Toelichting Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht.docx
Tekst van het document
Toelichting op de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht
Algemeen
Deze verordening bevat regels met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen.
Twee regimes voor kabels en leidingen
Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch
telecommunicatienetwerk en werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding en opruiming van overige kabels en leidingen.
Voor de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bepaalt de
Telecommunicatiewet (afgekort: Tw), dat de aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk die het voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren, slechts overgaat tot het verrichten van deze werkzaamheden als het voornemen daartoe schriftelijk is gemeld aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) en de aanbieder van het college instemming heeft verkregen voor de uitvoering van de werkzaamheden (artikel 5.4, eerste lid, van de Tw). De Telecommunicatiewet bepaalt daarbij (onder andere) eveneens dat het college in het
instemmingsbesluit bijzondere voorschriften kan opnemen (artikel 5.4, tweede en derde lid, van de Tw) en dat de gemeenteraad met betrekking tot het verrichten van de werkzaamheden bij verordening regels vaststelt (artikel 5.4, vierde lid, van de Tw).
Voor de werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van de overige
kabels en leidingen ontbreekt een dergelijke vorm van wetgeving. Als een gemeente dit wil regelen moet zij hiervoor een verordening opstellen.
In deze verordening is voor respectievelijk niet-telecom kabels en leidingen en telecom-kabels en leidingen een apart hoofdstuk met bepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 is van toepassing op de
werkzaamheden voor wat betreft de (zogenoemde) overige kabels en leidingen (dit is gebaseerd op
artikel 149 van de Gemeentewet). Hoofdstuk 3 is van toepassing op werkzaamheden voor wat betreft kabels die ten dienste staan of komen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk (dit is gebaseerd op artikel 5.4 vierde lid van de Telecommunicatiewet (medebewind).
De bepalingen van hoofdstuk 2 sluiten inhoudelijk en voor wat betreft de afweging die de gemeente
dient te maken zo veel mogelijk aan bij de bepalingen voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van de kabels ten dienste van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk, zoals deze zijn opgenomen in de Telecommunicatiewet (zie paragraaf 5.1.2, van de Tw).
Er is wel een regeling toegevoegd voor het hebben en houden en het verwijderen van kabels en
leidingen. Het nemen van maatregelen waaronder het verplaatsen of verwijderen van telecomkabels, is in artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet geregeld. Voor niet-telecomregels ontbreekt zo’n regeling. Daarom moet de gemeente dit in een (op artikel 149 van de Gemeentewet gebaseerde) verordening regelen.
Publiekrechtelijke vergunning of instemming en privaatrechtelijke toestemming
De vergunning of instemming voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met kabels en leidingen is van publiekrechtelijke aard. Dat wil zeggen dat de verkrijger van de vergunning of
instemming het recht krijgt om werkzaamheden uit te voeren om daar een kabel of leiding aan te leggen en houden.
De vergunning of instemming tot het uitvoeren van werkzaamheden geeft geen privaatrechtelijke
toestemming aan de vergunningverkrijger om daadwerkelijk de werkzaamheden uit te voeren. Nu de
gemeente dit onderwerp publiekrechtelijke regelt, zal de gemeente geen civielrechtelijk toestemming verlenen een kabel of leiding in de grond te hebben en houden. Dit is niet nodig, omdat het al
publiekrechtelijk is geregeld. Dit is anders als de gemeente besluit een concessie te verlenen voor het exploiteren van een netwerk.
De gemeente zal ook in beginsel geen opstalrechten verlenen voor het hebben van een leiding in
gemeentegrond. Als een kabel of leiding niet in openbare grond (in de zin van de verordening) ligt, of in grond die eigendom is van de gemeente is, heeft de netbeheerder privaatrechtelijke toestemming van de betreffende eigenaar van de grond nodig.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat het recht op eigendom niet het recht meebrengt een leiding in de grond te mogen houden (zie Hoge Raad 20 september 2013, nr 12/01513; NJ 2014/522): ‘uit art 5:20 lid 2 BW voortvloeiende eigendomsrecht van de leidingen nog niet de bevoegdheid voor Eneco c.s. meebreng om deze leidingen in de grond te hebben en te houden’).
Samenwerking (fasering overleg met kabel- en leidingbeheerders)
De gemeente en de kabel- en leidingbeheerders moeten samenwerken om de hinder en de kosten van maatregelen (waaronder mede begrepen verleggingen) te beperken. Om dit te bereiken is goed
overleg met de kabel- en leidingbeheerders nodig. Hierbij kunnen de volgende fasen en principes worden onderscheiden. 1. Initiatiefoverleg
De projectleider van de gemeente (of de projectleider van een initiatiefnemer als de kabel of leiding ten behoeve van een niet-gemeentelijk project moet worden verlegd) stuurt de kabel- en
leidingbeheerders in een vroegtijdig stadium van het project een brief waarin hij de beheerders voor overleg uitnodigt. In dit overleg wordt nagegaan welke maatregelen (aanpassing, verplaatsing of
verwijdering, of een andere maatregel) er nodig zijn om het initiatief te kunnen uitvoeren, en waarbij tevens wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn de maatregelen tegen de laagste maatschappelijke kosten uit te voeren (actief onderzoek).
Netbeheerders hebben er belang bij dat ingrepen aan hun kabels- en leidingen zoveel als mogelijk is
wordt beperkt, aangezien dit kosten met zich meebrengt, en een ingreep de kwaliteit van dat deel van
het netwerk in negatieve zin kan beïnvloeden en de leveringszekerheid in gevaar kan brengen. Om het verleggen van kabels en leidingen zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat de gemeente bij een infrastructuurproject of bij gebiedsontwikkeling (c.q. een projectontwikkelaar bij geheel private
projecten) in een vroeg stadium in contact treedt met de netbeheerder. Hierbij wordt in overleg met de
betrokken netbeheerder naar goede en betaalbare alternatieven gezocht (waarbij ook gekeken wordt of door een aanpassing van het ontwerp het mogelijk is de kosten van een verlegging van een kabel of
leiding te voorkomen of de kosten te beperken). Dit laat onverlet dat het college de inrichting van de openbare ruimte bepaalt, en na overleg en weging van alle belangen (van de gemeente, de
nutsbedrijven, en derden die de ruimte willen ontwikkelen) beslist hoe de ruimte wordt gebruikt (het
profiel van de weg, de plaatsing van groenvoorzieningen, objecten, (bouw)werken van derden e.d.). Het college beslist of een leiding moet worden verwijderd, verplaatst of aangepast. 2. Concept besluit/verzoek verleggen
Op basis van de uitkomsten van het initiatiefoverleg kan de gemeente een voorstel doen voor het
nemen van maatregelen (waaronder het verleggen van leidingen) om het project mogelijk te maken (bij projecten van derden vindt er overleg tussen die derden en de kabelbeheerders plaats). In de brief
wordt aangegeven welk project wordt uitgevoerd, waarom de verlegging noodzakelijk is, en wanneer
de leiding moet zijn aangepast, verplaatst of verwijderd. In de brief kan de gemeente een nieuw tracé
voor de te verplaatsen leiding aangeven. Dit is niet noodzakelijk. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken netbeheerder een nieuw tracé te vinden.
Voor niet-telecom kabels en leidingen kan een conceptbesluit (op grond van artikel 13 van de
verordening) worden opgesteld, waarop de betrokken beheerder een zienswijze kan indienen. Dit is
bijvoorbeeld niet nodig als de gemeente en het nutsbedrijf in het initiatiefoverleg overeenstemming
over het nieuwe tracé en het tijdstip van verleggen hebben bereikt, of als het om een kleine verlegging gaat.
Voor telecom-kabels geldt hetzelfde (het gaat dan om een verzoek zoals bedoeld in artikel 5.8 Telecommunicatiewet, waarbij de betrokken beheerder wordt gevraagd een reactie te geven). 3. Besluit verlegging/ verzoek verlegging
Voor niet-telecom kabels en leidingen wordt de zienswijze beoordeeld, vervolgens wordt er het verleggingsbesluit op grond van artikel 13 van de verordening genomen.
Voor telecom-kabels wordt na ontvangst van de reactie een verzoek tot het nemen van maatregelen op grond van artikel 5.8 Telecommunicatiewet verzonden.
4. Vergunning/instemmingsbesluit uitvoering werkzaamheden (coördinatie)
Voor het in de weg aanbrengen van niet-telecom kabels of leidingen (open breken van de weg) heeft
de beheerder op grond van artikel 6 van deze verordening een vergunning nodig (om werkzaamheden
in de openbare grond uit te voeren). Daarbij dient de beheerder tevens een uitvoeringsplan in te dienen (dat onderdeel is van de vergunningaanvraag).
Voor het in de weg aanbrengen van telecom kabels (open breken van de weg) heeft de beheerder op
grond van artikel 16 van de verordening instemming van het college nodig. Daarbij dient de beheerder tevens een uitvoeringsplan in te dienen.
Deze werkwijze zal ook worden vastgelegd in de door het college vast te stellen nadere regel (handboek kabels en leidingen).
Relatie tot de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (APV)
Artikel 2:9 en artikel 2:11 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (APV) zijn niet meer van toepassing op kabels en leidingen.
Medegebruik van voorzieningen
De Telecommunicatiewet en deze verordening bevatten diverse bepalingen om medegebruik van
voorzieningen te bevorderen. Echter, niet elke voorziening leent zich voor medegebruik. Wat onder
mede te gebruiken voorzieningen moet worden verstaan kan afgeleid worden uit de volgende passage uit de memorie van toelichting bij wijziging van de Telecommunicatiewet (Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, pp.60-61):
“Het gaat hierbij om medegebruik van de voorzieningen ter zake van de aanleg en instandhouding van
kabels; daaronder kunnen de bij de kabel behorende ondersteunings- en beschermingswerken worden verstaan. Het medegebruik betreft niet de kabeldraad of glasvezel zelf. Onder bij de kabel behorende
ondersteunings- en beschermingswerken worden in dit verband ondermeer verstaan de kabelgoten en kabelsleuven. Ook vallen mantelbuizen ter bescherming van kabels en de handholes, lasdozen en duikers onder de voor medegebruik in aanmerking komende voorzieningen”.
Voor wat betreft medegebruik van voorzieningen geldt in de eerste plaats dat degene die de
voorziening ter beschikking stelt en degene die de kabel wil aanleggen tot een overeenstemming moeten komen. Voor zover het betreft kabels ten dienste van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk kan de Autoriteit Consument en Markt (ACM, per 1 april 2013 de opvolger van
de OPTA) daarbij verzocht worden om een eventueel geschil te beslechten (op grond van artikel 12.2, eerste lid, van de Tw).
De gemeente is bevoegd te bevorderen dat voorzieningen medegebruikt worden. Voor het
onderzoeken van het medegebruik kan degene die voornemens is werkzaamheden uit te voeren gebruik maken van reeds aanwezige informatie bij de gemeente. Als het voornemen tot
werkzaamheden voldoende uitgewerkt is – bekend is bijvoorbeeld langs welk tracé de kabels zullen
lopen – dan kan de gemeente naar degene die over de voorziening beschikt door verwijzen of, als de gemeente zelf degene is die de voorziening ter beschikking kan stellen, daarover in gesprek gaan.
Herstraten
Voor het herstraten geldt dat de vraagstukken hieromtrent in eerste instantie een kwestie zijn tussen degene die de grond ter beschikking stelt en degene die de werkzaamheden wil uitvoeren. Dat de
gemeente in het overgrote deel de eigenaar is van de openbare gronden doet daar niets aan af. Bij een overeenkomst worden afspraken gemaakt over welke partij tot herstraten overgaat, tegen welke
(marktconforme) kosten en met welke kwaliteit (als onderdeel van de privaatrechtelijke toestemming). Toch heeft de gemeente vanuit haar verordenende bevoegdheid en vanuit de belangen die met deze
verordening zijn gegeven, wel degelijk een belang bij de wijze van herstraten. Dit belang is overigens
niet direct gelegen bij de vraag wie herstraat en tegen welke kosten, maar juist bij het kwaliteitsniveau van de openbare gronden na beëindiging van de werkzaamheden.
Om dit belang te waarborgen bevat deze verordening de bepaling dat de gronden na beëindiging van
de werkzaamheden in de oude staat terug behoren te worden gebracht, het college kan evenwel anders beslissen (artikelen 11 en 17). Deze regel vormt het uitgangspunt voor de afspraken tussen degene die de grond ter beschikking stelt en degene die de werkzaamheden wil uitvoeren. Als de gemeente geen eigenaar is van de gronden, vormt deze bepaling een belangrijk instrument van sturing, en de grond waarop de gemeente kan optreden tegen een slechte oplevering van werkzaamheden.
De gemeentelijke rol in de warmtetransitie Het klimaatakkoord, de warmtetransitie en de rol van de gemeente Nederland staat voor grote uitdagingen op het gebied van klimaat. In het Klimaatakkoord zijn
afspraken opgenomen over de manier waarop Nederland dit wil gaan bereiken. Het centrale doel is de nationale broeikasgasuitstoot in 2030 met 49% en in 2050 met 95% terug te dringen ten opzichte van 1990. De maatregelen ter verwezenlijking van dit doel worden genomen op verschillende gebieden. Een van die gebieden is de gebouwde omgeving; daar wordt onder meer voorzien in een grote verduurzamingsslag in huizen en gebouwen door middel van isolatie of energiebesparing, het
opwekken van schone energie, en een gebiedsgerichte overstap naar duurzaam verwarmen en koken (hierna: ‘de warmtetransitie’).
Voor aardgas zijn verschillende oplossingen/alternatieven denkbaar, zoals warmtenetten, all electric, het gebruik van het aardgasnet voor groen gas of waterstof alsook hybride ketels. De verschillende alternatieve warmtevoorzieningen hebben daarbij ieder hun eigen voor- en nadelen.
Het Klimaatakkoord voorziet in een ‘wijk voor wijk’-aanpak voor de warmtetransitie. Gemeenten hebben daarin de regierol van het Rijk toebedeeld gekregen. Samen met bewoners en
gebouweigenaren moet in een zorgvuldig proces een afweging gemaakt worden over wat per wijk de
beste oplossing is, als gebouwen niet langer met een (traditionele) op gas gestookte cv-ketel worden verwarmd.
Gemeenten dienen als eerste stap in het proces zoals omschreven in het Klimaatakkoord een
Transitievisie Warmte (hierna ook: ‘TVW’) vast te stellen. Daarin wordt een tijdspad vastgelegd waarop
wijken van het aardgas gaan. Voor wijken waarin de transitie vóór 2030 gepland is, moeten bovendien ook de potentiële alternatieve energie infrastructuren al bekend zijn. Regie van de gemeente Om haar centrale rol in de warmtetransitie te kunnen vervullen is noodzakelijk dat de gemeente regie
kan voeren over de vraag in welke gebieden welke alternatieve warmtevoorziening wordt gerealiseerd
of uitgebreid. Aansluiting van (een deel van) een wijk op een bepaalde alternatieve warmtevoorziening
kan er namelijk niet alleen voor zorgen dat een andere alternatieve warmtevoorziening in (dat deel van) de wijk niet langer kansrijk is, maar kan ook voor andere gebieden gevolgen hebben. In het geval van warmtenetten geldt bijvoorbeeld dat sommige gebouwen (financieel) aantrekkelijker zijn om aan te
sluiten dan andere, bijvoorbeeld omdat zij relatief dicht bij elkaar zijn gelegen. Door aantrekkelijke
gebouwen te combineren met minder aantrekkelijke gebouwen, wordt het mogelijk grote(re) gebieden van het aardgas af te halen. Als de uit oogpunt van exploitatie (financieel) aantrekkelijke gebouwen al
op een warmtenet zijn aangesloten, zijn de resterende, ‘onaantrekkelijke’ gebouwen niet meer op een rendabel warmtenet aan te sluiten, of wordt het gebied waarbinnen dit kan kleiner.
In lijn met het vorenstaande formuleert de gemeente gericht op het aardgasvrij maken van een gebied. Het gaat om een beslissing van het gemeentebestuur dat een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het gemeentebestuur te nemen besluiten of te verrichten
(andere) handelingen, ten einde de doelstelling aardgasvrij te bereiken. De gemeente werkt al enkele
jaren aan dergelijk beleid, en voorbeelden hiervan zijn de “Visie op de warmtevoorziening in Utrecht”, [aanvullen] en – deel 1 en 2 van - de TVW van de gemeente.
Om de doelstellingen van de energietransitie te bereiken is het belangrijk het energie gebruik van
bestaande gebouwen omlaag te brengen, over te stappen op schone energie en te stoppen met het gebruik van aardgas. Tevens is belangrijk voor nieuwe gebouwen gebruik te maken van volledig
duurzame energiebronnen op lagere temperatuur, zodat de hoogwaardige bronnen beschikbaar blijven voor de lastig te verduurzamen gebouwen. Het grootste deel van de stad bestaat uit bestaande bouw. Ongeveer 75% van de gebouwen is (2021) nog aangesloten op het aardgasnet en zal moeten overstappen op een alternatief..
In de Transitievisie Warmte is op het niveau van gebieden (buurten) vastgelegd welke oplossing uit oogpunt van de energietransitie optimaal is. Hierbij is gekeken naar de betaalbaarheid voor de
eindgebruiker en bezien welke oplossing op lange termijn technisch en economisch de beste oplossing is (robuustheid). Het eerste deel van de Transitievisie Warmte is inmiddels door de raad vastgesteld.
Om haar regierol goed te kunnen vervullen en het doel (het aardgasvrij maken van een gebied) te
kunnen bereiken is in de verordening een specifieke grondslag voor het weigeren van vergunningen opgenomen, als de vergunningaanvraag voor de aanleg van een leiding voor een collectief
warmtesysteem de realisatie van het gemeentelijke beleid (het aardgasvrij maken van een gebied) kan belemmeren. Voorts is in de verordening de mogelijkheid opgenomen (om dat doel te bereiken)
voorschriften aan een vergunning te verbinden. Deze weigeringsgrond en de mogelijkheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden is gerechtvaardigd in het algemeen belang, geschikt en
proportioneel aan het beschreven doel dat ermee wordt nagestreefd, en gaat als instrument ook niet verder dan noodzakelijk (het is een ‘kán-bepaling’). Artikelsgewijze toelichting
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel de artikelen behandeld die in aanvulling op het algemeen deel verdere toelichting behoeven. Artikel 1. Begripsbepalingen
Huisaansluiting
Voor wat betreft het begrip huisaansluiting is aangesloten bij de aanduiding van een huisaansluiting in het kader van de Wet informatie-uitwisseling boven en ondergrondse netten (afgekort WIBON). Een
nadere toelichting op dit begrip huisaansluiting kan gevonden worden in de memorie van toelichting
bij de wet van 28 januari 2010 tot wijziging van de Wet informatie ondergrondse netten in verband met uitsluiting van huisaansluitingen (Kamerstukken II 2007/08, 31 540, nr.3, blz.2):
“Het gaat daarbij om netten die bedoeld zijn voor reguliere levering of afname die – onverminderd
eventuele wettelijke of contractuele voorwaarden en beperkingen – doorgaans beschikbaar zijn voor eindgebruikers in het desbetreffende gebied. Of het feitelijk gaat om een verbinding met een
huishouden is niet relevant. Aansluitingen van ondernemingen en andere organisaties op gas, water en elektra zijn derhalve eveneens huisaansluitingen in de zin van dit wetsvoorstel, zo lang het net waarop wordt aangesloten naar zijn aard maar óók open staat voor aansluiting van een eindgebruiker. Geen huisaansluiting daarentegen is de aansluiting van een bedrijf op een net dat een specifieke functie
heeft en dat niet is bestemd voor algemene openstelling voor huishoudens. Het gaat dan bijvoorbeeld om een situatie waarin de aansluiting van het net op huishoudens technisch onmogelijk of moeilijk
realiseerbaar is, of waarbij aansluiting op een huishouden niet in de rede ligt vanwege de functie van het net. Denkbaar is dat bij wijze van uitzondering een verbinding is gelegd tussen een net en een
huishouden. Het enkele feit dat er een verbinding is tussen een net en een huishouden, maakt deze en andere verbindingen met dat net nog niet tot een huisaansluiting. Bepalend is of dit net naar zijn aard open wordt gesteld voor aansluiting van huishoudens”.
De WIBON kent het begrip huisaansluiting overigens niet en spreekt van: “de niet met andere kabels of
leidingen samengebonden delen van kabels of leidingen die een verbinding vormen tussen een net dat naar zijn aard voor aansluiting van huishoudens wordt opengesteld, en één onroerende zaak als
bedoeld in artikel 16, onderdeel a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken” (artikel 1, lid 2, van de WIBON). Het is deze zinsnede die in deze verordening is overgenomen.
In het bijzonder houdt de begripsbepaling rekening met het bestaan van zogenoemde stervormig
aangelegde aansluitnetwerken (zie blz.2-3 van de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting): “Bij stervormige aansluitnetwerken loopt vanaf een centraal punt in een wijk een groot aantal, bijv. ca 60, kabels naar verschillende huishoudens, althans onroerende zaken. Deze kabels lopen in een
bundel in de ondergrond van een straat en na elke aansluiting ligt er een kabel minder in de grond. Het is niet gewenst dat een dergelijke bundel van kabels die elk een verbinding met één onroerende zaak buiten de reikwijdte van de WIBON worden gebracht. Daarom is een uitzondering gemaakt voor
samengebonden delen van kabels en leidingen. Bij stervormig aangelegde netwerken geldt derhalve als huisaansluiting het deel van de kabel vanaf de aftakking van de samengebonden kabels tot aan de onroerende zaak”.
Kabels en leidingen
Het begrip kabels en leidingen is gebaseerd op de begripsbepaling van net uit de Wet informatie-
uitwisseling ondergrondse netten (artikel 1, onder e, van de genoemde wet). Daarbij is een verbreding aangebracht om ook de werkzaamheden in verband met bovengrondse kabels en leidingen, inclusief ondersteunings- en beschermingswerken onder de werking van deze verordening te brengen. Als voorbeeld van dergelijke bovengrondse ondersteunings- en beschermingswerken kunnen
schakelkasten worden genoemd, trafohuisjes, alsmede ook inrichtingen voor het communicatieverkeer. Mantelbuizen, kabelgoten, handholes, lasdozen en duikers kunnen worden genoemd als voorbeelden van ondergrondse ondersteunings- en beschermingswerken. Met lege buizen worden bedoeld de
werken die worden aangelegd met het oogmerk deel uit te gaan maken van een netwerk en ook buizen die worden aangelegd als voorziening voor medegebruik.
Openbare gronden
Het begrip openbare gronden is dezelfde als de begripsbepaling zoals deze in de Telecommunicatiewet is opgenomen (artikel 1.1, onder aa, van de Tw). Door in de verordening voortdurend te spreken over “werkzaamheden in of op openbare gronden” (evenals in de Telecommunicatiewet overigens, zie
bijvoorbeeld artikel 5.4, eerste lid, van de genoemde wet) behoort duidelijk te zijn, dat het hier gaat om zowel werkzaamheden onder het maaiveld alsook werkzaamheden boven het maaiveld.
Verordening in medebewind
Naast de hiervoor genoemde begripsbepalingen zijn ook de begripsbepalingen uit de
Telecommunicatiewet van toepassing op deze verordening. Voor de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk is deze verordening namelijk een verordening in medebewind. En
aangezien een medebewindsverordening valt onder de zinsnede “en de daarop berustende bepalingen” (zie artikel 1.1, aanhef, van de Tw), werken de wettelijke begripsbepalingen uit de Telecommunicatiewet ook door in deze verordening.
Instandhouden: onder instandhouding van de kabels wordt in de telecommunicatiewet en de verordening naast het onderhoud ook het hebben en houden (zonder dat aan de kabels
werkzaamheden worden verricht) van kabels begrepen (MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29834, 3, p. 47).
Artikel 2. Toepassingsbereik
De regeling is niet van toepassing op (leidingen voor) warmte-koude-opslag installaties (WKO-
installaties), omdat de aanleg (deels), en het hebben en houden en verwijderen uitsluitend, via een opstalrecht of een concessieovereenkomst wordt geregeld. In het opstalrecht is een specifieke
kostenregeling voor het verwijderen van leidingen opgenomen. Voor het hebben en houden van een WKO-installatie heeft daarom men ook geen vergunning op grond van de Verordening kabels en
leidingen gemeente Utrecht nodig. Men heeft wel een vergunning op grond van de APV nodig voor het opbreken van de weg.
Artikel 3. Coördinatie van werkzaamheden
Het college is belast met de coördinatie van de binnen haar grondgebied uit te voeren werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen. Degene die
voornemens is om werkzaamheden uit te voeren moet een vergunning (voor niet telecom kabels en leidingen) of instemming (voor telecom-leidingen) van burgemeester en wethouders hebben. Deze instemming betreft het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.
Burgemeester en wethouders kunnen bij het instemmingsbesluit zo nodig in afwijking van het gemelde
voornemen voorwaarden stellen aan het tijdstip en de werkwijze van de werkzaamheden. Door deze
coördinatie kan de overlast van graafwerkzaamheden voor burgers en bedrijfsleven beperkt worden. Artikel 5: Nadere regel handboek kabels en leidingen
Het college stelt een handboek kabels en leidingen vast. Dit bevat een groot aantal
standaardvoorschriften waar een ieder zich aan moet houden. Het instrument van nadere regels maakt het tevens mogelijk met minder uitgebreide vergunningen te werken. Het handboek kan ook van toepassing worden verklaard op werkzaamheden voor gemeentelijke netwerken.
De verplichting informatie uit te wisselen brengt mee dat het college een netbeheerder (of een
vergunningaanvrager of vergunninghouder), kan verzoeken planningsoverzichten te geven van
werkzaamheden die de netbeheerder de komende jaren verwacht te gaan uitvoeren, en informatie op een door het college voorgeschreven wijze digitaal aan te leveren. Artikel 6. Vergunning
In het eerste lid van dit artikel is in afwijking van het model van het GPKL expliciet aangegeven dat een netbeheerder voor het hebben en houden een vergunning nodig heeft (zie het algemene deel van de toelichting).
In het tweede lid is het verbod eveneens van toepassing verklaard op bouwterreinen die als weg in beheer zullen worden genomen. Men kan daarbij denken aan (het deel van) een bouwterrein dat door een projectontwikkelaar wordt ontwikkeld en daarna door de projectontwikkelaar aan de gemeente als openbare weg in eigendom wordt overgedragen, waarna de gemeente die grond als openbare weg in beheer neemt. Met weg wordt bedoeld een openbare weg zoals omschreven in artikel 1.1 sub c van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010. De projectontwikkeling vindt meestal plaatst op basis van een planologisch besluit, en over de uitgifte van grond, of de (terug)levering van grond, die als openbare weg door de gemeente in beheer wordt genomen, worden overeenkomsten gesloten tussen de gemeente en de projectontwikkelaar. In het kader van de realisatie van het bouwplan worden hier meestal in overleg tussen ontwikkelaars, gemeente en kabel- en leidingenbeheerders nadere afspraken over gemaakt. Het is belangrijk dat de gemeente de inrichting van die toekomstige openbare grond via deze verordening kan sturen. In het derde lid is de bevoegdheid voor het college opgenomen vrijstelling van de vergunningplicht te
verlenen voor werkzaamheden aan gemeentelijke netwerken die door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd. Het gaat hier om werkzaamheden aan openbare verlichting,
verkeersregelinstallaties, en riolering e.d. De gemeente kan de uitvoering van die werkzaamheden via
opdrachten e.d. goed aansturen (bestek en directievoering) en het beperkt de regellast. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vrijstelling voorwaarden verbinden. De gemeente en haar
opdrachtnemer moeten conform de door het burgemeester en wethouders vastgestelde Handboek kabels en leidingen werken.
Artikel 7. Indienen aanvraag en beslistermijnen
In lid 5 is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (de lex silencio positivo) niet van toepassing is op de beslistermijnen van artikel 7; hetgeen betekent dat de vergunning voor
werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en leidingen niet als van rechtswege verleend mag worden beschouwd bij het verstrijken van de beslistermijn.
In het aanvraagformulier wordt ook aangegeven welke informatie moet worden overlegd om te kunnen beoordelen of voor de werkzaamheden een archeologievergunning nodig is. Artikelen 8. Weigeringsgronden
Artikel 8 somt de weigeringsgronden voor het verlenen van de vergunning op. De gronden zijn deels
gelijkluidend met de belangen zoals genoemd in artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Ook kan het college, op grond van artikel 9, voorschriften en beperkingen aan vergunningen
verbinden. Dit artikel is deels in lijn met artikel 5.4, tweede en derde lid, van de Telecommunicatiewet. Hinder en overlast kan niet altijd worden voorkomen. Het gaat om het zoveel mogelijk beperken van overlast en hinder, waarbij alle belangen tegen elkaar worden afgewogen.
De weigeringsgrond sub f (de ondergrondse ordening) kan worden toegepast om de
gebruiksmogelijkheden van de openbare grond voor werken van de gemeente en derden te
beschermen. De ruimte In de ondergrond is op sommige plekken zeer schaars. Voorts moet bij het
uitgeven van vergunningen rekening worden gehouden met de toekomstige gebruiksmogelijkheden
van de ondergrond. zo is het wenselijk In de toekomst meer bomen In de stad plaatsen (het groene van de stad) wat tot meer ondergronds ruimtebeslag leidt. Ook zullen er in de toekomst meer Riolen
worden aangelegd (gescheiden rioolstelsel) en leidt de energietransitie tot extra ruimtebeslag (ruimte voor zwaardere electriciteisnetten, voor extra warmtenetten, en voor WKO’s. Een aantal
beleidsuitgangspunten zijn vastgelegd in hoofdstuk 12 van het Handboek kabels en leidingen. Deze weigeringsgrond (die specifiek zit op de ordening van de (schaarse) fysieke ondergrondse ruimte),
moet worden onderscheiden van de weigeringsgrond sub g. die specifiek ziet op de realisatie van het gemeentelijke beleid op het gebied van de energietransitie.
In lid 1 sub g wordt een nieuwe weigeringsgrond in de verordening geïntroduceerd waarmee
burgemeester en wethouders invulling kunnen geven aan de regierol die de gemeente heeft gekregen in het kader van de energietransitie (zie ook het algemene deel van deze toelichting). Een vergunning
kan worden geweigerd indien dit in het belang is in het kader van de realisatie van gemeentelijk beleid op het gebied van de energietransitie, waaronder in ieder geval (doch niet uitsluitend) begrepen de realisatie van gemeentelijk beleid gericht op het aardgasvrij maken van een gebied;
Daarmee wordt gedoeld op beleid dat is opgenomen in een beslissing van het gemeentebestuur dat
een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het gemeentebestuur te nemen besluiten of te verrichten (andere) handelingen, ten einde de doelstelling aardgasvrij te
bereiken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de [x], de TVW en later het uitvoeringsplan. ). Zie verder uitgebreid de toelichting in het algemene deel van deze toelichting. Artikel 9. Voorschriften en beperkingen
Wat betreft eventueel te stellen voorschriften met betrekking tot het tijdstip van de werkzaamheden
geldt dat dit (parallel aan artikel 5.4, derde lid, onder b, van de Tw) in beginsel niet later mag liggen
dan 12 maanden na het gemelde voornemen. Hiermee wordt voorkomen dat de termijnen waarbinnen
gemeenten de werkzaamheden toestaan te zeer uiteen gaan lopen. Het tijdstip van de werkzaamheden zal echter in het overgrote deel van de gevallen veel eerder liggen dan de genoemde 12 maanden. Deze termijn wordt genoemd om aanbieders de zekerheid te bieden dat de aanvang niet later kan
liggen dan 12 maanden, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn van publiek belang die zich hier tegen verzetten. Slechts in dat geval kan het college een later gelegen tijdstip voorschrijven.
Tevens is een mogelijkheid opgenomen om de realisatie van gemeentelijk beleid op het gebied van de energietransitie, waaronder in ieder geval (doch niet uitsluitend) begrepen de realisatie van
gemeentelijk beleid gericht op het aardgasvrij maken van een gebied te beschermen of te dienen door
het verbinden van voorschriften aan een vergunning. Hiermee wordt het gemeentelijk instrumentarium ter bescherming van dit beleid verder aangevuld (naast de voornoemde weigeringsgrond). Artikel 10. Gegevensverstrekking
In artikel 10 is aangegeven welke gegevens bij de aanvraag moeten worden overlegd. Het uitvoeringsplan bevat een aantal gegevens zoals bekend is uit het stelsel van de
Telecommunicatiewet (zie artikel 5.4, lid 4, van de Tw). Bij de melding van werkzaamheden in het
kader van deze wet dient eveneens een uitvoeringsplan te worden gevoegd. Het tweede en derde lid bepalen vervolgens wat dit uitvoeringsplan ten minste moet bevatten.
Werkzaamheden aan kabels en leidingen vinden vaak plaats in gronden met archeologische waarden. Om die reden is het wenselijk bij de ontvangst van een vergunningaanvraag direct te kunnen beoordelen of voor de werkzaamheden een vergunning op grond van de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg nodig is.
Om die reden is in lid 2 sub g de eis opgenomen dat bij de vergunningaanvraag een uitsnede van de vigerende archeologische waardenkaart wordt overlegd als de werkzaamheden plaats vinden in een gebied met archeologische waarde.
In de meeste gevallen kan de informatie uit het uitvoeringsplan direct in de aanvraag worden opgenomen en hoeft geen afzonderlijk uitvoeringsplan te worden bijgevoegd.
Voor de uitvoering van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard behoeft geen BLVC plan te worden
opgesteld. Een dergelijke eis zou niet in niet proportioneel zijn gezien de aard van de werkzaamheden. Het college stelt voor wat betreft de gegevensverstrekking een standaardformulier vast (op grond van artikel 4:4 van de Awb), waarmee degene die de werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wil uitvoeren op eenvoudige wijze een aanvraag kan doen.
In de verordening is aangegeven wanneer een aanvrager een BLVC-plan moet indienen. Het college kan
echter, als zij dat wenselijk acht, ook in andere gevallen, een aanvrager verplichten een BLVC-plan in te dienen. Dit is bij uitzondering zelfs mogelijk als het om werkzaamheden van niet ingrijpende aard gaat.
Artikel 11. Herstel openbare gronden na beëindiging werkzaamheden/ verwijderen buiten gebruik gestelde kabels en leidingen
Om de gebruiksmogelijkheden van de openbare grond niet te beperken, en uit het oogpunt van een goede ordening van de openbare grond is het wenselijk dat buiten gebruik gestelde kabels en leidingen worden verwijderd.
Dit geschiedt zoveel mogelijk is gelijktijdig met de uitvoering van andere werkzaamheden in de
ondergrond door de netbeheerder zelf, de gemeente of derden, om hinder door uitvoering aan de weg te beperken en kosten voor de netbeheerder te beperken.
Dit laat onverlet dat het college, alle belangen afwegend, kan beslissen dat een kabel of leiding moet
worden verwijderd. Het gaat steeds om een afweging van alle belangen, waarbij ook de kosten die een beheerder moet maken worden meegewogen.
Als een buiten gebruik gestelde kabel of leiding (langere tijd) blijft liggen, kan het college ook nadere maatregelen opleggen (met het oog op de in artikel 7 genoemde belangen).
Als de kosten voor het verwijderen van kabels en leidingen op het moment van buiten gebruik stellen
voor rekening van de netbeheerder zouden zijn gekomen, komen die kosten ook voor rekening van de netbeheerder als de kabel of leiding later wordt verwijderd. Hiervan kan in overleg tussen college en netbeheerder worden afgeweken.
Artikel 12. Ernstige belemmeringen en storingen/ breekverbod vergunde werkzaamheden
Het eerste lid omvat een uitzondering op het verbod in het geval van ernstige belemmeringen en
storingen. Ernstige belemmeringen en storingen moeten in beginsel onmiddellijk kunnen worden verholpen. De werkzaamheden moeten wel direct worden gemeld bij het college (of bij een
gemachtigde). In het tweede lid is aansluitend geregeld dat de het college alsnog kan besluiten dat
werkzaamheden in verband met het verhelpen van ernstige belemmeringen en storingen niet op het voorgenomen tijdstip plaatsvinden.
Voot Telecomkabels bevat de Telecommunicatiewet een aparte regeling welke van toepassing is op
telecomkabels. Bij telecomkabels heeft de wetgever ervoor gekozen de burgemeester bevoegd te
maken, om het tijdstip van spoedeisende werkzaamheden te verplaatsen als dit nodig is vanwege de openbare orde of gevaar. In dit artikel is ervoor gekozen het college bevoegd te maken . Het college kan in zijn beslissing dan alle in het geding zijnde belangen meewegen.
Het artikel bevat voorts de grondslag om vergunde werkzaamheden te schorsen, als het college dit noodzakelijk acht (bijvoorbeeld vanwege evenementen, de kerstperiode, of vorst). Dit is in het handboek nader uitgewerkt.
Artikel 13 Intrekken of wijzigen vergunning / aanwijzing college tot wijzigen of verwijderen kabel of leiding
Voor het nemen van maatregelen (waaronder het verplaatsen van telecomkabels bevat de wet een
regeling (artikel 5.8 Telecommunicatiewet). Voor niet-telecomkabels ontbreekt zo’n regeling. Het is
wenselijk dat de gemeente dit vanwege haar taak voor het ordenen van de ondergrond (wat bijna altijd ook een relatie met de bovengrond heeft) op grond van artikel 149 Gemeentewet in haar verordening regelt. Deze regeling wijkt op een aantal punten af van de Telecommunicatiewet.
De regeling in de Telecommunicatiewet ziet op werken en werkzaamheden ten behoeve van de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werkzaamheden van de gedoogplichtige (en
vereenvoudigd samengevat: degene die van de gedoogplichtige een specifiek (civiel) recht hebben gekregen).
De regeling in de verordening, voor niet-telecom-kabels, is eenvoudiger en iets ruimer. De kabel- en
leidingbeheerder moet een kabel of leiding aanpassen, verplaatsen of verwijderen, indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de realisatie van een werk (of de uitvoering van werkzaamheden) van de gemeente of een derde.
Artikel 5.8 Tw regelt ook wie de kosten draagt voor de aanpassing van telecomkabels. Die kosten
worden in de meeste gevallen gedragen door de kabelbeheerder (liggen om niet, verplaatsen om niet). In de verordening is dit niet (direct) geregeld voor niet-telecom-leidingen. Het college is bevoegd een vergunning te wijzigen of in te trekken, of een vergunninghouder of rechthebbende een aanwijzing te
geven een kabel of leiding aan te passen of te verwijderen. Als het college een vergunning beëindigt of wijzigt, of een aanwijzingsbesluit neemt, moet de vergunninghouder op eigen kosten de kabel of leiding verwijderen of zodanig aanpassen of verwijderen. Dit zijn rechtmatige besluiten (tenzij in
bezwaar of beroep anders zou worden geoordeeld). Een vergunninghouder of rechthebbende heeft
recht op nadeelcompensatie, als hij gevolg van een rechtmatig besluit onevenredige schade leidt. Het college heeft hiervoor een nadeelcompensatieregeling vastgesteld (op dit moment: de Beleidsregel
Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen gemeente Utrecht 2018). Een netbeheerder heeft recht op een vergoeding als die regeling dat bepaalt, in alle andere gevallen draagt de kabelbeheerder de kosten zelf.
De Telecommunicatiewet kent niet het systeem dat het instemmingsbesluit wordt ingetrokken of
gewijzigd (wat wel voor de hand had gelegen, omdat het gaat om instemming om een kabel in de
grond te houden). De wetgever heeft op dit punt voor een eenvoudiger systeem gekozen (dat tot lagere bestuurlijke lasten leidt). Als de gedoogplichtige een verzoek tot het nemen van maatregelen aan een
telecomkabel doet, moet de kabelbeheerder die maatregel nemen (zie hierboven, artikel 5.8 Tw). In de verordening heeft de gemeenten voor niet-telecom-kabels en leidingen dit systeem overgenomen (zie artikel 13 tweede lid). Op grond van dat artikellid kan het college een netbeheerder een aanwijzing geven een kabel of leiding aan te passen, te verleggen of te verwijderen. De verlegging moet wel
noodzakelijk zijn (onderzoeksplicht college) en het college moet de netbeheerder een redelijke termijn geven de werkzaamheden uit te voeren). Dit is een eenvoudiger systeem dan het intrekken of wijzigen
van een vergunning. Met het nemen een aanwijsbesluit om een kabel of leiding te verleggen, vervalt de vergunning een kabel of leiding in de grond te hebben of te houden.
Het systeem waarbij het college een aanwijzing geeft, leidt tot lagere bestuurlijke lasten, en voorkomt problemen in de praktijk. Het blijkt vaak voor te komen dat niet duidelijk of er een vergunning is
verleend, de rechthebbende stelt dat de gemeente in het verleden civielrechtelijk toestemming heeft verleend, of de vergunning (c.q. de verklaring of overeenkomst waarin de toestemming zou zijn
vastgelegd) niet is terug te vinden. Het risico dat een vergunning of een toestemmingsverklaring niet terug is te vinden, ligt weliswaar bij de vergunninghouder, die moet stellen en bewijzen dat er een
vergunning is verleend, maar deze situatie leidt in de praktijk tot veel discussie met netbeheerders, en het maakt de handhaving veel lastiger. De regeling in de verordening maakt het voor het college mogelijk goed te sturen op de ordening van de ondergrond en vertraging bij de uitvoering van projecten van de gemeente, derden (projectontwikkelaars, en kabel- en leidingbeheerders te voorkomen.
Voor zowel het intrekken of wijzigen van een vergunning als voor het aanwijzingsbesluit geldt, dat het college onderzoekt of verplaatsing en aanpassing van de kabel of leiding noodzakelijk is, waarbij de belangen van de vergunninghouder/rechthebbende, de gemeente en derden tegen elkaar worden gewogen.
Artikel 13 tweede lid is ook van toepassing als er geen vergunning is verleend, of er voor de kabel of leiding civielrechtelijk toestemming is verleend. Als er een opstalrecht is gevestigd moet de regeling van het opstalrecht worden gevolgd.
Het college heeft een nadeelcompensatieregeling voor het vergoeden van kosten als gevolg van het aanpassen, verleggen of verwijderen opgesteld. Dit is een beleidsregel.
Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen het vaststellen van de noodzaak van verplaatsing en
de plaats van het nieuwe tracé, welke vaak qua tijd aan een strak tijdspad gebonden spoedeisend zijn, en het vaststellen van de vergoeding van kosten. Als je de kosten vooraf nauwkeurig wil vaststellen kost dit veel tijd, en die informatie is (op het niveau van kostenbegroting) op het moment van het nemen van het besluit tot intrekking van de vergunning of het verleggingsverzoek, nog niet
beschikbaar of nog sterk aan wijzigingen onderhevig (omdat er nog geen aannemersbegroting is, of het werk, in overleg tussen alle betrokkenen net anders wordt uitgevoerd dan eerst is bedacht).
Het is echter praktischer dit te doen nadat de verlegging is uitgevoerd, omdat dan precies bekend is
welke kosten (exact) zijn gemaakt, welke informatie je nodig hebt om een nadeelcompensatiebesluit te nemen. De definitieve kostenvergoeding is afhankelijk van door de kabelbeheerder na uitvoering van
het project te overleggen informatie (o.a. aannemersbegroting). Dit kan tot vijf jaar na nadat hij van het college een aanwijzing tot het aanpassen of verleggen van een kabel of leiding heeft ontvangen.
Dit laat overigens onverlet dat de (geraamde) kosten van verlegging altijd (reeds in de fase van het initiatiefoverleg) worden meegenomen in het onderzoek naar nut en noodzaak van de verlegging. Het college hecht groot belang aan een goede samenwerking tussen de gemeente en de
netbeheerders. Daarom heeft de gemeente in overleg met de netbeheerders afspraken gemaakt, om in een vroegtijdig stadium van een project overleg te voeren over, de noodzaak van verplaatsing, en de
mogelijkheden door optimalisaties (bij kabelwerkzaamheden of werkzaamheden van de gemeente of
derden) de kosten voor kabel- en leidingbeheerders te beperken. Ook dient in goed overleg plaats te vinden over het nieuwe tracé waarin de kabel of leiding wordt gelegd. De gemeente streeft daarbij
steeds naar overeenstemming met alle betrokken kabel- en leidingbeheerders, maar dit laat onverlet
dat de eindbeslissing (dit vaak ordening van de ondergrond, en daarmee de bovengrond raakt) bij het college ligt.
Relevante jurisprudentie is Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:5907 en Raad van State 5 december 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BY5135. Art 15 Nadere regel handboek kabels en leidingen
De verplichting informatie uit te wisselen brengt mee dat het college een beheerder (of een
vergunningaanvrager of vergunninghouder), kan verzoeken planningsoverzichten te geven van
werkzaamheden die de netbeheerder de komende jaren verwacht te gaan uitvoeren, en informatie op een door het college voorgeschreven wijze digitaal aan te leveren.
Art 16: Meldingen en beslistermijnen
De Telecommunicatiewet geeft in artikel 5.4 nauwkeurig aan welke voorschriften het college aan een instemming kan verbinden. Om die reden is dit niet in de verordening geregeld.
In het aanvraag(melding)formulier wordt ook aangegeven welke informatie moet worden overlegd om te kunnen beoordelen of voor de werkzaamheden een archeologievergunning nodig is. Art 17: Gegevensverstrekking
Werkzaamheden aan kabels en leidingen vinden vaak plaats in gronden met archeologische waarden. Om die reden is het wenselijk bij de ontvangst van een vergunningaanvraag direct te kunnen beoordelen of voor de werkzaamheden een vergunning op grond van de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg nodig is.
Om die reden is in lid 2 sub g de eis opgenomen dat bij de vergunningaanvraag een uitsnede van de vigerende archeologische waardenkaart wordt overlegd als de werkzaamheden plaats vinden in een gebied met archeologische waarde.
In de meeste gevallen kan de informatie uit het uitvoeringsplan direct in de aanvraag worden opgenomen en hoeft geen afzonderlijk uitvoeringsplan te worden bijgevoegd.
Voor de uitvoering van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard behoeft geen BLVC plan te worden
opgesteld. Een dergelijke eis zou niet in niet proportioneel zijn gezien de aard van de werkzaamheden. Het college stelt voor wat betreft de gegevensverstrekking een standaardformulier vast (op grond van artikel 4:4 van de Awb), waarmee degene die de werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wil uitvoeren op eenvoudigere en verkorte wijze een aanvraag kan doen.
In de verordening is aangegeven wanneer een aanvrager een BLVC-plan moet indienen. Het college kan
echter, als zij dat wenselijk acht, ook in andere gevallen, een aanvrager verplichten een BLVC-plan in te dienen. Dit is bij uitzondering zelfs mogelijk als het om werkzaamheden van niet ingrijpende aard gaat.
Artikel 19. Ernstige belemmeringen en storingen/breekverbod
In dit artikel wordt aan de artikelen 5.4, vierde lid, onder f, en 5.6 van de Telecommunicatiewet
voldaan. In het geval van spoedeisende werkzaamheden in verband met ernstige belemmeringen en storingen aan een openbaar elektronisch netwerk kan worden volstaan met een melding aan de
burgemeester of een door hem of haar aan te stellen ambtenaar. Ernstige belemmeringen of storingen in de communicatie zijn niet nader omschreven, wel wordt in de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel als voorbeeld gegeven de situatie van een kabelbreuk (Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55).
De bevoegdheid van zesde lid ziet niet op spoedeisende werkzaamheden maar op werkzaamheden waarmee het college heeft ingestemd. Zie verder de toelichting bij artikel 12 zevende lid.
Het regime voor werkzaamheden in verband met het verhelpen van ernstige belemmeringen en storingen geldt niet in de bijlage 1 aangewezen gebieden (eerste lid). Artikel 21 Strafbepaling
De strafbaarstelling is op deze plaats beperkt tot een aantal handelingen uit hoofdstuk 2. Strafbaarstelling van de mededeling en instemming met bijbehorende voorschriften voor
werkzaamheden inzake de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienst van een
openbaar communicatienetwerk, anders gezegd de handelingen waarop hoofdstuk 3 van toepassing is, verloopt via de Wet op de Economische Delicten (via artikel 1, onder vier, van de genoemde wet).
Artikel 22 en 24 Overgangsrecht en inwerkingtreding
Het artikel bevat een uitgebreide regeling voor niet telecom-kabels en leidingen welke met
civielrechtelijke toestemming van de gemeente in de openbare grond liggen, of waarvan de publiekrechtelijke grondslag niet duidelijk is.
De strekking van het artikel is alle niet-telecom kabels die aan de definitie van kabels of leidingen van artikel 1 voldoen onder de werking van dit artikel te brengen. Het begrip toestemming wordt gebruikt voor rechten op civielrechtelijke grondslag, het begrip instemming voor rechten op publiekrechtelijke grondslag.
Het voordeel hiervan is dat er een uniforme publiekrechtelijke regeling ontstaat voor alle niettelecomleidingen die in de openbare grond liggen.
Omdat de gemeente niet kan overzien of er problemen ontstaan als oude kabels en leidingen op deze wijze onder de werking van de verordening wordt gebracht is het vijfde lid als vangnetbepaling opgenomen.
Voor het toepassen van de beleidsregel voor nadeelcompensatie geldt dat het geven van civielrechtelijke toestemming geldt als de datum van vergunningverlening.
Het overgangsrecht ziet niet op telecom kabels en leidingen. Dat is al goed in de Telecommunicatiewet geregeld.
De verordening treedt vijf weken na bekendmaking in werking en is van toepassing op alle kabels en leidingen in openbare gronden. De reden hiervoor is dat de gemeente er groot belang aan hecht dat één uniform sturingsinstrument is voor alle in de openbare gronden aanwezige kabels en leidingen. Directe werking is ook aanvaardbaar doordat houders van bestaande vergunning voor niet-telecom
kabels of leidingen niet of slechts in beperkte mate in hun rechtspositie worden geschaad. Het college is op grond van de huidige APV ook al bevoegd een vergunning voor het in de weg hebben van een
voorwerp in te trekken of te wijzigen (zie art. 17 jo. art. 6 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010), en de gemeente kan civielrechtelijke verleende instemming, c.q. met een kabelbeheerder gesloten overeenkomsten, eenzijdig beëindigen (zie Hoge Raad 28 oktober 2011(Ronde Venen):
opzegging duurovereenkomst voor onbepaalde tijd). Voorts is de nadeelcompensatieregeling van
toepassing verklaard op kabels en leidingen die op grond van het overgangsrecht van rechtswege een vergunning hebben gekregen. Bepalend voor de afschrijftermijn is dan echter de datum vanaf welk moment de kabel of leiding in de grond is gelegd.
Bijlage 1
ArcGIS Web Application