CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport bestemmingsplan 't Zand 46 e.o. Hoge Woerd.docx

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 10 februari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 't Zand 46a e.o. Hoge Woerd8.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Vaststellingsrapport

Bestemmingsplan ’t Zand 46a e.o. Hoge Woerd

februari 2022

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Inhoud vaststellingsrapport 1

INLEIDING ...........................................................................................................................................3 1.1 BESTEMMINGSPLAN ’T ZAND 46A E.O. HOGE WOERD .....................................................................................3 1.2 DE OPBOUW VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT ...............................................................................................3 1.3 DE VASTSTELLINGSPROCEDURE ....................................................................................................................3 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen ...................................................................................3 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan ........................................................................................3 1.3.3 Procedure voor de vaststelling......................................................................................................3 1.3.4 Belangrijkste wettelijke bepalingen..............................................................................................4

2

SAMENVATTING..................................................................................................................................5 2.1 PROCEDUREEL ..........................................................................................................................................5 2.2 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP .............................................................................................5 2.2.1 Ambtshalve wijziging van de juridische regeling ..........................................................................5 2.2.2 Ambtshalve wijziging van de toelichting ......................................................................................6

2

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

1 Inleiding 1.1 Bestemmingsplan ’t Zand 46a e.o. Hoge Woerd Plangebied Het plangebied ‘'t Zand 46a e.o. Hoge woerd’ omvat een voormalig loon- en grondwerkbedrijf dat bestaat uit de bestaande opstallen en een stuk braakliggend terrein aan de noordzijde. Het plangebied is begrensd door een woning en een parkeerplaats aan de noordzijde, een boomgaard aan de oostzijde, woningen en de Groenedijk aan de zuidzijde en woningen en 't Zand aan de westzijde. Het plangebied ligt in het Máximapark: het centrale park dat Leidsche Rijn, De Meern en Vleuten met elkaar verbindt. Doel Het doel van het bestemmingsplan is de nieuwe ontwikkelingen op het perceel 't Zand 46a planologisch-juridisch mogelijk te maken. Daarbij worden de woningbouwmogelijkheden verruimd tot 4 woningen en wordt een woonzorggebouw met 30 woonzorgeenheden mogelijk gemaakt.

1.2 De opbouw van het vaststellingsrapport

In hoofdstuk 2 wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van dit rapport. In paragraaf 2.3 zijn de wijzigingen opgesomd, die naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve zijn gemaakt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de juridische regeling, die is vastgelegd in de regels met de bijbehorende verbeelding, en de onderbouwing van de juridische regeling, die in de toelichting bij het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij wordt gegeven. Dat onderscheid is nodig, omdat belanghebbenden die geen zienswijze hebben ingediend beroep mogen instellen tegen wijzigingen van de juridische regeling. Tegen een wijziging van de onderbouwing kan in beginsel geen beroep ingesteld worden. Omdat er over het ontwerp bestemmingsplan geen zienswijzen zijn ingediend, zijn in hoofdstuk 2 alleen ambtshalve wijzigingen opgenomen. Het verbeteren van kennelijke fouten, van de redactie of van interpunctie wordt niet vermeld.

1.3 De vaststellingsprocedure 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 5 november tot en met donderdag 16 december 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen over het ontwerp aangeboden worden aan de gemeenteraad. 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan Er zijn geen zienswijzen ingediend. 1.3.3 Procedure voor de vaststelling Het college van burgemeester en wethouders bereidt de vaststelling van het bestemmingsplan voor. De voorbereiding bestaat uit de beoordeling of het ontwerpbestemmingsplan nog aangepast moet worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van de zienswijzen. Vervolgens stelt het college de gemeenteraad voor het bestemmingsplan, zo nodig met wijzigingen ten opzichte van het ontwerp, vast te stellen. De gemeenteraad kan de indieners van zienswijzen in de gelegenheid stellen om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten. Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan betrokken zijn.

3/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Voordat de voltallige gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, wordt het voorstel van het college besproken in de raadscommissie Ruimtelijke ontwikkeling, Grondzaken en Vastgoed. In de commissie vindt een politieke discussie plaats. De verantwoordelijke wethouder is daarbij aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de mening van de leden van de raadscommissie. De raadscommissie bepaalt of een nadere bespreking in de gemeenteraad nog nodig is of dat het bestemmingsplan als hamerstuk geagendeerd kan worden. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet als hamerstuk, vast. 1.3.4 Belangrijkste wettelijke bepalingen De vaststellingsprocedure is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel verwijst weer naar Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde uniforme, openbare voorbereidingsprocedure. Op grond van artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht moeten zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken worden ingediend. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bij verzending per post een zienswijze op tijd ingediend, als hij voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de zienswijze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

2 Samenvatting 2.1 Procedureel

Er zijn geen zienswijzen ingediend. Na vaststelling van het bestemmingsplan worden gedeputeerde staten van de provincie Utrecht op grond van artikel 3.8 lid 4 Wet ruimtelijke ordening in de gelegenheid gesteld om op de wijzigingen te reageren.

2.2 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp

Hieronder worden eerst wijzigingen van de juridische regeling, dat wil zeggen wijzigingen in de regels of wijzigingen van de verbeelding, opgesomd. Vervolgens worden de wijzigingen in de toelichting en de bijlagen daarbij, weergegeven. 2.2.1 Ambtshalve wijziging van de juridische regeling De juridische regeling moet op de volgende punten aangepast worden: • In de begrippenlijst moet het begrip additionele horeca worden opgenomen en in de algemene gebruiksregels moeten voorwaarden worden opgenomen, waaronder additionele horeca is toegestaan. Dit is noodzakelijk om te kunnen handhaven op een juist gebruik binnen de bestemming. Tot nu toe ontbraken deze definitie en voorwaarden van additionele horeca in de regels en was alleen in de (niet bindende) juridische plantoelichting aangegeven, wat en wanneer is toegestaan onder additionele horeca op basis van het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht. • In de bestemmingsomschrijving onder de maatschappelijke bestemming moet – naast nutsvoorzieningen- ook de mogelijkheid van een warmtepompunit opgenomen worden. Een warmtepompunit valt niet onder nutsvoorzieningen en moet gerealiseerd kunnen worden, wanneer het niet mogelijk is om deze in het woonzorggebouw zelf te realiseren.

• Wijziging artikel 8.3 voorwaardelijke verplichting over parkeren: In dit artikel is de verwijzing naar de oude Parkeernota Stallen en Parkeren 2013 verwijderd en is gekozen voor een algemene formulering met een verwijzing naar de geldende beleidsregels. 2.2.1.1 Aanpassing artikel 1 begrippen In artikel 1 ‘Begrippen’ wordt het begrip ‘additionele horeca’ toegevoegd: 1.1 Additionele horeca: Horeca-activiteiten, die passend, aanvullend en ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie die ter plaatse is toegestaan. 2.2.1.2 Aanpassing artikel 3.1 Maatschappelijk bestemmingsomschrijving In artikel 3 lid 1 sub b wordt de tekst van het ontwerp: ‘additionele horeca’ vervangen door de volgende tekst: ‘additionele horeca, waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarden uit artikel 9.1’. In artikel 3 lid 1 sub c wordt in de bestaande tekst, achter de tekst ‘nutsvoorzieningen’ de tekst ‘een warmtepompunit’ toegevoegd. 2.2.1.3 Aanpassing artikel 9 (algemene gebruiksregels) In artikel 9 wordt een nieuw lid toegevoegd: Artikel 9.1 Additionele horeca Additionele horeca is als ondergeschikte activiteit toegestaan, onder de volgende voorwaarden: 1.

de additionele horeca vindt plaats in een gebouw dat in hoofdzaak wordt gebruikt voor een van de volgende activiteiten: zelfstandige kantoren, bedrijven, maatschappelijke diensten, culturele en sociaal-culturele activiteiten, sport en recreatie;

5/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2.

het deel van het gebouw voor de additionele horeca is alleen open tijdens de openingstijden

van de genoemde hoofdactiviteit en staat alleen ten dienste van de hoofdactiviteit; verhuur of het anderszins in gebruik geven van deze ruimte aan derden voor feesten of andere

3.

4. 5.

bijeenkomsten is niet toegestaan;

bij een gebouw met een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.200m2 is het deel voor

additionele horeca niet groter dan 30% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 300m2;

bij een gebouw met een bruto vloeroppervlak van 1.200m2 of groter is het deel voor additionele horeca niet groter dan 25% van het bruto vloeroppervlak;

de additionele horecaruimte is alleen bereikbaar via de ingang van het gebouw met de hoofdactiviteit.

2.2.1.4 Aanpassing artikel 8 lid 3 en artikelsgewijze toelichting In artikel 8 lid 3 en in de artikelsgewijze toelichting hierop, wordt de tekst van het ontwerp als volgt aangepast:

Oude versie

8.3 Voorwaardelijke verplichting over parkeren 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, staat vast dat voldoende

parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de Nota Parkeernormen Fiets en Auto, die als bijlage 1 bij de Parkeernota Stallen en Parkeren 2013 hoort, wordt gerealiseerd.

2. Als de onder regel 1 bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden. Artikelsgewijze toelichting artikel 8 lid 3 Deze planregel volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 9 september 2015 (201410585/1) over bestemmingsplan "KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.". Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro maakt het mogelijk dat een

bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van

beleidsregels. Artikel 8.3 lid 1 van de planregels regelt dat bij een omgevingsvergunning voor het

bouwen de parkeergelegenheid voor auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid (ten tijde van het opstellen van deze toelichting: de Nota Stallen en Parkeren 2013).

Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen.

Voor dit plangebied is in paragraaf 4.2 uitgelegd dat voor het realiseren van parkeerplaatsen maatwerkafspraken kunnen worden gemaakt. De onderbouwing van deze maatwerkafspraak

voldoet aan de eisen uit paragraaf 5.2.2 'Minder dan de minimumnorm' uit de Parkeernota Stallen en Parkeren 2013.

Als gedurende de geldigheid van dit bestemmingsplan het parkeerbeleid wordt gewijzigd, geldt als uitgangspunt dat een aanvraag om omgevingsvergunning aan het op dat moment geldende

parkeerbeleid wordt getoetst. Daarom bevat artikel 8.3, tweede lid, een regel die bij gewijzigd beleid een afweging over de bij de aanvraag horende parkeereis, zodat gemotiveerd wordt in

hoeverre het nieuwe beleid wordt toegepast. Recent is de Nota Stallen en Parkeren gewijzigde via het op 28 maart 2019 vastgestelde addendum Nota parkeernormen fiets en auto.

Nieuwe versie

8.3 Voorwaardelijke verplichting over parkeren

6

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

1. Een vergunning voor het bouwen wordt alleen verleend, als vaststaat dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.

2. De regel onder 1 is niet van toepassing op het bouwen van bijbehorende bouwwerken, 3.

dakopbouwen of dakterrassen.

Aan de hand van beleidsregels waarin de normen voor parkeergelegenheid zijn

opgenomen, stellen burgemeester en wethouders vast of aan de regel onder 1 wordt voldaan.

Artikelsgewijze toelichting artikel 8 lid 3

Deze planregel volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State

d.d. 9 september 2015 (201410585/1) over bestemmingsplan "KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.".

Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.

Artikel 8.3 regelt dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen de parkeergelegenheid voor

auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid. Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het

bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen conform de beleidsregels die op de ontwikkeling van toepassing

zijn. Voor de onderhavige ontwikkeling is dat de Parkeernota Stallen en Parkeren uit 2013 en het

addendum Nota parkeernormen fiets en auto van 2019. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is uitgelegd dat voor het realiseren van (fiets) parkeerplaatsen maatwerkafspraken kunnen worden

gemaakt. De onderbouwing van deze maatwerkafspraak voldoet aan de eisen uit paragraaf 5.2.2 'Minder dan de minimumnorm' uit de Parkeernota Stallen en Parkeren 2013. 2.2.2

Ambtshalve wijziging van de toelichting

2.2.2.1

Aanpassing paragraaf 2.2.1 ‘Provinciale omgevingsverordening en Interim Omgevingsverordening. In deze paragraaf is de zin over de inwerkingtreding van de omgevingsverordening aangepast. De tekst luidt nu als volgt: ‘De Omgevingsverordening heeft van 1 juni 2021 tot en met 12 juli 2021 ter inzage gelegen en zal naar verwachting in maart 2022 vastgesteld worden. De Omgevingsverordening treedt op 1 juli 2022 tegelijk met de Omgevingswet in werking.’ 2.2.2.2 Aanpassing paragraaf 2.3.2.2.6 ‘verkeer en mobiliteit’ van de toelichting De tekst van het ontwerp ‘verkeer en mobiliteit’ is als volgt aangepast:

Oude versie:

Nota Stallen en Parkeren (2013) en Addendum Nota parkeernormen fiets en auto

De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Met de

uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de

gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op

straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's. De gemeente stimuleert auto's om langs de

rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en

andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd.

Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te

verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van

7/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De

parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.

Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad het addendum Nota parkeernormen fiets en auto

vastgesteld. Het addendum bevat een aantal algemene wijzigingen en wijzigingen voor bepaalde

gebieden, de maatwerklocaties. De algemene wijzigingen hebben betrekking op de parkeernorm voor sociale- en middenhuurwoningen en juridische en technische wijzigingen.

Plangebied

Het plangebied ligt niet in een maatwerkgebied. In de algemene bouwregels van dit

bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen over parkeren. In paragraaf 4.2 wordt verder ingegaan op het aspect verkeer en parkeren in het plangebied.

Nieuwe versie

Nota Stallen en Parkeren (2013) en Addendum Nota parkeernormen fiets en auto (2019)

Parkeervisie Fiets- en autoparkeren in een groeiend Utrecht (vastgesteld 25 november 2021) De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Met de

uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de

gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op

straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's. De gemeente stimuleert auto's om langs de

rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en

andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd.

Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te

verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De

parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.

Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad het addendum Nota parkeernormen fiets en auto

vastgesteld. Het addendum bevat een aantal algemene wijzigingen en wijzigingen voor bepaalde

gebieden, de maatwerklocaties. De algemene wijzigingen hebben betrekking op de parkeernorm voor sociale- en middenhuurwoningen en juridische en technische wijzigingen.

Nieuwe parkeervisie

De gemeenteraad heeft op 25 november 2021 de 'Parkeervisie Fiets- en autoparkeren in een

groeiend Utrecht' vastgesteld. In de parkeervisie wordt een viertal doelen gesteld, ten behoeve van een gezonde, leefbare en bereikbare stad, die verkeersveilig is en waar de luchtkwaliteit goed is. Deze doelen zijn: 1.

Bereikbaarheid van en binnen de stad;

3.

Stimuleren duurzame(re) vormen van mobiliteit;

2. 4.

Kwaliteitsslag openbare ruimte;

Rechtvaardige verdeling van schaarse parkeerruimte.

De gemeente zet in op groei binnen de bestaande stad. Daardoor groeit ook de mobiliteit in de stad. Om leefbaarheid en bereikbaarheid te waarborgen wil de gemeente het fietsgebruik

stimuleren en het gebruik van de auto niet verder laten toenemen. Om dit te kunnen bereiken is een gebiedsoverstijgende aanpak en stadsbrede sturing op parkeren nodig en moet gekeken worden 8

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

naar een (her)verdeling en verspreiding van de bestaande parkeercapaciteit over de gehele stad. Dit is nieuw in de gemeentelijke aanpak omdat tot nu toe met name buurtgericht, wijkgericht of ontwikkelingsgericht werd gekeken.

De nieuwe parkeervisie gaat in op de maatregelen die nodig zijn in de verschillende buurten in

Utrecht, en geeft aan wat nodig is om de stad bereikbaar te houden, fietsen te stimuleren en het

autoverkeer, ondanks de groei van de stad, niet verder te laten toenemen. De parkeervisie is verder

uitgewerkt In zes modules. De module parkeernormen is uitgewerkt in beleidsregels parkeernormen Fiets en Auto.

Plangebied

Voor de planontwikkeling aan het Zand 46a e.o. – Hoge Woerd gelden de parkeernormen uit de oude parkeernota en het addendum ‘Nota parkeernormen fiets en auto’ uit 2019 omdat de

bouwenvelop voor deze ontwikkeling ruim voor de besluitvorming over de nieuwe parkeervisie en beleidsregels is vastgesteld. Het plangebied ligt niet in een maatwerkgebied. In de algemene

bouwregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen over parkeren. In paragraaf 4.2 wordt verder ingegaan op het aspect verkeer en parkeren in het plangebied.

2.2.2.3

Aanpassing paragraaf 2.3.2.2.7 ‘Gezond stedelijk leven - Volksgezondheidsbeleid Utrecht 2019-2023’ van de toelichting.

In paragraaf 2.3.2.2.7 ‘Gezond stedelijk leven - Volksgezondheidsbeleid Utrecht 2019-2023’ zijn tekstuele wijzigingen en wijzigingen in de volgorde van de tekst aangebracht. 2.2.2.4 Aanpassing paragraaf 4.2 Verkeer en openbare ruimte De tekst van het ontwerp in paragraaf 4.2 Verkeer en openbare ruimte is aangepast in verband met de vaststelling van de nieuwe parkeervisie 'Parkeervisie Fiets- en autoparkeren in een groeiend Utrecht' (vastgesteld 25 november 2021). Op deze ontwikkeling is de nieuwe parkeervisie nog niet van toepassing maar gelden nog de oude parkeernormen uit de parkeernota 2013 en het Addendum Nota parkeernormen fiets en auto (2019). Dit is opgenomen in de tekst.

Oude versie

4.2 Verkeer en openbare ruimte

In deze paragraaf wordt de nieuwe verkeer- en parkeersituatie beschreven. Verkeer

Het initiatief voorziet in de realisatie van 4 woningen en een woonzorggebouw met 30

wooneenheden en twee logeerverblijven. Voor de bepaling van het aantal verkeersbewegingen is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Op basis van deze publicatie is er rekening gehouden met 8 verkeersbewegingen per etmaal per woning, en voor het

woonzorggebouw is er rekening gehouden met 2,7 verkeersbewegingen per wooneenheid. Al met al komt dit neer op een totaal van 113 verkeersbewegingen per etmaal. De ontsluitingswegen en de omliggende wegen kunnen deze extra verkeersdruk goed verwerken.

De woningen worden aan 't Zand gerealiseerd en worden ook direct via deze weg ontsloten.

De woonzorginstelling wordt voor het autoverkeer ook via 't Zand ontsloten. De Burgemeester Middelweerdbaan en de Langerakbaan zijn de belangrijkste gebiedsontsluitingswegen in het gebied.

Het woonzorggebouw moet goed met de auto bereikbaar zijn. Tegelijkertijd heeft de auto een

ondergeschikte plek in de structuur binnen een park (Maximapark). De ontsluiting voor auto’s vindt daarom alleen via het 't Zand plaats en de auto's worden zo snel mogelijk naar hun bestemming

geleid. Uitgangspunt is een autoluwe (woon)omgeving met ruimte voor groen en verblijf. In de deze

9/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

woonomgeving geldt een 30 km/uur regime gelden. Bij de nieuwe ontsluiting naar het

woonzorggebouw is een normale twee richtingsstraat gewenst die aansluit op de omliggende straten in de wijk. Qua uitstraling van de nieuwe inrichting kan dit overeen komen met de weginrichting in de straten in de omgeving zoals 't Zand. De nieuwe ontsluiting naar de

woonzorginstelling zal voornamelijk gebruikt worden door bestemmingsverkeer. Gezien de korte afstand, smalle wegbreedte en de lage intensiteit, zijn drempels hier niet noodzakelijk.

De ontsluiting van het woonzorggebouw loopt over de strook grond, waarop ook een reservering is gemaakt voor een eventueel toekomstig fiets-/wandelpad door de boomgaard.

Binnen het park is een maximale doorwaarbaarheid voor langzaam verkeer gewenst. Daarom wordt er een extra toegang voor langzaam verkeer naar het woonzorggebouw toegevoegd vanaf de Groenedijk. Parkeren

Op het terrein van het woonzorgcentrum moeten voldoende fietsvoorzieningen aanwezig zijn.

Zodat bezoekers veilig hun (brom)fiets kunnen stallen. Het aantal fietsparkeerplekken moet voldoen aan de eisen van het gemeentelijke parkeerbeleid (Nota Parkeernormen Fiets en Auto 2019).

Parkeren van de woningen dient op eigen terrein te worden opgelost conform de Nota Stallen en Parkeren. Ook het bezoekersparkeren kan op eigen terrein worden opgelost. Parkeren wordt

gerealiseerd uit het zicht: naast of achter de woning en/of binnen een garage. Per woning is er maximaal 1 inrit. De breedte van de inrit is maximaal de breedte van een auto plus de

noodzakelijke breedte voor een persoon om langs de auto te kunnen lopen. (doel: een dubbelbrede oprit die gebruikt wordt als parkeerplaats niet mogelijk maken.)

Parkeren op eigen terrein wordt ook vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Voor het initiatief is een parkeernotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in Bijlage 11. In de parkeernotitie is

onderbouwd dat er voor het woonzorggebouw kan worden volstaan met een parkeernorm van 0,31 per wooneenheid. Voor 30 wooneenheden zijn dit 9 parkeerplaatsen. Er is gekozen voor enige

marge en daarom komen er minimaal 10 parkeerplaatsen ten behoeve van het woonzorggebouw. De vrijstaande woningen moeten voorzien worden van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen worden op het eigen terrein bij de woning gerealiseerd. Openbare ruimte

Ten behoeve van het initiatief wordt een toegangsweg gerealiseerd. Deze weg krijgt een openbare status. Eventueel kan hier in de toekomst een recreatieve route overheen getrokken worden. De toegangsweg krijgt een groen karakter evenals de rest van het terrein rondom het complex. De hoeveelheid verharding wordt zo minimaal mogelijk gehouden en daar waar mogelijk wordt halfverharding toegepast.

Nieuwe versie

4.2

Verkeer en openbare ruimte

In deze paragraaf wordt de nieuwe verkeer- en parkeersituatie beschreven. Verkeer

10

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

Het initiatief voorziet in de realisatie van 4 woningen en een woonzorggebouw met 30

wooneenheden en twee logeerverblijven. Voor de bepaling van het aantal verkeersbewegingen is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Op basis van deze publicatie is er rekening gehouden met 8 verkeersbewegingen per etmaal per woning, en voor het

woonzorggebouw is er rekening gehouden met 2,7 verkeersbewegingen per wooneenheid. Al met al komt dit neer op een totaal van 113 verkeersbewegingen per etmaal. De ontsluitingswegen en de omliggende wegen kunnen deze extra verkeersdruk goed verwerken.

De woningen worden aan 't Zand gerealiseerd en worden ook direct via deze weg ontsloten. De woonzorginstelling wordt voor het autoverkeer ook via 't Zand ontsloten. De Burgemeester

Middelweerdbaan en de Langerakbaan zijn de belangrijkste gebiedsontsluitingswegen in het

gebied. Het woonzorggebouw moet goed met de auto bereikbaar zijn. Tegelijkertijd heeft de auto

een ondergeschikte plek in de structuur binnen een park (Máximapark). De ontsluiting voor auto's vindt daarom alleen via het 't Zand plaats en de auto's worden zo snel mogelijk naar hun bestemming geleid.

Uitgangspunt is een autoluwe (woon)omgeving met ruimte voor groen en verblijf. In de de woonomgeving geldt een 30 km/uur regime gelden. Bij de nieuwe ontsluiting naar het

woonzorggebouw is een normale twee richtingsstraat gewenst die aansluit op de omliggende straten in de wijk. Qua uitstraling van de nieuwe inrichting kan dit overeen komen met de weginrichting in de straten in de omgeving zoals 't Zand. De nieuwe ontsluiting naar de

woonzorginstelling zal voornamelijk gebruikt worden door bestemmingsverkeer. Gezien de korte afstand, smalle wegbreedte en de lage intensiteit, zijn drempels hier niet noodzakelijk.

De ontsluiting van het woonzorggebouw loopt over de strook grond, waarop ook een reservering is gemaakt voor een eventueel toekomstig fiets-/wandelpad door de boomgaard.

Binnen het park is een maximale doorwaadbaarheid voor langzaam verkeer gewenst. Daarom wordt er een extra toegang voor langzaam verkeer naar het woonzorggebouw toegevoegd vanaf de Groenedijk. Parkeren

Voor deze ontwikkeling gelden nog de (fiets)parkeernormen op basis van de oude parkeernota uit 2013 en het Addendum Nota parkeernormen fiets en auto (2019).

Op het terrein van het woonzorgcentrum moeten voldoende fietsvoorzieningen aanwezig zijn,

zodat bezoekers veilig hun (brom)fiets kunnen stallen. Het aantal fietsparkeerplekken moet voldoen aan de eisen van het gemeentelijke parkeerbeleid. Autoparkeren van de woningen moet op eigen terrein worden opgelost. Ook het bezoekersparkeren kan op eigen terrein worden opgelost. De vrijstaande woningen moeten voorzien worden van 2 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen worden op het eigen terrein bij de woning gerealiseerd.

Parkeren wordt gerealiseerd uit het zicht: naast of achter de woning en/of binnen een garage. Per woning is er maximaal 1 inrit toegestaan. De breedte van de inrit is maximaal de breedte van een

auto, plus de noodzakelijke breedte voor een persoon om langs de auto te kunnen lopen. Parkeren op eigen terrein wordt ook vastgelegd in de anterieure overeenkomst.

11/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Voor het initiatief is een parkeernotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in Bijlage 1.

In de parkeernotitie is onderbouwd dat er voor het woonzorggebouw kan worden volstaan met een parkeernorm van 0,31 per wooneenheid. Om mogelijk drukkere momenten op te vangen, zal een

marge aangehouden worden en houden we een parkeernorm van 0,4 aan. Dit betekent een totale capaciteit van 12 parkeerplaatsen, die op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. De

ontwikkelaar heeft aangetoond dat de parkeerplaatsen in de omgeving structureel beschikbaar zijn

op tijden dat het nodig is voor de parkeervraag van het woonzorggebouw. Daarmee kan voor de 30 wooneenheden, gerekend met bovenstaande parkeernorm van 0,31 plus enige marge, volstaan worden met 10 in plaats van 12 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Openbare ruimte

Ten behoeve van het initiatief wordt een toegangsweg gerealiseerd. Deze weg krijgt een openbare status. Eventueel kan hier in de toekomst een recreatieve route overheen getrokken worden. De toegangsweg krijgt een groen karakter evenals de rest van het terrein rondom het complex. De hoeveelheid verharding wordt zo minimaal mogelijk gehouden en daar waar mogelijk wordt halfverharding toegepast.

2.2.2.5 Aanpassingen paragraaf 5.6 luchtkwaliteit De tekst van het ontwerp in paragraaf 5.6 Luchtkwaliteit is inhoudelijk aangepast (houtstook en

WHO-advieswaarden zijn opgenomen) en de leesbaarheid en structuur van de tekst is verbeterd.

Oude versie:

5.5 Luchtkwaliteit Kader

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In

Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende

stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht worden. De EU heeft Nederland uitstel verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een

gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de

provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet

langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal

functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële

(concept) Utrecht regeling NIBM. Het plangebied maakt onderdeel uit van het NSL-project IB-1310 (Ontwikkeling Leidsche Rijn Utrecht), zodat de luchtkwaliteit niet afzonderlijk in beschouwing

behoeft te worden genomen. Het plan moet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van het Besluit

12

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

luchtkwaliteit. Dit betekent dat het plan niet mag leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In dit bestemmingsplan dient een verantwoording t.a.v. de luchtkwaliteit te worden opgenomen. Deze verantwoording is hieronder opgenomen.

Voorts is het in het kader van Motie2015/78 gewenst dat aangetoond moet worden of in 2020 en 2030 overal in het gebied voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden voor PM10 en PM2,5 en dat

met de NIBM-bijdrage van het project geen overschrijding plaatsvindt van de WHO-advieswaarden in de directe omgeving van het project.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is

sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging

binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden.

Nieuwe versie

5.6

Luchtkwaliteit

Kader

De realisatie van de beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook

door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van

luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd

gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit.

Wet milieubeheer

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in titel 5.2

'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet

luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en

benzeen. In tabel 5.1 zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) opgenomen.

Tabel 3:Grenswaarden conform de Wet milieubeheer Stof

Type norm

Concentratie in µg/m3

PM2,5

Jaargemiddelde

25

PM10

Jaargemiddelde

40

13/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Daggemiddelde dat 35 keer per jaar mag worden

50

Jaargemiddelde

40

Uurgemiddelde dat 18 keer per jaar mag worden

200

overschreden NO2

overschreden

De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in

Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate

laag dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd.

WHO-advieswaarden

De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde

lucht. Deze advieswaarden zijn voor fijnstof strenger dan de wettelijke (Europese) grenswaarden. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van

haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheidskundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5.

Tabel 4:WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 Stof

Grenswaarde EU

WHO-advieswaarde-2005

Toetsingsperiode

NO2 (stikstofdioxide)

40 µg /m3

40 µg / m3

Jaargemiddelde

PM10 (fijnstof)

40 µg /m3

20 µg /m3

Jaargemiddelde

PM2,5 (fijnstof)

25 µg /m3

10 µg /m3

Jaargemiddelde

Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Deze WHO-

advieswaarden bedragen voor stikstofdioxide 10 µg/m3 en voor fijnstof 15 µg/m3 voor PM10 en 5 µg /m3 voor PM2,5.

Niet in betekenende mate

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate'

(NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in

het 'Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen'. Het gaat daarbij om projecten

die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De grenswaarde voor het NIBM betreft een jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 onder de 1,2 µg/m3.

Schone lucht in Utrecht

Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer.

In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt

om in de toekomst (2030) niet alleen aan de wettelijke grenswaarden te voldoen, maar ook aan de strengere WHO advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december

2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit.

Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid,

provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, met 14

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

als doel een gezondheidswinst te behalen van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is

sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Beperkingen vanwege volksgezondheidsbeleid (gevoelige bestemmingen)

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging

binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden.

2.2.2.6 Aanpassingen paragraaf 5.8 Natuurbescherming De kadertekst van het ontwerp in paragraaf 5.8 Natuurbescherming is geactualiseerd met betrekking tot de Utrechtse soortenlijst en de algemene zorgplicht. De betekenis hiervan voor nieuwe ontwikkelingen is nu duidelijk verwoord.

Oude versie

5.8 Natuurbescherming Kader

Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het

vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Interim Omgevingsverordening.

Beschermde dier- en plantensoorten

Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied;

2. of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; 3. of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen.

Utrechtse soortenlijst

In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd.

De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden.

Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse

soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd.

De Utrechtse Soortenlijst en overige informatie is te vinden op de gemeentelijke website onder

15/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Groenbeleid.

https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevin Diervriendelijk bouwen

Utrecht wil dat haar gebouwen diervriendelijk zijn, want gebouwen, woningen en kantoren zijn

belangrijk, bijvoorbeeld voor het kunnen maken van een nest. Onder “diervriendelijk” bouwen wordt verstaan: bouwen met relatief kleine ingrepen, die verblijfsplekken creëren voor verschillende

dieren in het stedelijk landschap. Met “diervriendelijk” bouwen wordt de biodiversiteit van de stad vergroot. De stadsecologen van gemeente Utrecht bepalen per project welk aantal maatregelen toegepast dient te worden.

Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden

Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende

beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan

significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie

met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast.

Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour

In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Plansituatie

Beschermde dier- en plantensoorten

In 2019 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Zie hiervoor Bijlage 8. Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd.

Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een nader onderzoek naar vleermuizen nodig is om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen in de te slopen bebouwing vast te stellen.

Een ontheffing voor andere soorten is niet nodig. Wel moet bij de planning van de werkzaamheden

rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden en in het kader van het provinciaal ruimtelijk beleid beschermde natuurgebieden treden niet op. Het plan is op het punt van

gebiedenbeleid niet in strijd met de Wnb. Ook is het plan op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening.

Het plangebied is ambtelijk onderzocht op het voorkomen van Utrechtse soorten. Tijdens de

ecologische inventarisatie is de merel waargenomen. De merel staat op de Utrechtse soortenlijst. Door de ontwikkeling worden meer bomen en lage struiken geplaatst in het plangebied. Het

leefgebied van de merel neemt hierdoor toe. Het plangebied is niet geschikt voor andere soorten van de Utrechtse soortenlijst.

Uit de quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig was naar vleermuizen, zie hiervoor Bijlage 9. Rond de onderzoekslocatie zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen, echter zal er geen aantasting zijn van essentieel foerageergebied. Het is op basis van de

uitgevoerde onderzoeksinspanning uit te sluiten dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een

16

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zal daarom niet leiden tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

Diervriendelijk bouwen

Bij de planning van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van verschillende soorten vogels. In het woonzorggebouw worden minimaal 10 nestkasten voor huismussen ingebouwd en er wordt een dekking voor huismussen gerealiseerd in de vorm van

wintergroene, opgaande struiken. In de nok van het gebouw wordt een steenuilenkast ingebouwd. Ook worden er verblijfplaatsen voor vleermuizen gerealiseerd. Tijdens de bouw- en gebruiksfase worden lichtarmaturen gebruikt die naar beneden richten, zodat foeragerende vleermuizen niet verstoord worden. Ook wordt de tuin van het woonzorggebouw structuurrijk ingericht met veel variatie in beplanting

Beschermde gebieden Natura 2000-gebied

In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese

beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning.

Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een

onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie met het programma Aerius2020. De berekening betreft een gecombineerde berekening voor de aanleg- en gebruiksfase. Het onderzoek is

opgenomen in bijlage 6 Aerius berekening. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn: -

Oostelijke Vechtplassen (ongeveer 6 km noordoostelijk);

-

Zouweboezem (ongeveer 15 km zuidelijk);

-

Uiterwaarden Lek (ongeveer 13 km zuidelijk);

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ongeveer 18 km noordwestelijk).

Uit het onderzoek blijkt dat er zowel de bouwfase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie in

stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden plaatsvindt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Een Wnb-vergunning is niet noodzakelijk in het kader van dit project. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Conclusie

Het initiatief heeft geen negatieve effecten op beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming of de Utrechtse soortenlijst.

Nieuwe versie

5.8

Natuurbescherming

17/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Kader

Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het

vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Interim Omgevingsverordening.

Beschermde dier- en plantensoorten

Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied;

3.

of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

2.

of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden;

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen.

Utrechtse soortenlijst

Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn

opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en

faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie.

De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden.

Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse

soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd.

Diervriendelijk bouwen

Utrecht wil dat haar gebouwen diervriendelijk zijn, want gebouwen, woningen en kantoren zijn

belangrijk, bijvoorbeeld voor het kunnen maken van een nest. Onder “diervriendelijk” bouwen wordt verstaan: bouwen met relatief kleine ingrepen, die verblijfsplekken creëren voor verschillende

dieren in het stedelijk landschap. Met “diervriendelijk” bouwen wordt de biodiversiteit van de stad vergroot. De stadsecologen van gemeente Utrecht bepalen per project welk aantal maatregelen toegepast dient te worden.

Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden

Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende

beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan

significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie

met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden

aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm).

18

Datum Rapport

februari 2022 Vaststellingsrapport

Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een

passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden

gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan).

Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour

In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Algemene zorgplicht

Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: eenieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk, geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen

van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van

zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt.

Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde

flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.

Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour

In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Plansituatie

Beschermde dier- en plantensoorten en de algemene zorgplicht

In 2019 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Zie hiervoor Bijlage 9. Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd.

Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een nader onderzoek naar vleermuizen nodig is om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen in de te slopen bebouwing vast te stellen.

Een ontheffing voor andere soorten is niet nodig. Wel moet bij de planning van de werkzaamheden

rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden en in het kader van het provinciaal ruimtelijk beleid beschermde natuurgebieden treden niet op. Het plan is op het punt van gebiedenbeleid niet in strijd met de Wnb. Ook is het plan op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening.

Het plangebied is ambtelijk onderzocht op het voorkomen van Utrechtse soorten. Tijdens de

ecologische inventarisatie is de merel waargenomen. De merel staat op de Utrechtse soortenlijst. Door de ontwikkeling worden meer bomen en lage struiken geplaatst in het plangebied. Het

leefgebied van de merel neemt hierdoor toe. Het plangebied is niet geschikt voor andere soorten van de Utrechtse soortenlijst.

Uit de quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig was naar vleermuizen, zie hiervoor Bijlage 10. Rond de onderzoekslocatie zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen, echter zal er geen aantasting zijn van essentieel foerageergebied. Het is op basis van de

uitgevoerde onderzoeksinspanning uit te sluiten dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een

19/20

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zal daarom niet leiden tot overtreding van de Wnb.

Diervriendelijk bouwen

Bij de planning van de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met het broedseizoen van verschillende soorten vogels.

In het woonzorggebouw worden minimaal 10 nestkasten voor huismussen ingebouwd en er wordt

een dekking voor huismussen gerealiseerd in de vorm van wintergroene, opgaande struiken. In de nok van het gebouw wordt een steenuilenkast ingebouwd. Ook worden er verblijfplaatsen voor

vleermuizen gerealiseerd. Tijdens de bouw- en gebruiksfase worden lichtarmaturen gebruikt die

naar beneden gericht zijn, zodat foeragerende vleermuizen niet verstoord worden. Ook wordt de tuin van het woonzorggebouw structuurrijk ingericht met veel variatie in beplanting.

Beschermde gebieden Natura 2000-gebied

In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese

beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wnb-vergunning.

Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een

onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie met het programma Aerius2020. De berekening betreft een gecombineerde berekening voor de aanleg- en gebruiksfase. Het onderzoek is

opgenomen in Bijlage 11. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn:    

Oostelijke Vechtplassen (ongeveer 6 km noordoostelijk); Uiterwaarden Lek (ongeveer 13 km zuidelijk); Zouweboezem (ongeveer 15 km zuidelijk);

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ongeveer 18 km noordwestelijk).

Uit het onderzoek blijkt dat er zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden plaatsvindt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Een Wnb-vergunning is niet noodzakelijk in het kader van dit project. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Conclusie

Het initiatief heeft geen negatieve effecten op beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming

of de Utrechtse soortenlijst. Om te voldoen aan de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving en negatieve effecten hierop te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, zal voor aanvang van de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=641a6b27-8d83-40bb-bd90-f6df45fa1cd5