CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bij Verordening Jeugdwet gemeente Utrecht 2026

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Jeugdwet gemeente Utrecht 20264.123 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting bij Verordening Jeugdwet gemeente Utrecht 2026 In deze toelichting staan sommige artikelen uit de Verordening uitgebreider

beschreven. Deze toelichting is aanvullend op de Verordening en het is expliciet de bedoeling om deze toelichting samen met de Verordening te lezen. Artikel 1 lid 7 Toegang tot een individuele voorziening is via een verwijzing. Artikel 1 lid 9 Waar ‘Medewerker’ in de Verordening staat, heeft het college die bevoegdheden

ook. In de praktijk zal met name de Medewerker de handelingen en besluitvorming uitvoeren.

Artikel 1 lid 13 Een vertegenwoordiger kan zijn: Gemachtigde: persoon of rechtspersoon aan wie jeugdige en/of ouder een

machtiging heeft gegeven om hem/haar te vertegenwoordigen. Uit de machtiging

moet blijken waar de machtiging over gaat, dus bijvoorbeeld alle communicatie of

alleen communicatie tijdens de onderzoeksfase en besluitvorming of alleen voor de bezwaarprocedure of beheer van de pgb- gelden. Wettelijk vertegenwoordiger: - ouder of voogd van een kind jonger dan 18 jaar. - een andere persoon of rechtspersoon die door de rechter is aangewezen om de zaken te regelen. Dit kan een curator, mentor of bewindvoerder zijn. Artikel 1 lid 14 De selectiefunctionaris, inrichtingsarts en directeur zijn werkzaam bij een Justitiële Jeugdinrichting. Artikel 1 lid 8 Sinds 1 januari 2022 is het nieuwe woonplaatsbeginsel Jeugd van kracht. Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Kort samengevat ligt als hoofdregel de verantwoordelijkheid bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (de BRP). Deze definitie is van toepassing voor jeugdhulp zonder verblijf. Verblijft een jeugdige bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling voor opvang of beschermd wonen of in een justitiële jeugdinrichting dan geldt een uitzondering op de hoofdregel. Dan is voor alle

jeugdhulp de woonplaats de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaande aan zijn verblijf zijn woonadres had in de zin van de BRPAls er sprake is van de uitzondering op de hoofdregel dan adviseert en informeert een lokale toegang uit een andere gemeente ons over aanvragen, herindicaties en wijzigingen in de situatie van de jeugdige.

Artikel 2 lid 1 sub a De basisvoorzieningen opgroei-en opvoedondersteuning zijn er voor alle jeugdigen en ouders die ondersteuning nodig hebben bij de ontwikkeling, het opgroeien of de opvoeding. Dit kan gaan om preventieve en/of lichte ondersteuning op het gebied van (dit is geen uitputtende lijst): meedoen in de samenleving, gezond en veilig opgroeien, mentale gezondheid, passende kinderopvang, schulden, seksualiteit en relaties en opvoeden. Het uitgangspunt is dat de ondersteuning groepsgericht wordt aangeboden, tenzij op basis van professionele afweging geconcludeerd en gemotiveerd is dat individuele ondersteuning beter passend is. De ondersteuning kan worden geboden door vrijwilligers en professionals.

Artikel 2 lid 1 sub b De buurtteams jeugd en gezin bieden in alle buurten generalistische basishulp. Dit is hulp en ondersteuning voor jeugdigen (kinderen, jongeren) en/of ouders dichtbij, meestal thuis op alle leefgebieden, bijvoorbeeld bij (dit is geen uitputtende lijst) opvoedingsvragen, schulden, hulp bij woonproblematiek of dakloosheid, verslaving en relaties. Jeugdigen en ouders kunnen bij de buurtteams terecht als zij op een of meerdere leefgebieden hulp nodig hebben of een probleem ervaren. De buurtteams bieden ambulante hulp/ ondersteuning en begeleiding en voeren geen behandeling uit. De buurtteams zetten zich in om een stabiele gezinssituatie te realiseren of daarin een duurzame verbetering te organiseren voor die jeugdigen en/of ouders die dat nodig hebben. Daarbinnen hebben zij specifiek aandacht voor de ontwikkeling van jeugdigen en het waarborgen van hun veiligheid. De basishulp kan ook gaan om spoedeisende situaties waarbij op korte termijn hulp of ondersteuning moet worden ingezet. Ook voor generalistische basishulp geldt het uitgangspunt dat de ondersteuning groepsgericht wordt aangeboden, tenzij op basis van professionele afweging geconcludeerd en gemotiveerd is dat individuele ondersteuning beter passend is.

Artikel 2 lid 2 sub a Specialistische jeugdhulp is specialistische begeleiding en behandeling. Ook hier geldt het uitgangspunt dat dit groepsgericht wordt aangeboden, tenzij op basis van professionele afweging geconcludeerd en gemotiveerd is dat individuele begeleiding/behandeling beter passend is. Het is voor kwetsbare jeugdigen met een beperking, psychisch of psychosociaal probleem waarbij de inzet specialistische expertise noodzakelijk is, zoals (dit is geen uitputtende lijst) van een orthopedagoog, psycholoog, psychotherapeut of psychiater. Specialistische jeugdhulp wordt over het algemeen geboden door specialistische buurtgerichte teams die in alle wijken in Utrecht actief zijn. Pleegzorg is jeugdhulp waarbij een jeugdige (in deeltijd) verblijft in een pleeggezin.

Het doel van pleegzorg is het bieden van een veilige, gestructureerde opvoedsituatie in een gewone gezinssituatie. Deze zorg kan voor een korte periode zijn, maar is ook bedoeld voor jeugdigen voor wie er geen uitzicht is op terugkeer naar de biologische ouder(s). En de plaatsing kan gepland en in acute situaties ook

ongepland zijn. Pleegzorg kan ook ingezet worden ter ontlasting van het gezin en

het gezinsgericht en niet-gezinsgericht logeren en wonen, bijvoorbeeld in de vorm

van weekendpleegzorg. Conform landelijke richtlijn is in Utrecht de toewijzing voor

pleegzorg standaard tot 21 jaar, waarbij verlenging tot 22 of tot 23 jaar mogelijk is. Bij gezinsgericht logeren & wonen verblijft een jeugdige (in deeltijd) in een voorziening die zoveel mogelijk lijkt op een gezin: kleinschalig, met vaste

opvoeders en waar mogelijk en passend in de buurt. De plaatsing kan zowel gepland als ongepland zijn. De vaste opvoeders bieden, in tegenstelling tot

pleegouders, professionele ondersteuning aan jeugdigen. Zij zijn de vaste en

vertrouwde gezichten voor de jeugdigen. Net als bij opvoedsituaties bij biologische ouders kunnen bij deze gezinsgerichte voorzieningen variaties bestaan zoals co-

opvoederschap. Deze vorm van jeugdhulp kan verschillende doelen hebben zoals het in balans brengen van draagkracht en draaglast in het (pleeg)gezin of het

voorkomen van escalaties doordat de jeugdige enkele dagen gaat logeren. Ook

kunnen jeugdigen er, als dit voor hen het best passend is, voor langere tijd wonen. Niet-gezinsgericht logeren & wonen zijn alle vormen van specialistische jeugdhulp waarbij een jeugdige niet in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening logeert of woont. De plaatsing kan zowel gepland als ongepland zijn. Dit kan bijvoorbeeld gaan om (deeltijd) residentieel verblijf maar ook om tijdelijk verblijf van een jeugdige in een als voor behandeling een tijdelijke opname essentieel is (jeugdige woont thuis). Ook bij deze vorm van jeugdhulp wordt gestreefd naar zoveel mogelijk kleinschaligheid en integraal en gezinsgericht werken.

Artikel 2 lid 2 sub c De hoogspecialistische jeugdhulp bij de essentiële functies is voor kwetsbare jeugdigen met zeer complexe problemen waarbij de veiligheid van de jeugdige en/of de ontwikkeling van de jeugdige door de aard van de problematiek zeer ernstig in het geding is. Zeer complexe problemen zijn een samenloop van meerdere problematieken zoals (dit is geen uitputtende lijst) gedragsproblemen, een (licht) verstandelijke beperking, psychische problemen. De aard van problematiek betreft in ieder geval de jeugdige zelf (zoals ernstige psychische problemen) maar er zijn ook vaak problemen in combinatie met de omgeving/het netwerk waar de jeugdige opgroeit. De essentiële functies kunnen gaan om 1. open behandelgroepen waar jeugdigen verblijven, vrije tijd besteden en naar school gaan, 2. zorg en behandeling in een gesloten jeugdhulpinstelling voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen waardoor zij een gevaar vormen voor zichzelf en/of hun omgeving of 3. specialistische klinische opname en behandeling voor jeugdigen met psychiatrische problematiek. Zorg vanuit essentiële functies kan ook thuis (ambulant) worden geboden in de vorm van bijvoorbeeld consultatie, gesprek en/of huisbezoek, als onderdeel van en ondersteunend aan specialistische jeugdhulp of generalistische basishulp.

Artikel 2 lid 2 sub d De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) maakt namens alle gemeenten

afspraken met aanbieders die schaarse en een landelijke functie vervullen in het zorglandschap. Dit kan gaan om jeugdigen en ouders met zeer complexe problemen en een hoge mate van comorbiditeit (meerdere psychische en

lichamelijke problemen die elkaar beïnvloeden) waardoor deze zorg niet op lokale of (boven) regionale schaal geboden kan worden. De complexiteit van de problematiek en de meervoudigheid van de hulpbehoefte van deze jeugdigen stellen hoge eisen

aan de expertise en kennis van de professionals. Het gaat daarom om de landelijke beschikbaarheid van hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp,

specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties. Ook kan het gaan om zorg en ondersteuning voor jeugdigen en ouders met een weinig voorkomende aandoening. Deze zorg wordt geboden door een klein aantal

gespecialiseerde instellingen voor cliënten uit het hele land. Denk hierbij aan de behandeling van jeugdigen met een zintuigelijke beperking.

Artikel 3 lid 4 Jeugdigen en ouders kunnen contact opnemen met het buurtteam jeugd en gezin, of met de Lokale toegang als zij buiten de gemeente Utrecht wonen. Zij hoeven nog geen geformuleerde hulpvraag te hebben voordat zij contact opnemen met het buurtteam jeugd of gezin of de Lokale toegang. Tijdens het gesprek of seriegesprekken met de Medewerker of de Lokale toegang wordt samen de behoefte en vervolgens de doelen geconcretiseerd. De behoefte kan ook bestaan uit hulp bij aanverwante vragen bij jeugdhulp bijvoorbeeld op het gebied van inkomen, schulden, onderwijs, wonen, scheiden, onveiligheid of (weer) meedoen (hieronder leefgebieden genoemd). De Medewerker of de Lokale toegang wijst de jeugdige en/of ouders/vertegenwoordiger erop dat zij een familiegroepsplan kunnen maken. Dat is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat jeugdigen en/of ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige en/of ouders behoren. Ook wijst de Medewerker of de Lokale toegang de jeugdige en/of ouders erop dat zij zich kunnen laten bijstaan door een onafhankelijk clientondersteuner of onafhankelijk vertrouwenspersoon. JeugdStem voert in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), het onafhankelijk vertrouwenswerk voor de Jeugdwet uit.

Zowel cliëntondersteuners als vertrouwenspersonen kunnen informatie en advies geven aan jeugdigen en ouders die vragen hebben over de jeugdhulp. De cliëntondersteuner kan jeugdige en/of ouders al bijstaan op het moment dat er wordt gezocht naar hulp. Hij ondersteunt dan bij inhoudelijke/hulpverlenende gesprekken en kan ook de jeugdige en/of ouders helpen in het gesprek bij het zoeken naar passende hulp. De vertrouwenspersoon doet dat niet. De vertrouwenspersoon ondersteunt een cliënt bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Als dit is opgelost, dan stopt ook de ondersteuning van de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon ondersteunt niet bij inhoudelijke hulpverleningsgesprekken, maar enkel bij vraag/klachtgesprekken.

Artikel 3 lid 7

Wanneer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts een verwijzing naar een

individuele voorziening afgeeft, dan zorgt het college voor inzet van de jeugdhulp. Dit kan via jeugdhulp in natura waarbij de jeugdhulpaanbieder samen met de

jeugdige en/of ouders beoordeelt hoe lang de jeugdhulp nodig is. Bij verwijzing

door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan de jeugdhulpaanbieder het buurtteam betrekken om te bespreken welke hulp het buurtteam kan bieden en welke hulp de jeugdhulpaanbieder zal bieden.

Daarnaast kunnen jeugdigen en/of ouders de individuele voorziening inkopen door middel van een pgb als wordt voldaan aan de voorwaarden die in Jeugdwet en deze

verordening staan opgenomen. Dit kan alleen na beoordeling door het buurtteam of team Leerlingenvervoer als het een vervoersvoorziening betreft.

Artikel 4 lid 1

In het gesprek met de Medewerker of de Lokale toegang komen, zoals beschreven in dit lid, een groot aantal onderwerpen aan de orde. Er wordt besproken hoe de

huidige situatie op verschillende leefgebieden is, wat de gewenste situatie is en hoe die gewenste situatie kan worden bereikt. Deze verkenning vindt vaak plaats in

meerdere opeenvolgende gesprekken met jeugdige en/of ouders en de Medewerker of Lokale toegang. De Medewerker of Lokale toegang kan vragen stellen over het gezag van de jeugdige.

Tijdens deze gesprekken kunnen de jeugdige en/of ouders ook aangeven dat ze een individuele voorziening willen of nodig hebben.

Bij een aanvraag wordt nagegaan of een voorziening op grond van een andere

wettelijke bepaling voorliggend is, zoals onder andere onderwijswetgeving, Wmo 2015 (behalve begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015), Wet

Langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw). Verpleegkundige handelingen vallen niet onder de Jeugdwet.

Artikel 4 lid 2 Nadat de Medewerker of de Lokale toegang de noodzakelijke hulp voor het gezin in kaart heeft gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen

mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouders)

en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Hiervoor wordt een afwegingskader gehanteerd dat onder andere gebaseerd is op de zelfredzaamheid van de jeugdige en de beschikbaarheid, draagkracht en draaglast verhouding bij de ouders eventueel met inzet van

personen uit het sociaal netwerk. Bij voldoende eigen kracht wordt geen individuele jeugdhulpvoorziening afgegeven, ook niet in de vorm van een pgb. ‘Eigen kracht’ kan verschillende zaken inhouden, zoals: 1. het aanspreken van een aanvullende verzekering; 2. het inzetten van vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk; 3. mogelijkheden van de ouder zelf. Ouders moeten gemotiveerd aangeven waarom en waardoor ze vastlopen aan de hand van voorbeelden.

Ad C Mogelijkheden van jeugdige of ouders Voor alle leeftijden is het gebruikelijk dat ouders kinderen een woonomgeving

bieden waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend

pedagogisch klimaat en zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Wanneer de

verzorging en opvoeding van de kinderen intensiever is, wil dit niet zeggen dat de

ouders, eventueel met behulp van het sociale netwerk, niet voldoende draagkracht hebben om de benodigde verzorging en opvoeding te bieden. Voor een verdere weging, in samenhang met de andere criteria, kunnen onderstaande punten gebruikt worden.

• is de ouder beschikbaar om de benodigde verzorging en opvoeding te bieden; • is de ouder in staat de benodigde verzorging en opvoeding te bieden.

Ad D Draagkracht en draaglast Soms is het zorgen voor een kind, al dan niet in combinatie met andere factoren in het leven van ouder(s), zo zwaar dat sprake is van overbelasting van ouder(s). Er is dan geen of beperkt evenwicht meer tussen draagkracht (=belastbaarheid) en

draaglast (=belasting), vaak gekenmerkt door fysieke en/of psychische klachten van de ouder(s). Vaak is het tijdelijk bieden van hulp voor een deel van de verzorging en opvoeding voldoende om dit evenwicht te herstellen, zodat de ouder(s) weer zelf volledig de verzorging en opvoeding kan gaan bieden. In de gevallen waar de

benodigde verzorging en opvoeding door (dreigende) overbelasting niet of beperkt

geboden kan worden en er geen andere oplossingen mogelijk zijn, kan hulp, binnen de reikwijdte van de Jeugdwet, toegekend worden als individuele jeugdhulpvoorziening.

Beoordeling van overbelasting Factoren van belang voor het onderzoeken van de draagkracht zijn o.a.: • Persoonskenmerken. • Lichamelijke en geestelijke conditie. • Andere activiteiten. • Wijze van omgaan met de problemen. • Motivatie/bereidheid voor de hulptaak. • Het sociale netwerk.

Factoren van belang voor het onderzoeken van de draaglast zijn o.a.: • Persoonskenmerken van de hulpvrager. • Benodigde ondersteuningsintensiteit. • Omvang en (on)planbaarheid van de taken. • Ziektebeeld en prognose hulpvrager. • Woonsituatie. • Bijkomende sociale, emotionele of relationele omstandigheden.

De feitelijke situatie is het uitgangspunt bij het onderzoek naar bovenstaande factoren. Om deze factoren te kunnen onderzoeken moet vaak degene die de

verzorging en opvoeding doet, zelf ook gehoord worden. Indien nodig kan ook

(medisch) advies worden opgevraagd of kan toestemming gevraagd worden om contact op te nemen met de huisarts. Steeds moet duidelijk zijn hoe de

overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de verzorging en opvoeding die iemand biedt. De met de

overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Er zijn landelijk diverse vragenlijsten beschikbaar, zoals EDIZ, EDIZ-plus, CRA-D en CSI die indien gewenst gebruikt kunnen worden om het onderzoek naar de belastbaarheid

van de hulpverlener verder te onderbouwen. Een vragenlijst kan onderdeel uitmaken van het brede onderzoek naar factoren die van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht/draaglast. Bij (dreigende) overbelasting wordt daarnaast in het

onderzoek ook gekeken naar andere oplossingen die kunnen bijdragen aan het

verbeteren van het evenwicht van de draagkracht/draaglast. Te denken valt aan

ondersteuning door een vrijwilliger en coaching door een mantelzorgcoach, maar

ook aan het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk waardoor de belasting

minder wordt. Er kan van de huisgenoot worden gevraagd aanpassingen te doen in dit huiselijk leven en/of werk wanneer dit huiselijk leven en/of werk bijdragen aan

de overbelasting. Wanneer de geldigheidsduur van de toekenning verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

Een individuele voorziening ter vervanging van de verzorging en de opvoeding van de overbelaste ouder kan niet worden ingevuld door middel van een pgb dat

vervolgens uitgevoerd wordt door de overbelaste ouder of mantelzorger. Doel van de indicatie is immers het ontlasten van de ouder door het inzetten van hulp door anderen.

Ad E Samenstelling van het gezin en de woonsituatie Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: de aanwezigheid van een

verantwoordelijk ouder of derde persoon, die zorgt voor hun geestelijk en

lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en

verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind,

inclusief de zorg bij (kortdurende) ziekte. Van ouders wordt verwacht maximaal te zoeken naar eigen oplossingen. Dit geldt ook bij (tijdelijke) uitval van de ouder in

een éénoudergezin- of als beide ouders beperkingen ondervinden in de opvoeding en verzorging van de kinderen. De Medewerker of Lokale toegang onderzoekt, in

geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid van een mantelzorger gevraagd kan worden.

Ad F Belang van de ouders om te voorzien in een inkomen Tijdens het onderzoek wordt het belang van ouders om te participeren/werken/te voorzien in een inkomen besproken met de ouder(s). Daarbij moet worden

uitgegaan van de (financiële en/of participatie/arbeid) situatie van ouder(s) zoals

deze is op het moment van de aanvraag. Verschillende elementen kunnen hier een rol spelen en worden besproken met de ouder(s) zoals:

Als ouder(s) substantieel minder gaan werken/ baan opzeggen om de benodigde

verzorging en opvoeding te bieden, bespreken welke consequenties t.a.v. wonen, dagelijks levensonderhoud, school, activiteiten jeugdige, draagkracht er kunnen zijn.

Motivatie van ouders om te participeren/werken. Het kan bijvoorbeeld voor ouders voor hun eigen ondersteuningsvraag belangrijk zijn om te participeren /werken.

Ook kan arbeid /inkomen /carrière bijvoorbeeld zorgen voor meer draagkracht of

een betere woonsituatie wat weer meer eigen mogelijkheden geeft en/of bijdraagt aan het probleemoplossend vermogen van jeugdige/ouder(s);

Dit is geen uitputtende lijst en dient per situatie beoordeeld te worden en in

samenhang met de andere aspecten van het afwegingskader te worden gewogen. Tijdens het onderzoek kunnen elementen als deze worden besproken met de

ouder(s). Bij dit onderzoek/gesprek wordt niet aan ouders gevraagd om informatie

over de hoogte van het inkomen/vermogen of financiële situatie te overleggen. Ook wordt er geen inkomenstoets of financiële draagkrachtmeting bij ouder(s)

uitgevoerd. Een aanvraag voor een individuele voorziening afwijzen omdat er

voldoende vrij besteedbaar vermogen/ inkomen is (om bijvoorbeeld zelf zorg in te kopen) kan niet. Artikel 4 lid 6

De jeugdige en/of ouders kunnen opmerkingen of aanvullingen maken op het gezinsplan.

Artikel 4 lid 8

Medewerkers van het buurtteam, de Lokale toegang en team Leerlingenvervoer zijn voldoende deskundig om aanvragen voor jeugdhulp te behandelen. Als er

aanvullend specifieke expertise nodig is, dan kunnen zij deze specifieke expertise inschakelen voor oordeel of advies.

Artikel 5 lid 1

Als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van onderwijswetgeving, Wmo 2015 (behalve

begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015), Wet Langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) én jeugdige en/of ouder/vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe, dan kan de

Medewerker/Lokale toegang besluiten een jeugdhulpvoorziening niet toe te kennen. Artikel 5 lid 4

Met de transitie van de jeugdhulp in 2015 is alleen de zorg die onderdeel uitmaakte

van het basispakket van de zorgverzekering overgeheveld naar de gemeente. Alleen vaktherapie als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling van de Jeugd GGZ

maakte onderdeel uit van dit basispakket. Zorg die onder het aanvullende pakket

viel, waaronder op zichzelf staande vaktherapie, is niet overgeheveld. Vaktherapie is mogelijk in combinatie met specialistische ambulante hulp zodat de professional samen met de jeugdige/ouders en andere betrokkenen de juiste afwegingen kan maken hoe en wanneer vaktherapie in te zetten. Artikel 5 lid 5

Als de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de jeugdhulp is of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende jeugdhulpaanbieder, dan kan de aanvraag voor een individuele voorziening worden afgewezen om de jeugdige en/of ouder te beschermen tegen misbruik. Bij deze afweging kunnen de volgende elementen een rol spelen: -

Is het een gemachtigde of wettelijke vertegenwoordiger?

-

Hoe groot is de rol van de vertegenwoordiger in het proces?

-

Wat is de functie/taak/rol van de vertegenwoordiger bij de jeugdhulpaanbieder?

Artikel 5 lid 9

Deze termijn van 6 weken is bepaald om te kunnen aansluiten op de lengte van de zomervakantie van basisscholen. Indien het pgb voor een kortere periode wordt toegekend, wordt het aantal van 13 weken naar rato berekend. Artikel 7

Conform artikel 5 eerste lid sub b is het uitgangspunt dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Team Leerlingenvervoer beoordeelt, overeenkomstig artikel 2, tweede, derde en vierde lid, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

Artikel 9 lid 3 sub b

Het is belangrijk dat hulpverleners werken volgens de norm van verantwoorde hulp conform (Besluit) Jeugdwet. Deze verplichting uit (Besluit) Jeugdwet is door de

Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) in overleg met de brancheorganisaties

uitgewerkt in een norm voor verantwoorde werktoedeling die uit drie onderdelen bestaat:

a. b.

De norm verplicht jeugdhulpbieders tot het werken met geregistreerde

professionals uit het Kwaliteitsregister Jeugd of het BIG-register.

Bij het toedelen van taken moet er rekening worden gehouden met de

specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional. De

kennis en vaardigheden van de professionals dienen passend te zijn bij de hulpvraag van de jeugdige en/of ouders. c.

Jeugdhulpaanbieders moeten ervoor zorgen dat deze geregistreerde

professionals kunnen werken volgens hun professionele standaarden (beroepscodes, vakinhoudelijke richtlijnen).

Leidend bij het toepassen van de norm van verantwoorde werktoedeling is het

principe “comply or explain”. Dat betekent de jeugdhulp moet worden uitgevoerd

door geregistreerde professionals, tenzij jeugdige en/of ouder/vertegenwoordiger op basis van het Kwaliteitskader Jeugd kan motiveren waarom dat niet wordt gedaan.

Artikel 9 lid 3 sub c

Het college kan de aanvraag in de vorm van een pgb (deels of geheel) afwijzen als de aanvraag tot gevolg heeft dat één en dezelfde persoon langer dan 16 weken

meer dan 48 uur per week moet werken. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen. Deze bepaling is bedoeld om overbelasting te voorkomen. Artikel 9 lid 5 sub b

Belangenbehartigers: bijvoorbeeld vertegenwoordigers en/of mensen die

ondersteuning geven aan de jeugdige en/of de ouders waarbij niet de zorg wordt ingekocht.

Artikel 9 lid 5 sub d

De Medewerker of Lokale toegang kan toestaan dat het pgb (deels of geheel) wordt besteed in het buitenland. Bij deze afweging kunnen de volgende elementen een rol spelen: -

Is het doorzetten van de jeugdhulp noodzakelijk?

-

Om welk soort jeugdhulp gaat?

-

Wat is de duur?

Artikel 10 lid 3

Instellingen dienen aan te tonen of en zo ja, welke (relevante) CAO zij volgen. Als zij de relevante CAO voor de betreffende beroepssector slechts gedeeltelijk volgen dienen zij aan te tonen welke onderdelen van de CAO zij toepassen en welke werkgeverslasten dit met zich meebrengt. De Medewerker weegt en motiveert vervolgens of het gedeeltelijk volgen van de CAO en de daarmee gemoeide werkgeverslasten zodanig zijn, dat dit het toekennen van het instellingstarief rechtvaardigt.

Artikel 10 lid 4 sub a Personen die werkzaam zijn binnen een collectief van zelfstandig werkende professionals én zorginstellingen die de in de sector geldende CAO niet naleven ontvangen het zzp-tarief. In al deze situaties is sprake van het ontbreken van of minder werkgeverslasten waardoor, als gevolg van aannemelijke minderkosten, het maximale tarief wordt verlaagd met 17%.

Artikel 11 lid 2 Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een opname in een Wet langdurige zorg (Wlz)-of Zorgverzekeringwet (Zvw)-instelling die langer dan twee maanden duurt. Dit zal met name het geval zijn bij de inzet van persoonlijke verzorging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=5366244c-cc38-42b8-b5fd-45efb15aa441