CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte deel II.pdf

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 4 november 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Transitievisie Warmte deel II18.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Naar een CO2-vrije warmtevoorziening in 2050 Transitievisie Warmte deel II

utrecht.nl/ aardgasvrij

Samenvatting 1. Context: van wat naar wanneer en hoe

2. Uitwerking criteria in Transitievisie Warmte deel II

Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 volledig CO2-vrij is. In Utrecht werken we hier op drie manieren naartoe. 1) We helpen inwoners en ondernemers om woningen en gebouwen te isoleren en energie te besparen. 2) We gaan alle energie duurzaam opwekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen, windmolens en energie uit de omgeving. En 3) we stappen buurt voor buurt over op duurzame manieren van koken en verwarmen. De Transitievisie Warmte (deel I en II) gaat over dit laatste punt.

Voor het realiseren van een CO2-vrije warmtevoorziening zet Utrecht in op drie sporen die onderling met elkaar zijn verbonden:

De Transitievisie Warmte deel II is het vervolg op deel I dat in juni 2021 door de raad is vastgesteld. In deel I presenteerden we de WAT-kaarten. Hierop staat wat het meest logische alternatief voor aardgas per buurt is en wat de verwachte warmtevraag is. Ook beschreven we welke publieke waarden we hanteren bij het aanleggen van collectieve warmtenetten. Tot slot bevatte deel I de criteria die we gebruiken voor het kiezen van de volgorde van buurten (robuustheid, betaalbaarheid en zo min mogelijk gedoe). In Transvisie Warmte deel II zijn de criteria verder uitgewerkt en is er een volgorde van de buurten bepaald. Waar beginnen we met de uitvoering, met het maken van een Wijkuitvoeringsplan? En hoe ziet deze buurtaanpak eruit? Zo gaan we dus van WAT naar WANNEER en HOE.

Huidige warmtevoorziening

Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

Energie besparen

In deel I van de Transitievisie Warmte zijn drie criteria vastgesteld: robuustheid, betaalbaarheid en zo min mogelijk gedoe. In de Transitievisie Warmte deel II werken we deze drie criteria verder uit. Bij robuustheid gaat het erom dat het gekozen alternatief ook op de lange termijn technisch en economisch de beste oplossing is voor het gebied. Om dit te bepalen hebben we negen scenario’s met verschillende beschikbaarheid van bronnen geanalyseerd. Hierin kwam naar voren dat voor 72 buurten een warmtenet de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten is, rekening houdend met beschikbaarheid van bronnen. Voor de andere buurten was niet één oplossing de goedkoopste. Deze informatie staat op de WAT-kaart ‘Verwachte oplossing per buurt’ uit deel I.

Transitievisie Warmte deel II

2

Voor de 72 buurten die een warmtenet als meest logische oplossing hebben, hebben we vervolgens in Transitievisie Warmte deel II onderzocht wat er gebeurt als iedereen zijn/haar woning naar energielabel B isoleert. Dan is voor 63 buurten een warmtenet nog steeds de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Dit noemen we de robuuste buurten. Bij het tweede criterium, betaalbaarheid, gaat het erom dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan hij/zij zou betalen voor aardgas. Wij baseren ons op de maatschappelijke kosten, omdat eindgebruikerskosten erg afhankelijk zijn van belastingen en subsidies. Over het algemeen hebben oplossingen met lage maatschappelijke kosten ook lage eindgebruikerskosten.

Om het criterium betaalbaarheid invulling te geven, ordenen we de buurten op twee manieren (zogenaamde ‘rankings’). Als eerste kijken we naar het verschil in kosten tussen het realiseren van een midden tot hoge temperatuur (HT/MT) oplossing en een lage temperatuur (LT) oplossing (ranking 1). Om de kosten voor alle gebruikers in de gemeente Utrecht zo laag mogelijk te houden, moeten we de HT/MT bronnen inzetten waar het erg duur is om LT bronnen in te zetten. Dit zijn de buurten waar het verschil in kosten tussen de realisatie van HT/MT en LT het grootste is. Daarnaast is het uitgangspunt dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan hij/zij zou betalen voor aardgas. Hiervoor kijken we waar het verschil in kosten per gasaansluiting tussen de HT/MT oplossing én de voortzetting van de huidige situatie zo klein mogelijk is (ranking 2). Beide ordeningen leveren samen een volgorde op. Bij het derde en laatste criterium, zo min mogelijk gedoe, kijken we welk alternatief voor gebouweigenaren en -gebruikers het minste gedoe of overlast in de woningen, het pand en/of de openbare ruimte oplevert. Hierbij maken we onderscheid tussen gedoe binnenshuis (hoeveel men moet isoleren en welke aanpassingen aan de installatie en leidingen nodig zijn) en gedoe in de openbare ruimte (de ligging van de buurt ten opzichte van het bestaande warmtenet, hoeveel monumenten er zijn en hoeveel hoogbouw).

We nemen de drie criteria mee in een weging. Hierbij is robuustheid een randvoorwaarde. Alleen voor de 63 buurten, die robuust zijn, wegen we vervolgens de criteria betaalbaarheid en gedoe. Deze twee wegen allebei even zwaar, maar binnen betaalbaarheid en gedoe is er wel een verschil: • Betaalbaarheid: ranking 1 (verschil tussen HT en LT is groot) weegt zwaarder dan ranking 2 (een klein verschil in kosten tussen de nieuwe situatie met HT/MT en de huidige situatie). Daarmee zetten we de schaarse HT/MT-bronnen in waar ze het hardste nodig zijn; • Gedoe binnenshuis weegt zwaarder dan gedoe buitenshuis (uitkomst participatie, zie bijlage 1); • Bij gedoe buitenshuis wegen aandeel hoogbouw, aandeel monumenten, en ligging ten opzichte van het bestaande net, even zwaar.

Transitievisie Warmte deel II

3

3. Volgorde buurten De geselecteerde buurten voor het tijdpad 2021-2030 zijn de buurten die op basis van deze weging van de criteria het beste scoren en samen met Overvecht-Noord en een deel van de woningen/gebouwen binnen de singel optellen tot 40.000.

1) Overvecht-Noord en Utrecht Science Park (USP): daar zijn we al begonnen. Voor Overvecht-Noord is de planning om voor 2030 van het gas af te zijn, voor het USP voor 2040; 2) Maatwerk waar weinig gasaansluitingen zijn: een aantal buurten, vooral aan de rand van de stad, heeft minder dan 100 gebouwen. Voor deze buurten is het Vesta MAIS model (een rekenmodel van het Planbureau voor de Leefomgeving) niet geschikt en moet er dus een aparte analyse gedaan worden wat voor deze buurt de beste oplossing is. Deze buurten zijn later, namelijk in het tijdsblok 2040-2050 geplaatst; 3) Maatwerk bedrijventerreinen: bedrijventerreinen vormen een apart spoor: eigen indeling 2021-2050 (zie ook hoofdstuk 5 Gebiedsgericht aan de slag: bedrijven­ terreinen); 4) Maatwerk Binnenstad binnen de singel: eigen maatwerkaanpak 2021–2050. De oude binnenstad is namelijk een bijzonder gebied binnen Utrecht met veel historische (monumentale) panden. Vanwege de onzekerheden, onder andere in de ondergrondse infrastructuur en werfkelders, laten we de transitie hier aansluiten op werkzaamheden die toch al plaats moeten vinden; 5) De niet-robuuste buurten zijn gepland in het tijdsblok 2040-2050, omdat het nog onduidelijk is welke oplossing voor die buurten van toepassing wordt; 6) De resterende groep robuuste buurten met 67.228 gasaansluitingen is gewogen met de criteria betaalbaarheid en gedoe.

Een deel hiervan komt in het tijdsblok 2021-2030 en een deel in 2030-2040.

De volgorde van buurten die uit de weging komt, presenteren we in onderstaande WANNEER-kaart. - hi cht

-a

m

utre

utr ec ht

ste rd

rweg

orw eg

am

spoo

sp o

A2

lver sum

In Utrecht zijn in totaal 111 buurten. Om tot een globale planning te komen zijn alle buurten eerst in zes groepen ingedeeld op basis van verschillen in aanpak en robuustheid. Hierbij is gebruik gemaakt van een geleidelijke verdeling in de volgende indicatieve tijdsblokken: 2021-2030, 2030-2040 en 2040-2050:

sp

A27

eg oorw

utre

cht

- hi

en sum lver

am

oo ersf

rt

OVERVECHT

NOORDWEST

rweg spoo

utre

cht

- den haag en rotterdam

WEST

NOORDOOST

A28

LEIDSCHE RIJN

BINNENSTAD

VLEUTEN - DE MEERN

OOST

A12

ZUIDWEST

spoorweg utrecht - arnhem

ZUID

A12

Planning buurtaanpak aardgasvrij

A2

2021-2030 2020-2030 2030-2040 2030-2040 2040-2050

A27

Kilometers 0 0,5

2040-2050 Maatwerk Binnenstad (binnen de singel) Maatwerk Binnenstad (binnen de singel) Maatwerk bedrijventerreinen

1

Maatwerk bedrijventerreinen

2

AAN DEZE TEKENING KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND _stad_warmteprofielen

Esri, HERE, Garmin, (c) OpenStreetMap contributors, and the GIS user community

Gemeente Utrecht Aardgasvrij planning per buurt

19-07-2021 1:55.000 A3

W:\Ruimte\OSR\projecten\_Stad\warmteprofielen\gu_warmteprofielen_gis

Transitievisie Warmte deel II

4

4. Stappenplan buurtaanpak We maken de buurten aardgasvrij en doen dit in stappen; het proces loopt van grof naar fijn om uiteindelijk goede keuzes te kunnen maken. Het stappenplan zorgt er ook voor dat het proces van tevoren duidelijk is. Dit helpt bij de verwachtingen. We doorlopen elke keer zes fasen: 1) Buurt in kaart: in de eerste fase oriënteren we ons op de buurt. We brengen de fysieke kenmerken, de sociale samenstelling en bestaande opgaven in kaart. Ook stellen we een participatieplan op. 2) Onderzoek: we bakenen het gebied af en verkennen de wensen en kaders voor een mogelijk alternatief. Dit doen we samen met bewoners en andere partijen. Op basis hiervan stellen we een eerste programma van eisen op voor het warmteaanbod. 3) Uitvoeringsplan: op basis van het programma van eisen werken we een voorlopig ontwerp uit. Dan is duidelijk wat er nodig is om de overstap woonlastenneutraal te kunnen zetten. Dit werken we uit in het Wijkuitvoeringsplan (WUP), dat we voorleggen aan de raad. 4) Aanbod: op basis van het Wijkuitvoeringsplan wordt een definitief ontwerp opgesteld en krijgen bewoners een aanbod. 5) Voorbereidende werkzaamheden: voorbereidingen voor de daadwerkelijke uitvoering. 6) Werk in uitvoering: uitvoering van de werkzaamheden om te komen tot een aardgasvrije buurt.

Transitievisie Warmte deel II

STAPPENPLAN BUURTAANPAK AARDGASVRIJ Fase 1 - Buurt in kaart

Fase 3 - Uitvoeringsplan

Fase 2 - Onderzoek

Oriëntatiefase: ± 3 maanden

Ontwerpfase: ± 12-18 maanden

Definitiefase: ± 9 maanden

We brengen voor deze buurt in kaart:

Ondergrond

We zoeken een passende warmteoplossing die voldoet aan het programma van eisen We verkennen wensen, kaders en randvoorwaarden

Startbijeenkomst met de buurt

Fysieke kenmerken

Voor de warmteoplossing maken we een voorlopig ontwerp

We vormen logische gebieden door afbakenen en clusteren We brengen in kaart hoe dat woonlastenneutraal kan worden gerealiseerd

Sociale samenstelling Resultaat: Notitie Buurtprofiel en Participatieplan

Resultaat: Programma van eisen warmteaanbod

Resultaat: Wijkuitvoeringsplan in gemeenteraad

Fase 4 - Aanbod

Fase 5 - Voorbereidende werkzaamheden

Fase 6 - Werk in uitvoering

Voorbereidingsfase: ± 6 maanden

Warmtebedrijf maakt definitief ontwerp en doet een warmteaanbod

Definitief plan-fase: ± 6 maanden

Uitvoeringsfase: ± 1-8 jaar

Vergunningen worden aangevraagd

Uitvoering van het aardgasvrij maken

of Individuele oplossingen worden uitgewerkt

Voorbereidingen uitvoering en afstemmen planningen

Resultaat: Gebiedsovereenkomst (warmteaanbod)

Resultaat: Planning en plan begeleiding

Wie doen er mee? Wie doen er mee?

Bewoners •• Bewoners

Netbeheerder •• Netbeheerder

Marktpartijen •• Marktpartijen

Ondernemers ••Ondernemers

We monitoren het effect van de maatregelen

Resultaat: Alle gebouwen in de buurt aardgasvrij

Bewonersinitiatieven • Grote • Grote vastgoedeigenaren • Gemeente • Gemeente Utrecht • •Bewonersinitiatieven vastgoedeigenaren Utrecht

5

5. Gebiedsgericht aan de slag De Transitievisie Warmte deel II gaat over de vraag wanneer we in welke buurten starten met de gebiedsgerichte aanpak. In deze buurten ziet de gemeente voldoende aanleiding om te starten met het opstellen van een haalbaar en betaalbaar wijkuitvoeringsplan en neemt de gemeente het initiatief om te starten. Naast deze aanpak van geselecteerde buurten zien we ook andere kansen om uiteindelijk tot een CO2-vrije warmtevoorziening te komen. Als eerste door meekoppelkansen te herkennen en verkennen. Bijvoorbeeld wanneer er grote infrastructurele aanpassingen gaan plaatsvinden. Daarnaast gebruiken we de WAT-kaarten bij de integrale advisering door de gebiedsteams. Wanneer we een visie ontwikkelen voor de thematische ambities in een gebied, bijvoorbeeld voor mobiliteit en wonen, onderzoeken we of dit gecombineerd kan worden met een duurzame warmtevoorziening.

nemers en het parkmanagement ook meer inzicht in het verduurzamen van bedrijventerreinen in het algemeen. Tot slot kan ook nieuwbouw van invloed zijn op de warmtetransitie. Hoewel de Transitievisie Warmte gaat over de bestaande stad, kan een nieuwbouwgebied wel een kans zijn voor de bestaande stad eromheen. We onderzoeken de mogelijk­ heden voor omliggend gebied wanneer er bijvoorbeeld een lage temperatuur systeem voor nieuwbouw wordt aangelegd.

Daarnaast faciliteren we initiatief van onderop. We zien steeds vaker bewonersinitiatieven die zelf aan de slag willen in de buurt. We ondersteunen op diverse manieren, van subsidies voor bijeenkomsten tot kennissessies over techniek. We helpen bewonersinitiatieven en leren tegelijkertijd zelf hoe dingen werken. Bedrijventerreinen krijgen een eigen aanpak, ze zijn nu nog ‘grijze’ gebieden in de Transitievisie Warmte. Uit onderzoek van CE Delft blijkt dat voor bedrijventerreinen op dit moment de alternatieven niet robuust zijn (er komt niet één oplossing als beste naar voren). Daarom kunnen we ze nu niet beoordelen aan de hand van de drie eerdergenoemde criteria. Toch zijn bedrijven wel belangrijk voor de transitie. Daarom ontwikkelen we voor bedrijventerreinen een andere aanpak. We starten in een aantal gebieden met voorbeeldprojecten. Hierin onderzoeken we samen met ondernemers en andere stakeholders hoe bedrijventerreinen kunnen verduurzamen en van het gas af kunnen. Het doel is om, net als voor woonbuurten, een tijdspad, volgorde en technische voorkeursopties te bepalen. Behalve dat de voorbeeldprojecten leiden tot het opstellen van een uitvoeringsplan, krijgen onder­

Transitievisie Warmte deel II

6

6. Stap voor stap verder Kenmerkend voor een transitie is dat er stappen worden gezet terwijl er ook veel onduidelijk is. Op basis van ervaringen, nieuwe kennis en nieuwe regels, kunnen we steeds betere en soms andere keuzes maken. De Transitievisie Warmte deel I en II geven ons de kaders en randvoorwaarden hoe en waar we als eerste aan de slag gaan in deze transitie. In het proces richting de Wijkuitvoeringsplannen wordt meer duidelijk en zullen we steeds verdere keuzes maken. De kaart in deze Transitievisie Warmte is gebaseerd op de buurtindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze grenzen liggen niet vast, maar geven richting. Het kan voorkomen dat een aangrenzende straat of zelfs een overzijde van een straat nu buiten een buurt valt maar waarbij het wel heel logisch is deze bij de aangrenzende buurt mee te nemen in de transitie. Dit zal in de eerste fases van de buurtaanpak duidelijk worden.

Binnen buurten zijn verschillende warmteoplossingen mogelijk. Het feit dat een buurt een warmtenet als beoogde oplossing heeft, betekent niet dat elk gebouw in die buurt op een warmtenet wordt aangesloten. Dit voorkeursalternatief is een startpunt voor nader onderzoek. Het kan zijn dat er (buurt)initiatieven zijn die vooruitlopen op de fasering zoals de WANNEER-kaart aangeeft. We vinden het belangrijk om initiatieven in de stad die passen binnen de uitgangspunten van deze transitievisie te stimuleren. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het in wet- en regelgeving verankeren van een nieuwe regierol van de gemeente. Deze aanpassingen van wetgeving zijn nog in uitvoering bij het Rijk en daarmee een onzekerheid voor de invulling van de gemeentelijke rol. De aanpak in de buurten die als eerste aan de beurt zijn, is een enorme klus en vraagt veel capaciteit van ons en onze stakeholders. We verwachten dat we een vergoeding krijgen van het Rijk voor de toename in uitvoeringslasten van de benodigde capaciteit. In de buurtgerichte aanpak onderzoeken we hoe in een buurt de overstap naar andere manieren van verwarmen op een haalbare en betaalbare manier kan worden gemaakt. Buurten gaan pas echt van het aardgas af als duidelijk is hoe de warmtenetten voldoen aan de publieke waarden uit deel I.

In het Klimaatakkoord is afgesproken de Transitievisie Warmte minimaal eens in de vijf jaar te actualiseren. Dan passen we de visie aan op basis van de laatste inzichten, ontwikkelingen én onze ervaringen. Ook kijken we naar de volgorde van buurten en voegen nieuwe buurten hieraan toe.

Transitievisie Warmte deel II

7

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Context Transitievisie Warmte: van deel I naar deel II Drie sporen Gebiedsgericht WAT-kaarten Verwachte warmtevraag per buurt Verwachte warmteoplossing per buurt 1.5 Hoe zijn bewoners en ondernemers betrokken?

9 9 10 12 12 12 14 15

2 2.1 2.2 2.3

Criteria Robuustheid Betaalbaarheid Gedoe Gedoe binnenshuis Gedoe in de buitenruimte 2.4 Weging

16 16 18 20 21 21 21

3 Volgorde buurten 3.1 Uitkomsten weging 3.2 De volgorde in perspectief CO 2-aanpak Overstappen op elektrisch koken Ontwikkelingen in de buurten Onderhoudsplannen en ontwikkelingen bij corporaties Openingsbod Stedin Eneco Cityplan Evaluatie model Eindgebruikerskosten VNG Visie ondergrond

23 23 28 28 28 28 29 30 30 31 32

Transitievisie Warmte deel II

4

Stappenplan buurtaanpak Fase 1: Buurt in kaart - ORIËNTATIEFASE Fase 2: Onderzoek - DEFINITIEFASE Fase 3: Uitvoeringsplan – ONTWERPFASE Fase 4: Aanbod – VOORBEREIDINGSFASE Fase 5: Voorbereidende werkzaamheden – DEFINITIEF PLAN-FASE Fase 6: Werk in uitvoering - UITVOERINGSFASE

33 35 35 35 35 36 36

5

Gebiedsgericht aan de slag Op verschillende manieren gebiedsgericht aan de slag Meekoppelkansen Nieuwbouw Bottum-up, faciliteren van initiatief en leren door te doen Bedrijventerreinen

37 37 37 37 38 38

6

Stap voor stap verder Grenzen geven richting Binnen buurten zijn verschillende warmteoplossingen mogelijk (Buurt)initiatieven lopen vooruit op de fasering Samenwerking en een nieuwe rol voor de gemeente Capaciteit Invulling Publieke waarden Om de vijf jaar actualiseren

40 40 40 40 40 41 41 41

Bijlage 1: Participatie Transitievisie Warmte deel II Bijlage 2: Wegingstabel Bijlage 3: Beschrijving per geselecteerde buurt

42 54 55

8

1

Context

1.1 Transitievisie Warmte: van deel I naar deel II De Transitievisie Warmte deel II is het vervolg op het eerste deel van de Transitievisie Warmte, dat op 3 juni 2021 is vastgesteld door de raad. De Transitievisie Warmte deel II bouwt voort op en kan niet los gezien worden van de Transitievisie Warmte deel I. Veel begrippen uit de Transitievisie Warmte deel I worden in deel II opnieuw gebruikt. Deel II bevat geen actualisatie van deel I. De hele Transitievisie Warmte (deel I en deel II) wordt over 5 jaar geactualiseerd. In Transitievisie Warmte deel I staat beschreven: • Wat het meest logische alternatief voor aardgas per buurt is op basis van de analyses; de zogenoemde WAT-kaarten; • Welke publieke waarden we hanteren bij de aanleg van collectieve warmtenetten; • Op basis van welke criteria we een volgorde van buurten kiezen: - Robuustheid - Betaalbaarheid - Zo min mogelijk gedoe

In het Nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten uiterlijk in 2021 de volgorde en het tijdpad vastleggen waarin buurten worden aangepakt. Dit doen wij in deel II van de Transitievisie Warmte met twee onderdelen: • De WANNEER-kaart, waarop staat welke buurten wanneer overgaan op een andere manier van verwarmen en koken. Hiervoor gaan we eerst dieper in op de drie criteria en hoe we deze gebruiken om tot een volgorde te komen. Het resultaat van deze analyse is een overzicht van de buurten waar we de komende jaren gaan starten, maar ook de buurten die voorlopig niet aan de beurt zijn voor een collectieve aanpak. We maken een indeling in drie indicatieve tijdsblokken: 2021-2030, 2030-2040 en 2040-2050.

Transitievisie Warmte deel II

• Het HOE, het stappenplan voor de buurtaanpak (welke stappen doorloopt een buurt tijdens een gebiedsgerichte aanpak). Elke vijf jaar wordt het tijdpad herijkt met de nieuwste inzichten.

Voorwaarden voor gemeenten Gemeenten spelen een grote rol in de transitie naar aardgasvrije gebouwen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft daarom een aantal voorwaarden gesteld aan het Rijk om alle doelstellingen uit het Klimaat­ akkoord goed te kunnen uitvoeren: • Gemeenten krijgen de juiste bevoegdheden om hun regierol daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Het gaat dan om verankeren van deze regierol in de Warmtewet (aanwijzen van gebieden/kavels en een warmtebedrijf), de Energiewet (algemene regels voor netwerkbedrijven) en een mandaat­ regeling voor gemeenten (vooral m.b.t. beëindiging gaslevering). Deze aanpassingen van wetgeving zijn alle nog in uitvoering bij het Rijk en daarmee een onzekerheid voor de invulling van de gemeentelijke rol; • De energietransitie is haalbaar en betaalbaar voor de samenleving; de overstap moet voor het overgrote deel van de mensen woonlasten­neutraal zijn; • Gemeenten krijgen een vergoeding voor de toename in uitvoeringslasten.

9

In de Omgevingswet De Transitievisie Warmte (deel I en deel II) bouwt voort op de Visie op de warmtevoorziening van Utrecht, die in 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad. In de Transitievisie Warmte (deel I en deel II) beschrijven we de kaders voor de verduurzaming van de warmtevoorziening. Ook hebben we een volgorde en tijdpad beschreven waarin buurten worden aangepakt. De Transitievisie Warmte doet strategische uitspraken over een deel van de energievoorziening en sorteert daarmee voor op de Energievisie die later in 2022 verschijnt. De Transitievisie Warmte deel I en II gaan passen binnen de instrumenten van de Omgevingswet.

1.2

Drie sporen

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 volledig CO2-vrij is. In 2050 gebruiken we daarom geen aardgas meer in onze gebouwen. We gebruiken nu voor de warmtevoorziening nog grotendeels fossiele brandstoffen. Deze warmtetransitie vraagt om verschillende aanpassingen in het huidige systeem van onze warmtevoorziening. We onderscheiden in Utrecht drie verschillende sporen in deze transitie. Deze moeten samen tot het eindresultaat leiden (figuur 1). Een belangrijke stap is het spoor energiebesparing in gebouwen. Dit gaat over isolatie, gedragsverandering en efficiënte installaties, waardoor de warmtevraag en dus de CO2-uitstoot afneemt.

Toelichting op het spoor besparen Het spoor besparen richt zich met name op ondersteuning van woning­ eigenaren in hun ‘klantreis’ (een uit de marketing geleende term die de fase aangeeft waarin een woningeigenaar zich bevindt met de verduurzaming van zijn/haar woning) naar een energieneutrale en aardgasvrije woning. Op dit moment werken we aan een intensivering van die aanpak, vastgelegd in het “Actieplan besparen”. Dat plan is naar verwachting in het eerste kwartaal van 2022 klaar. Kernpunten daarin zijn het verbeteren van het huidig hulpaanbod voor bewoners, het versterken van de aanpak (onder andere met het stimuleren van collectieve acties voor isolatiemaatregelen) en het beter benutten van natuurlijke momenten. De momenten waarop eigenaren iets willen of moeten met hun woning, vanwege onderhoud of verbouwing zijn slimme momenten om ook te verduurzamen. Hierin adviseren we de bewoners wat ze kunnen doen. We adviseren daarbij uit te gaan van de Spijtvrij standaard/norm (ook wel de standaard- en streefwaarden genoemd). Dit is een door het Rijk opgestelde minimale isolatienorm voor de verschillende onderdelen van de woning (vloer, dak, muren, glas).

Het biedt richtlijnen die bewoners helpen in hun keuze om optimaal te isoleren: wat moet ik doen om voor­ bereid te zijn op de toekomstige warmtebron zodat de woning zeker niet te weinig, maar ook niet onnodig te zwaar geïsoleerd is. Een belangrijke aanvulling op de Transitievisie Warmte vormt de database referentie­woningen. Dit is een bestand met 300 voor Utrecht representatieve woningen, waarin iedere woningeigenaar zijn eigen woning kan terug­vinden. Dit databestand is uiterlijk dit najaar te raadplegen op jouwhuisslimmer.nl.

Transitievisie Warmte deel II

10

Er zal altijd energie worden gebruikt, dus hebben we ook duurzame energiebronnen nodig. Daarom werken we, naast het terugbrengen van de energievraag, ook aan verduurzaming van energiebronnen. Beide maatregelen zijn nodig om de gewenste CO2-besparing te realiseren. Tot slot is het voor de overstap naar nieuwe manieren van verwarmen op veel plekken in de stad nodig om de energie-infrastructuur aan te passen. Dit laatste is vooral een logistieke uitdaging. In dit spoor zorgen we ervoor dat de duurzame bronnen ook daadwerkelijk kunnen leveren aan verduurzaamde gebouwen.

• Hoe de gemeente de komende 30 jaar per gebied alternatieven gaat vinden voor het gebruik van aardgas; • In welke gebieden een gemeente voor 2030 wil beginnen met deze omslag; • Welk alternatief voor deze gebieden de voorkeur heeft.

Huidige warmtevoorziening

Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

Elk spoor is belangrijk en heeft zijn eigen kenmerken. De Transitievisie Warmte gaat over het laatste spoor: de aanpassing van de infrastructuur. Infrastructuur aanleggen vergt een gezamenlijke aanpak, omdat de gevolgen van de aanleg (ondergrond en werkzaamheden) groot en de investeringen hoog zijn. Het is daarom logisch deze per gebied aan te pakken. Er kan niet overal tegelijkertijd aan de infrastructuur worden gewerkt. Ook daarvoor is een planning per gebied logisch. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle gemeenten hiervoor een Transitievisie Warmte opstellen waarin we aangeven:

Energie besparen

De afspraak is dat het Rijk en gemeenten, provincies en waterschappen samen verantwoordelijk zijn voor de invulling van wettelijke regelingen en uitvoeringsaspecten. Als vervolg op de Transitievisie Warmte worden per buurt (of gebied) zogenaamde Wijkuitvoeringsplannen opgesteld. In de Wijkuitvoeringsplannen maakt de gemeente samen met alle belanghebbenden de definitieve keuze voor de warmteoplossing voor de buurt. De raad besluit over het Wijkuitvoeringsplan. Daarmee stelt ze vast wat de alternatieven voor aardgas in de buurt zijn en wanneer de buurt van het aardgas af zal gaan. Na het vaststellen van een Wijkuitvoeringsplan is er nog 8 jaar de tijd voor alle aanpassingen en om de eigenaren voldoende tijd te geven om over te stappen. Volgens het Klimaatakkoord krijgt de gemeente pas daarna het mandaat om de aardgaslevering te beëindigen. Ook is afgesproken dat de Transitievisie Warmte eens in de vijf jaar wordt aangepast/geactualiseerd op basis van actuele ontwikkelingen en aangevuld met nieuwe buurten.

CO2-neutrale warmtevoorziening Figuur 1: Transitie naar CO2-vrije warmtevoorziening langs drie sporen

Transitievisie Warmte deel II

11

1.3

Gebiedsgericht

De Transitievisie Warmte deel II richt zit op de vraag wanneer we in welke buurten starten met de gebiedsgerichte aanpak om te komen tot een Wijkuitvoeringsplan. In deze buurten ziet de gemeente voldoende aanleiding om te starten met het opstellen van een haalbaar en betaalbaar Wijkuitvoeringsplan voor een buurt. Hier neemt de gemeente dus het initiatief vanuit de kansen voor de warmtetransitie. Naast de aanpak van de geselecteerde buurten zien we in de warmtetransitie ook andere manieren om uiteindelijk tot een duurzame en CO2-vrije warmtevoorziening te komen: • Meekoppelkansen – Aansluiten bij grootschalige gebiedsontwikkelingen (ook buiten de geselecteerde buurten) en de kansen verkennen en pakken om de opgave aardgasvrij direct mee te nemen. • Bottum-up, faciliteren van initiatieven en leren door te doen - We leren van deze initiatieven en nemen de ervaringen mee in de andere aanpakken én in de actua­ lisatie. De gemeente faciliteert en beoordeelt de initiatieven. De WAT-kaarten zijn ons kader voor de beoordeling. • Bedrijventerreinen – Bedrijven op de bedrijventerreinen van Utrecht zijn een belangrijk onderdeel van deze transitie. Door de diversiteit op deze terreinen en de andere warmtevraag, vragen deze terreinen een andere aanpak. In hoofdstuk 5 gaan we hier nader op in.

isolatie). Dit leidt tot een verwachte temperatuur van de warmtevraag die de huidige gebouwen in een buurt waarschijnlijk gemiddeld nodig hebben (op basis van inschatting van een haalbaar isolatieniveau, gemiddelde trend in energiebesparing van 1% per jaar) om in 2040 comfortabel te worden verwarmd. Dit is dus niet de aanvoer­ temperatuur van het warmtenet maar de temperatuur die woningen gemiddeld nodig hebben voor een comfortabele warmtevoorziening. Vanwege de diversiteit in de buurten kan een blokje woningen of straat van dit gemiddelde afwijken. Deze verschillen komen in verder onderzoek van de buurt naar boven.

Spoorweg Utrecht – Amsterdam

Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort

A2

A27

OV E R V E C HT Overvecht

Noordwest NOOR DW E S T

Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam

WE S T West

A28

NOOR DOOS T Noordoost

L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche

B INNE NS TA D Binnenstad

Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N

OOS T Oost

A12

ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem

ZUID Zuid

A12

1.4 WAT-kaarten A2 Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC)

Verwachte warmtevraag per buurt In de Transitievisie Warmte deel I presenteerden we twee WAT-kaarten. De eerste is de WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ (figuur 2). Om tot een rechtvaardige verdeling van bronnen per buurt te komen, is een inschatting gemaakt van de isolatieniveaus voor het grootste gedeelte van de buurt (uitgaande van bouwjaar en trends in

Transitievisie Warmte deel II

Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC)

A27

Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70oC) Buurt met minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing)

Figuur 2: WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’

Bron: Greenvis (2019).

12

Hoge temperatuur (HT)- Midden temperatuur (MT)- lage temperatuur (LT) warmtenet nader toegelicht Voor (installaties in) gebouwen is het verschil tussen hoge temperatuur (HT) en midden temperatuur (MT) in de praktijk klein. Het verschil in temperatuur van hoge temperatuurnetten en lage temperatuurnetten is wel groot, vanwege (de consequenties voor) de tapwatervoorziening en omdat het vervangen door lage temperatuurnetten een hoog isolatieniveau vereist. Het huidige stadsverwarmingsnet heeft een transportleiding en een distributie­net met verschillende deelnetten. De transportleiding heeft een temperatuurniveau van 90-110 graden en gaat van de productielocatie (de HT-bronnen) naar de warmteoverdrachtstations voor de deelnetten. In de deelnetten is de temperatuur voor het grootste deel van het jaar tussen 70-75 graden, dit valt nog net onder de definitie HT. Het is hier vandaan geen grote stap om naar 65-70 graden, MT, te komen. Deze temperatuur is vergelijkbaar met de temperatuur van een CV-ketel op gas. Bij een lage temperatuur net wordt een aanvoertemperatuur van onder de 50 graden bedoeld. Deze temperatuur is vergelijkbaar met de temperatuur van een warmtepomp. Een deelnet kan zijn eigen temperatuur hebben die afgestemd is op de woningen die zijn aangesloten.

Nieuwbouw moet voldoen aan strenge bouwvoorschriften waardoor deze geen hoge temperatuur nodig heeft. Nieuwbouw kan direct naar lage temperatuur oplossingen, individueel of collectief. Ook andere gebouwen die zeer goed zijn geïsoleerd, kunnen gebruik maken van lage temperatuurverwarming. Deelnetten van de stadsverwarming kunnen gevoed worden met bronnen van lagere temperatuur. Een deelnet kan naar een lage temperatuur als de woningen (die op dit deelnet zijn aangesloten) daarvoor allemaal geschikt zijn. Het verlagen van de temperatuur in bestaande en nieuwe deelnetten is van belang voor de verduurzaming van de stad. Ook voor de aanleg van nieuwe (lokale) warmtenetten (van buurtinitiatieven of warmtebedrijven) streven we dus naar midden temperatuur en waar mogelijk meteen lage temperatuur voor de optimale inzet van schaarse bronnen.

Door de schaarste aan duurzame bronnen die warmte op hogere temperatuur leveren, is het belangrijk deze hoge temperatuur warmte daar te gebruiken waar het echt nodig is. Dat is bij de gebouwen die slecht of alleen tegen (hele) hoge kosten zijn te isoleren. Deze gebouwen hebben warmte van een hogere temperatuur nodig voor een comfortabel ver­ warmde woning.

Transitievisie Warmte deel II

13

Verwachte warmteoplossing per buurt Naast de WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ presenteerden we in deel I ook de WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ (figuur 3). Hiervoor zijn negen verschillende scenario’s op basis van de beschikbaarheid van bronnen op hoge temperatuur (zoals duurzaam gas, restwarmte of geothermie) doorgerekend. Deze analyse laat zien dat de aanleg van grote en kleine warmtenetten in veel Utrechtse buurten telkens de optie met de laagste maatschappelijke kosten is om een CO2-vrije warmtevoorziening te bereiken. Dit kunnen verschillende warmtenetten zijn:

Spoorweg Utrecht – Amsterdam

Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort

A2

A27

OV E R V E C HT Overvecht

Noordwest NOOR DW E S T

Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam

WE S T West

A28

NOOR DOOS T Noordoost

L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche

• Nieuwe lokale warmtenetten op straat-, buurt- of wijkniveau met een plaatselijke lage of midden temperatuurbron; • Inbreiding van de huidige stadsverwarmingsnetten (uitbreiden in een buurt waar al voor een groot gedeelte warmtenet ligt); • Aanpassen, verduurzamen en aanleggen of uitbreiden van infrastructuur naar een midden of lage temperatuur net.

B INNE NS TA D Binnenstad

Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N

OOS T Oost

A12

ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem

ZUID Zuid

A12

A2

Collectief warmtenet

A27

Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein – oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bestaande warmtenetten (Eneco & USP)

Figuur 3: WAT-kaart ‘Verwachte warmte-oplossing per buurt’

Transitievisie Warmte deel II

14

1.5 De uitgevoerde berekeningen (zie bijlage 3 van Transitievisie Warmte deel I) leiden tot een voorspelling van de verwachte aangeboden warmte-infrastructuur per buurt: • In de donkerblauwe buurten komt een warmtenet (van uiteenlopend temperatuur­ niveau) in alle scenario’s als meest logische optie (met de laagste maatschappelijke kosten) naar voren. Dan gaat het om een nieuw aan te leggen net of uitbreiding van het bestaande warmtenet. Het gaat hier meestal om buurten met een hoge gebouwdichtheid. • In de paarse buurten is na analyse niet één logische oplossing gevonden, maar zijn er meerdere gelijkwaardige mogelijkheden. Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen kan dit een warmtenet zijn, een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas. Aan de randen van de stad, in landelijke gebieden met weinig bebouwing, is een individuele oplossing voor de hand liggend omdat er niet genoeg warmtevraag is voor de aanleg van een warmtenet. Met het inzicht in het beschikbaar komen van nieuwe duurzame warmtebronnen en de ervaring in de warmte­transitie, zal in de toekomst ook hier het alternatief voor aardgas steeds duidelijker worden. • De gearceerde lichtpaarse buurten zijn bedrijventerreinen waarbij niet één logische warmteoplossing naar voren is gekomen (onderzoek duurzame bedrijventerreinen Utrecht).

Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen en warmte- (en koude-)vraag kan dit een warmtenet zijn (van uiteenlopend temperatuurniveau), een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas. • In grijze buurten staan minder dan 100 woningen en daar zullen maatwerkoplossingen gekozen moeten worden, omdat er geen algemene uitspraken over te doen zijn.

Transitievisie Warmte deel II

Hoe zijn bewoners en ondernemers betrokken?

In lijn met de participatieactiviteiten voor de Transitievisie Warmte deel I hebben we ook voor deel II participatiebijeenkomsten georganiseerd. In vier online bijeenkomsten konden bewoners, ondernemers en andere geïnteresseerden meedenken over de invulling van de criteria op basis waarvan de buurten worden gekozen en hebben we het stappenplan voor de buurtaanpak aardgasvrij voorgelegd. We hebben geleerd wat mensen belangrijk vinden in de weging van de criteria en wanneer ze betrokken willen worden in het vervolgproces. Een volledig verslag van de participatiebijeenkomsten staat in bijlage 1.

15

2. Criteria In de Transitievisie Warmte deel I zijn drie criteria vastgesteld:

2.1

Robuustheid

• Robuustheid • Betaalbaarheid • Zo min mogelijk gedoe

Uit Transitievisie Warmte deel I: Robuustheid van de beoogde oplossing: is het gekozen alternatief ook op lange termijn technisch en economisch de beste oplossing voor een gebied? En waar hebben we de meeste zekerheid dat de oplossing die nú als beste uit de bus komt ook in de toekomst de beste is.

Figuur 4: Het criterium robuustheid.

Transitievisie Warmte deel II

16

Omdat het beschikbaar komen van duurzame hoge temperatuur warmtebronnen en duurzaam gas onzeker is, hebben we (in de Transitievisie Warmte deel I) negen scenario’s geanalyseerd waarbij is gevarieerd met de beschikbaarheid van hoge temperatuur warmte en duurzaam gas. Robuuste buurten zijn buurten waar in alle negen scenario’s (verschillende combinatie warmteoplossingen) dezelfde oplossing naar boven komt. De modellen geven altijd een collectief warmtenet als oplossing, soms op hoge temperatuur, soms op lage temperatuur, maar wel altijd een warmtenet. Dit is het geval in 72 buurten. Dit zijn de buurten die op de ‘WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ blauw kleuren. Omdat isoleren een belangrijk spoor is in deze transitie, hebben we onderzocht wat er gebeurt in de analyses als de woningen in de buurten, ongeacht maatschappelijke kosten, naar label B worden geïsoleerd. Van de oorspronkelijk 72 robuuste buurten hebben 63 buurten nog steeds in alle scenario’s een collectief warmtenet als beste oplossing. Voor de overige 9 buurten kwam er in minimaal één van de scenario’s een andere oplossing uit. De 63 buurten noemen we nu de robuuste buurten. Robuustheid is in de afweging een randvoorwaarde. De robuuste buurten zijn vervolgens aan de volgende criteria onderworpen: betaalbaarheid en gedoe.

Meer partijen hebben scenario’s gemaakt. In het openingsbod van Stedin (zie paragraaf 3.2) is met een optimaal isolatieniveau van panden gerekend. Dit was mede aanleiding om het effect van versnelde isolatie van panden ook in dit criterium mee te nemen en de extra robuustheidscheck uit te voeren.

Transitievisie Warmte deel II

17

2.2

Betaalbaarheid

Uit Transitievisie Warmte deel I: Betaalbaarheid voor de eindgebruiker: is het mogelijk ervoor te zorgen dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan ze zouden betalen voor aardgas.

Figuur 5: Het criterium betaalbaarheid.

Transitievisie Warmte deel II

18

Volgens het Klimaatakkoord moeten de kosten voor alle partijen in Nederland (de maatschappelijke kosten) zo laag mogelijk zijn én de kosten voor de eindgebruiker mogen niet hoger zijn dan wanneer ze aardgas zouden gebruiken (woonlastenneutraal). In de maatschappelijke kosten benadering wordt op nationaal niveau zonder belastingen en subsidies gerekend om financiële herverdelingseffecten uit de vergelijking te halen. De analyse op eindgebruikerskosten laat de daadwerkelijke effecten van alternatieven voor aardgas zien voor de bewoners en bedrijven en voor de andere partijen in de leveringsketen. De uitkomsten van deze benaderingen kunnen verschillen en met name de Rijksoverheid kan met belastingen en subsidies beïnvloeden hoe de kosten en de baten in de keten verdeeld zijn. Over het algemeen hebben oplossingen met lage maatschappelijke kosten ook de laagste eindgebruikerskosten. Om te komen tot een volgorde voor het criterium betaalbaarheid, ordenen we de buurten op twee manieren, waarbij we zo goed mogelijk rekening houden met de onzekerheid rondom het beschikbaar komen van bronnen. 1. Als eerste kijken we waar het verschil in kosten tussen het realiseren van HT/MT en LT het grootste is. Om de kosten voor alle gebruikers in de gemeente Utrecht zo laag mogelijk te houden, moeten we de HT/MT bronnen inzetten waar het erg duur is om LT bronnen in te zetten.

Dit zijn de buurten waar het verschil in kosten tussen de realisatie van HT/MT en LT het grootste is. Dit is ranking 1 (zie figuur 5).

Een HT of MT warmtenet is in bijna alle gevallen de goedkoopste oplossing om in te zetten voor een buurt. Bij het inbreiden van het warmtenet (uitbreiden in een buurt waar al voor een groot gedeelte warmtenet ligt) zijn de kosten per aan te sluiten woning laag. Redenen daarvoor zijn dat de infrastructuur grotendeels al in de wijk ligt en dat woningen niet direct grote aanpassingen hoeven te doen om op dit systeem aan te sluiten (geen andere radiatoren/afgiftesystemen). Ook kan isolatie/energie­ besparing gefaseerd na aansluiten gebeuren; dit is geen vereiste om aan te sluiten op het warmtenet. Zelfs als de infrastructuur niet in de buurt aanwezig is, is uitbreiding van het warmtenet naar (naastgelegen) buurten per woning een alternatief met lagere kosten volgens de berekening van het model. 2. Daarnaast is het doel/ons uitgangspunt dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan hij/zij zou gaan betalen voor aardgas. Om die kans zo groot mogelijk te maken selecteren we buurten waar het verschil in kosten per gasaansluiting tussen de HT/MT oplossing én de voortzetting van de huidige situatie zo klein mogelijk is. Dit is ranking 2 (zie figuur 5). Beide ordeningen leveren tezamen een volgorde op. Dit alles is globaal: gebaseerd op aannames en gemiddelden voor een hele buurt.

In het Wijkuitvoeringsplan wordt het verder uitgewerkt en vindt de daadwerkelijke toets op betaalbaarheid voor de eind­ gebruiker plaats.

De initiële kosten voor een LT-oplossing aan een woning zijn hoog. Voor een LT-oplossing is een bepaald isolatieniveau nodig en moet de gebouweigenaar de installatie voor tapwater en radiatoren afstemmen op lagere temperatuur. Nu weten we nog niet hoeveel HT/MT er precies beschikbaar komt voor Utrecht, maar we weten al wel dat deze bronnen schaars zijn. We moeten dit dus op de juiste plekken inzetten. Als er weinig HT/MT bronnen (bv. aardwarmte) beschikbaar komen zal er meer gebruik gemaakt moeten worden van LT bronnen, al dan niet opgewaardeerd naar MT.

Transitievisie Warmte deel II

19

2.3

Gedoe

Uit Transitievisie Warmte deel I: Zo min mogelijk overlast en gedoe voor gebouw­eigenaren en -gebruikers: welk alternatief levert gebouweigenaren en -gebruikers het minste gedoe of overlast in de woningen, het pand en/of de openbare ruimte bij benodigde aanpassingen.

Figuur 6: Het criterium zo min mogelijk gedoe.

Transitievisie Warmte deel II

20

Gedoe onderscheiden we in gedoe binnenshuis en gedoe in de buitenruimte.

Gedoe binnenshuis Dit is het gedoe dat mensen in een gebouw ervaren bij de overstap naar een andere warmtevoorziening. Het heeft twee onderdelen: 1. De schil, dus hoeveel je moet isoleren aan een woning of gebouw. Uiteindelijk willen we dat iedereen zijn/haar woning isoleert. Bij een HT of MT oplossing hoeft dat niet meteen (voordat de overstap wordt gemaakt) maar kan isoleren in eigen tempo (bijvoorbeeld op een moment dat je toch al aan de slag gaat). In buurten waar LT de oplossing is, is een goede isolatie direct noodzakelijk. Waar dat nog niet het geval is willen we hier liever meer tijd voor geven. Daarom schatten we in dat bij buurten waar HT of MT warmtenet wordt aangelegd het gedoe lager is. 2. Het systeem, dus de installatie en leidingen. De aanleg van een HT en/of MT warmtenet levert voor de aansluiting het minste gedoe op aan het systeem in huis omdat de radiatoren en de tapwaterinstallatie niet vervangen hoeven worden. Bij de overstap gaat het om het plaatsen van een afleverset voor het warmtenet. Bij LT moeten naast de afleverset misschien ook het afgiftesysteem (de radiatoren) vervangen worden en er moet mogelijk een extra booster voor tapwater komen. Dit geldt ook voor goed geïsoleerde woningen. Buurten met een HT/MT-warmtevraag hebben dus minder gedoe dan buurten met een LT-warmtevraag.

Gedoe in de buitenruimte Dit is het gedoe dat wordt ervaren in de straat of buurt. Hier zien we drie onderdelen: 1. De ligging ten opzichte van het bestaande warmtenet: Het levert meer gedoe op als het warmtenet verder weg ligt (eigen straat open maar ook omliggende straten). Als het warmtenet bijvoorbeeld al in de straat ligt hoeft alleen de woning aangesloten te worden en alleen de stoep opgebroken worden, dat levert minder gedoe op.

Transitievisie Warmte deel II

2. Gedoe bij monumenten is groter: Binnenshuis is dit ongeveer hetzelfde als bij gewone woningen maar de straten rondom monumenten zijn ook vaak oud en vaak smal. Daarmee is er beperkte ruimte in de ondergrond voor de infrastructuur en levert het meer gedoe in de openbare ruimte op. 3. Gedoe bij hoogbouw is kleiner: Bij hoogbouw is er minder gedoe omdat de energievraag geconcentreerd is. De leidingen kunnen naar één centraal punt worden aangelegd in plaats van naar verschillende woningen. Collectieve ketels in hoogbouw zijn makkelijker te vervangen voor een warmtenetaansluiting (dit is niet zozeer gedoe in de buitenruimte maar vindt dan wel plaats in collectieve ruimtes van een gebouw en dus niet in de woning zelf).

2.4 Weging Robuustheid is een randvoorwaarde: voor niet robuuste buurten is er een grote afhankelijkheid van nieuwe onzekere bronnen, waarvan de eventuele beschikbaarheid komende jaren duidelijker wordt. Niet robuuste buurten worden daarom gepland in het laatste tijdsblok (2040-2050). Betaalbaarheid en gedoe zijn wegingscriteria voor de eerste twee tijdsblokken. Voor de robuuste buurten wordt de volgende weging gehanteerd: • ‘Betaalbaarheid’ en ‘zo min mogelijk gedoe’ wegen even zwaar; • Betaalbaarheid: ranking 1 (verschil tussen HT en LT is groot) weegt zwaarder dan ranking 2. We verwachten schaarste aan hoge temperatuurbronnen, door die in te zetten in buurten die hoog scoren in ranking 1 voorkomen we dat de buurten die later aan bod komen hele hoge kosten hebben omdat ze naar LT moeten. Deze invulling vinden we belangrijker dan ranking 2 waarbij de businesscase makkelijker is en het makkelijker is om de overstap te maken);

21

• Gedoe binnenshuis weegt zwaarder dan gedoe buitenshuis (uitkomst participatie, zie bijlage 1). Tijdens de participatie bleek dat de aanwezigen gedoe buitenshuis minder belangrijk vonden. Er is dan nog steeds een veilige haven binnenshuis waar men naar toe kan; • Bij gedoe buitenshuis wegen aandeel hoogbouw, aandeel monumenten en ligging ten opzichte van het bestaande net even zwaar. Hoe deze weging precies is toegepast hebben we beschreven in de wegingstabel in bijlage 2. De criteria zijn, naast de participatie, ook met diverse interne en externe stakeholders (Eneco, STUW, Energie U, Stedin) besproken. Het algemeen beeld is dat de criteria goed navolgbaar zijn. Weinig gedoe en betaalbaarheid worden beide als even belangrijk gezien. Stedin, Eneco en de STUW hebben gevraagd ook te kijken naar hun onderhoudsplannen. Daarnaast is het belangrijk goed te kijken naar de grenzen van de buurten. Soms maken twee buurten gebruik van dezelfde infrastructuur en kunnen ze beter gelijktijdig aangepakt worden, soms zijn er ontwikkelingen gaande waarin je de energietransitie nu meteen mee kunt nemen. Bij de eerste stappen naar een wijkuitvoeringsplan zal hier zeker aandacht voor zijn. Zie ook Volgorde buurten (hoofdstuk 3) en Stappenplan (hoofdstuk 4).

Transitievisie Warmte deel II

22

3. Volgorde buurten 3.1

Uitkomsten weging

In het coalitieakkoord ‘Utrecht ruimte voor iedereen’ is vastgelegd dat het aantal aansluitingen op het aardgasnet in 2030 met minimaal 40.000 moet zijn afgenomen. Het gaat hier om een derde van alle aardgasaansluitingen in de stad Utrecht. Voor de bepaling van de volgorde, hebben we gebruik gemaakt van een geleidelijke verdeling in de volgende indicatieve tijdsblokken: 2021-2030, 2030-2040 en 2040-2050. In de uitvoering verwachten we een minder strakke indeling. Echter de volgorde is hiermee wel bepaald. Om tot een globale planning van de meest kansrijke buurten te komen hebben we de buurten van Utrecht opgedeeld in 6 groepen op basis van verschillen in aanpak en op basis van het criterium robuustheid. Dat geeft het volgende overzicht: 1) Overvecht-Noord en Utrecht Science Park (USP): daar zijn we al begonnen. Voor Overvecht-Noord is de planning om voor 2030 van het gas af te zijn, voor het USP voor 2040 (gebaseerd op bestuurlijke afspraken tussen de grootste gebiedspartijen), dus het USP is in het tijdsblok 2030-2040 geplaatst. 2) Maatwerk waar weinig gasaansluitingen zijn: aantal buurten heeft minder dan 100 gebouwen. Voor deze buurten is het Vesta MAIS model niet geschikt en moet dus een aparte analyse gedaan worden wat voor deze buurt de beste oplossing is. Deze buurten zijn als niet robuust aangemerkt en in het tijdsblok 2040-2050 geplaatst.

3) Maatwerk bedrijventerreinen: bedrijventerreinen vormen een apart spoor: eigen indeling 2021- 2050. Hoe deze indeling uitwerkt naar de tijdsblokken is nog niet bekend (zie ook hoofdstuk 5 Gebiedsgericht aan de slag: bedrijventerreinen).

Transitievisie Warmte deel II

4) Maatwerk Binnenstad binnen de singel: eigen maatwerkaanpak 2021 – 2050. De binnenstad is een bijzonder gebied binnen Utrecht met veel historische (monumentale) panden. Er zijn veel onzekerheden over de ondergrondse infrastructuur, zoals het aantal en type aansluitingen, maar ook het aantal werfkelders en de locaties daarvan. Ook is er een stapeling van ambities in de Binnenstad. Voor de transitie in de oude binnenstad sluiten we daarom aan op werkzaamheden die al plaats moeten vinden (bijvoorbeeld autovrij maken, vergroenen, klimaatadaptatie en andere herinrichtingen). De betekenis hiervan ook in relatie tot de “redelijke termijn” én een eventueel Wijkuitvoeringsplan wordt nog uitgezocht. 5) De niet-robuuste buurten plannen we in het tijdblok 2040-2050, omdat het nog onduidelijk is welke oplossing voor die buurten van toepassing wordt. Dat hangt af van hoeveel hoge temperatuur warmte en/of duurzame gasvormige energiedragers (duurzaam gas) er beschikbaar komen. Daar verwachten we de komende jaren meer inzicht in te krijgen. In deze groep zijn ook die buurten meegenomen die niet robuust zijn als alle woningen naar label B worden geïsoleerd. 6) De resterende groep robuuste buurten met 67.228 aansluitingen is vervolgens gewogen met de criteria betaalbaarheid en gedoe zoals we beschreven in hoofdstuk 2 (zie ook bijlage 2).

De geselecteerde buurten voor het tijdpad 2021-2030 zijn de buurten die op basis van deze weging van de criteria het beste scoren en samen met Overvecht-Noord en een deel van de buurten binnen de singel optellen tot 40.000 gebouwen. De uitkomsten van de weging laten we zien in de WANNEER-kaart (figuur 7).

23

ers hilv

re ch t

cht -

ut

-a

m

utre

or w eg

st

er d

rwe g

A2

am

spo o

sp o

um

WANNEER-kaart

o spo

A27

g rwe

utre

ch

ilv t-h

ers

e um

na

me

o rsfo

rt

OVERVECHT

NOORDWEST

o spo

g rwe

u

ht trec

den haag en

rotterdam

WEST

NOORDOOST

A28

LEIDSCHE RIJN

BINNENSTAD

VLEUTEN - DE MEERN

OOST

A12

ZUIDWEST

m spoorweg utrecht - arnhe

ZUID

A12

Planning buurtaanpak aardgasvrij 2021-2030

A2

2020-2030

2030-2040

2030-2040

2040-2050

A27

2040-2050

Maatwerk Binnenstad (binnen de singel) Maatwerk Binnenstad (binnen de singel)

Kilometers 0 0,5

Maatwerk bedrijventerreinen

1

Maatwerk bedrijventerreinen

2

AAN DEZE TEKENING KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND _stad_warmteprofielen

Figuur 7: de WANNEER-kaart

Transitievisie Warmte deel II

Esri, HERE, Garmin, (c) OpenStreetMap contributors, and the GIS user community

Gemeente Utrecht Aardgasvrij planning per buurt

19-07-2021 1:55.000 A3

W:\Ruimte\OSR\projecten\_Stad\warmteprofielen\gu_warmteprofielen_gis

24

Buurten

Aantal buurten

2021-2030

24

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen 39.432

11.919

Ton CO2 (100.000 kg)

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Ton CO2 (100.000 kg)

Buurten

Aantal buurten

52.834

69.400

Sterrenwijk

1

375

-

420

883

1

1.722

907

2.650

1.687

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Dichterswijk

1

1.590

8

2.526

3.772

Taag- en Rubicondreef en omgeving

Egelantierstraat, Mariëndaalstraat e.o.

1

1.386

1

1.575

3.541

Tigrisdreef en omgeving

1

1.805

1.516

2.037

1.379

1

1.345

201

1.603

2.188

Elinkwijk en omgeving

1

2.156

Geuzenwijk

1

Huizingalaan, K. Doormanlaan en omgeving

1

Kanaleneiland-Zuid Neckardreef en omgeving

-

2.251

4.935

Vechtzoom-noord, Klopvaart

1.553

-

1.944

3.281

Vechtzoom-zuid

1

1.917

1.432

2.944

1.473

396

322

913

283

Wilhelminapark en omgeving

1

870

256

1.095

2.950

1

3.146

1.806

4.310

3.214

Wittevrouwen

1

2.982

85

3.306

7.003

1

1.680

1.227

2.617

1.223

1

1.570

968

2.630

1.522

Ondiep

1

1.780

126

2.680

4.022

Wolga- en Donaudreef en omgeving

Oog in Al

1

1.465

-

1.656

4.848

Zambesidreef en omgeving

1

1.864

1.469

2.417

959

Zamenhofdreef en omgeving

1

1.229

1.115

2.591

782

Oud Hoograven-Noord

1

1.206

-

1.264

2.943

Oud Hoograven-Zuid

1

1.007

-

1.058

2.271

Oudwijk

1

2.349

151

2.681

5.440

Rivierenwijk

1

3.493

141

4.796

7.932

Staatsliedenbuurt

1

546

188

870

869

Tabel 1: Buurten in het eerste tijdsblok (2021-2030)

* Woningequivalent (weq): een weq is gelijk aan 130m2 bruto vloeroppervlak (bvo) van een bedrijfsgebouw in de utiliteitssector. Met deze maat kunnen woningen en bedrijfsgebouwen op een zinvolle manier bij elkaar worden opgeteld.

Transitievisie Warmte deel II

25

Buurten

Aantal buurten

2030-2040

34

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen 34.764 931

1.794 54

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Ton CO2 (100.000 kg)

79.698

79.818

Abstede, Tolsteegsingel e.o.

1

1.157

2.025

Bleekstraat en omgeving

1

269

15

301

588

Buiten Wittevrouwen

1

1.943

474

3.208

4.354

De Meern-Noord

1

1.647

12

2.510

4.567

De Meern-Zuid

1

2.773

-

3.057

7.782

Grauwaart

1

3

-

682

-

Het Zand-Oost

1

113

2

1.856

692

Het Zand-West

1

149

2

2.675

368

Hoge Weide

1

2

-

1.186

-

Hooch Boulandt

1

300

56

1.976

691

Langerak

1

128

12

2.196

543

Lauwerecht

1

1.032

57

2.452

2.382

Leeuwesteyn

1

1

-

1.733

-

Parkwijk-Noord

1

5

-

1.352

-

Parkwijk-Zuid

1

13

-

1.651

-

Pijlsweerd-Noord

1

903

73

1.263

1.986

Rijnvliet

1

59

-

492

603

Schaakbuurt en omgeving

1

1.295

-

2.250

2.838

Buurten

Aantal buurten

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Ton CO2 (100.000 kg)

Terwijde-Oost

1

-

-

2.922

-

Terwijde-West

1

37

11

2.071

40

Transwijk-Noord

1

1.744

603

3.170

2.315

Transwijk-Zuid

1

254

2

3.050

538

Tuindorp en Van Lieflandlaan-West

1

2.348

1

4.195

5.760

Tuinwijk-Oost

1

1.308

-

1.320

3.016

Tuinwijk-West

1

1.100

-

1.148

2.716

Utrecht Science Park

1

37

-

10.509

76

Veldhuizen

1

3.433

-

3.534

7.077

Vleuten

1

3.059

-

3.651

8.037

Vleuterweide-Noord/Oost/ Centrum

1

2.811

-

3.196

4.860

Vleuterweide-West

1

2.015

-

2.118

4.454

Vleuterweide-Zuid

1

1.577

-

1.749

3.293

Vogelenbuurt

1

1.808

-

1.971

4.491

Welgelegen, Den Hommel

1

445

230

1.429

730

Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat en omgeving

1

1.222

190

1.668

2.997

Tabel 2: Buurten in het tweede tijdsblok (2030-2040) * Woningequivalent (weq): een weq is gelijk aan 130m2 bruto vloeroppervlak (bvo) van een bedrijfsgebouw in de utiliteitssector. Met deze maat kunnen woningen en bedrijfsgebouwen op een zinvolle manier bij elkaar worden opgeteld.

Transitievisie Warmte deel II

26

Buurten

Aantal buurten

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Ton CO2 (100.000 kg)

Totaal aantal woningequivalent (WEQ)*

Ton CO2 (100.000 kg)

1.074

65.844

87.974

Máximapark

1

309

-

460

1.436

2.725

-

3.299

6.072

2

2.151

4.151

Nieuw Engeland, Th. a. Kempisplantsoen en omgeving

1

1.494

1

415

-

433

569

Nieuw Hoograven-Noord

1

1.173

-

1.320

2.195

Galgenwaard en omgeving

1

31

18

2.239

33

Nieuw Hoograven-Zuid

1

1.514

-

1.969

2.700

Haarrijn

1

31

-

128

312

1

793

1

1.450

1.600

Haarzuilens en omgeving

1

233

-

258

1.184

Nijenoord, Hoogstraat en omgeving

Halve Maan-Noord

1

852

-

888

1.579

Pijlsweerd-Zuid

1

1.504

78

2.999

3.421

Halve Maan-Zuid

1

456

6

686

1.090

Poldergebied Overvecht

1

117

-

216

527

Julianapark en omgeving

1

1.408

-

1.455

3.151

1.768

-

2.035

4.089

1

2.697

393

4.999

4.104

Prins Bernhardplein en omgeving

1

Kanaleneiland-Noord L. Napoleonplantsoen en omgeving

1

535

-

629

1.261

Queeckhovenplein en omgeving

1

448

-

650

925

Laan van Nieuw GuineaSpinozaplantsoen

1

2.132

-

2.390

4.233

Leidsche Rijn-Centrum

1

-

-

2.442

-

Leidseweg en omgeving

1

595

-

732

1.093

Lombok-Oost

1

1.099

-

1.258

Lombok-West

1

2.356

-

2.695

Lunetten-Noord

1

2.274

-

Lunetten-Zuid

1

3.296

-

Maarschalkerweerd en Mereveld

1

88

-

Waarvan Totaal enkel aantal kookgas gasaan­ sluitingen

Buurten

Aantal buurten

2040-2050

36

42.251

2e Daalsebuurt en omgeving

1

Bokkenbuurt

Rijnenburg

1

89

-

88

502

Rijnsweerd

1

178

8

3.910

1.031

Rubenslaan en omgeving

1

830

362

3.495

878

Schildersbuurt

1

1.622

206

1.955

3.919

2.488

Tolsteeg en Rotsoord

1

2.655

-

3.352

3.698

5.428

Tuindorp-Oost

1

1.610

-

2.330

2.581

2.866

4.170

2.161

-

2.511

3.885

6.363

Voordorp en Voorveldsepolder

1

4.113 268

707

Watervogelbuurt

1

1.060

-

1.313

2.594

Zuilen-Noord

1

1.703

-

1.862

4.009

Tabel 3: Buurten in het derde tijdsblok (2040-2050) * Woningequivalent (weq): een weq is gelijk aan 130m2 bruto vloeroppervlak (bvo) van een bedrijfsgebouw in de utiliteitssector. Met deze maat kunnen woningen en bedrijfsgebouwen op een zinvolle manier bij elkaar worden opgeteld.

Transitievisie Warmte deel II

27

3.2

De volgorde in perspectief

CO2-aanpak

Overstappen op elektrisch koken

CO2-winst is geen criterium voor het bepalen van de volgorde van buurten. Dit is in deel I toegelicht. Het doel van de warmtetransitie is wel om te komen tot een CO2-neutrale warmtevoorziening. Daarom brengen we wel de maximale CO2besparing van de buurtvolgorde in beeld. Van de CO2-uitstoot kunnen we alleen de uitstoot van kleinverbruikersaansluitingen uitrekenen per buurt. Dit doen we aan de hand van het gasverbruik met een omrekeningsfactor. De kleingebruikers in de hele stad stoten tezamen 286.707 ton CO2 uit. Van de grootverbruikers is het gasgebruik niet openbaar en is het niet opgenomen in de uitstoot per buurt. We weten wel het totaal voor de hele stad. Volgens het meest recente duurzaamheidsverslag hadden de bedrijven voor het gasverbruik een CO2uitstoot van 168.042 ton. We zien dat met de buurten in het eerste tijdsblok, met 31% van de aansluitingen, in potentie 26% CO2 wordt bespaard van de stedelijke uitstoot (exclusief de groot­ verbruikers). Doordat in deze buurten veel gebouwen met kookgasaansluitingen staan en kookgas naar verhouding weinig verbruik per aansluiting heeft, ligt de potentie van besparing iets lager dan 31% . In de buurten met veel kookgasaansluitingen ligt al een warmtenet en deze buurten komen in de analyses vaak naar voren als robuuste buurten.

Ook is het relatief weinig gedoe om enkel van het kookgas af te gaan, vergeleken met de overstap op een ander verwarmingssysteem. Daarom zitten deze buurten in het eerste tijdsblok en heeft deze groep dus een lagere CO2-uitstoot dan de andere tijdsblokken.

In Utrecht zijn er ruim 16.000 woningen die alleen aardgas gebruiken om te koken. Van het gas afgaan is voor deze woningen relatief makkelijk. Het lijkt dan ook logisch te starten met de woningen die alleen gas gebruiken voor het koken. Het blijkt dat de woningen die alleen kookgas gebruiken hoofdzakelijk in de buurten liggen die als eerste aan de beurt zijn (bijna 12.000 in de eerste buurten en in Overvecht-Noord en USP, waar al begonnen is met de transitie). Dit valt dus mooi samen. Daarnaast zien we dat bewoners steeds vaker kiezen voor elektrisch koken en adviseren we om op natuurlijke momenten, bijvoorbeeld bij de aanschaf van een nieuwe keuken, nu al deze overstap te maken. We verwachten dat het aantal kookgasaansluitingen ook in de andere buurten komend jaar zal dalen.

Transitievisie Warmte deel II

Ontwikkelingen in de buurten Van de 24 buurten die geselecteerd zijn, is voor de periode 2021-2030 in een snelle ronde informatie opgehaald over de ontwikkelingen in deze buurten. Dit levert inzicht op in de meekoppelkansen met rioolwerkzaamheden en wegwerkzaamheden maar geeft ook beeld van het corporatiebezit in de buurt en de reeds geplande (en niet geplande) renovaties van corporaties waarbij aardgasvrij het uitgangspunt is. Deze inventarisatie is met nadruk een eerste inventarisatie en wordt in de eerste stappen van de buurtaanpak verder uitgediept en aangevuld. Een korte omschrijving van de ontwikkelingen in de 24 buurten is te vinden in bijlage 3.

28

Onderhoudsplannen en ontwikkelingen bij corporaties In de 24 buurten die geselecteerd zijn ligt circa 50% van het bezit van de grote corporaties. Voor een efficiënte aanpak willen de corporaties de aanpassingen die nodig zijn in de warmtetransitie zoveel mogelijk op laten lopen met hun meerjaren­ planning voor groot onderhoud. Soms loopt deze meerjarenplanning niet gelijk met de fasering van de buurten die volgt uit de drie criteria. Corporaties geven aan onvoldoende investeringsruimte te hebben om de planning in deze visie te realiseren voor 2030. Dit is een erkend knelpunt waar gemeenten en corporaties een gezamenlijk belang hebben in een landelijke aanpassing van onder andere de verhuurdersheffing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=f14c234c-e68e-4f5a-8719-900371639dbe