Toelichting burgeragendering energiezuiniger hoogbouw.pdf
Tekst van het document
Toelichting Burgeragendering Energiezuiniger Hoogbouw. Op 12 april 2022 heeft het college een reactie aan de gemeenteraad doen toekomen op het voorstel van de Stichting Klimaat 030 om geen gebruik te maken van de mogelijkheid water bij de wijn te doen m.b.t. wettelijke eisen ten aanzien energiezuinigheid, ook niet in het geval van hoogbouw. Het Bouwbesluit voorziet namelijk in een afwijkingsbevoegdheid. Bouwbesluit art.5.2. lid 3 In afwijking van het eerste lid hoeft een woongebouw niet te voldoen aan de minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie, voor zover het als gevolg van locatiegebonden omstandigheden niet mogelijk is daaraan te voldoen. Tekst Toelichting bij art.5.2 lid 3 (afwijken van het vereiste minimum) Voor een toelichting op de hierboven opgenomen formules wordt naar de NTA 8800 verwezen. Omdat het bij appartementsgebouwen in een stedelijke omgeving regelmatig voorkomt dat het toepassen van zonnepanelen door bijvoorbeeld beschaduwing ten gevolge van andere gebouwen niet zinvol is en alternatieven zoals de warmtepomp niet overal toepasbaar zijn, biedt het derde lid van artikel 5.2 de mogelijkheid om in dergelijke gevallen af te wijken van het vereiste minimum percentage hernieuwbare energie.
Voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is het nodig dat ook andere vormen van hernieuwbare energie zoals bijvoorbeeld aansluiten op een duurzaam lokaal warmtenet, in het specifieke geval niet mogelijk zijn of onvoldoende is om de BENG-eisen te kunnen realiseren. Dus ook bijvoorbeeld een bodemwarmtepomp is niet mogelijk omdat daarvoor locatie specifieke contra-indicaties zijn zoals een nabijgelegen metrolijn of een seismische breuk. Bij een beroep op de uitzonderingsmogelijkheid van dit lid moet ten genoegen van het bevoegd gezag worden aangetoond dat het in dit specifieke geval niet mogelijk is om aan het minimale percentage hernieuwbare energie te voldoen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat dit betekent dat in een dergelijk geval altijd wel het percentage hernieuwbare energie moet worden gerealiseerd dat rekening houdend met de bijzondere omstandigheden, mogelijk is. Om het in de praktijk werken met uitzonderingsmogelijkheid te vereenvoudigen is een leidraad beschikbaar op www.overheid.nl. In de reactie van het college van 12 april 2022 wordt het voorstel van de Stichting ontraden. Op p. 3 van de reactie voert het college aan dat het “zeer zelden” zal voorkomen dat een vergunninghouder een beroep zal doen op de afwijkingsbevoegdheid en dat het tot op heden, sinds de invoering van de BENG niet is voorgekomen.
“Om onze ambitie voor de stad te halen, is voor nieuwbouw onze ambitie een stuk hoger dan de minimum BENG-eisen”. Waar is dan die afwijkingsbevoegdheid voor nodig? Uit bijgaande berekening van Bouwfysisch bureau Zorn blijkt dat het altijd mogelijk is aan de eis te voldoen, die overigens slechts inhoudt dat slechts 40% van de energie hernieuwbaar moet zijn. Dat er, zoals het college aanvoert, nog niet eerder een beroep op de afwijkingsbevoegdheid is gedaan, wijst daar ook op. Niet voldoen aan de minimum eis is niet een kwestie van niet kunnen, maar van niet willen om financiële redenen. Maar kostenbesparing is geen geldige reden, er moet sprake zijn van een onmogelijkheid om aan de minimum eis te voldoen. Volgens de reactie van het college wordt bij een eventuele afwijking een percentage hernieuwbare energie vastgesteld dat op de betreffende locatie wél haalbaar is. Daar zit precies het probleem van de afwijkingsbevoegdheid. Om uit te maken wat wél haalbaar is zijn
normen nodig en die ontbreken geheel: de afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk vast te stellen dat een percentage van 10% of zelfs van 1% wél haalbaar is M.a.w. de afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk heel veel water bij de wijn te doen en dan komt er van die minimale hernieuwbare energie weinig terecht. Dat de zorgen van de Stichting niet voor niets zijn blijkt uit de laatste alinea van de college reactie: “Bouwen in hoge dichtheden zorgt op verschillende manieren voor een lager energiegebruik en houdt daarmee letterlijk ruimte vrij voor de realisatie van andere opgaven. Denk hierbij aan groen, klimaatadaptatie en ontmoeten”. De argumenten om af te wijken van de minimumeis van 40% hernieuwbare energie liggen kennelijk al klaar. Bedacht moet worden dat “locatiegebonden omstandigheden” die reden zou kunnen geven om af te wijken van de minimumeis op hun beurt het gevolg zijn van keuzes die de gemeente maakt: het hoog en in hoge dichtheid bouwen. Het vooruitzicht dat geen afwijking zal worden gegeven, moet er dus toe leiden dat er geen bouwlocaties worden gepland en gecreëerd waarbij het voldoen aan die minimum eisen voor hernieuwbare energie een onmogelijkheid zal blijken te zijn. Conclusie: 1. Volgens het IPCC hebben we maar tot 2025 om onder de 1,5 graad opwarming te blijven. 2. De raad riep in 2019 de klimaatcrisis uit. 3.
Gezien de oorlog in Oekraïne is er nu extra urgentie om energie te besparen. Kennelijk onderkent het college deze urgentie onvoldoende en wil het daarom de mogelijkheid openhouden af te wijken van de minimumeis. Daarom verzoeken wij de raad het college op te dragen de minimale BENG 3 eis voor alle woningen op tenminste 40% hernieuwbare energie te houden.
Namens St. Klimaat030 Kees van Oosten 24-5-2022