Toelichting Verordening horeca gemeente Utrecht.docx
Tekst van het document
Bijlage bij Verordening horeca gemeente Utrecht Toelichting bij Verordening horeca gemeente Utrecht
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities -
Bezoeker Niet iedereen in een horecabedrijf is een bezoeker van dat bedrijf. De leidinggevende en het personeel zijn er bijvoorbeeld aan het werk. Ook anderen kunnen daar aanwezig zijn als dat vereist is voor bijvoorbeeld schoonmaak of reparatie. Het gaat erom dat buiten sluitingstijden om geen bezoekers in het horecabedrijf aanwezig mogen zijn.
-
Horecabedrijf
Veel verschillende soorten bedrijven vallen onder het begrip horecabedrijf. Bijvoorbeeld als daar logies worden verstrekt (overnachtingen worden aangeboden), drank wordt geschonken, voedsel (spijzen) of rookwaar wordt verstrekt. In de regel is dit tegen betaling (bedrijfsmatig). In de begripsomschrijving zijn verschillende soorten horecabedrijven opgenomen die veel voorkomen. Nieuw zijn short stay bedrijven die vanaf 1 januari 2018 aanwezig zijn, hiervoor is ook een exploitatievergunning nodig. De opsomming is niet volledig, want onder horecabedrijf vallen alle openbare inrichtingen. Of een bedrijf een horecabedrijf is moet daarom per geval worden bekeken. De bepalingen uit deze Verordening horeca gemeente Utrecht (hierna: Verordening horeca) zien op alle ruimten van een horecabedrijf waar horeca-activiteiten plaatsvinden of waar werkzaamheden voor het horecabedrijf uitgevoerd worden. Een woning boven een horecabedrijf valt daar meestal niet onder, maar een terras bij een horecabedrijf wel. In gemeente Utrecht zijn de verschillende soorten horecabedrijven onderverdeeld in categorieën A tot en met D3, waar een hinderprofiel aan gekoppeld is. De onderverdeling is bepaald aan de hand van de zwaarte van het horecabedrijf. In het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht (OHU) staan het type horecabedrijf, de bijbehorende categorie en een algemene
beschrijving van de activiteiten opgesomd. Deze Verordening horeca sluit aan bij de indeling zoals die is opgenomen in het OHU. In het OHU wordt expliciet verwezen naar de mogelijkheid in horecabedrijven om waterpijp/shisha te roken en dus rookwaar aan te bieden. Soms voor erbij en in andere gevallen als de enige of belangrijkste activiteit in het horecabedrijf. Deze laatste bedrijven hebben altijd een exploitatievergunning nodig en vallen onder zware horeca (categorie B), vanwege de aanloop van bezoekers. Een afhaalzaak is een horecabedrijf dat een bijzondere vorm van detailhandel is en waar drank en voedsel afgehaald kan worden om op een andere plek te eten. Een terras is niet toegestaan. Wel mogen er zitplaatsen zijn om te wachten op de bestelling, maar die zitplaatsen mogen niet gebruikt worden om ter plaatste drank of voedsel te nuttigen. Een afhaalzaak houdt zich aan de Winkeltijdenwet. -
Leidinggevende Het begrip leidinggevende omvat zowel de ondernemer (de vergunninghouder) als de beheerder of bedrijfsleider van het horecabedrijf. Door dit begrip op te nemen, wordt duidelijk dat deze persoon verantwoordelijk is voor de gang van zaken in en bij het horecabedrijf. In een horecabedrijf kunnen meer leidinggevenden (aanwezig) zijn. Van belang is dat als het horecabedrijf geopend is voor bezoekers dan ook altijd een leidinggevende aanwezig is. De omschrijving in de begripsbepaling sluit aan bij het begrip leidinggevende van de Alcoholwet. De eisen aan de aanvrager in artikel 9 gelden voor alle leidinggevenden van het horecabedrijf. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een besloten vennootschap (BV) alle bestuurders van de BV aan de eisen van artikel 9 moeten voldoen. Als de BV onderdeel is van een holdingstructuur, dan gelden de eisen voor alle bestuurders (natuurlijke personen) van de holding. Bij een Vennootschap onder firma (VOF) – en alle andere personenvennootschappen - gelden de eisen voor alle vennoten (personen) van de vennootschap.
-
Paracommerciële instelling
Een stichting of een vereniging wordt gezien als een paracommerciële instelling als in of bij het gebouw waar de stichting of vereniging haar activiteiten uitoefent ook horeca-activiteiten plaatsvinden. Er is aansluiting gezocht bij de Alcoholwet voor de omschrijving van de begripsbepaling en de verbinding met het schenken van alcoholhoudende dranken. Vaak gaat het om horecaactiviteiten in of bij kantines bij sportverenigingen, buurt- en clubhuizen, sociaal-culturele instellingen, kerkgenootschappen en studentenverenigingen. De opsomming in de Alcoholwet en de Verordening horeca is limitatief. Dit betekent dat verenigingen en stichtingen die niet vallen onder de begripsbepaling niet worden gezien als paracommerciële instelling.
Soms wordt de kantine van de stichting of vereniging door een commerciële partij geëxploiteerd. In dat geval is er geen sprake van een paracommerciële instelling en moet de uitbater een exploitatievergunning hebben. De beperkende regels die gelden voor paracommerciële instellingen zijn dan niet van toepassing. -
Terras Op een terras bij een horecabedrijf kan de gast buiten zitten waar het eten of drinken van het horecabedrijf gegeten of gedronken wordt. In het OHU is de mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden bij winkels en (horeca)bedrijven een gevelbankje te plaatsen. Dit bankje kan tijdens openingstijden gebruikt worden door bezoekers om te zitten en te drinken of te eten. Als aan de voorwaarden van het OHU wordt voldaan, dan wordt het gevelbankje niet als een terras gezien en hoeft dus geen exploitatievergunning aangevraagd te worden.
-
Vergunninghouder De exploitatievergunning wordt verleend aan de vergunninghouder. Dat is de persoon die de vergunning heeft aangevraagd. Vaak is dat de ondernemer van het horecabedrijf. Maar het kan ook om meerdere personen gaan, zoals dat geval kan zijn bij een vennootschap onder firma (VOF). De houder van de vergunning is altijd verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om het horecabedrijf. Bij overtreding van de regels wordt de houder van de vergunning daarom als eerste aangesproken. De vergunninghouder moet altijd ingeschreven staan in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit geldt ook voor stichtingen en verenigingen. Een onbeperkt gevolmachtigde kan ook als vergunninghouder worden aangemerkt. Een beperkt gevolmachtigde wordt niet als vergunninghouder beschouwd.
Hoofdstuk 2 Bepalingen voor horecabedrijven
Algemeen De basisregel is dat elk horecabedrijf een exploitatievergunning nodig heeft. De burgemeester toetst elke aanvraag aan een aantal criteria voordat zij de vergunning verleent. Dat kan onder meer gaan om de eisen die gesteld worden aan de aanvrager van de vergunning en leidinggevenden, de locatie waar het horecabedrijf moet komen, de planologische regels, en de invloed op de woon – en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf. De burgemeester kijkt ook altijd of de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu en de woon- en leefsituatie van
omwonenden voldoende worden beschermd. Deze mogen niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Als het nodig is, kan de burgemeester voorschriften aan een exploitatievergunning verbinden om hiervoor te zorgen.
Artikel 4 Vergunningplicht Lid 2 De exploitatievergunning wordt verleend voor een horecabedrijf zoals dat is aangevraagd. Als het horecabedrijf wijzigt van bijvoorbeeld een café naar een restaurant of als het horecabedrijf ook na winkeltijden open wil zijn in plaats van alleen overdag, dan verandert de aard van het horecabedrijf. Dit kan van invloed zijn op de belangen die de Verordening horeca probeert te beschermen. Ook kan het gebruik of de uitoefening van het horecabedrijf niet meer voldoen aan de regels van het bestemmingsplan en daarmee in strijd komen. Als de aard van een horecabedrijf wijzigt, dan moet een nieuwe exploitatievergunning worden aangevraagd om te toetsten of de belangen die in de Verordening horeca worden genoemd nog voldoende worden beschermd. Het gewijzigde gebruik is pas toegestaan als een nieuwe vergunning voor dat gewijzigde gebruik is verleend. Lid 3 De burgemeester kan in een besluit bepalen dat bepaalde bedrijven geen exploitatievergunning hoeven aan te vragen. De burgemeester kan daaraan voorwaarden verbinden. Het gaat hierom horecabedrijven die onder de begripsbepaling ‘horecabedrijf’ vallen, maar waarvan eventuele nadelige invloed op de (woon)omgeving (zeer) beperkt is, en waarvan weinig tot geen overlast te verwachten valt. De bevoegdheid van de burgemeester kan gelden voor bepaalde delen van de stad of voor de hele gemeente.
Als de nadelige invloed van een horecabedrijf te groot wordt, dan kan de burgemeester besluiten dat voor een horecabedrijf de vergunningplicht wel geldt. De burgemeester kan dan voorschriften verbinden aan de vergunning ter bescherming van de belangen van de woonomgeving. Lid 4 Horecabedrijven waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt moeten wel aan de andere bepalingen van de Verordening horeca voldoen, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn. Een horecabedrijf moet áltijd mogelijke nadelige invloed op de omgeving beperken, óók als dat horecabedrijf exploitatievergunningvrij is. In een exploitatievergunningvrij horecabedrijf hoeft geen leidinggevende aanwezig te zijn die op het aanhangsel van de vergunning staat, omdat er geen vergunning nodig is.
Exploitatievergunningvrij staat niet gelijk aan regelvrij. De burgemeester kan altijd handhavend optreden als gehandeld wordt in strijd met de overige bepalingen van de Verordening horeca. In dat handhavingsbesluit kunnen voorschriften worden opgenomen om de nadelige invloed op de omgeving te beperken. En als dat onvoldoende helpt, dan kan de burgenmeester bepalen dat voor dit horecabedrijf het verbod van lid 1 weer geldt, zodat alsnog een exploitatievergunning aangevraagd moet worden waar voorschriften aan gesteld kunnen worden.
Artikel 5 Voorschriften Lid 1 De burgemeester kan voorschriften verbinden aan een exploitatievergunning. Dit kan de burgemeester bij het verlenen van een vergunning, maar ook achteraf in een apart besluit als al een vergunning verleend is. De voorschriften zien op de belangen die de Verordening horeca beschermt. Het niet naleven van de voorschriften kan een reden zijn om handhavend op te treden. Als de ernst van de overtreding daar aanleiding toe geeft dan kan de burgemeester de exploitatievergunning ook in zijn geheel intrekken. Lid 3 Een terras bij een horecabedrijf is meestal gelegen op een openbare plaats in de zin van de Algemene Plaatselijke Verordening van gemeente Utrecht. De burgemeester stelt voorschriften aan een exploitatievergunning voor een terras - naast de voorschriften voor een horecabedrijf onder lid 1 - om onevenredige overlast door het gebruik van de openbare ruimte te voorkomen. Die voorschriften zien vooral op doelmatig gebruik van de openbare ruimte, het aanzien van de gemeente, de veiligheid en het onderhoud van de openbare en (gemeentelijke) voorzieningen. Een voorschrift in een exploitatievergunning voor een terras kan zijn dat de burgemeester deze vergunning tijdelijk verleent. Dit betekent dat de vergunning dan niet voor onbepaalde tijd is. De reden van deze inperking is dat de burgemeester een dwingende maatregel heeft van algemeen belang.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een herinrichting van de openbare ruimte is voorzien op of rondom de locatie van het terras. Ook kunnen dwingende maatregelen noodzakelijk zijn vanwege de veiligheid van de doorstroming van het fiets- en voetgangersverkeer of voor de brandveiligheid. Ook dan kan de burgemeester besluiten een exploitatievergunning voor een terras tijdelijk te verlenen. De burgemeester kan ook een exploitatievergunning voor een terras geheel of gedeeltelijk intrekken als dat noodzakelijk is vanwege de herinrichting van de openbare ruimte of de veiligheid van het verkeer. Als hier sprake van is, dan heeft de burgemeester de verplichting om dit tijdig aan de vergunninghouder te melden.
De mogelijkheid van een tijdelijke vergunning voor een terras brengt met zich mee dat een ondernemer bij de overname van een horecabedrijf altijd goed moet informeren naar ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het terras. De burgemeester toetst bij de overname van een horecabedrijf aan de geldende regels. Bij een overname kan het zo zijn dat een bestaand horecabedrijf in afwijking van de geldende regels exploiteert, omdat hier in het verleden een vergunning voor is verleend. De geldende regels zijn leidend bij de aanvraag die de ondernemer indient na overname. Het kan dus zo zijn dat hij minder vergund krijgt dan de vorige vergunninghouder van het horecabedrijf. De nieuwe exploitant doet er daarom goed aan om bij de gemeente te informeren wat is toegestaan op grond van de geldende regels, voordat hij het horecabedrijf overneemt.
Artikel 6 Eisen aan een vergunning Lid 1 Een exploitatievergunning is persoonsgebonden. Dat geldt voor een natuurlijke persoon, maar ook voor een rechtspersoon. De reden hiervoor is dat de vergunninghouder een belangrijke rol speelt in de wijze van exploitatie en bedrijfsvoering van het horecabedrijf. Die rol kan niet willekeurig door iedereen worden uitgevoerd. Ook moet de aanvrager van een exploitatievergunning aan verschillende eisen voldoen voordat een vergunning verleend wordt. De vergunning is niet overdraagbaar door het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Lid 2 Uit de vergunning moet blijken wat het adres is van het horecabedrijf. Ook wordt in de vergunning het soort en de aard van het horecabedrijf vermeld, waarbij wordt aangesloten bij het OHU. Aan de hand hiervan kan worden bepaald of de aard van het horecabedrijf is gewijzigd en of nog aan de exploitatievergunning wordt voldaan. Uit de stukken bij de vergunningaanvraag moet duidelijk blijken wat de exacte locatie van het horecabedrijf is en in welke omgeving het ligt. Dit moet worden verduidelijkt aan de hand van een plattegrond. Ook moet duidelijk zijn hoe de indeling van het horecabedrijf is en uit welke horecalokaliteiten het bedrijf bestaat. Dit wordt vermeld op een situatietekening. Lid 3 Een horecabedrijf kan een of meerdere leidinggevenden hebben.
Deze worden opgenomen in het aanhangsel bij de exploitatievergunning. Door wijzigingen in het personeelsbestand kunnen er nieuwe leidinggevenden bijkomen of leidinggevenden van het aanhangsel worden gehaald. Door deze werkwijze hoeft bij een wijziging van de leidinggevenden alleen het aanhangsel aangepast te worden en niet gelijk een nieuwe vergunning aangevraagd te worden.
Artikel 7 Exploitatievergunning vervalt Algemeen De exploitatievergunning vervalt als de exploitatie van een horecabedrijf is beëindigd, als het horecabedrijf wordt overgedragen aan een andere ondernemer of geen gebruik (meer) wordt gemaakt van de vergunning na vergunningverlening. Dit betekent dat de exploitatie wordt gestopt door de vergunninghouder en hij het horecabedrijf niet meer exploiteert of niet meer op de wijze exploiteert zoals dat is aangevraagd en vergund. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden en daarom niet geheel of gedeeltelijk overdraagbaar aan een andere persoon of rechtspersoon. Er zijn horecabedrijven die wel gebruikt hebben gemaakt van de exploitatievergunning, maar op een gegeven moment de exploitatie hebben gestaakt. Als die periode langer dan een jaar duurt dan komt de exploitatievergunning te vervallen, tenzij er sprake is van overmacht. Dat is bijvoorbeeld het geval als de exploitatie van het horecabedrijf is gestaakt door brand in het horecabedrijf en de vergunninghouder zijn horecabedrijf opnieuw moet opbouwen of bij langdurige ziekte van de vergunninghouder.
Artikel 8 Eisen aan de aanvraag Algemeen Om een aanvraag om een exploitatievergunning goed te kunnen beoordelen, moet de aanvrager de nodig gegevens en documenten aanleveren. Aanvragers maken gebruik van een vastgesteld aanvraagformulier om ervoor te zorgen dat de aanvraag zo volledig mogelijk wordt ingediend. Voldoet een aanvrager hier niet aan, dan wordt hij altijd in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen, voordat de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Lid 2, sub a In de aanvraag wordt de aard, de locatie en de situering van het horecabedrijf vermeld. Uit een moet duidelijk blijken wat voor soort horecabedrijf wordt aangevraagd, zodat de burgemeester daar een categorie op grond van het OHU aan kan verbinden. Ook moet de locatie van het horecabedrijf duidelijk zijn uit de adresgegevens. Een situering maakt de indeling van het horecabedrijf duidelijk. Dat kan eventueel aan de hand van een plattegrond, die onder lid 2, sub c wordt gevraagd. Lid 2, sub b Bij de aanvraag wordt in ieder geval een duidelijke beschrijving van het soort horecabedrijf toegevoegd, met een plattegrond van het hele horecabedrijf en een situatietekening van de indeling van het horecabedrijf. De plattegrond en situatietekening hebben een duidelijk maatvoering (schaal 1:100). Dit geldt voor alle horecalokaliteiten.
Als een terras wordt aangevraagd, dan moet ook duidelijk blijken waar dat terras in de openbare ruimte komt te liggen en waar voorwerpen (zoals tafels, stoelen, parasols en afscheidingen) worden geplaats, zodat het getoetst kan worden aan de Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht (hierna: Beleidsregel terrassen).
Een duidelijke beschrijving en plattegrond zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen of de aard en/of omvang van het horecabedrijf is gewijzigd. Dit kan een reden zijn om de exploitatievergunning in te trekken, zie artikel 12, eerste lid, onder f. Lid 3 De burgemeester kan altijd aanvullende stukken vragen voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning. Een opsomming is niet limitatief, maar het kan bijvoorbeeld gaan om een ondernemingsplan, menukaart, huurcontracten van het pand, verklaringen van de Belastingdienst etc. De aanvullende stukken kunnen nodig zijn ter verduidelijking van de aanvraag en ook om te bepalen of de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen ingezet moet worden. Lid 4 Een aanvraag om een exploitatievergunning moet digitaal worden ingediend. Dit betekent ook dat een aanvraag direct betaald moet worden. Dit is zo bepaald in de Legesverordening gemeente Utrecht.
Artikel 9 Eisen aan de aanvrager Algemeen Een leidinggevende van een horecabedrijf moet aan verschillende eisen voldoen voordat een exploitatievergunning wordt verleend. Dit is ook het geval als een nieuwe leidinggevende op het aanhangsel van de vergunning moet worden bijgeschreven. Deze eisen zijn opgenomen, omdat een leidinggevende een belangrijke rol heeft in de wijze van bedrijfsvoering en exploitatie van het horecabedrijf. Zo zal een leidinggevende het personeel en de bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij speelt het eigen gedrag van de leidinggevende een grote rol. Lid 1, sub b Een leidinggevende mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Voor de beoordeling of daar sprake van is, wordt aansluiting gezicht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 en de bestaande jurisprudentie. De burgemeester weigert aanvragen voor een exploitatievergunning als een leidinggevende gedrag heeft vertoond of een veroordeling op zijn naam heeft staan die aanleiding geven om te oordelen dat een leidinggevende van slecht levensgedrag is. In deze beoordeling worden in ieder geval de volgende gedragingen meegenomen: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, illegaal gokken, gebruik en/of handel in drugs, rijden onder invloed, discriminatie, bejegening, bedreiging en fysiek handelen/geweld tegen medewerkers van
politie en toezichthouders en een eventuele eerdere weigering van een exploitatievergunning vanwege slecht levensgedrag. Daarnaast heeft het intrekken van een vergunning gevolgen voor de boordeling van levensgedrag. In beginsel wordt alleen gekeken naar gedragingen en veroordelingen die in een periode tot vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag van een exploitatievergunning hebben plaatsgevonden. Maar een vergunning kan ook geweigerd worden als oudere gedragingen of veroordelingen wijzen op slecht levensgedrag. De burgemeester heeft de beoordelingsvrijheid om alle gedragingen en veroordelingen te betrekken bij haar oordeel om te bepalen of sprake is van slecht levensgedrag. Lid 1, sub c De leeftijdseis van 21 jaar om alcoholhoudende dranken te mogen schenken, sluit aan bij de eisen uit de Alcoholwet. Er geldt een leeftijdseis van achttien jaar als geen alcoholhoudende drank wordt geschonken. Van een persoon met deze leeftijd mag worden verwacht dat hij voldoende levenservaring, verantwoordelijkheidsgevoel en overwicht heeft om op te treden bij verstoring van de belangen die de Verordening horeca beoogt te beschermen. Lid 2 In afwijking van het eerste lid, sub b, kan een exploitatievergunning worden verleend, en kan een leidinggevende worden bijgeschreven op het aanhangsel, als deze persoon geen schuld heeft aan de sluiting van het horecabedrijf.
Dit is vaker het geval bij een leidinggevende, omdat een vergunninghouder direct verantwoordelijk is voor de wijze van exploitatie, aansturing van het personeel en de bedrijfsvoering. Een voorbeeld van de uitzonderingsgrond is als een horecabedrijf wordt gesloten vanwege slecht levensgedrag van de vergunninghouder en de leidinggevende daar geen betrokkenheid bij heeft. De vergunninghouder of leidinggevende moet de burgemeester van voldoende informatie voorzien, zodat zij kan beoordelen of er sprake is van schuld aan de sluiting of intrekking van de exploitatievergunning.
Artikel 10 Beslistermijn Lid 1 De termijn om op een aanvraag te beslissen is acht weken. Dit wil niet zeggen dat het altijd acht weken duurt voordat een exploitatievergunning verleend wordt. De snelheid hangt vooral samen met de compleetheid van de stukken die worden ingediend bij de aanvraag. De beslistermijn begint formeel te lopen op de dag na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Deze termijn kan worden verlengd (opgeschort) als de aanvrager van de exploitatievergunning wordt gevraagd om zijn aanvraag aan te vullen (artikel 4:5 en 4:15 Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 11 Weigeringsgronden Lid 1 Bij het bepalen van de bestemming van panden in een gebied is gekeken naar het woon- en leefklimaat en is bepaald of een horecabedrijf daar passend kan zijn. Is dat niet het geval, en wordt dus niet voldaan aan de planologische regels, dan weigert de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning. Lid 4 Als de aanwezigheid van een horecabedrijf een ontoelaatbaar nadelige invloed heeft op de omgeving van het horecabedrijf, dan weigert de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning. De belangen die de burgemeester toetst zien op de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu en de woon- en leefsituatie van omwonenden. Daarbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en wijk, de aard van het horecabedrijf, de spanning waaraan de woon- en leefsituatie al blootstaat en verder komt te staan door de exploitatie van het horecabedrijf en eventueel de wijze van bedrijfsvoering van de aanvrager in andere horecabedrijven. Lid 5 De burgemeester weigert de aanvraag als naar haar oordeel de feitelijke toestand niet overeen kan komen met de situatie uit de aanvraag. Met deze regel is aansluiting gezocht bij de Alcoholwet, waarin een soortgelijke regel is opgenomen (artikel 27, eerste lid, sub b).
Hiermee wordt onder meer voorkomen dat schijnconstructies worden gebruikt om een exploitatievergunning te krijgen of dat de wijze van exploitatie of de bedrijfsvoering, zoals die op papier is aangevraagd, redelijkerwijs niet overeenkomen met de situatie in de praktijk. Lid 6 In de Beleidsregel terrassen zijn verschillende regels opgenomen waar een terras aan moet voldoen voordat een exploitatievergunning voor een terras wordt verleend. Die regels zien op de locatie en het gebruik van het terras. Als een terras niet voldoet aan de Beleidsregel terrassen dan wordt de aanvraag voor het hele horecabedrijf geweigerd, omdat het terras onderdeel uitmaakt van het horecabedrijf. De aanvrager kan in de gelegenheid worden gesteld om zijn aanvraag aan te passen (en het terras uit de aanvraag te halen), voordat de burgemeester de aanvraag voor het hele horecabedrijf weigert.
Artikel 12 Intrekking exploitatievergunning Algemeen Er zijn verschillende redenen zijn om een verleende exploitatievergunning in te trekken. In dit artikel zijn onder lid 1 de redenen genoemd wanneer de burgemeester de vergunning altijd
intrekt, de zogenoemde imperatieve gronden. Lid 2 geeft de burgemeester beoordelingsruimte om te bepalen of wordt overgegaan tot intrekking van de exploitatievergunning. Lid 2, sub c Veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten kunnen ertoe leiden dat een exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk moet worden ingetrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval als beleid verandert of als een herinrichting van de openbare ruimte gevolgen heeft voor de grootte van een terras en een veilige doorstroming van het verkeer. De intrekking wordt goed gemotiveerd en tijdig kenbaar gemaakt aan de vergunninghouder, omdat de vergunninghouder geen rekening kon houden met deze nieuwe situatie en daar geen directe invloed op heeft. De vergunninghouder wordt in de gelegenheid gesteld om de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie. Bij een tijdelijke exploitatievergunning die verleend is op grond van artikel 5, lid 3 van de Verordening horeca, is deze situatie anders. In dat geval wist de vergunninghouder dat zijn vergunning tijdelijk was.
Lid 3 Het gaat hier om het intrekken van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf en niet om het volledig sluiten van een pand. Dit betekent dat andere functies in het pand wel zijn toegestaan. Het intrekken van de vergunning voor een bepaalde termijn is veelal op grond van ontoelaatbare verstoring van de woon- en leefsituatie door de exploitatie van een horecabedrijf. Bij een gedwongen sluiting van het horecabedrijf is in de regel sprake van een ontoelaatbare verstoring van de woon- en leefsituatie, waarvoor de vergunninghouder verantwoordelijk is. Het is dan noodzakelijk om de rust in de omgeving van het horecabedrijf te herstellen. De burgemeester kan bepalen dat de vergunninghouder na intrekking van zijn vergunning voor een termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe exploitatievergunning krijgt. Hij kan aan het eind van die termijn wel een nieuwe aanvraag indienen, zodat zijn aanvraag getoetst kan worden aan de regels, maar de vergunning wordt pas verleend nadat de opgelegde termijn is verstreken
Hoofdstuk 3 Overige bepalingen voor horecabedrijven
Artikel 13 Openings- en sluitingstijden Lid 1 In principe gelden in gemeente Utrecht geen sluitingstijden voor horecabedrijven. Wel gelden schenktijden voor bepaalde categorieën van instellingen (artikel 20) en moeten sport- en
jeugdorganisaties en instellingen tussen 01.00 uur en 07.00 uur gesloten zijn op grond van het vierde lid van dit artikel. In sommige gevallen zijn sluitingstijden opgenomen in een bestemmingsplan. Als daar sprake van is dan gelden die sluitingstijden. Lid 2 Voor terrassen geldt een openings- en sluitingstijd. Doordat terrassen veelal op een openbare plaats zijn gelegen kan vooral in de nachtelijke uren overlast ontstaan. Om die reden is de sluitingstijd van een terras uiterlijk 01.00 uur. Lid 3 De burgemeester kan bepalen dat ruimere openingstijden gelden voor terrassen, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn bij zomers weer of tijdens festiviteiten. Zo geldt sinds 2005 een bijzondere regel voor langere openingstijden van terrassen bij mooi weer (de zogenoemde 25 graden plus regeling). Deze regel is opgenomen in de Beleidsregel terrassen. Lid 4 De sluitingstijden voor sport- en jeugdorganisatie en instellingen zijn gelijk gesteld met de schenktijden voor deze instellingen, zie artikel 20 van de Verordening horeca. Dit vergemakkelijkt het toezicht en de handhaving op de regels en helpt te voorkomen dat na 01.00 uur nog drank wordt geschonken. Lid 5 De burgemeester kan de openings- en sluitingstijden van een horecabedrijf beperken als dat noodzakelijk is. De beperking kan ook gelden voor meerdere horecabedrijven in een bepaald gebied.
De burgemeester maakt gebruik van deze bevoegdheid om de belangen die genoemd zijn in dit artikel te handhaven en te beschermen. Ook kan de burgemeester dit doen als de druk op deze belangen te groot wordt. Dat laatste hoeft niet per se te komen door het horecabedrijf; er kunnen ook andere redenen zijn om de openings- en sluitingstijden te beperken.
Lid 6 Er zijn bedrijven die exploitatievergunningplichtig zijn, maar waarvoor andere openingstijden gelden, omdat zij vallen onder de Winkeltijdenwet. Dit geldt bijvoorbeeld voor afhaalzaken. Ook bepaalde soorten snackbars behoren tot deze categorie. Ook worden de openingstijden van sommige horecabedrijven reguleerd in het bestemmingsplan. Voor deze bedrijven gelden de onbeperkte openingstijden dus niet.
Artikel 14 Aanwezigheid leidinggevende horecabedrijf Algemeen Leidinggevenden hebben een belangrijke rol in de exploitatie en de wijze waarop door de exploitatie de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid, de zedelijkheid en de woon- en leefsituatie van omwonenden kan worden beïnvloed. Daarom moet de persoon als leidinggevende aan een aantal voorwaarden voldoen. Van een leidinggevende wordt verwacht dat hij voldoende gezag en verantwoordelijkheid heeft om de orde in en rondom het horecabedrijf te handhaven en bezoekers aan te spreken als dat nodig is. Dat geldt voor alle leidinggevenden die op het aanhangsel van de vergunning staan. Dit neem niet weg dat de vergunninghouder verantwoordelijk is en blijft voor de gang van zaken in het horecabedrijf, ook als de vergunninghouder zelf niet aanwezig is. De exploitatievergunning met aanhangsel, of een afschrift daarvan, moet altijd aanwezig zijn in het horecabedrijf om te kunnen controleren of een leidinggevende op het aanhangsel staat bijgeschreven. De burgemeester kan op grond van artikel 4, lid 3, van deze verordening bepalen dat het verbod om een horecabedrijf te exploiteren zonder exploitatievergunning niet geldt voor bepaalde soorten horecabedrijven. Een gevolg hiervan is dat in die horecabedrijven geen leidinggevende aanwezig hoeft te zijn die op het aanhangsel van de vergunning staat, omdat er geen vergunning nodig is.
Het kan voorkomen dat een leidinggevende van een horecabedrijf vanwege ziekte of overmacht moet invallen bij een andere vestiging van het horecabedrijf, bijvoorbeeld bij een winkelketen. Dit is toegestaan en wordt gezien als aanwezigheid van een leidinggevende, mits dat incidenteel voorkomt. Gebeurt het vaker dan moet de vergunninghouder ervoor zorgen dat een leidinggevende wordt bijgeschreven op het aanhangsel van de vergunning van het horecabedrijf waar hij invalt. Een leidinggevende die invalt in een ander horecabedrijf moet kunnen aantonen dat hij op het aanhangsel van de vergunning staat van het horecabedrijf waar hij zelf werkt. Lid 2 In het beleid Tijdelijk verblijf (short stay) en bijstelling hotels staat dat geen leidinggevende aanwezig hoeft te zijn bij logiesbedrijven – hotels en short stay bedrijven – met maximaal 10 kamers Wel moet er sprake zijn van 24-uurs telefonische bereikbaarheid. Vanaf 11 kamers is de aanwezigheid van een leidinggevende verplicht. De vergunninghouder moet aan enkele voorwaarden voldoen. De eerste voorwaarde is dat het voor iedereen binnen en buiten het logiesbedrijf duidelijk moet zijn met welke persoon (een beheerder) contact opgenomen kan worden bij meldingen of calamiteiten (lid 2, sub a).
Die beheerder moet binnen 15 minuten ter plaatse kunnen zijn (lid 2, sub b). Deze beheerder mag een andere persoon zijn dan de vergunninghouder, maar handelt altijd voor rekening en risico van de vergunninghouder. Ook moet in het logiesbedrijf bij de ingang sprake zijn van permanent cameratoezicht, zodat controleerbaar is wie het logiesbedrijf in- en uitgaat (lid 2, sub c). Een laatste voorwaarde is dat de sleuteloverdracht en het inchecken van bezoekers in persoon plaatsvindt (lid 2, sub d). Dat kan zijn in het logiesbedrijf zelf of op een andere locatie. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan dan moet altijd een leidinggevende aanwezig zijn in het horecabedrijf. Lid 3 Grote logiesbedrijven werken met verschillende leidinggevenden. Het blijkt in de praktijk lastig en kostbaar om alle dagen en nachten van de week een leidinggevende aanwezig te hebben in het logiesbedrijf. Vandaar dat het mogelijk is gemaakt om tijdens de nachtelijk uren, als de zelfstandige horeca gesloten is, te werken met nachtportiers die toezicht houden in het logiesbedrijf. Normaal is in een horecabedrijf altijd een leidinggevende aanwezig. Ook is in een zelfstandige horecalokaliteit in een logiesbedrijf altijd een leidinggevende aanwezig vanwege de regelgeving in de Alcoholwet.
Als de horecalokaliteit in het logiesbedrijf gesloten is na 23.00 uur, dan kan het toezicht plaatsvinden door een nachtportier. Deze nachtportier hoeft niet als leidinggevende op het aanhangsel van de vergunning te staan. Wel moet de nachtportier in het bezit zijn van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), als hij voor het eerst bij het logiesbedrijf werkt, en hij moet voldoen aan de eisen voor bedrijfshulpverlening (BHV). De vergunninghouder zorgt ervoor dat deze gegevens aanwezig zijn in het horecabedrijf. Het aantal kamers geeft een bepaalde grootte van logiesbedrijven aan waar voldoende bedrijvigheid is om misstanden te signaleren en toezicht door een nachtportier mogelijk te maken. Hoe kleiner het logiesbedrijf, hoe minder bedrijvigheid en dus ook minder personen die misstanden kunnen signaleren. De combinatie van grootte en nachtportier is een mogelijkheid om niet te veel te tornen aan adequaat toezicht en tegelijkertijd ondernemers tegemoet te komen. Zelfstandige horeca wil zeggen een restaurant, bar of vergelijkbaar bedrijf in het logiesbedrijf, die ook toegankelijk is voor bezoekers die geen gebruik maken van het logiesbedrijf, en waarvan de bedrijfsvoering er ook op gericht is dat andere bezoekers dan van het logiesbedrijf gebruik maken van de zelfstandige horeca.
Artikel 15 Melden nieuwe leidinggevende Algemeen Door leidinggevenden op te nemen in een aanhangsel bij de exploitatievergunning hoeft niet bij elke wijziging van een leidinggevende een nieuwe vergunning aangevraagd te worden. Een logisch gevolg hiervan is dat een vergunninghouder tijdig een aanvraag moet indienen om een leidinggevende bij te laten schrijven. Lid 7 In het horecabedrijf moet altijd een actuele vergunning met aanhangsel aanwezig zijn. Om die reden verstrekt de burgemeester bij een wijziging altijd een nieuwe versie van het aanhangsel.
Artikel 16 Handel Heling en andere handel is niet toegestaan in een horecabedrijf. Onder dit verbod valt ook het toelaten van heling en handel. De vergunninghouder is verantwoordelijk in het horecabedrijf om hiertegen op te treden. Om die reden wordt de vergunninghouder aangesproken op overtredingen van dit verbod.
Artikel 17 Zicht in het horecabedrijf Het is onwenselijk om het zicht van buitenaf in het horecabedrijf te ontnemen, omdat daarmee toezicht wordt belemmerd. Daarnaast is het wenselijk om de straat open en aantrekkelijk te houden, waardoor het gevoel van veiligheid toeneemt.
Hoofdstuk 4 Paracommerciële horeca
Artikel 18 Paracommerciële rechtspersonen Artikel 4 van de Alcoholwet geeft de mogelijkheid om onderscheid te maken in de aard van paracommerciële rechtspersoon. De indeling in dit artikel sluit hierbij aan, waarbij de rechtspersonen verdeeld zijn naar aard van de instelling. Het onderscheid ziet vooral op de schenktijden die bij de instelling gehanteerd worden. Om die reden zijn instellingen van sociaal-culturele aard onderverdeeld in instellingen die zich richten op buurten, wijken of stadsdelen (denk aan buurthuizen) en andere instellingen van sociaal-culturele aard.
Paracommerciële instellingen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard zijn bijvoorbeeld studentenverenigingen, studentensportverenigingen en studieverenigingen.
Artikel 19 Aanwezigheid leidinggevende of barvrijwilliger Zie artikel 14 voor een toelichting op de verplichte aanwezigheid van een leidinggevende als alcoholhoudende drank wordt verstrekt door een paracommerciële instelling. Ook kan worden volstaan met een barvrijwilliger als die voldoet aan de eisen in artikel 9, lid 2, Alcoholwet.
Artikel 20 Schenktijden Het doel van de Alcoholwet is om oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca zoveel mogelijk te voorkomen en alleen beperkingen aan paracommerciële rechtspersonen op te leggen als dit noodzakelijk is. Die beperkingen zien vooral toe op de verkoop van alcoholhoudende drank, omdat de verkoop van alcoholhoudende drank geen hoofdactiviteit is van de paracommerciële instelling. Door schenktijden te bepalen, wordt de verkoop van alcoholhoudende drank beperkt. In gemeente Utrecht geldt de beperking vooral voor sport- en recreatieve verenigingen en buurt- en wijkhuizen. Deze instellingen mogen geen verkapte horecabedrijven worden, waar nog tot ver na de laatste activiteiten, goedkoper dan in de reguliere horeca, alcoholhoudende drank wordt geschonken. De overige instellingen vormen in de regel geen oneerlijke concurrentie voor de reguliere horeca. Dat komt door de tijden waarop de meeste activiteiten van de instellingen plaatsvinden en door het (meestal) besloten karakter van de activiteiten.
Artikel 21 Verstrekken alcohol tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard Bijeenkomsten van persoonlijke aard zijn vieringen van levensgebeurtenissen van leden van de vereniging. Bijvoorbeeld een bruiloftsfeest, verlovingsfeest, verjaardag of een jubileum. Tijdens deze bijeenkomsten mag geen alcoholhoudende drank verstrekt worden, om oneerlijke concurrentie met reguliere horeca tegen te gaan. Of een bijeenkomst van persoonlijke aard is, wordt niet alleen bepaald aan de hand van de omschrijving van de doelstelling(en) van de statuten van die instelling, maar ook aan de hand van de geconstateerde feitelijke situatie door toezichthouders van de gemeente. Daarbij wordt gekeken of er sprake is van oneerlijke concurrentie voor reguliere horeca, en zo ja, in welke mate.
Het schenken van alcoholhoudende drank is toegestaan tijdens feesten die direct betrekking hebben op de activiteiten van de vereniging zelf, zoals een afscheid van de voorzitter, een kampioenschap of andere festiviteiten.
Artikel 22 Verstrekken alcohol tijdens bijeenkomsten van derden Wanneer een activiteit valt binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon (de vergunninghouder), dan mag alcoholhoudende drank geschonken worden. Zo kan een voetbalvereniging bijvoorbeeld alcohol schenken aan een dartclub, wanneer zij in hun statuten ‘sportbeoefening’ (en dus niet ‘voetballen’) als doel hebben opgenomen. Ook voor welzijnsaccommodaties geldt dat het schenken van alcoholhoudende drank moeten passen binnen de statutaire doelstelling. Het is een paracommerciële instelling niet toegestaan om commerciële activiteiten te organiseren en daarbij alcoholhoudende drank te schenken. De toezichthouders van de gemeente kijken bij hun beoordeling naar hoe de activiteiten zich feitelijk verhouden tot de doelstelling(en) van de rechtspersoon/de instelling.
Artikel 23 Ontheffingsbevoegdheid burgemeester Lid 1 Deze bevoegdheid is ook opgenomen in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet. De burgemeester geeft alleen een ontheffing van schenktijden of het verbod om alcohol te schenken als het gaat om een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard. Het kan daarbij gaan om een bijeenkomst van persoonlijke aard of een bijeenkomst voor derden. Bijvoorbeeld een feest bij het winnen van een kampioenschap, een 24-uurs marathon of een bijzonder evenement voor een goed doel. Het gaat hier dus nadrukkelijk niet om regulier terugkerende feesten of bijeenkomsten. De burgemeester kan ontheffing verlenen voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf dagen. Er is in de Alcoholwet en in de Verordening horeca geen maximum gesteld aan het aantal keren dat ontheffing kan worden aangevraagd.
Hoofdstuk 5 Toezicht en handhaving
Artikel 24 Sluiting Lid 1 De burgemeester kan een horecabedrijf geheel of gedeeltelijk sluiten als er sprake is van (zwaardere) overtredingen van de Verordening horeca. De voornaamste redenen voor sluiting zijn genoemd in lid 1. Onder zwaardere overtredingen wordt in ieder geval verstaan drugsdelicten, wapens en illegaal gokken. De sluiting van een horecabedrijf geldt in eerste instantie voor een bepaalde tijd. De burgemeester kan het horecabedrijf ook definitief sluiten bij ernstige overtredingen of bij herhaling van overtredingen. De sluiting wordt (openbaar) bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de ingang van het horecabedrijf. Lid 2 De sluiting van een horecabedrijf is gebaseerd op zwaardere overtredingen van deze verordening. Na verloop van tijd kunnen deze overtredingen hersteld zijn of is door tijdsverloop geen sprake meer van een situatie die noodzaakt tot sluiting van het horecabedrijf. Een vergunninghouder kan verzoeken of de sluiting kan worden opgeheven, waarbij hij met relevante feiten en omstandigheden moet aantonen dat er geen sprake meer is van de situatie die heeft geleid tot de sluiting en dat het ook niet aannemelijk is dat die situatie weer gaat ontstaan. Het opheffen van de sluiting kan pas nadat de helft van de opgelegde sluitingstermijn is verstreken.
Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 27 Overgangsbepaling Aanvragen die nog in behandeling zijn op het moment dat de Verordening horeca in werking treedt, worden beoordeeld aan de hand van de regels van deze verordening. Enerzijds wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die niet voldoen aan de aangepaste regels. Anderzijds wordt voorkomen dat meer eisen worden gesteld aan een aanvrager/vergunning dan onder deze verordening noodzakelijk is.