluidbelasting is inzichtelijk gemaakt op de volgende afbeelding.

32

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

Geluidscontouren op basis van de hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Europaweg De geluidbelasting overschrijdt de voorkeursgrenswaarde in een ongeveer 80 meter brede strook aan de oostzijde van de weg. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (oranje gekleurd in de figuur) beslaat daarmee een grootgedeelte van het plangebied waar de bestemming wonen wordt toegestaan. In dit gebied is woningbouw met ontheffing mogelijk mits er voldaan wordt aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. De nog in te vullen kavels verder naar het oosten gelegen in het plangebied liggen voor het grootste deel in het groene gebied waar aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In de specifieke bouwaanduidingsvlakken nabij de weg wordt de maximale ontheffingswaarde die geldt in de uitleggebieden (58 dB) overschreden (rode gebied). Woningbouw dient hier bij voorkeur buiten te blijven. Indien er binnen het rode gebied wordt gebouwd, dan kan dat alleen middels toepassing van dove gevels. In de huidige situatie zijn deze kavels die het dichtst bij de weg liggen echter reeds bebouwd. Geen van de nieuwe woningen (de specifieke bouwaanduidingsvlakken) bevindt zich binnen het gebied met een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde.

Vanwege een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wordt voor dit plan een ontheffing (‘hogere waarden’) verleend voor het geluid van de Europaweg van maximaal 58 dB. Maatregelen ter verbetering van de geluidssituatie zijn namelijk redelijkerwijs niet voorhanden. Op de betreffende weg ligt al een (licht) geluidsreducerend wegdek en geluidsschermen zijn in een dergelijke binnenstedelijke situatie vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Aangezien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, zal elke woning conform het gemeentelijke beleid ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Uit het onderzoek blijkt dat dit voor alle geprojecteerde woningen het geval is. Bij een nadere/andere uitwerking van het plan zal dit opnieuw nader gedetailleerd moeten worden uitgezocht. Conclusie Er zijn vanuit het aspect geluid bezien geen belemmeringen voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Voor dit plan wordt parallel aan de ruimtelijke procedure een hogere waarde procedure voor de hierboven genoemde geluidbron doorlopen (zie Bijlage 2 Besluit hogere waarden). Door het treffen van maatregelen aan de woningen kan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid worden voldaan.’.

33/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2.3.4.15 De bodemparagraaf (paragraaf 3.9) is aangepast om duidelijker te maken dat de grond in beginsel geschikt is voor het beoogde gebruik De tekst: ‘waardoor geen noodzaak bestaat om bodemonderzoek uit te voeren’ is verwijderd en wordt vervangen door de volgende tekst: ’Wel worden enkele bouwmogelijkheden aan de Europaweg en de Hoekelumseboslaan overgenomen. De bodemkwaliteit is op basis van bodeminformatie van de gemeente Utrecht op deze locatie naar verwachting voldoende geschikt voor 'Wonen'. In het kader van het bestemmingsplan is daardoor geen noodzaak om bodemonderzoek uit te voeren.’. De opmerking dat bij eventuele wijzigingen in functie en/of gebruik een (her)beoordeling noodzakelijk is en aangetoond dient te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie is aangevuld met dat dit eveneens bij sloop- en/of bouwwerkzaamheden moet gebeuren. 2.3.4.16 De tekst van paragraaf 3.10 ('Natuurbescherming') is aangepast, er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (opgenomen in bijlage 3 van het bestemmingsplan) en er is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (opgenomen in bijlage 4 van het bestemmingsplan). In het kader van de bouwmogelijkheden aan de Hoekelumseboslaan en Europaweg is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

Daarnaast is eveneens een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd om te bepalen of er significante negatieve effecten plaatsvinden op nabijgelegen Natura-2000 gebieden als gevolg van de mogelijke bouw van de beoogde woningen. Bij het ontwerpbestemmingsplan is verzuimd om deze noodzakelijke onderzoeken uit te voeren. Bij de vaststelling worden deze gebreken gerepareerd. De zin in de alinea onder het kopje 'plangebied' met de tekst: ’Om deze redenen hoeft er voor dit bestemmingsplan geen ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden,’ is verwijderd en is vervangen door de volgende tekst: Plangebied Flora en fauna Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 3) om in beeld te brengen of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgende de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.

Methodiek

Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is onder andere gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur, Voedselkwaliteit en Visserij en de Provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt van minimaal de laatste 10 jaar binnen een straal van minimaal 3 kilometer rondom het plangebied. Tijdens het veldonderzoek is het gehele gebied met bebouwingsmogelijkheden nabij de Hoekelumseboslaan en de Europaweg zoals die momenteel in de beheersverordening staan beschouwd. Op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement is beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Tijdens het onderzoek is de relevante directe omgeving van het plangebied eveneens onderzocht op de potentie voor beschermde soorten.

Op deze manier zijn de uitstralingseffecten van de activiteit bepaald. 34

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

Aanwezige beschermde soorten - Wet natuurbescherming

Uit de quickscan volgt dat met betrekking tot soortenbescherming een aantal aandachtspunten in acht genomen moet worden. Voor een aantal soorten zijn middels het nemen van specifieke preventieve maatregelen negatieve effecten te voorkomen. Dit betreffen de volgende soorten/ functies: • Rugstreeppad – landhabitat; • Algemene broedvogels – nestlocaties. Voor andere soorten zijn er geen maatregelen die het optreden van negatieve effecten geheel voorkomen. Er is daarom nader onderzoek nodig om vast te stellen of deze soorten aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden, zo nodig gevolgd door een vergunningsaanvraag. Het betreffen de volgende soorten/functies: • Boombewonende vleermuizen – verblijfplaatsen; • Teunisbloempijlstaart – voortplantingshabitat. Er zijn ook soorten waarvan de aanwezigheid van nesten, verblijfplaatsentijdens foerageergebied tijdens het veldbezoek kon worden vastgesteld. Voor deze soorten dient een activiteitenplan te worden opgesteld en een vergunning te worden aangevraagd. Het gaat hier om de volgende soort en functie: • Boerenzwaluw – jaarrond beschermde nesten; • Haas – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied; • Konijn – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied.

Ten slotte zijn er soorten waarvoor geldt dat aanwezigheid en negatieve effecten op basis van nader onderzoek niet kunnen worden uitgesloten waardoor op voorhand een vergunning moet worden aangevraagd: • Bunzing – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied; • Wezel – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied. De resultaten van de quickscan flora en fauna vragen om nader onderzoek naar verschillende beschermde soorten, te weten de boombewonende vleermuis, teunisbloempijlstraat en het konijn. Het onderzoek zag toe op een groter gebied, namelijk op de bebouwingsmogelijkheden voor braakliggende bouwkavels vanuit de beheersverordening. Aangezien geconcludeerd is dat nader onderzoek benodigd is zijn de bebouwingsmogelijkheden waar de noodzaak van het nader onderzoek betrekking op heeft uit het plan gelaten. Voor deze bebouwingsmogelijkheden blijft daarmee de beheersverordening gelden. Zodra het nader onderzoek uitgevoerd is zullen de bebouwingsmogelijkheden in een apart plan mogelijk worden gemaakt. Stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Oostelijke Vechtplassen, dat op ongeveer 7,5 kilometer afstand van het plangebied ligt. Om de bijdrage aan de stikstofdepositie van het plan te bepalen zijn er berekeningen gemaakt met de AERIUS Calculator versie 2024.2.

Hierbij is de referentiesituatie vergeleken met de toekomstige situatie (zie voor een nadere toelichting en de berekeningen bijlage 4). Er wordt geen stikstofdepositie bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar berekend, waarmee significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van het gebruik van de beoogde ontwikkeling op voorhand uitgesloten zijn. Hierbij moet worden benoemd dat de berekening breder is ingestoken dan daadwerkelijk in dit plan mogelijk wordt gemaakt. Er is daarom geen sprake van een Natura-2000 activiteit en er geldt daarom geen vergunningplicht. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor vaststelling van het plan.

35/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2.3.4.17 De archeologieparagraaf (paragraaf 3.13) is geactualiseerd om aan te sluiten bij de huidige juridische regeling voor archeologie. De tekst in paragraaf 3.13 wordt als volgt gewijzigd: ‘3.13 Archeologie Wettelijk kader

In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd.

Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een

structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de

planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen te worden

betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.

De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de

toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de

Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a

schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.

Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht

In het omgevingsplan zijn regels voor de bescherming van archeologie opgenomen in het hoofdstuk grondwerk. Met grondwerk worden de activiteiten die de bodem verstoren bedoeld.

De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele

grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In het Chw bestemmingsplan Maximapark nemen we de regeling voor archeologie op uit het Chw

bestemmingsplan Algemene regels Utrecht (gebiedsaanduiding archeologische verwachting 2-6, zie Artikel 36).

In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan. Met de daarbij

behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en

verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.

36

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

Gemeentelijke archeologische waardenkaart

De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de plankaart in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is

gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en

op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge

archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een

vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht

geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen.

Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de

Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden

aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de

inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht.

Op basis van onderzoek heeft de gemeente vastgesteld hoe groot de kans is dat op een locatie archeologische resten gevonden kunnen worden. Op basis van de trefkans is aan locaties een

verwachtingswaarde toegekend. Een locatie met een grote trefkans heeft verwachtingswaarde WA1, een locatie met de laagste trefkans heeft verwachtingswaarde WA6. Op een locaties waar de

trefkans zeer klein is of waar bekend is dat er geen archeologisch resten zijn op een locatie, is geen verwachtingswaarde opgenomen en gelden dus ook geen regels. De locaties met de diverse

archeologische verwachtingswaarde zijn zo in het omgevingsplan opgenomen, dat bij een klik op de kaart zichtbaar is of er een waarde geldt, welke waarde dat dan is en welke regel van toepassing is. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er

belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm.

Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder

uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm.

Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historischtopografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm.

Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen

archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm.

37/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 50 cm.

Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Plangebied

Voor verschillende delen van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde

gebiedsaanduiding. Als in het plangebied verstoringen plaatsvinden, wordt bij de plantoetsing en besluitvorming de hoogste waarde gehanteerd. Als de voorgenomen ontwikkeling binnen het

plangebied de vrijstellingsgrenzen overschrijdt (oppervlakte en diepte) is deze vergunningsplichtig. Aan de vergunning zullen voorwaarden worden verbonden ten aanzien van de bescherming van de archeologische waarden die in het plangebied aanwezig zijn.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden

aangetroffen moet hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl.’.

38

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

3 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1

1. De mogelijkheden uit de beheersverordening zijn niet overgenomen. Indiener merkt op dat een aantal mogelijkheden die op basis van het oude bestemmingsplan waren toegestaan op zijn perceel op basis van het nieuwe bestemmingsplan niet meer mogelijk zijn. Dit zijn: Fietsverhuur- en fietsreparatiebedrijf; Fietsenzaak; Assemblage en montage van fietsen; Opslag van fietsen met bijbehorend kantoor en Verhuur van kano's, boten, sups en sportartikelen.

Reactie In de beheersverordening De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen ligt op dit perceel het besluitsubvlak ‘MM’. Dit besluitsubvlak staat wonen, parkeervoorzieningen, water en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud van fietsen, alsmede voor de verhuur van (water)fietsen, kano’s, roeiboten en sportartikelen toe. Op het perceel ligt in het ontwerp Chw bestemmingsplan Maximapark de functie ‘Bedrijf - Bedrijf tot en met categorie 2’. Hierbij hoort de volgende omschrijving: ‘activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan, zoals bedrijfsactiviteiten in categorie 1 of 2, het aanleggen en gebruiken van tuinen en erven, water, waterberging, verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen’. Uit de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ volgt dat in de categorie 1 en 2 de volgende (voor de casus relevante) activiteit is opgenomen: Verhuurbedrijven voor roerende goederen (niet elders genoemd). Er staat inderdaad niet meer expliciet in dat de genoemde activiteiten uit de beheersverordening zijn toegestaan. Hierom wordt in het bestemmingsplan een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – fietsverhuur en wateractiviteiten’ opgenomen. In de regel wordt expliciet dit gebruik mogelijk gemaakt, tezamen met de ondersteunende horeca zoals die vergund is in de omgevingsvergunning.

Om deze reden is vervolgens wel de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – horeca in de categorie D2’ verwijderd. 2. Indiener verzoekt om de oppervlakte- en inhoudsmaat voor het perceel aan te passen. Indiener merkt op dat de oppervlakte- en inhoudsmaat in het bestemmingsplan die bij het perceel behoren niet overeenkomen met de huidige situatie. In het ontwerpbestemmingsplan staat opgenomen dat het pand maximaal 150 m2 groot mag zijn en maximaal 600 m3 inhoud mag hebben. De huidige bebouwing is echter circa 290 m2 groot en heeft een inhoud van 1000 m3. De indiener verzoekt om de oppervlakte- en inhoudsmaat aan te passen voor het pand.

Reactie Het klopt dat de oppervlakte en inhoudsmaten die in het Chw bestemmingsplan Máximapark bij het perceel van de indiener horen niet overeenkomen met de huidige situatie. Op basis van de beheersverordening ‘De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen’ gold voor het perceel ‘besluitsubvlak – 21’. Hierin waren diverse maatvoeringen geregeld, waaronder een voor het pand geldende inhoud van 600 m³. De 150 m² aan maximale grootte wordt niet genoemd; wellicht wordt door indiener gerefereerd naar de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ van de regels van het bestemmingsplan waarin afgeweken kan worden voor het realiseren van aan- en uitbouwen tot een gezamenlijk oppervlakte van 150 m² zolang het totale bebouwingsoppervlakte van het perceel minder bedraagt dan 25%. Hoewel voor het perceel de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ is opgenomen, blijkt uit de beheersverordening dat deze regels bedoeld waren voor woningen. Zo refereren deze regels in de beheersverordening naar de afstand tussen de perceelsgrens en de voorgevel van de woning. Momenteel staat er geen woning op het perceel. Om deze reden heeft het perceel ook de functie (bestemming) ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ gekregen. Per abuis is deze specifieke bouwaanduiding ook op dit perceel gelegd. Deze wordt dan ook, mede naar aanleiding van deze zienswijze, van het perceel verwijderd.

Dit betekent bijvoorbeeld ook dat de aangegeven maximale

39/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

goothoogte wordt verwijderd. Voor zover de bestaande bebouwing legaal gebouwd was, geldt dat deze in overeenstemming is met het Chw bestemmingsplan Máximapark (zoals wordt benoemd in artikel 22, lid 22.3 van het Chw bestemmingsplan). Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.1 is aangegeven. Dit houdt in dat er een functieaanduiding is toegevoegd aan de Alendorperweg om duidelijk te maken dat bedrijfsmatige reparatie en onderhoud van fietsen en de verhuur van (water)fietsen, kano’s, roeiboten en sportartikelen met ondersteunende horeca (50 m²) toegestaan is. Daarnaast is de ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ met de maximale goothoogte van 6 meter voor dit perceel verwijderd, omdat deze bouwaanduiding niet meer relevant is voor deze gronden.

Zienswijze 2

1. Indiener wil in de toekomst wellicht grondboringen uitvoeren. Indiener wil in de toekomst misschien een warmtepomp installeren waarvoor grondboringen noodzakelijk zijn die dieper gaan dan 40 meter. Dit is op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk. Indiener vraagt zich af of hij daarvoor ontheffing kan krijgen.

Reactie Het klopt dat er zich een boringsvrije zone (artikel 13 van het Chw bestemmingsplan Maximapark) bevindt op het perceel van de indiener. Boringen dieper dan 40 meter zijn, zoals al aangegeven door indiener, dan ook niet toegestaan. De provincie Utrecht kan echter wel toestemming verlenen voor boringen dieper dan 40 meter. Het is dus aan de provincie Utrecht om al dan niet ontheffing te verlenen voor eventuele grondboringen dieper dan 40 meter en niet aan de gemeente Utrecht. Het aanvragen van een ontheffing kan via de website van de provincie Utrecht. 2. Indiener vraagt zich af of er eventueel een tijdelijke mantelzorgwoning geplaatst kan worden. Indiener vraagt zich af of het mogelijk is achter zijn woning een tijdelijke mantelzorgwoning te plaatsen dat geen aan- of bijgebouw is. Op basis van het bestemmingsplan is namelijk alleen een mantelzorgwoning in een aan- of bijgebouw mogelijk en indiener is bang dat dat ten koste gaat van opbergruimte.

Reactie Een tijdelijke mantelzorgwoning hoeft niet persé in een bestaand aan- of bijgebouw gerealiseerd te worden. Een mantelzorgwoning kan ook een nieuwe, tijdelijke unit zijn. Het realiseren van een tijdelijke mantelzorgwoning is in sommige gevallen vergunningsvrij. De regels over mantelzorg en een mantelzorgwoning staan in de artikelen 4.27, 4.28, 6.14 en 6.17 van het omgevingsplan gemeente Utrecht. De regels over het (vergunningvrij) bouwen staan in de artikelen 4.27 en 4.28, de regels over het gebruik staan in artikelen 6.14 en 6.17. In artikel 6.17 wordt bijvoorbeeld benoemd dat een vrijstaand bijhorend bouwwerk tijdelijk als mantelzorgwoning gebruikt mag worden. Het omgevingsplan gemeente Utrecht is te raadplegen via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. De regel waar indiener naar verwijst in het Chw bestemmingsplan Máximapark artikel 25, lid 25.5 bevat een regel waarin geregeld is dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden een tijdelijke vergunning kunnen verlenen voor het vergroten van een bijgebouw voor mantelzorg. Deze regel is bij de vaststelling van het Chw bestemmingsplan Maximapark niet meer van toepassing. De regels in het omgevingsplan gemeente Utrecht over mantelzorg gaan voor op de regels in het Chw bestemmingsplan Maximapark.

Of het vergunningsvrij realiseren van een mantelzorgwoning mogelijk is in het specifieke geval van de indiener hangt af van de situatie. Het is indiener aan te raden de vergunningscheck te doen om te kijken of voor een zodanige mantelzorgwoning een vergunning is vereist. Mochten er op basis van het omgevingsplan geen mogelijkheden zijn voor het realiseren van een mantelzorgwoning is er nog de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit 40

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

aan te vragen voor het bouwen van en het wonen in een mantelzorgwoning. In dat geval wordt er een afweging gemaakt door het college van burgemeester en wethouders. Conclusie Op grond van deze zienswijze worden geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 3

Indiener geeft aan dat hij niet akkoord gaat met de voorgestelde wijzigingen die betrekking hebben op zijn perceel en verzoekt zijn bezwaren mee te nemen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. 1. De agrarische functie wordt in het bestemmingsplan voor het perceel beperkt. Indiener is bezorgd over de impact van het bestemmingsplan op zijn perceel en de agrarische activiteiten die plaatsvinden op het perceel. Het perceel bevat een boomgaard, bewateringssysteem en opstallen. De impact op de agrarische activiteiten ziet op een inperking van de functie (glastuinbouw en fruitteelt worden verboden). Hiermee blijft er volgens indiener weinig ruimte over voor agrarische activiteiten en zal de waarde van het perceel en de opstallen sterk verminderen.

Reactie In de beheersverordening is het besluitsubvlak ‘OO’ op het perceel van indiener opgenomen. Besluitsubvlak ‘OO’ staat agrarische doeleinden, niet zijnde intensieve veeteelt, toe. De regel uit het ontwerpbestemmingsplan is inderdaad beperkter. De reden hiervoor is dat de functieregels in de verschillende Chw bestemmingsplannen dezelfde regels hebben. Voor de functie ‘Agrarisch’ wordt in de regels glastuinbouw en fruitteelt expliciet uitgesloten, omdat deze activiteiten een significante impact hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is echter niet de bedoeling om bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten weg te bestemmen. Daarom nemen we voor het perceel een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – 1’ op de verbeelding op. Voor de gronden binnen deze aanduiding wordt in de regels opgenomen dat glastuinbouw en fruitteelt toegestaan is. 2. Er zouden bestaande gebouwen worden wegbestemd in het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast merkt indiener op dat het bouwvlak op het perceel wordt verkleind waardoor enkele bestaande gebouwen worden wegbestemd en illegaal worden verklaard. Dit leidt volgens indiener tot juridische onzekerheid en tot problemen met betrekking tot het gebruik van het huidige bezit. Indiener is het niet eens met de voorgestelde wijzigingen zoals hierboven toegelicht.

Reactie In het Chw bestemmingsplan Máximapark wordt niet gewerkt met bouwvlakken. Het vlakje dat op het perceel van indiener te zien is betreft een functieaanduiding van een bedrijfswoning en is geen bouwvlak. Bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn mogen blijven bestaan (zoals wordt benoemd in artikel 22, lid 22.3 van het Chw bestemmingsplan) en worden dus niet wegbestemd. Dit is overigens ook in lijn met hoe het in de beheersverordening geregeld is die momenteel ook voor het perceel geldt. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.2Error! Reference source not found. is aangegeven.

Zienswijze 4

De Gasunie merkt in haar zienswijze op dat de gasleiding niet overal correct weergeven is en heeft enkele aanvullingen en opmerkingen op de regels die bij het bestemmingsplan horen. Hieronder wordt puntsgewijs op de ingebrachte punten ingegaan. De verschillende inhoudelijke punten met betrekking tot de regels zijn opgeknipt en apart van een reactie voorzien om deze op een overzichtelijke manier te kunnen beantwoorden.

41/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

1. De ligging van de aardgasleiding klopt niet. De Gasunie merkt op dat in het plangebied twee aardgastransportleidingen liggen die in eigendom van de Gasunie zijn. Volgens de Gasunie is de ligging van de leidingen, inclusief de belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leidingen niet overal correct weergegeven. De Gasunie verzoekt de ligging van de leidingen inclusief belemmeringenstrook correct weer te geven op de verbeelding.

Reactie Naar aanleiding van de zienswijze is contact opgenomen met de Gasunie en hebben wij de meest recente tekeningen ontvangen van de ligging van de gasleiding. De ligging van de gasleiding is op de verbeelding aangepast. 2. Er worden om verschillende aanpassingen/aanscherpingen gevraagd in relatie tot de regels van het bestemmingsplan. Het toevoegen van het woord ‘uitsluitend’ aan artikel 9.2, lid 2 onder b De Gasunie verzoekt aan artikel 9.2, lid 2 onder b na ‘dat’ het woord ‘uitsluitend’ toe te voegen zodat de bestemming Leiding – Gas voorrang heeft op andere bestemmingen en te benadrukken dat de regel om de functie van artikel 9 gaat. Op deze manier wordt bijgedragen aan de bescherming van de gasleiding.

Reactie Uit lid 9.2, onder 1 blijkt dat activiteiten als bouwen en grondwerk verboden zijn. De regel onder 2, onder b benoemt dat het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, enkel mag als dit bouwwerk hoort bij de functie. Het woord ‘uitsluitend’ is hierbij niet noodzakelijk, omdat uit de regel blijkt dat dit bouwwerk enkel toegestaan is als het hoort bij de functie ‘Leiding – Gas’. Daarnaast zorgt de algemene regel van artikel 22, lid 22.1 dat de regels in hoofdstuk 3 buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie, met uitzondering van de regel in artikel 23, lid 23.2, die altijd van toepassing is. Daarmee wordt al een voorrangsbepaling aan de functieregels gegeven. Om deze reden hebben wij de regel niet aangepast. Een verbod op het wijzigen van bestaande gebouwen als dit leidt tot het toelaten van een kwetsbaar object. De Gasunie verzoekt om in het plan op te nemen dat het verboden is om het gebruik van bestaande gebouwen te wijzigen als die wijziging tot gevolg heeft dat een kwetsbaar object wordt toegelaten. Hiermee moet voorkomen worden dat er kwetsbare objecten binnen de belemmeringenstrook worden toegelaten. Indiener geeft aan dat hiermee wordt voldaan aan artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het opnemen van een dergelijke bepaling in artikel 28 is een andere optie.

Reactie Er zijn momenteel geen gebouwen gelegen binnen de belemmeringenstrook van de gasleiding. Wel zien we belang om in navolging van artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen een dergelijke bepaling op te nemen, ook gelet op de instructieregel in artikel 5.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het opnemen van de bepaling in artikel 28 is niet wenselijk; dit is een algemene regel die hetzelfde is in alle Chw bestemmingsplannen en de werking van de algemene regels die in de Chw bestemmingsplannen zijn vervangen door de algemene regels in ons omgevingsplan. Om deze reden hebben we aan artikel 9 een lid toegevoegd (lid 9.3), met de volgende tekst: Het is verboden om het gebruik van bestaande gebouwen te veranderen naar kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding, en zeer kwetsbare gebouwen. In de toelichting van het bestemmingsplan is in paragraaf 2.2.2 onder het kopje ‘Artikel 9 Leiding – Gas’ aangevuld dat bestaande gebouwen niet mogen worden gewijzigd naar kwetsbare gebouwen

42

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

(tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding) of zeer kwetsbare gebouwen met een uitleg waarom. Het verduidelijken van het vergunningsvrij bouwen en de relatie hiermee tot buisleidingen. De Gasunie verzoekt in artikel 24.1 te verduidelijken op welke wettelijke regeling wordt gedoeld. Daarnaast wordt verzocht om artikel 24 zo in te steken dat duidelijk blijkt dat de uitzondering van de vergunningplicht uit het Bor in bepaalde gevallen niet geldt voor buisleidingen (artikel 5, lid 3, van Bijlage II Bor).

Reactie De wettelijke regeling (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2 en artikel 3 van het Besluit omgevingsrecht) die vergunningsvrij bouwen mogelijk maakte en waarop gedoeld wordt in artikel 24, lid 24.1 (zoals ook in de artikelsgewijze toelichting staat) is vervallen. Artikel 24, lid 24.1 staat in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan, wat behoort tot de algemene regels van de gemeente Utrecht. Deze algemene regels staan hetzelfde in alle Chw bestemmingsplannen en worden niet gewijzigd. Tot de inwerkingtreding van de eerste wijziging van het omgevingsplan Utrecht gelden de bruidsschatregels voor vergunningsvrij bouwen. In de eerste wijziging van het omgevingsplan Utrecht wordt in artikel 12.3 de afstemming geregeld met de regels die met toepassing van de Crisis- en herstelwet zijn vastgesteld. Daarin wordt ook een relatie gelegd met de algemene regels die in hoofdstuk 3 tot en met 7 van de Chw bestemmingsplannen staan. Tot de inwerkingtreding van de eerste wijziging van het omgevingsplan geldt daarnaast de bruidsschat in haar geheel. In de bruidsschat is momenteel artikel 5, lid 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht overgeheveld naar artikel 22.39. Dit heeft betrekking op het vergunningsvrij bouwen en het gebruiken en in stand houden en de inperking van een bijhorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan.

In de eerste wijziging van het omgevingsplan is dit artikel behouden en overgeheveld naar artikel 4.27, lid 2 onder g en h. Daarmee blijft de bescherming gewaarborgd. De ligging van buisleidingen in de openbare ruimte en de gevolgen voor buisleidingen die hierbinnen zijn gelegen. De Gasunie verzoekt te verduidelijken wat wordt verstaan onder openbare ruimte en verzoekt ook in de regels van het plan op te nemen dat bouwen zonder vergunning in de openbare ruimte de veilige ligging van de leiding niet mag schaden (artikel 24.4). Verder wordt aangegeven dat het in de huidige opzet niet duidelijk is hoe gewaarborgd wordt dat het bouwen niet in strijd mag zijn met de beschermende regels voor leidingen.

Reactie Uit de artikelsgewijze toelichting in paragraaf 2.2.2 blijkt dat locaties met de functie (bestemming) Groen, Water Verkeer – Verblijfsgebied of een andere bijzondere verkeersfunctie heeft behoren tot de openbare ruimte. In artikel 24, lid 24.4 wordt benoemd dat de toegewezen functies (en daarmee ook de functie Leiding – Gas) zich niet mogen verzetten tegen het bouwen van de genoemde voorzieningen. Daarnaast regelt artikel 22, lid 22.1 dat de regels in hoofdstuk 3 buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie. In het geval van de functie ‘Leiding – Gas’ blijkt dat, behoudens enkele voorwaarden, de activiteit bouwen en grondwerk verboden is. Daarnaast is de gemeente in het algemeen de enige partij die in de openbare ruimte iets bouwt. Met de ligging van de gasleiding weergegeven op de verbeelding en de aan de functie ‘Leiding – Gas’ verbonden regels, de regels in artikel 22, lid 22.1 en artikel 24, lid 24.4 en het feit dat de gemeente de openbare ruimte in bezit heeft, is de veilige ligging van de gasleiding gewaarborgd. De algemene regels van artikel 25.1 (‘overige zone – omgevingskwaliteit’) en artikel 25.6 (‘Bouwen op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is’) in relatie tot de gasleiding

43/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

De Gasunie vraagt zich af of artikel 25.1 ook geldt voor gronden bestemd voor Leiding – Gas. Indien dit niet het geval is verzoekt indiener duidelijk te maken dat artikel 25.1 niet van toepassing is op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is (artikel 25.6).

Reactie Artikel 25, lid 25.1 (Bouwen op locatie in de 'overige zone - omgevingskwaliteit') staat in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan. In de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven dat in hoofdstuk 3, 4, 5 en 6 algemene regels staan die in alle Chw bestemmingsplannen genoemd worden. De regels in artikel 25, lid 25.1 zijn opgenomen omdat in het bestemmingsplan enkele gronden aangeduid zijn met de aanduiding 'overige zone - omgevingskwaliteit'. In het ontwerpbestemmingsplan geldt voor het gehele Máximapark deze aanduiding. Dit is foutief. Deze aanduiding geldt voor gronden waarover Het Lint gelegen is en voor enkele panden aan de Alendorperweg. De gasleiding loopt op sommige plaatsen onder Het Lint door, en daarvoor geldt dus ook de regels genoemd in lid 25.1. De regels over omgevingskwaliteit bestaan naast de andere algemene regels die genoemd staan in de verschillende hoofstukken. Dit geldt ook zo voor lid 25.6 (‘Bouwen op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is’). Het is daarom niet nodig om lid 25.1 aan te passen.

Een uitzondering in de algemene regels van artikel 25 (‘Bouwen met vergunning’) behoudens 25.6 voor locaties waar bouwen verboden volgens artikel 9 ‘Leiding – Gas’ Wat betreft artikelen 25.1, 25.2, 25.3, 25.4 en 25.5 verzoekt de Gasunie dat hier een algemene uitzondering wordt opgenomen voor locaties waar bouwen verboden is conform artikel 9 Leiding - Gas. Een andere manier is om een algemene bepaling op te nemen die aangeeft waar mag worden afgeweken van het verbod op bouwen, zoals bedoeld in artikel 9. De volgende vereisten zijn hierbij volgens indiener van belang: de veilige ligging mag niet worden geschaad, er mogen geen kwetsbare objecten worden toegelaten en er dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Reactie Deze uitzondering is niet noodzakelijk. Artikel 22, lid 22.1 ('Werking van de regels in dit hoofdstuk') regelt dat de regels in dit hoofdstuk buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie, met uitzondering van de regel in artikel 23, lid 23.2, die altijd van toepassing is. Aangezien in lid 9.2, onder 1 de activiteiten bouwen en grondwerk worden verboden, gaan deze regels voor zover deze niet te verenigen zijn met de algemene regels in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan. Het advies van de beheerder wordt betrokken bij het besluit over de te beschermen functie bij een vergunningsaanvraag. Dit is geregeld in lid 25.6, onder 3 van het Chw bestemmingsplan. Met betrekking tot het toelaten van kwetsbare objecten verwijzen wij naar het antwoord onder het kopje ‘een verbod op het wijzigen van bestaande gebouwen als dit leidt tot het toelaten van een kwetsbaar object’. In de algemene regel staan bewoordingen die niet overeenkomen met de oude wetgeving Volgens de Gasunie komt tot slot de bewoording uit 25.6, lid 2 niet overeen met wetgeving die gold voor 1 januari 2024. Volgens indiener zou moeten worden gesproken van een kwetsbaar object in plaats van een zeer kwetsbaar object.

Reactie De algemene regels in de Chw bestemmingsplannen zijn gebaseerd op de termen uit en systematiek van de Omgevingswet. Dit volgt uit de artikelsgewijze toelichting waar bij de behandeling van lid 25.6 zowel verwezen wordt naar het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het is correct dat voor 1 januari 2024 de term 'zeer kwetsbaar object' niet voorkwam binnen de wetgeving. Onder 2 wordt zowel een kwetsbaar als zeer kwetsbaar object genoemd. Dit is eigenlijk ook foutief, gezien in de Omgevingswet wordt gesproken over een kwetsbaar als zeer kwetsbaar gebouw. Aangezien het noemen van een zeer kwetsbaar object in het artikel geen nadelige gevolgen heeft en wel in lijn is met de termen uit de Omgevingswet – wat de 44

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

bedoeling is van het instrument Chw bestemmingsplan – is lid 25.6 niet aangepast. Hierbij nemen we ook mee dat deze algemene regel vervangen is door de algemene regels uit ons omgevingsplan. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de verbeelding aangepast om de juiste ligging van de gasleiding te weergeven binnen het Chw bestemmingsplan Máximapark. Daarnaast wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.5 van het vaststellingsrapport is aangegeven. Dit houdt een toevoeging in van lid 9.3 om het gebruik van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen binnen de belemmeringenstrook van de gasleiding niet toe te laten staan en een onderbouwing hiervan op te nemen in de artikelsgewijze toelichting.

Zienswijze 5

Indiener benoemt in haar zienswijze dat haar woning, dat in het ontwerpbestemmingsplan een agrarische functie is toebedeeld, een woonbestemming gegeven moet worden. Daarnaast wordt in de zienswijze gevraagd om voor bestaande bebouwing de waarden voor trillingshinder te laten voldoen aan de streefwaarden voor nieuwbouw en wordt gevraagd waarom er geen aanduiding 'overige zone – trillingshinder spoor' is opgenomen voor het veld bij de Hindersteinlaan. Hieronder wordt puntsgewijs op de voortgebrachte punten ingegaan: 1. Er is een agrarische functie toebedeeld aan de burgerwoning Indiener merkt op dat de woning buiten de aanduiding (zijnde 'bedrijfswoning') valt en het perceel een bestemming 'Agrarisch' heeft. Indiener verzoekt hier een woonbestemming van te maken. Indiener voert aan dat de woning in het verleden bouwkundig en kadastraal gesplitst is en in ieder geval sinds 1973 in gebruik is als burgerwoning zonder dat er op het perceel agrarische bedrijvigheid plaatsvindt. Volgens indiener is het bestaande gebruik als burgerwoning zonder agrarische verbintenis in de ‘partiele herziening van de voorschriften van het Landelijk Gebied’ (vastgesteld op 26 mei 1981) gevalideerd. Volgens indiener is met de herziening het bestaand gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, die met de in het plan aangewezen bestemming in strijd zou zijn, gelegaliseerd.

Volgens indiener blijkt dit uit de overgangsrechtbepalingen in artikel 30 onder 2.A van het voorgenoemde plan. Hierin staat: ‘Het op dit tijdstip van rechtskracht

verkrijgen van het plan bestaand gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, mag worden voortgezet'. Vanwege de

overgangsrechtbepaling en het gebruik van het gedeelte van het pand als burgerwoning sinds 1973 zonder agrarische bedrijvigheid wordt gevraagd om een woonfunctie.

Reactie Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBMNE:2020:2743) blijkt dat het gebruik op de peildatum in overeenstemming moet zijn met de bestemming die in het vorige bestemmingsplan aan de strook grond is gegeven, of met het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan om te kunnen vallen onder het overgangsrecht. De bepaling in de herziening stond de voortzetting van het met de bestemming zijnde strijdig gebruik toe. In het daaropvolgende bestemmingsplan Leidsche Rijn Park (2008) en de beheersverordening De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen (2016) is een soortgelijke overgangsbepaling voor het gebruik opgenomen, met de voorwaarde dat wanneer het gebruik wordt onderbroken voor langer dan één jaar, het verboden is om het strijdig gebruik daarna te hervatten. Uit archiefonderzoek is gebleken dat in 1968 een woonvergunning in het kader van de Woonruimtewet 1947 verleend is voor het pand. Dit impliceert een legale splitsing van de bedrijfswoning in die tijd. De indiener heeft contact opgenomen met de gemeente en verschillende stukken geleverd om aan te tonen dat er sinds 1973 continu gewoond is en het pand in gebruik is genomen als burgerwoning. Wij hebben deze stukken gecontroleerd en ook intern onderzoek gevoerd. Uit onze beschikbare gegevens blijkt dat er inderdaad sinds de inwerkingtreding van de partiele herziening uit 1981 continu gewoond is in het pand.

Daarnaast is vastgesteld dat de gronden geschikt zijn voor de functie 'Wonen'. Vanwege de overgangsrechtsbepalingen, het feit dat de woning sinds 1981 continu in gebruik is geweest als burgerwoning en dat de legalisatie van de

45/47

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

burgerwoning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kunnen wij instemmen met de toekenning van de functie 'Wonen' aan het perceel. 2. Er wordt om maatregelen gevraagd ten aanzien van de aanduiding 'overige zone – trillingshinder spoor' Indiener merkt op dat zijn woning in de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ ligt waar nieuwe gebouwen ten behoeve van wonen moeten voldoen aan een streefwaarde met betrekking tot trillingen. De gemeente wordt verzocht om voor bestaande gebouwen die in de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ liggen te identificeren wat de bijbehorende waarden zijn en om deze waarden, eventueel in samenspraak met andere stakeholders, zo dicht mogelijk naar de streefwaarde voor nieuwe gebouwen te brengen. Daarnaast is volgens indiener het veld bij de Hindersteinlaan, waar een nieuwe middelbare school wordt beoogd, uitgesloten van de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ en is het perceel ook in zijn geheel niet meegenomen in het Chw bestemmingsplan Máximapark. Indiener vraagt zich af waarom dit zo is en vraagt zich af of de regels in relatie tot trillingen dan niet gelden voor dit gebied en de mensen die daar gaan wonen en de kinderen die daar naar school gaan. Indiener verzoekt om een onderbouwing van deze keuze.

Reactie Er zijn voor bestaande woningen geen normen voor trillingen die worden veroorzaakt door treinverkeer over het spoor bij bestaande woningen. Hierdoor is er geen verplichting voor de gemeente om aan de vraag van de indiener te voldoen. Voor het veld bij de Hindersteinlaan geldt dat dit gebied niet opgenomen is binnen het Chw bestemmingsplan Máximapark. Er is namelijk recent voor dit veld een bestemmingsplan vastgesteld op 20 februari 2020, namelijk het bestemmingsplan ‘Hindersteinlaan, Het Lint, Maximapark’. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk. De vraag van de indiener valt hiermee buiten het bereik van het Chw bestemmingsplan Máximapark, aangezien het veld geen deel uitmaakt van het plangebied. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.3 is aangegeven.

Zienswijze 6

1. Er is momenteel sprake van bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 op het perceel met de functie ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ Indiener geeft aan het niet eens te zijn met de wijziging van de functie ‘Bedrijf – Categorie 3’ naar ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ op het perceel waar indiener gebruik van maakt. Indiener geeft aan dat, zolang zijn bedrijf op het perceel gevestigd blijft, er sprake is van bedrijvigheid die onder milieucategorie 3 valt. Volgens indiener moet dat gehandhaafd blijven.

Reactie Op basis van de beheersverordening geldt er voor het perceel van de indiener besluitsubvlak ‘TT’. Dit maakt de volgende aanvullende gebruiksmogelijkheden mogelijk: - Bedrijven die vallen in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten met de daarbij behorende kantoorruimte, bouwwerken en andere werken, zoals parkeervoorzieningen; - Water; - Een fruitkoelbedrijf. Het Chw bestemmingsplan Máximapark regelt dat het fruitkoelbedrijf expliciet toegestaan is. Dit is geregeld met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – fruitkoelbedrijf’. Er zijn daarnaast bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan, maar dit was onder de beheersverordening ook zo. De bestaande rechten zoals deze blijken uit de beheersverordening zijn direct vertaald naar het Chw bestemmingsplan Máximapark. Door het opnemen van de functieaanduiding binnen de functie 46

Datum Rapport

juli 2025 Vaststellingsrapport

‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ kan het fruitkoelbedrijf de activiteiten voortzetten. Hiervoor is het niet nodig om een hogere milieucategorie toe te staan; door dit op te nemen zouden alle bedrijven die behoren bij de hogere milieucategorie zich kunnen vestigen op het perceel, wat een onwenselijke verruiming zou zijn. Om toch duidelijk aan te geven dat het fruitkoelbedrijf van milieucategorie 3.1 is toegestaan is dat toegevoegd aan de regel. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.4 is aangegeven.

47/47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=f7c9ef8b-0c2d-4b82-8f1e-a643158a9466